Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Elite_12
Datum: 04-06-2026 | Cijfer: 8.7 | Gelezen: 1772
Lengte: Lang | Leestijd: 31 minuten | Lezers Online: 51
Trefwoord(en): Huwelijksreis,
Het is twee uur 's nachts in de economy class van de Boeing 787, en de cabine ademt in het trage ritme van passagiers die zich eindelijk hebben overgegeven aan de vermoeidheid van een lange vlucht. De blauwe nachtverlichting werpt zachte schaduwen over rijen van naar voren gebogen hoofden, dekenomhulde schouders, en handen die nog steeds halfgeklemd om leesbrillen of telefoons rusten. Het gezoem van de motoren vormt een constante onderlaag, een mechanisch wijsje dat de slaap dieper maakt.

In rij 34, stoelen D en E, ligt het jonge echtpaar op huwelijksreis naar een tropisch paradijselijk resort. Hij is eenentwintig, nog met die jongensachtige slankheid die pas later in mannelijke breedte zal vervallen, zijn donkere haar over zijn voorhoofd gevallen terwijl zijn mond licht geopend is in de onbewuste overgave van diepe slaap. Zijn hoofd leunt tegen het raam, waar buiten alleen zwartheid is, de oceaan of wolkenlandschappen die niemand kan onderscheiden. Zijn rechterhand rust op zijn borstkas, vingers half gebogen alsof hij iets vasthoudt dat alleen in dromen bestaat.

Aan zijn linkerzijde zit Annelies, achttien jaar oud en pas getrouwd, haar blonde haar in twee vlechtjes die over haar borsten vallen als gouden touwen. Ze draagt een witte zomerjurk die ze speciaal voor de honeymoon heeft gekocht, iets te dun voor de vliegtuigairconditioning, zodat ze een deken over haar benen heeft geslagen. Haar hoofd rust tegen de schouder van haar slapende man, haar ademhaling is regelmatig maar niet diep—ze zweeft in dat halfwakende stadium waar gedachten nog helder zijn maar het lichaam weigert mee te werken aan volledig bewustzijn.

De turbulentie van twee uur geleden heeft haar wakker gehouden, die plotselinge hobbels en de gespannen gezichten van de stewardessen die door het gangpad renden met hun professionele glimlachen strakker dan normaal. Nu, met de rust teruggekeerd, voelt ze zich opmerkzaam in een zee van slapenden, alsof ze de enige is die de nacht werkelijk beleeft.

Het is in dit wakkerliggen dat ze hen voor het eerst ziet.

Twee donkere gestalten bewegen door het gangpad, niet met de doelgerichte haast van bemanningsleden, maar met het soepel sluipen van mannen die tijd hebben en ruimte in ogenschouw nemen. De eerste—Abu, zal ze later leren—is groot, zijn spieren zichtbaar zelfs onder het strakke zwarte shirt dat hij draagt, een textiel dat lijkt te vechten tegen de omvang van zijn borstkas en biceps. Zijn huid glanst in het schemerlicht, geolied ebbenhout, en zijn ogen schijnen wit op in de duisternis als hij langs de rijen scant.

Achter hem komt Jabari, en Annelies' adem stokt bijna onmerkbaar—hij is enorm, minstens twee meter, zijn schouders zo breed dat hij het gangpad lijkt te vullen. Zijn overhemd is open bij de hals, en onthult een borstkas die opborrelt als een landschap van donkere heuvels, en zijn handen, die langs zijn zijden hangen, zijn groot genoeg om haar hele gezicht te bedekken. Ze denkt aan de mannen, en voelt iets in haar buik trekken, een snaar die wordt aangeraakt die ze niet wist te bezitten.

De mannen stoppen bij haar rij. Niet bij de stoel ernaast, niet bij de rij achter haar, maar precies waar zij zit, waar haar man slaapt alsof de wereld buiten dit vliegtuig niet meer bestaat.

Abu buigt zich voorover, zijn gezicht dicht bij het hare, en fluistert: "Kan je niet slapen, kleintje?"

