Door: Johan en Suzan
Datum: 14-06-2026 | Cijfer: 8.9 | Gelezen: 1154
Lengte: Lang | Leestijd: 17 minuten | Lezers Online: 7
Trefwoord(en): Gangbang, Jong En Oud,
Lengte: Lang | Leestijd: 17 minuten | Lezers Online: 7
Trefwoord(en): Gangbang, Jong En Oud,
De zon viel schuin door de hoge, smalle ramen van de Sint-Christoffelkathedraal in Roermond, een diffuus, stoffig licht dat de eeuwenoude stenen muren deed gloeien als oud been. Het was een gewone zondagochtendmis, de lucht zwaar van wierook en het zachte gemompel van gebeden. Buiten ruiste de Maas traag voorbij, maar binnen heerste die bijzondere stilte die alleen kerken kennen: een mengeling van verwachting en vergane devotie.
De banken kraakten zacht onder de gelovigen, rokken ruisten, schoenen schoven over de koude tegels. Voorin, bij het altaar, stond pastoor Van der Linden, een man van middelbare leeftijd met een stem die als warme stroop over de aanwezigen vloeide. Zijn kazuifel hing zwaar om zijn schouders, en af en toe gleed zijn blik naar het koor, waar de jonge stemmen opstegen in een gregoriaans gezang dat ouder was dan de muren zelf. De koorknapen en koormeiden, allemaal net achttien, stonden daar in hun witte gewaden, de stof lichtjes plakkend aan hun huid door de benauwde warmte die in de kerk opsteeg.
Je zag het aan de manier waarop ze ademden, hoe hun borstkas rees en daalde onder het koorhemd, hoe een druppel zweet soms langs een hals gleed en verdween in de kraag. Niemand leek het te merken, nog niet, maar de lucht leek al iets dikker te worden, alsof de heilige ruimte zelf langzaam begon te ademen met een ander ritme.
Het gezang zwol aan, en in de banken voorin verschoof een vrouw onrustig haar benen. Haar hand rustte op haar dij, vingers die lichtjes drukten door de dunne stof van haar jurk. Naast haar zat een man, zijn ademhaling dieper dan normaal, zijn ogen gericht op de jonge koormeid links vooraan, wier lippen zich rond de Latijnse woorden vormden alsof ze iets veel intiemers fluisterden.
De mis vorderde traag, de preek van de pastoor ging over zonde en verlossing, maar de woorden leken te zweven, losgezongen van hun betekenis.
Achterin de kerk leunde een ouder echtpaar naar elkaar toe, hun schouders raakten elkaar, en de vrouw beet zacht op haar onderlip terwijl ze naar de koorknapen keek – die strakke, jonge lichamen onder het witte linnen, de manier waarop hun broeken soms spanden als ze een hoge noot aanhielden.
Pastoor Van der Linden stapte van het altaar af, zijn handen gevouwen, maar zijn ogen donkerder dan de schaduwen in de zijbeuken. Hij liep langzaam langs het koor, zijn gewaad streek langs de benen van een van de koorknapen, een lange jongen met donker haar en een blos op zijn wangen. De jongen keek niet weg. Integendeel. Zijn blik bleef hangen, en even was er dat korte, bijna onzichtbare knikje.
De mis ging door, het offertorium begon, maar de spanning in de lucht was nu tastbaar, als een elektrische lading die zich verspreidde door de banken. Een koormeisje, met volle borsten die tegen haar koorhemd drukten, liet haar hand even langs haar zij glijden, een onschuldig gebaar dat niemand anders opviel – behalve de pastoor, die dichterbij kwam en zachtjes iets in haar oor fluisterde terwijl hij de collecteschaal aannam. Haar wangen kleurden, en ze glimlachte, een klein, geheimzinnig lachje.
Wat begon als een lichte onrust, een warm gevoel in de onderbuik bij velen, groeide langzaam uit tot iets primitievers. In de donkere hoek bij de biechtstoel zag je een hand onder een jas verdwijnen, het zachte geluid van stof die over huid schoof. Een koorknaap verschoof zijn gewicht van het ene been op het andere, zijn gewaad niet helemaal in staat de zwelling te verbergen die zich daar vormde.
