Door Elise
Ik heet Elise. Ik ben 24, en drie weken geleden heb ik de deur van ons gedeelde appartement voor de laatste keer achter me dichtgetrokken. Vijf jaar lang was ik samen met iemand die veilig voelde, voorspelbaar, aardig. We praatten over hypotheken en vakanties naar plekken waar iedereen naartoe gaat. We vrijden op zaterdagavond als de film was afgelopen, altijd hetzelfde licht aan, altijd dezelfde volgorde. Het was niet slecht. Het was gewoon… niets meer.
Sinds ik alleen woon, slaap ik slecht. Niet omdat ik hem mis, maar omdat de stilte in mijn nieuwe appartement te groot is. Er is ruimte voor gedachten die ik vroeger wegduwde. Gedachten over wat ik eigenlijk wil. Over hoe het zou voelen als iemand echt naar me kijkt, niet alleen kijkt, maar ziet. Als iemand de leiding neemt zonder dat ik daarom hoef te vragen.
Vanavond heb ik voor het eerst sinds lange tijd make-up opgedaan. Niet veel – alleen een beetje mascara en een donkerrode lippenstift die ik ooit impulsief kocht en nooit durfde te dragen. Ik trek een zwarte blouse aan die net iets doorschijnender is dan ik normaal zou kiezen, en een strakke jeans. In de spiegel zie ik iemand die eruitziet alsof ze weet waar ze naartoe gaat. Dat lieg ik goed.
Ik kies een bar die ik ken van verhalen: een kleine, discrete plek in een zijstraat, met gedimd licht en muziek die je eerder voelt dan hoort. Als ik binnenkom, glijdt de warmte van binnen over mijn wangen. Het is niet druk. Een paar groepjes vrouwen praten zacht, glazen klinken, iemand lacht laag en warm.
Ik bestel een glas rode wijn aan de bar en leun met mijn ellebogen op het hout. Mijn ogen dwalen rond zonder ergens te blijven hangen. Tot ze toch ergens blijven hangen.
Aan een tafeltje in de hoek zit een vrouw alleen. Ze draagt een donker overhemd met opgerolde mouwen, een horloge dat zacht glinstert in het licht. Ze leest niet, scrolt niet op haar telefoon; ze observeert gewoon de ruimte, kalm, alsof alles hier een beetje van haar is. Onze blikken kruisen elkaar één seconde. Ze kijkt niet weg. Ik wel, met een warme golf in mijn nek.
Ik neem een slok wijn en probeer me weer op de bar te concentreren. Maar even later voel ik een aanwezigheid naast me. De barkeeper zet een nieuw glas voor me neer – hetzelfde als wat ik heb, maar voller. “Van haar,” zegt hij met een knikje naar het tafeltje in de hoek.
Ik kijk op. Ze heft haar glas lichtjes naar me, een klein gebaar, bijna onzichtbaar. Geen glimlach, alleen een uitnodiging in haar ogen. Mijn hart slaat een slag over. Ik aarzel, maar dan pak ik het glas en loop naar haar toe. Mijn benen voelen een beetje slap, alsof ik iets doe wat niet mag, maar tegelijk precies wat ik wil.
“Bedankt,” zeg ik als ik bij haar tafeltje sta. Mijn stem klinkt rustiger dan ik me voel.
Ze kijkt naar me op en gebaart naar de stoel tegenover haar. “Ga zitten.”
Het is geen vraag, maar het voelt ook niet dwingend – eerder natuurlijk, alsof het logisch is dat ik dat doe. Ik ga zitten.
Ze zegt een paar minuten niets. Ze neemt gewoon een slok van haar drankje en kijkt me aan. Ik voel me blootgesteld, maar niet ongemakkelijk. Eerder… gezien.
“Ik zag dat je alleen was,” zegt ze uiteindelijk. Haar stem is laag, een beetje hees. “En dat je eruitziet alsof je ergens naar op zoek bent.”
Ik lach zacht, een beetje nerveus. “Is dat zo duidelijk?”
“Alleen voor wie het herkent,” zegt ze. Ze leunt iets naar voren, haar ellebogen op tafel. “Ik ben trouwens geen type dat meteen een naam vraagt. Soms is het fijner om eerst gewoon te voelen hoe het zit.”