Zijn adem ruikt naar kaneel en iets scherpers, alcohol misschien, of het residu van een energiedrank die de uren moest overbruggen. Annelies voelt haar wangen warm worden maar weet niet of het schaamte is of iets anders—iets dat ze niet wil benoemen, niet hier, niet met haar mans hoofd zwaar tegen haar schouder.

"Ik—" begint ze, maar Jabari heeft al het gangpad verlaten, is al naast haar komen staan, zijn dij tegen haar elleboog drukkend door de smalle ruimte tussen de stoelen. Ze kan de hitte van hem voelen, een stralende warmte die de koude cabine verdrijft.

"Je man slaapt als een roos," zegt Abu, en zijn vingertoppen—groot, ruw, onverwacht zacht—strelen langs haar kaaklijn, omhoog naar haar oor waar ze een vlecht heeft gevlochten. "Mooi vlechtwerk. Heb je dat zelf gedaan?"

Annelies knikt, haar keel droog. Ze hoort zichzelf denken dat ze hem weg moet duwen, dat ze iets moet zeggen, maar haar handen liggen stil onder de deken, en haar ogen—verraders—zijn opgegaan in het contrast tussen zijn donkere vingertoppen en haar bleke huid.

"Laat me zien," zegt Jabari, en het is geen vraag. Zijn handen zijn onder de deken, voor ze het beseft, en hij tilt de stof op alsof deze niets weegt, alsof de grenzen tussen publiek en privé hier, in dit donker, zijn opgeheven. "Witte jurk. Voor de bruiloft?"

"Na," brengt Annelies uit, en haar stem klinkt vreemd in haar eigen oren, ademloos, jong. "We zijn—hij is mijn man."

Abu lacht, een zachte, donkere klank die niet verder dringt dan haar oor. "Gefeliciteerd. En nu? Wat doet een jonge bruid wanneer haar man slaapt en de nacht zo lang is?"

Hij wacht geen antwoord af. Zijn hand glijdt onder de deken, vindt haar knie, en Annelies voelt zichzelf niet bewegen, niet wegtrekken, terwijl die vingertoppen de zachte binnenkant van haar dij verkennen. Het is alsof haar lichaam een besluit heeft genomen waar haar verstand niet van op de hoogte is—of misschien is het verstand dat zwijgt, dat de stilte prefereert boven de explosie van wat er zou moeten volgen.

"Kom," fluistert Jabari, en hij beweegt naar de rij achter hen, waar twee stoelen leeg zijn, waar een derde passagier—een oudere vrouw met een slaapmasker—lijkt te rusten in de onverstoorbare diepte van slaappillen. "We gaan niet ver. Je man zal niets merken."

Het is de belofte van nabijheid die haar overtuigt, of misschien is het de dreiging ervan. Annelies kijkt naar haar man, naar de manier waarop zijn borstkas op en neer gaat, naar het spoor van kwijl dat glanst op zijn kin. Ze denkt aan hun huwelijksnacht, twee nachten geleden, aan zijn voorzichtige handen en zijn stamelende "mag ik?" alsof lichamelijkheid iets was dat moest worden aangevraagd. Ze denkt aan haar eigen stilte, de woorden die ze niet durfde uit te spreken over wat ze wilde, wat ze vermoedde dat er was.

Dan staat ze op. De beweging is klein, haast onmerkbaar—ze schuift op, glijdt over de armsteun, en voelt Abus hand om haar middel die haar richting geeft, die haar leidt als een danspartner die de stappen al kent. Achter haar hoort ze Jabari de deken meenemen, haar witte jurk optillen om struikeling te voorkomen, en de aanraking van zijn vingertoppen tegen haar dijen terwijl ze voorbij haar man bewegen, een moment van surrealistische theater waarin niets echt lijkt en alles mogelijk is.

De stoelen achter hen zijn van het type die niet volledig naar achteren leunen, die een harde rug hebben en beperkte ruimte. Maar Abu wijst naar de middelste twee, waar de armsteunen omhoog zijn, waar een kleine leegte is ontstaan door de manier waarop de passagiers hebben gezeten. "Daar," zegt hij. "Kijk naar je man terwijl we je nemen."