De pastoor ging door met de consecratie, het brood en de wijn, maar zijn stem was heser nu, lager. Na de mis zou de sacristie weer die duivelse bende worden, zoals altijd: de deur op slot, de gewaden die op de grond vielen, jonge lichamen die zich gewillig overgaven aan de handen van de priesters.
De 18-jarige koorknapen bogen zich graag voorover over de oude eikenhouten tafel, hun kreunen gedempt door de dikke muren terwijl de pastoor hen nam met een honger die niets met hemelse zaken te maken had. De koormeiden, blozend en nat, klommen op schoot bij meneer pastoor, hun rokken opgetrokken, hun heupen bewegend in een ritme dat heiliger voelde dan welk gezang ook.
Maar voor nu, tijdens de mis, was het nog de langzame opbouw: het kijken, het voelen hoe de opwinding zich verspreidde als een stille koorts door de hele kerk. Roermond wist het, de oude kathedraal wist het. Hier, tussen kruisbeelden en heiligenbeelden, werd de zonde niet verborgen – ze werd gevierd, traag, wellustig, en met een glimlach die niemand hardop durfde te noemen.
De banken kraakten zacht onder de gelovigen, rokken ruisten, schoenen schoven over de koude tegels. Voorin, bij het altaar, stond pastoor Van der Linden, een man van middelbare leeftijd met een stem die als warme stroop over de aanwezigen vloeide. Zijn kazuifel hing zwaar om zijn schouders, en af en toe gleed zijn blik naar het koor, waar de jonge stemmen opstegen in een gregoriaans gezang dat ouder was dan de muren zelf.
De koorknapen en koormeiden, allemaal net achttien, stonden daar in hun witte gewaden, de stof lichtjes plakkend aan hun huid door de benauwde warmte die in de kerk opsteeg. Je zag het aan de manier waarop ze ademden, hoe hun borstkas rees en daalde onder het koorhemd, hoe een druppel zweet soms langs een hals gleed en verdween in de kraag. Niemand leek het te merken, nog niet, maar de lucht leek al iets dikker te worden, alsof de heilige ruimte zelf langzaam begon te ademen met een ander ritme.
Tijdens het offertorium, toen de pastoor met trage, plechtige passen langs het koor schreed en de collecteschaal aanreikte, begon de heilige orde onmerkbaar te verschuiven, alsof de eeuwenoude stenen zelf een zucht van verlichting slaakten. Zijn hand, groot en warm onder de mouw van zijn kazuifel, gleed als terloops onder de zoom van een koorhemd bij een van de achttienjarige koorknapen, een slanke jongen met donkere krullen en een huid die nog de zachtheid van de jeugd droeg.
De witte stof schoof omhoog en daar, in het schuine licht dat door een raam viel, kwam het eerste blote stuk lijf tevoorschijn: een strook gladde, bleke buik, de delicate lijn van zijn heupbeen dat scherp afstak, en lager, waar de broeksband iets losjes zat, het begin van zijn schaamstreek met een dunne schaduw van donker haar. De jongen ademde scherp in maar bleef zingen, zijn stem slechts een fractie trillerig, terwijl zijn geslacht even zichtbaar werd – half stijf al, jong en levend, de eikel glanzend van een eerste druppel voorvocht die in het stoffige kerklicht parelde als een verboden dauw.
Naast hem zakte bij een koormeisje, een volslank meisje met rossig haar en zware borsten, een schouderbandje van haar gewaad omlaag; haar linkerborst kwam vrij, rond en blank, de tepel donkerroze en onmiddellijk stijf in de koele tocht die onder de gewelven hing, de areola zacht gerimpeld van opwinding.
Verderop in de rij trok een andere koorknaap zijn hemd onopvallend hoger op, zodat zijn volle, harde pik nu openlijk te zien was, dik en kloppend tegen zijn onderbuik, de aderen licht gezwollen, terwijl hij zijn blik strak op de pastoor hield met een mengeling van overgave en honger.
Het was nog geen ontbloting in volle glorie, maar die eerste naakte stukken lijf en geslachtsdelen – die bleke huid, die jonge borsten, die stijve jonge lullen die glommen in het halfdonker – lichtten op als heidense tekens te midden van de heilige voorwerpen, en de opwinding sloeg als een warme, trage golf door de hele kerk.