Ik knik. Dat begrijp ik beter dan ik wil toegeven.
We praten over kleine dingen – de regen buiten, hoe deze bar altijd hetzelfde ruikt, welke muziek er draait. Maar onder elk woord voel ik iets anders borrelen. Ze stelt geen vragen over mijn werk of waar ik woon. In plaats daarvan vraagt ze dingen als: “Wat vind je fijn aan alleen zijn?” en “Wanneer heb je voor het laatst iets gedaan wat een beetje spannend was?”
Ik vertel eerlijk dat ik net uit een lange relatie kom. Dat het veilig was, maar dat ik me de laatste jaren vaak afvroeg hoe het zou voelen om echt te worden uitgedaagd. Om de controle een beetje los te laten.
Ze luistert zonder te onderbreken. Af en toe knikt ze, of trekt ze één wenkbrauw op – subtiel, maar ik merk het meteen.
Na een tijdje zegt ze: “Weet je wat ik mooi vind? Als iemand durft toe te geven dat ze iets mist. Dat is al een vorm van overgave.”
Het woord ‘overgave’ blijft hangen in de lucht tussen ons. Ik voel het in mijn buik, een lichte kriebel.
Ze kijkt op haar horloge – niet gehaast, eerder alsof ze een besluit neemt. “Het is nog vroeg. Zin om een stukje te lopen? Er is een café hier vlakbij dat rustiger is.”
Ik zeg ja voordat ik erover nadenk.
Buiten is de lucht vochtig en koel. We lopen naast elkaar, niet te dichtbij, maar ik voel haar aanwezigheid heel sterk. Ze vraagt of ik het koud heb; als ik nee zeg, zegt ze niets, maar ik zie een kleine glimlach.
In het tweede café is het inderdaad stiller. We gaan aan een tafeltje bij het raam zitten. Ze bestelt voor ons allebei zonder te vragen wat ik wil – een warme kruidendrank met een schijfje sinaasappel. Het voelt brutaal, maar ook zorgzaam. Ik laat het toe.
Ze legt haar hand plat op tafel, vlak bij de mijne, zonder me aan te raken. “Ik hou van duidelijke lijnen,” zegt ze zacht. “Als ik iets voorstel, kun je altijd nee zeggen. Maar als je ja zegt… dan verwacht ik dat je het meent.”
Mijn keel is droog. Ik knik.
“Vertel me eens,” zegt ze, “wat zou je doen als iemand je vanavond mee naar huis vraagt, en je weet dat daar dingen kunnen gebeuren die je nog nooit hebt gedaan… maar waar je stiekem al lang over fantaseert?”
Ik kijk naar mijn handen. Mijn vingers trillen licht. “Ik denk… dat ik ja zou zeggen,” fluister ik. “Maar ik zou ook een beetje bang zijn.”
Ze glimlacht nu echt, warm maar met iets scherps erin. “Bang zijn is goed. Dat betekent dat het echt is.”
Ze steekt haar hand uit en raakt heel licht de binnenkant van mijn pols aan met haar vingertoppen. Geen greep, alleen een aanraking. Maar het voelt als een belofte.
“Voor vanavond stoppen we hier,” zegt ze. “Ik wil dat je erover nadenkt. Echt nadenkt. En als je morgenavond weer naar die bar komt… dan weten we allebei wat dat betekent.”
Ze laat mijn pols los. De plek waar ze me aanraakte tintelt nog na.
We drinken onze drank op in stilte. Dan staan we op, en loopt ze met me mee tot aan de hoek van mijn straat. Ze geeft me geen kus, geen knuffel. Alleen een lange blik.
“Tot morgen, Elise,” zegt ze. Ze weet mijn naam – ik moet hem ergens genoemd hebben zonder het te beseffen.
Ik loop naar huis met een hoofd dat duizelt en een lichaam dat wakker is op een manier die ik bijna was vergeten.
Thuis trek ik mijn schoenen uit, ga op bed zitten en staar naar mijn pols. Er is niets te zien, maar ik voel nog steeds haar vingertoppen.
Ik weet niet precies wat er morgen gaat gebeuren.
Maar ik weet wel dat ik ga.
Doe je ook mee met dit ketting verhaal?
Heb je al een profiel? Log dan hier even in, dan staat alles alvast voor je ingevuld!