Het woord "nemen" resoneert in haar, een klank die ze niet had verwacht, een belofte die geen vraag is. Annelies laat zich zakken op de stoel, voelt de ongemakkelijke stof tegen haar dijen, en kijkt inderdaad naar voren—naar de rug van haar mans hoofd, naar het donkere haar dat ze vanochtend nog heeft gekamd, naar de schouders die ze heeft vastgehouden toen ze "ja" zei.

Jabari knielt. Het is een beweging die te groot lijkt voor de ruimte, zijn knieën tegen de stoel voor hem, zijn hoofd op de hoogte van haar middel. Zijn handen—die handen—glijden onder haar jurk, omhoog, en Annelies voelt de lucht van de cabine tegen haar blote dijen, de koude die onmiddellijk wordt verdreven door zijn adem.

"Geen ondergoed," constateert hij, en er is bewondering in zijn stem, een erkenning van iets dat ze zelf niet had bedacht. "Wist je dat dit zou gebeuren?"

"Ik—" begint ze, maar zijn duim vindt haar, en het woord verdwijnt in een zachte uitademing die ze niet kan onderdrukken. Ze voelt zich nat, schaamt zich ervoor, voelt de schaamte zelf weer transformeren in iets anders als Abu naast haar komt zitten, zijn gewicht de stoel laat zakken, zijn dij tegen de hare drukt.

"Kijk naar hem," herhaalt Abu, en zijn hand is op haar borst, buiten haar jurk, de stof tussen hen die zijn vingertoppen niet verbergt. "Denk aan hoe hij slaapt. Denk aan wat hij zou zien als hij wakker werd."

Annelies kijkt. Ze ziet de contouren van haar mans hoofd, de manier waarop zijn ademhaling de ruit beslaat en weer ontdooit. En terwijl ze kijkt, voelt ze Jabari zijn tong—zijn tong—tegen haar, een warme, natte druk die haar heupen doet optillen van de stoel, die een geluid uit haar haalt dat ze moet onderdrukken door haar eigen vuist tegen haar mond te drukken.

"Sssst," fluistert Abu, maar er is geen waarschuwing in zijn stem, alleen medeplichtigheid. "We willen hem niet wakker maken. Nog niet."

Hij tilt haar jurk op, langzaam, alsof hij een cadeau uitpakt, en de blauwe nachtverlichting valt over haar lichaam—bleek, jong, nog met de zachte rondingen van iemand die net volwassen is geworden. Zijn ogen gaan over haar heen, niet als een bewonderaar van kunst maar als een man die honger heeft, die weet wat hij gaat eten.

"Kleine witte bruid," mompelt hij, en zijn hand verplaatst zich naar de haakjes van haar jurk, maakt ze los met bewegingen die te vaardig zijn voor toevalligheid. "Laat me je zien. Laat me zien wat hij heeft gekregen."

De jurk valt open, en Annelies voelt de koude lucht tegen haar borsten, de harde stof van de stoel tegen haar rug, en dan—dan is Jabari daar, zijn mond op haar, zijn tong cirkelend om haar tepel terwijl zijn hand haar andere borst omvat, kneedt, een ritme vestigt dat haar ademhaling volgt.

"Ah—" ontsnapt haar, en ze bijt op haar lip, voelt het bloed smaken, de pijn die haar bij bewustzijn houdt in deze droom die geen droom is.

Abu heeft zijn shirt uitgetrokken. Ze ziet het in haar peripherie, de donkere massa van zijn borstkas, de manier waarop zijn spieren bewegen onder zijn huid als hij zijn broek opent. En dan voelt ze het—voelt het tegen haar dij, hard en warm en enorm, een druk die niet vraagt maar eist.

"Voel je dat?" fluistert hij tegen haar oor, en zijn adem is heet, vochtig. "Dat is wat een echte man is. Dat is wat je nodig hebt."

Annelies wil protesteren, wil zeggen dat ze getrouwd is, dat dit verkeerd is, maar Jabari heeft haar benen gespreid, zijn schouders tussen haar dijen, en zijn tong—zijn tong is in haar, diep, een penetratie die haar rug doet krommen en haar handen doet grijpen naar de stoelruggen voor haar.