In de banken voorin verschoof een vrouw van middelbare leeftijd haar benen, haar jurk kroop ongemerkt omhoog zodat een stukje dij zichtbaar werd, haar vingers drukten door de stof heen tegen haar kruis terwijl ze staarde naar die ontblote borst en dat kloppende geslacht van de jongen.
Naast haar zat haar man, zijn ademhaling zwaar en hoorbaar, zijn eigen broek strakgespannen over een duidelijke erectie die hij niet eens probeerde te verbergen. Achterin leunde een ouder echtpaar naar elkaar toe, de hand van de vrouw verdween onder de jas van haar man, en je kon het zachte, ritmische bewegen van haar pols zien terwijl ze hem streelde. De mis vorderde, de woorden van de preek over zonde en verlossing klonken nu heser, lager, alsof ook de pastoor zelf de hitte voelde opstijgen.
De wierook leek zwaarder te hangen, vermengd met de lichte, muskusachtige geur van opgewonden lichamen. Straks, na de consecratie, zou de sacristie pas echt ontwaken tot die duivelse bende: gewaden die op de oude eikenhouten vloer vielen, achttienjarige koorknapen die zich gewillig vooroverbogen over de tafel, hun strakke, bleke konten ontbloot en gespreid, terwijl de priesters hen diep en traag neukten met zware stoten die echoden tegen de muren.
De koormeiden zouden kreunend op schoot klimmen bij meneer pastoor, hun natte, gladde kutjes glijdend over harde pikken, hun volle borsten deinend in het kaarslicht, heupen draaiend in een wellustig ritme dat heiliger voelde dan het gezang zelf. Maar voor nu, in deze lange, ademloze paragraaf van de mis, was het nog de langzame, wellustige opbouw: het eerste bloot van jonge huid en geslachtsdelen, de blikken die bleven hangen, de handen die heimelijk bewogen, de hele kerk die langzaam in een stille, collectieve opwinding raakte, alsof de duivel zelf zachtjes lachte vanachter het altaar in Roermond.
De consecratie kwam als een zucht van verlossing die niemand meer wilde. Pastoor Van der Linden hief het brood hoog op, zijn handen trilden licht, niet van devotie maar van pure, rauwe lust.
“Dit is mijn lichaam,” sprak hij, maar zijn stem was een grom, laag en dierlijk. Op dat moment brak de dam. Alsof de heilige woorden zelf een vloek hadden uitgesproken, zakte het koorhemd van de rossige koormeid volledig van haar schouders.
Haar zware borsten vielen vrij, deinend in het kaarslicht, tepels hard en donker als rijpe bessen. Ze zong niet meer. Ze kreunde zacht, een hand gleed naar haar eigen borst, kneedde het vlees terwijl ze de pastoor aankeek met ogen die smeekten om meer.
De slanke koorknaap met de donkere krullen liet zijn gewaad nu openlijk vallen. Zijn jonge, harde pik stond recht omhoog, glanzend van voorvocht, de eikel dik en paars. Hij greep zichzelf vast, trok langzaam aan zijn schacht terwijl hij naar de pastoor stapte. Overal in de kerk vielen nu de maskers af. In de voorste banken trok de vrouw van middelbare leeftijd haar jurk omhoog tot haar middel.
Ze droeg geen slipje. Haar dikke, natte schaamlippen glommen in het schemerlicht terwijl ze twee vingers diep in zichzelf duwde, haar ogen gefixeerd op de ontblote jonge lul van de koorknaap. Haar man rukte zijn broek open, zijn dikke, volwassen pik sprong tevoorschijn, zwaar en kloppend. Hij greep zijn vrouw bij haar haren en duwde haar mond erop, terwijl zij gulzig zoog, kwijl langs haar kin druipend.
Achterin de kerk stond het oudere echtpaar op. De vrouw, grijs maar nog steeds vol vuur, trok haar rok op en boog zich over de bank. Haar man kwam achter haar staan, duwde zijn gerimpelde maar stijve pik in één stoot in haar kut en begon te pompen, hard en ritmisch, zijn ballen klappend tegen haar dijen. Haar kreunen vulden de gewelven.
Pastoor Van der Linden liet het brood vallen. Het rolde over de marmeren vloer terwijl hij het dichtstbijzijnde koormeisje vastgreep – een tenger ding met kleine, stevige tietjes en een strak kontje. Hij rukte haar gewaad kapot, duwde haar voorover over het altaar en trok haar billen uit elkaar.