"Zo nat," murmelt hij, en het geluid is vochtig, obsceen, een begeleiding van slurpende klanken die ze nooit heeft gehoord. "Zo gretig. Je man heeft je niet eens aangeraakt, of wel?"

Ze schudt haar hoofd, niet wetend waarom ze de waarheid spreekt, waarom deze bekentenis nodig is. Twee nachten, en ze had zich afgevraagd of er meer was, of dit—dit gevoel van opgejaagd worden, van grenzen verliezen—ooit zou komen.

"Nu wel," zegt Abu, en hij trekt haar naar zich toe, op zijn schoot, haar rug tegen zijn borstkas, haar benen over de zijne gespreid. Ze voelt hem tegen haar aan, tussen haar billen, een druk die vragen stelt over ruimte en mogelijkheid. "Nu ga je voelen wat je hebt gemist."

Jabari staat op, zijn enorme gestalte die de cabine lijkt te vullen, en hij opent zijn broek. Wat naar buiten komt is—Annelies kan haar ogen niet afhouden, kan niet weg kijken—een erectie die de beschrijvingen die ze heeft gelezen tart, donker en dik en met een ader die eromheen loopt als een rivier op een kaart. Het eindigt in een paarse glans, vochtig al, en als hij zijn hand eromheen legt, lijkt het niet genoeg, lijkt zijn hand te klein voor wat hij vasthoudt.

"Kijk naar je man," zegt Abu weer, en zijn stem is harder nu, een commando. "Kijk naar hem terwijl we je nemen."

Hij tilt haar op, een hand onder haar dijen, en Annelies voelt zich gewichtloos, een pop in handen die sterker zijn dan haar wil. En dan—dan is Jabari er, tussen haar benen, en ze voelt hem zoeken, vinden, en de druk is enorm, een uitdijing die grenst aan pijn maar er niet over gaat, een volheid die haar adem stil legt in haar keel.

"Ah—" probeert ze, maar het geluid is gebroken, gefragmenteerd, terwijl hij naar binnen glijdt, centimeter voor centimeter, zijn handen op haar heupen die haar op zijn plaats houden terwijl Abu haar tegen hem aan drukt, haar rug tegen zijn borst, zijn eigen erectie nog steeds tussen haar billen drukkend.

"Zo strak," bromt Jabari, en zijn stem is diep, gedempt, een instrument dat alleen voor haar is afgestemd. "Zo klein. Kan je dat aan, kleine bruid? Ga je mijn hele lul nemen?"

Annelies kan niet antwoorden. Ze kijkt naar haar man, naar de manier waarop zijn hoofd tegen het raam bonst door de turbulentie die ze niet eens meer voelt, en dan kijkt ze naar beneden, naar het punt waar Jabari in haar verdwijnt, naar het contrast van donkere huid en haar eigen bleekheid, en het beeld is zo vreemd, zo vervreemdend, dat ze bijna lacht—bijna, want dan beweegt hij, een terugtrekken en weer naar binnen, en het lachen verandert in iets anders, iets dat klinkt als "ah-ah-ah" in het ritme van zijn stoten.

Abu wacht niet. Zijn handen zijn onder haar, tussen haar en Jabari, en ze voelt vocht—spuug, olie, iets dat glad maakt—en dan drukt hij, drukt tegen een opening die protesteert, die nooit iets groters heeft gezien dan haar eigen vinger in nieuwsgierige momenten alleen.

"Ontspan," fluistert hij, en zijn adem is in haar nek, zijn tanden op haar schouder. "Laat ons je nemen. Laat ons beide je nemen."

Het is onmogelijk. Ze weet dat het onmogelijk is, dat twee mannen niet in haar kunnen passen, dat haar lichaam niet is gemaakt voor dit—maar dan geeft iets mee, een snaar van verzet die knapt, en Abu glijdt naar binnen, een druk die alles verandert, die de wereld tot dit ene punt reduceert waar twee mannen haar vullen, waar ze voller is dan ze ooit heeft geweten dat mogelijk was.

"Ah—ow—ah—" Het is geen woord, het is een klank, een ontlading van spanning die geen betekenis nodig heeft. Ze voelt hen bewegen, niet in hetzelfde ritme maar in een tegenritme, Jabari die naar binnen drukt wanneer Abu zich terugtrekt, een constante druk die geen moment van leegte toestaat, die haar opheft en weer neerlaat in golven van sensatie die geen naam hebben.

"Kijk," commandeert Abu, en zijn hand is op haar kin, dwingt haar hoofd omhoog, naar voren. "Kijk naar hem. Kijk naar je man die slaapt terwijl wij je neuken."

En ze kijkt. Ze ziet de contouren van zijn gezicht, de vrede die erop ligt, en het contrast is zo scherp, zo onrechtvaardig, dat ze bijna schreeuwt—bijna, want dan verandert iets in het ritme, versnellen Jabari en Abu, worden hun stoten harder, dieper, en het schreeuwen verandert in een reeks korte, hijgende geluiden die ze niet kan onderdrukken.

"Ah—ah—ah—" Het is het geluid van iemand die rent, die valt, die opgejaagd wordt door iets groter dan zichzelf. "Ah—ow—ah—"

Jabari's handen grijpen haar heupen, zijn vingertoppen in haar vlees, en hij trekt haar naar zich toe, dieper, alsof er nog diepte is te vinden. Abu's hand is op haar borst, kneedt, trekt aan haar tepel, en ze voelt de dubbele druk als een circuit dat completeert, een stroom die van borst naar buik naar tussen haar benen loopt en weer terug.

"Je poesje is zo strak," bromt Jabari, en zijn stem is nu ruw, gebruikt. "Je kontje ook. Ga je dat voor ons houden, kleine bruid? Ga je twee zwarte lullen voor je man verbergen?"

Annelies kan niet antwoorden. Haar hoofd valt achterover tegen Abus schouder, haar ogen rollen half gesloten, en ze ziet de cabine als door een waas—de slapende passagiers, het blauwe licht, de gordijnen die de eerste klasse scheiden van deze wereld waar zij nu bestaat, deze wereld van penetratie en volheid en het dreigende, opkomende gevoel van—

"Ah—ah—ah—" Het versnelt, wordt hoger, scherper. "Ah—ow—ah—I—I—"

Ze voelt het komen, voelt het als een golf die niet te stoppen is, een opborreling die alle controle wegspoelt. Haar handen grijpen naar de stoelruggen, nagels in de stof, en haar rug kromt, drukt haar harder tegen de twee mannen die haar vullen, die haar gebruiken, die haar nemen terwijl haar man slaapt meters van haar verwijderd.

"Ik—Ik kan niet—ah—ow—ah—" De woorden breken, worden fragmenten. "Help—ah—ah—"

Het orgasme treft haar als een fysieke slag, een samentrekking van al haar spieren rond de twee erecties die in haar zijn, een pulserende, stuiterende reactie die haar hele lichaam doet schudden. Ze voelt Jabari en Abu hun ritme veranderen, voelt hen harder worden, dieper, alsof ze haar orgasme willen volgen, alsof ze willen dat zij meekomen in deze golf van sensatie.

"Kom voor ons," fluistert Abu, en zijn stem is nu dicht bij breken. "Kom terwijl we je vullen. Kom—"

En dan zijn zij daar, bijna tegelijk, Jabari die diep in haar drukt, Abu die zich tegen haar billen perst, en ze voelt het—voelt de warme stromen, de pulserende uitbarstingen, het vocht dat haar vult en doet overlopen, dat tussen haar dijen loopt en de stoel bevlekt, dat de geur van seks verspreidt in de cabine die nog steeds slaapt, nog steeds droomt van bestemmingen die niet dit zijn.

Ze blijven zo zitten, verbonden, ademloos. Annelies voelt hun gewicht, hun hartslagen die ze door hun borstkassen voelt, haar eigen hart dat nog steeds bonst alsof het wil ontsnappen. De realiteit dringt langzaam door—de koude lucht tegen haar blootgestelde huid, de pijn die nu begint te manifesteren in plaatsen die nooit zo zijn gebruikt, de wetenschap van wat ze heeft gedaan, wat ze heeft laten gebeuren.