Haar roze, maagdelijk ogende kutje was al druipnat. Zonder genade ramde hij zijn dikke, priesterlijke pik in haar, tot aan de ballen. Ze gilde het uit, half pijn, half extase, terwijl hij haar hard neukte, het altaar krakend onder hun gewicht. “Neem me, Vader!” hijgde ze. “Vul me met uw zonde!”
De hele kerk ontplofte nu in een orgie van lust en perversie. Koorknapen en koormeiden wierpen hun gewaden af, jonge naakte lichamen overal. Twee jongens vielen op hun knieën voor een derde, likten beurtelings aan zijn stijve pik, tongen draaiend om zijn eikel, speeksel vermengd met voorvocht. Een koormeisje met volle heupen werd door twee oudere mannen uit de banken tegelijk genomen: één in haar kut, de ander diep in haar strakke kontje, terwijl ze kreunend en spastisch klaarkwam, haar sap langs haar benen gutsend.
De pastoor trok zich terug uit het eerste meisje, zijn pik glimmend van haar sappen, en greep een andere koorknaap. Hij duwde de jongen op zijn knieën, ramde zijn lul diep in diens keel tot de jongen kokhalsde en tranen over zijn wangen liepen.
“Zuigen, mijn zoon,” gromde hij. Naast hen lag een koormeid op haar rug op een kerkbank, benen wijd gespreid. Een oudere vrouw uit de gemeente zat op haar gezicht, haar harige, natte kut wrijvend over het jonge mondje, terwijl een koorknaap de meid hard neukte, haar borsten knedend tot ze rood zagen.
De wierook was nu vermengd met de zware, muskusachtige geur van seks, zweet en sperma. Overal klonken natte geluiden: kutjes die werden gevuld, pikken die in monden en konten stootten, handen die vlees kneedden. Een groepje van vier – twee jongens, twee meisjes – lag in een wirwar op de vloer voor het altaar.
Ze likten, vingerden, neukten in elke mogelijke combinatie. Een meisje zat op het gezicht van een jongen terwijl ze een andere jongen pijpte, haar kontje omhoog zodat een derde meisje haar kutje kon likken.
Pastoor Van der Linden was het middelpunt geworden van een pure duivelse bende. Twee koormeiden zaten op hun knieën voor hem, om de beurt zijn dikke pik aflikkend en diep in hun keel nemend, terwijl een derde meisje achter hem zijn ballen likte en een vinger in zijn kont duwde.
Hij brulde van genot, greep een van de meisjes bij haar haren en spoot een dikke lading sperma over haar gezicht en borsten. Het droop langs haar kin terwijl ze het opving met haar tong, lachend van pure wellust.
De sacristie was allang vergeten. De hele kathedraal was nu één groot tempel van de vlees. Oudere gelovigen neukten jonge koorkinderen, jonge lichamen werden dubbel gepenetreerd, monden vulden zich met sperma en kuttsap.
Een koorknaap lag op zijn rug op het altaar, zijn benen omhoog, terwijl een stevige man uit de gemeente hem diep in zijn kont neukte, zijn jonge pik stuiterend op zijn buik. Naast hem zat een koormeisje, vingerend in haar eigen kutje terwijl ze toekeek en klaarkwam met schokkende heupen.
De orgie bereikte een hoogtepunt toen de pastoor, bezweet en glimmend, alle koorknapen en -meiden rond het altaar verzamelde. Ze knielden in een cirkel, handen en monden overal op elkaar en op hem.
Hij neukte ze een voor een, ruw en zonder genade: eerst een jongen in zijn kont, dan een meisje in haar kut, dan weer een jongen in zijn keel. Sperma spoot overal – over jonge borsten, in open monden, diep in kontjes en kutjes. De kreunen werden één groot, heilig koor van extase.
Buiten ruiste de Maas nog steeds traag, onwetend van de zonde die binnen de eeuwenoude muren ontploft was. Binnen was de Sint-Christoffelkathedraal veranderd in een tempel van pure, onvervalste perversie.
Lichamen lagen verstrengeld, bedekt met zweet, sperma en sap. De pastoor zat op de troon van de bisschop, een naakte koormeid op zijn schoot, zijn pik nog steeds diep in haar terwijl ze langzaam op en neer bewoog, haar borsten tegen zijn borst gedrukt.
“Dit,” hijgde hij, terwijl hij een vinger in haar kont duwde, “is de ware communie.”
En de kerk, oud en wijs, leek te glimlachen in het stoffige licht. Want hier, in Roermond, was de zonde eindelijk thuis.
De banken kraakten zacht onder de gelovigen, rokken ruisten, schoenen schoven over de koude tegels. Voorin, bij het altaar, stond pastoor Van der Linden, een man van middelbare leeftijd met een stem die als warme stroop over de aanwezigen vloeide. Zijn kazuifel hing zwaar om zijn schouders, en af en toe gleed zijn blik naar het koor, waar de jonge stemmen opstegen in een gregoriaans gezang dat ouder was dan de muren zelf. De koorknapen en koormeiden, allemaal net achttien, stonden daar in hun witte gewaden, de stof lichtjes plakkend aan hun huid door de benauwde warmte die in de kerk opsteeg.
Je zag het aan de manier waarop ze ademden, hoe hun borstkas rees en daalde onder het koorhemd, hoe een druppel zweet soms langs een hals gleed en verdween in de kraag. Niemand leek het te merken, nog niet, maar de lucht leek al iets dikker te worden, alsof de heilige ruimte zelf langzaam begon te ademen met een ander ritme.
Het gezang zwol aan, en in de banken voorin verschoof een vrouw onrustig haar benen. Haar hand rustte op haar dij, vingers die lichtjes drukten door de dunne stof van haar jurk. Naast haar zat een man, zijn ademhaling dieper dan normaal, zijn ogen gericht op de jonge koormeid links vooraan, wier lippen zich rond de Latijnse woorden vormden alsof ze iets veel intiemers fluisterden.
De mis vorderde traag, de preek van de pastoor ging over zonde en verlossing, maar de woorden leken te zweven, losgezongen van hun betekenis.
Achterin de kerk leunde een ouder echtpaar naar elkaar toe, hun schouders raakten elkaar, en de vrouw beet zacht op haar onderlip terwijl ze naar de koorknapen keek – die strakke, jonge lichamen onder het witte linnen, de manier waarop hun broeken soms spanden als ze een hoge noot aanhielden.
Pastoor Van der Linden stapte van het altaar af, zijn handen gevouwen, maar zijn ogen donkerder dan de schaduwen in de zijbeuken. Hij liep langzaam langs het koor, zijn gewaad streek langs de benen van een van de koorknapen, een lange jongen met donker haar en een blos op zijn wangen. De jongen keek niet weg. Integendeel. Zijn blik bleef hangen, en even was er dat korte, bijna onzichtbare knikje.
De mis ging door, het offertorium begon, maar de spanning in de lucht was nu tastbaar, als een elektrische lading die zich verspreidde door de banken. Een koormeisje, met volle borsten die tegen haar koorhemd drukten, liet haar hand even langs haar zij glijden, een onschuldig gebaar dat niemand anders opviel – behalve de pastoor, die dichterbij kwam en zachtjes iets in haar oor fluisterde terwijl hij de collecteschaal aannam. Haar wangen kleurden, en ze glimlachte, een klein, geheimzinnig lachje.
Wat begon als een lichte onrust, een warm gevoel in de onderbuik bij velen, groeide langzaam uit tot iets primitievers. In de donkere hoek bij de biechtstoel zag je een hand onder een jas verdwijnen, het zachte geluid van stof die over huid schoof. Een koorknaap verschoof zijn gewicht van het ene been op het andere, zijn gewaad niet helemaal in staat de zwelling te verbergen die zich daar vormde.
De pastoor ging door met de consecratie, het brood en de wijn, maar zijn stem was heser nu, lager. Na de mis zou de sacristie weer die duivelse bende worden, zoals altijd: de deur op slot, de gewaden die op de grond vielen, jonge lichamen die zich gewillig overgaven aan de handen van de priesters.
De 18-jarige koorknapen bogen zich graag voorover over de oude eikenhouten tafel, hun kreunen gedempt door de dikke muren terwijl de pastoor hen nam met een honger die niets met hemelse zaken te maken had. De koormeiden, blozend en nat, klommen op schoot bij meneer pastoor, hun rokken opgetrokken, hun heupen bewegend in een ritme dat heiliger voelde dan welk gezang ook.