Dan beweegt er iets in haar omgeving. Een gestalte in het gangpad, een uniform dat glimt in het blauwe licht—de stewardess, Yuna, die met een dienblad loopt dat blijkbaar vergeten is, die nu stilstaat, die kijkt met ogen die groot worden in het donker.

Annelies voelt de paniek opkomen, het verlangen om zich te verbergen, om te verdwijnen. Maar dan—dan ziet ze Yuna's gezicht veranderen, ziet ze de schok transformeren in iets anders, iets dat ze herkent omdat ze het zelf heeft gevoeld: nieuwsgierigheid, opwinding, het verbodene dat aantrekkelijk wordt.

Yuna maakt een beweging alsof ze wil weglopen, alsof ze wil roepen, maar Annelies—Annelies die nog steeds gevuld is, die nog steelt de druk van twee mannen voelt—brengt een vinger naar haar lippen. Het gebaar is traag, overdreven, een uitnodiging en een waarschuwing in één. Haar ogen gaan naar haar man, naar zijn slapende vorm, en weer terug naar Yuna, en de boodschap is duidelijk: stil zijn. Voor hem. Voor dit.

Yuna staart. Haar hand trilt op het dienblad, en Annelies ziet—ziet met een scherpheid die de vermoeidheid verdrijft—dat de stewardess haar benen heeft gekruist, dat haar vrije hand naar haar eigen uniform trekt, dat er iets beweegt onder de strakke stof van haar rok.

Abu lacht, een zachte, donkere klank. "We hebben een publiek," fluistert hij tegen Annelies' oor. "Wil je dat ze kijkt? Wil je dat ze ziet hoe je twee zwarte lullen verwent?"

Annelies zou moeten schudden, zou moeten protesteren. In plaats daarvan knikt ze, een kleine beweging die Yuna niet kan zien maar die Jabari voelt, die hem doet bewegen, nog steeds hard, nog steeds in haar, alsof ze niet net beiden zijn klaar gekomen.

"Kom hier," zegt Abu tegen Yuna, en zijn stem is luider nu, niet meer fluisterend maar nog steeds gedempt door het gezoem van de motoren. "Kom kijken hoe een kleine witte bruid geniet. Kom zien wat je mist."

Yuna beweegt. Het is een beweging in trance, een stap voorwaarts, dan nog een. Ze staat nu naast hen, het dienblat nog in haar handen, en Annelies kan haar gezicht zien in het blauwe licht—de verwarring, het verlangen, de schaamte die zich mengt met iets dat eronder ligt.

"Ze is getrouwd," zegt Yuna, en haar stem klinkt vreemd, ademloos. "Haar man—"

"Slaapt," voltooit Annelies, en haar eigen stem verrast haar, de duidelijkheid ervan, de onverholen trots. "En ik—" Ze beweegt haar heupen, een kleine, wellustige beweging die Jabari dieper in haar drijft. "Ik wil meer."

Yuna's ogen gaan naar de plek waar ze verbonden zijn, waar donkere huid in lichte verdwijnt, waar het vocht van hun vorige orgasme nog glanst. Haar ademhaling is zichtbaar nu, snel, oppervlakkig, en Annelies ziet dat ze een besluit neemt, dat ze een grens overgaat die ze niet wist te bestaan.

"Ik zal stil zijn," zegt Yuna, en het is een belofte, een onderwerping. "Voor hem."

Annelies glimlacht. Het is een glimlach die ze niet herkent, een uitdrukking die ouder is dan haar achttien jaar, die iets weet over verlangen en verraad en de smekeloze manier waarop lichamen willen wat ze willen. Ze leunt achterover, voelt Abu's handen haar borsten omvatten, Jabari's heupen die een nieuw ritme vestigen, en ze kijkt naar Yuna terwijl ze spreekt, terwijl ze de woorden uitspreekt die ze nooit had gedacht te zeggen.

"Kijk dan," zegt ze. "Kijk hoe ik ze verwend. Kijk hoe ik twee zwarte lullen neem terwijl mijn man slaapt."