Maar voor nu, tijdens de mis, was het nog de langzame opbouw: het kijken, het voelen hoe de opwinding zich verspreidde als een stille koorts door de hele kerk. Roermond wist het, de oude kathedraal wist het. Hier, tussen kruisbeelden en heiligenbeelden, werd de zonde niet verborgen – ze werd gevierd, traag, wellustig, en met een glimlach die niemand hardop durfde te noemen.
De banken kraakten zacht onder de gelovigen, rokken ruisten, schoenen schoven over de koude tegels. Voorin, bij het altaar, stond pastoor Van der Linden, een man van middelbare leeftijd met een stem die als warme stroop over de aanwezigen vloeide. Zijn kazuifel hing zwaar om zijn schouders, en af en toe gleed zijn blik naar het koor, waar de jonge stemmen opstegen in een gregoriaans gezang dat ouder was dan de muren zelf.
De koorknapen en koormeiden, allemaal net achttien, stonden daar in hun witte gewaden, de stof lichtjes plakkend aan hun huid door de benauwde warmte die in de kerk opsteeg. Je zag het aan de manier waarop ze ademden, hoe hun borstkas rees en daalde onder het koorhemd, hoe een druppel zweet soms langs een hals gleed en verdween in de kraag. Niemand leek het te merken, nog niet, maar de lucht leek al iets dikker te worden, alsof de heilige ruimte zelf langzaam begon te ademen met een ander ritme.
Tijdens het offertorium, toen de pastoor met trage, plechtige passen langs het koor schreed en de collecteschaal aanreikte, begon de heilige orde onmerkbaar te verschuiven, alsof de eeuwenoude stenen zelf een zucht van verlichting slaakten. Zijn hand, groot en warm onder de mouw van zijn kazuifel, gleed als terloops onder de zoom van een koorhemd bij een van de achttienjarige koorknapen, een slanke jongen met donkere krullen en een huid die nog de zachtheid van de jeugd droeg.
De witte stof schoof omhoog en daar, in het schuine licht dat door een raam viel, kwam het eerste blote stuk lijf tevoorschijn: een strook gladde, bleke buik, de delicate lijn van zijn heupbeen dat scherp afstak, en lager, waar de broeksband iets losjes zat, het begin van zijn schaamstreek met een dunne schaduw van donker haar. De jongen ademde scherp in maar bleef zingen, zijn stem slechts een fractie trillerig, terwijl zijn geslacht even zichtbaar werd – half stijf al, jong en levend, de eikel glanzend van een eerste druppel voorvocht die in het stoffige kerklicht parelde als een verboden dauw.
Naast hem zakte bij een koormeisje, een volslank meisje met rossig haar en zware borsten, een schouderbandje van haar gewaad omlaag; haar linkerborst kwam vrij, rond en blank, de tepel donkerroze en onmiddellijk stijf in de koele tocht die onder de gewelven hing, de areola zacht gerimpeld van opwinding.
Verderop in de rij trok een andere koorknaap zijn hemd onopvallend hoger op, zodat zijn volle, harde pik nu openlijk te zien was, dik en kloppend tegen zijn onderbuik, de aderen licht gezwollen, terwijl hij zijn blik strak op de pastoor hield met een mengeling van overgave en honger.
Het was nog geen ontbloting in volle glorie, maar die eerste naakte stukken lijf en geslachtsdelen – die bleke huid, die jonge borsten, die stijve jonge lullen die glommen in het halfdonker – lichtten op als heidense tekens te midden van de heilige voorwerpen, en de opwinding sloeg als een warme, trage golf door de hele kerk.
In de banken voorin verschoof een vrouw van middelbare leeftijd haar benen, haar jurk kroop ongemerkt omhoog zodat een stukje dij zichtbaar werd, haar vingers drukten door de stof heen tegen haar kruis terwijl ze staarde naar die ontblote borst en dat kloppende geslacht van de jongen.
Naast haar zat haar man, zijn ademhaling zwaar en hoorbaar, zijn eigen broek strakgespannen over een duidelijke erectie die hij niet eens probeerde te verbergen. Achterin leunde een ouder echtpaar naar elkaar toe, de hand van de vrouw verdween onder de jas van haar man, en je kon het zachte, ritmische bewegen van haar pols zien terwijl ze hem streelde. De mis vorderde, de woorden van de preek over zonde en verlossing klonken nu heser, lager, alsof ook de pastoor zelf de hitte voelde opstijgen.
De wierook leek zwaarder te hangen, vermengd met de lichte, muskusachtige geur van opgewonden lichamen. Straks, na de consecratie, zou de sacristie pas echt ontwaken tot die duivelse bende: gewaden die op de oude eikenhouten vloer vielen, achttienjarige koorknapen die zich gewillig vooroverbogen over de tafel, hun strakke, bleke konten ontbloot en gespreid, terwijl de priesters hen diep en traag neukten met zware stoten die echoden tegen de muren.
De koormeiden zouden kreunend op schoot klimmen bij meneer pastoor, hun natte, gladde kutjes glijdend over harde pikken, hun volle borsten deinend in het kaarslicht, heupen draaiend in een wellustig ritme dat heiliger voelde dan het gezang zelf. Maar voor nu, in deze lange, ademloze paragraaf van de mis, was het nog de langzame, wellustige opbouw: het eerste bloot van jonge huid en geslachtsdelen, de blikken die bleven hangen, de handen die heimelijk bewogen, de hele kerk die langzaam in een stille, collectieve opwinding raakte, alsof de duivel zelf zachtjes lachte vanachter het altaar in Roermond.
De consecratie kwam als een zucht van verlossing die niemand meer wilde. Pastoor Van der Linden hief het brood hoog op, zijn handen trilden licht, niet van devotie maar van pure, rauwe lust.
“Dit is mijn lichaam,” sprak hij, maar zijn stem was een grom, laag en dierlijk. Op dat moment brak de dam. Alsof de heilige woorden zelf een vloek hadden uitgesproken, zakte het koorhemd van de rossige koormeid volledig van haar schouders.
Haar zware borsten vielen vrij, deinend in het kaarslicht, tepels hard en donker als rijpe bessen. Ze zong niet meer. Ze kreunde zacht, een hand gleed naar haar eigen borst, kneedde het vlees terwijl ze de pastoor aankeek met ogen die smeekten om meer.
De slanke koorknaap met de donkere krullen liet zijn gewaad nu openlijk vallen. Zijn jonge, harde pik stond recht omhoog, glanzend van voorvocht, de eikel dik en paars. Hij greep zichzelf vast, trok langzaam aan zijn schacht terwijl hij naar de pastoor stapte. Overal in de kerk vielen nu de maskers af. In de voorste banken trok de vrouw van middelbare leeftijd haar jurk omhoog tot haar middel.
Ze droeg geen slipje. Haar dikke, natte schaamlippen glommen in het schemerlicht terwijl ze twee vingers diep in zichzelf duwde, haar ogen gefixeerd op de ontblote jonge lul van de koorknaap. Haar man rukte zijn broek open, zijn dikke, volwassen pik sprong tevoorschijn, zwaar en kloppend. Hij greep zijn vrouw bij haar haren en duwde haar mond erop, terwijl zij gulzig zoog, kwijl langs haar kin druipend.
Achterin de kerk stond het oudere echtpaar op. De vrouw, grijs maar nog steeds vol vuur, trok haar rok op en boog zich over de bank. Haar man kwam achter haar staan, duwde zijn gerimpelde maar stijve pik in één stoot in haar kut en begon te pompen, hard en ritmisch, zijn ballen klappend tegen haar dijen. Haar kreunen vulden de gewelven.
Pastoor Van der Linden liet het brood vallen. Het rolde over de marmeren vloer terwijl hij het dichtstbijzijnde koormeisje vastgreep – een tenger ding met kleine, stevige tietjes en een strak kontje. Hij rukte haar gewaad kapot, duwde haar voorover over het altaar en trok haar billen uit elkaar.
Haar roze, maagdelijk ogende kutje was al druipnat. Zonder genade ramde hij zijn dikke, priesterlijke pik in haar, tot aan de ballen. Ze gilde het uit, half pijn, half extase, terwijl hij haar hard neukte, het altaar krakend onder hun gewicht. “Neem me, Vader!” hijgde ze. “Vul me met uw zonde!”