De woorden zijn een vonk, een toestemming die alles verandert. Jabari beweegt harder, zijn enorme erectie die haar opnieuw vult, opnieuw uitrekt, en Abu—Abu die nog steeds in haar kont zit, die nog steeds hard is, die begint te bewegen in het tegenritme dat ze al kennen, dat haar al heeft gebracht waar ze nu is.

"Ah—" Het is Yuna die dit geluid maakt, een echo van Annelies' eigen stem, maar Annelies heeft geen aandacht voor haar, niet nu, niet wanneer de sensatie opnieuw opbouwt, wanneer het onmogelijke mogelijk wordt, wanneer twee mannen haar weer naar die hoogte tillen waar woorden niet meer werken.

"Je bent zo—" begint Yuna, maar ze weet niet wat ze wil zeggen, welk woord deze scène verdient.

"Geil," suggereert Abu, en zijn hand glijdt naar Annelies' keel, niet knellend maar aanwezig, een herinnering aan wie hier de controle heeft. "Ze is geil. Ze wil dit. Ze wil ons."

Annelies knikt, niet in staat tot liegen, niet in staat tot enige vorm van verhulling. Ze wil dit. Ze wil de volheid, het taboe, het gevaar. Ze wil Yuna's ogen op haar, de wetenschap dat ze wordt gezien, dat haar verraad een± getuige heeft. En ze wil—boven alles—dat het doorgaat, dat deze nacht nooit eindigt, dat ze voor altijd tussen deze twee mannen blijft, voor altijd gevuld, voor altijd aan het randje van wat ze aankan.

"Harder," fluistert ze, en het is de eerste keer dat ze vraagt, dat ze richting geeft. "Neem me harder. Laat me voelen dat ik levend ben."

Jabari gehoorzaamt. Zijn stoten worden slagen, fysieke aanslagen die haar hele lichaam doen schudden, die de stoel doen kraken, die Yuna doen verstrakken van het in zich houden van haar eigen reactie. Abu volgt, zijn bewegingen dieper, minder gecontroleerd, en Annelies voelt het opnieuw komen, die golf, die onvermijdelijke stijging naar een punt waar ze nog nooit is geweest, een hoogte die angstig en verleidelijk is tegelijk.

"Ah—ah—ah—" Het is het begin, het oplopen, de eerste tekenen van wat komen gaat. "Je bent zo—sterk—ah—"

Jabari's handen grijpen haar heupen, zijn vingertoppen in haar vlees, en hij trekt haar naar zich toe, dieper, alsof hij haar wil versmelten, alsof hij wil dat ze één worden op een plaats waar geen scheiding meer mogelijk is.

"Je poesje is zo strak," bromt hij, en zijn stem is nu dierlijk, ontdaan van elke menselijke verfijning. "Je kontje ook. Ik ga je vullen, kleine bruid. Ik ga je volspuiten terwijl je man slaapt."

De woorden zijn te veel, te direct, te waar. Annelies voelt de golf breken, voelt haar orgasme als een tsunami die alles wegspoelt, haar gedachten, haar schaamte, haar angst. Ze schreeuwt—schreeuwt, dit keer, niet in staat om het te onderdrukken—en voelt hoe Jabari en Abu haar volgen, hoe hun lichamen verstrakken, hoe hun warme stromen haar opnieuw vullen, opnieuw overstromen, hoe ze tussen hen in smelt tot iets dat geen naam heeft, geen vorm, alleen maar sensatie.

Yuna staat nog steeds. Haar hand is nu tussen haar benen, buiten haar uniform, een druk die zichtbaar is in de manier waarop haar heupen bewegen, in het kleine, onderdrukte geluid dat uit haar keel ontsnapt. Ze kijkt naar Annelies met ogen die glanzen, niet van tranen maar van iets anders, iets dat Annelies herkent omdat ze het zelf voelt: het verlangen om dit te zijn, om dit te doen, om de regels te breken en te voelen wat er aan de andere kant is.

Annelies glimlacht naar haar, een glimlach die moe is en tevreden en nog steeds hongerig. Ze voelt de twee mannen in haar zakken, hun gewicht dat haar naar beneden drukt, hun ademhaling die langzaam normaliseert. En ze weet—weet met een zekerheid die geen twijfel duldt—dat dit niet het einde is. Dat er meer is, dat deze nacht nog veel verder zal gaan dan dit moment, dit eerste verraad.

Maar voor nu, in dit tussenmoment van ademhaling en herstel, laat ze haar hoofd tegen Abus schouder rusten, laat ze haar ogen sluiten, en luistert ze naar het geluid van haar mans slaap, naar het regelmatige ritme dat haar eraan herinnert wie ze was, en wie ze nu is.

Twee verschillende vrouwen. Twee verschillende levens. En tussen hen, in dit vliegtuig dat door de nacht vliegt, een brug van vlees en verlangen die ze zojuist heeft gebouwd, steen voor steen, stoot voor stoot.

Yuna beweegt eindelijk, haar hand weg van zichzelf, haar ogen nog steeds op Annelies gericht. "Ik moet—" begint ze, maar ze weet niet wat ze moet doen, welke taak haar roept, welke realiteit haar claimt.

"Blijf," zegt Annelies, en het is een uitnodiging, een commando, een belofte. "Er is meer. Er is altijd meer."

En terwijl de woorden hangen in de cabine die ademt in haar slaap, terwijl de motoren hun eeuwige lied zingen en de nacht zich uitstrekt eindeloos buiten de ramen, voelt Annelies Jabari in haar bewegen, nog steeds hard, nog steeds klaar, en weet ze dat dit waar is.

Ze roept Yuna naar zich toe en stapt van de twee zwarte lullen af, en trekt Yuna op schoot. De mannen kleden zich aan, geven haar een zoen op haar wang. “Totdat we je weer tegenkomen en je behoefte heb.”

De mannen vertrekken weer naar hun eigen plek, bevredigd en glimlachend.

Yuna en Annelies zoenen elkaar hevig en Yuna speelt met de borsten van Annelies, die haar hand onder de rok van Yuna de natte plek in haar slipje laat zoeken en het slipje opzij schuift en twee vingers glijden in Yuna’s natte spleet. Ze kreunt en zuigt nu aan de linkerborst van Annelies, beide vrouwen kreunen.

Annelies, laat haar vingers in en uit Yuna gaan en Yuna kreunt en komt klaar over haar hand.

Ze likt de vingers en laat Yuna ook haar eigen sappen proeven.

Yuna fluistert in haar oor: “Wat ben jij lekker geil, Annelies, ik wou dat ik zo vrij was als jou.” Ze antwoord : “Jij bent ook heerlijk, maar volgens mij, staat je collega al te wenken. Ik denk dat we er bijna zijn en gaan landen.”

“Ik hoop je ooit nog tegen te komen.” Zegt Yuna en ze doet haar uniform goed en loopt naar achteren. Minuten later klinkt de intercom.

Annelies heeft haar jurkje alweer goed getrokken, ze voelt nog wel de gevuldheid en voelt het sperma van Abu en Jabari langs haar dijen glijden. Ze gaat weer naar haar eigen stoel en stoot haar man aan: “We zijn er bijna, we gaan landen, je moet je gordel strakker trekken.”

Ze ligt nu weer tegen zijn schouder en denkt aan wat er vannacht gebeurt is, aan Abu en Jabari en aan Yuna en hou dit haar toekomst heeft verandert. Ze wil meer, meer sensatie, meer spanning dan het huisje, boompje, beestje idee, dat ze ervoor had. Ze glunderde bij de gedachte. Ze sluit haar veiligheidsgordel en ligt tegen haar man aan met haar gloeiende hoofd, na te genieten.

En ze weet ze wil dit meer, spanning, extase, meer vulling, meer genot. Er is altijd meer. En ze is bereid om alles te nemen.
Rosemarein
Rosemarein (22)
Houd jij van vrouwen die open zijn over hun verlangens en fantasieën?
🟢 Nu Online
Bekijk profiel →
Trefwoord(en): Huwelijksreis, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Durf jij met oma te flirten?
Klik hier voor meer...