De hele kerk ontplofte nu in een orgie van lust en perversie. Koorknapen en koormeiden wierpen hun gewaden af, jonge naakte lichamen overal. Twee jongens vielen op hun knieën voor een derde, likten beurtelings aan zijn stijve pik, tongen draaiend om zijn eikel, speeksel vermengd met voorvocht. Een koormeisje met volle heupen werd door twee oudere mannen uit de banken tegelijk genomen: één in haar kut, de ander diep in haar strakke kontje, terwijl ze kreunend en spastisch klaarkwam, haar sap langs haar benen gutsend.
De pastoor trok zich terug uit het eerste meisje, zijn pik glimmend van haar sappen, en greep een andere koorknaap. Hij duwde de jongen op zijn knieën, ramde zijn lul diep in diens keel tot de jongen kokhalsde en tranen over zijn wangen liepen.
“Zuigen, mijn zoon,” gromde hij. Naast hen lag een koormeid op haar rug op een kerkbank, benen wijd gespreid. Een oudere vrouw uit de gemeente zat op haar gezicht, haar harige, natte kut wrijvend over het jonge mondje, terwijl een koorknaap de meid hard neukte, haar borsten knedend tot ze rood zagen.
De wierook was nu vermengd met de zware, muskusachtige geur van seks, zweet en sperma. Overal klonken natte geluiden: kutjes die werden gevuld, pikken die in monden en konten stootten, handen die vlees kneedden. Een groepje van vier – twee jongens, twee meisjes – lag in een wirwar op de vloer voor het altaar.
Ze likten, vingerden, neukten in elke mogelijke combinatie. Een meisje zat op het gezicht van een jongen terwijl ze een andere jongen pijpte, haar kontje omhoog zodat een derde meisje haar kutje kon likken.
Pastoor Van der Linden was het middelpunt geworden van een pure duivelse bende. Twee koormeiden zaten op hun knieën voor hem, om de beurt zijn dikke pik aflikkend en diep in hun keel nemend, terwijl een derde meisje achter hem zijn ballen likte en een vinger in zijn kont duwde.
Hij brulde van genot, greep een van de meisjes bij haar haren en spoot een dikke lading sperma over haar gezicht en borsten. Het droop langs haar kin terwijl ze het opving met haar tong, lachend van pure wellust.
De sacristie was allang vergeten. De hele kathedraal was nu één groot tempel van de vlees. Oudere gelovigen neukten jonge koorkinderen, jonge lichamen werden dubbel gepenetreerd, monden vulden zich met sperma en kuttsap.
Een koorknaap lag op zijn rug op het altaar, zijn benen omhoog, terwijl een stevige man uit de gemeente hem diep in zijn kont neukte, zijn jonge pik stuiterend op zijn buik. Naast hem zat een koormeisje, vingerend in haar eigen kutje terwijl ze toekeek en klaarkwam met schokkende heupen.
De orgie bereikte een hoogtepunt toen de pastoor, bezweet en glimmend, alle koorknapen en -meiden rond het altaar verzamelde. Ze knielden in een cirkel, handen en monden overal op elkaar en op hem.
Hij neukte ze een voor een, ruw en zonder genade: eerst een jongen in zijn kont, dan een meisje in haar kut, dan weer een jongen in zijn keel. Sperma spoot overal – over jonge borsten, in open monden, diep in kontjes en kutjes. De kreunen werden één groot, heilig koor van extase.
Buiten ruiste de Maas nog steeds traag, onwetend van de zonde die binnen de eeuwenoude muren ontploft was. Binnen was de Sint-Christoffelkathedraal veranderd in een tempel van pure, onvervalste perversie.
Lichamen lagen verstrengeld, bedekt met zweet, sperma en sap. De pastoor zat op de troon van de bisschop, een naakte koormeid op zijn schoot, zijn pik nog steeds diep in haar terwijl ze langzaam op en neer bewoog, haar borsten tegen zijn borst gedrukt.
“Dit,” hijgde hij, terwijl hij een vinger in haar kont duwde, “is de ware communie.”
En de kerk, oud en wijs, leek te glimlachen in het stoffige licht. Want hier, in Roermond, was de zonde eindelijk thuis.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10


