De RPD had haar hoofdvestiging in een langwerpig gebouw aan de rand van Den Haag, achter het Centraal Station, richting Bezuidenhout. Beton, spiegelglas en binnenmuren van zachtboard. De gangen roken naar koffie, kaften, vloerwas.
Mijn opdracht was eenvoudig geformuleerd: meelopen in een projectgroep die zich bezighield met de beoordeling van ruimtelijke plannen van een cluster van gemeenten in het oosten van de provincie Utrecht. Het betrof een toetsingstraject, voorafgaand aan de advisering over het al dan niet goedkeuren van een nieuwe structuurvisie.
De projectstructuur was ambtelijk strak: een centrale coördinator, drie sectiehoofden en per sectie twee of drie inhoudelijk medewerkers. Ik werd geplaatst onder de vleugel van de sectie Beleidstoetsing. Officieel kreeg ik begeleiding vanuit het adviesbureau, maar in de praktijk betekende het dat ik werd geacht zelfstandig stukken te analyseren, vergaderingen bij te wonen en discreet te blijven.
Het project had een hoge prioriteit. Niet omwille van de inhoud, maar vanwege de timing. De voorstellen van de gemeenten liepen vooruit op passages uit de, nog vertrouwelijke, Vierde Nota, die pas over anderhalf jaar publiek zou worden. De ruimte voor officiële afwijzing was klein. De ruimte voor tactische bijsturing iets groter. Precies daar lag mijn rol.
Hoofd van de sectie Beleidstoetsing was mw. drs. Leonie Smits. Begin veertig, met een precisie die zelden ontspanning toeliet. Haar haar zat kort, haar stem was laag, haar blik bleef nergens hangen. Ze bewoog beheerst, maar snel, en sprak alleen als dat noodzakelijk was.
De eerste keer dat ze me aankeek, was halverwege het voorstelrondje, toen iemand opmerkte dat het ‘verfrissend’ was dat er nu ook externen meedachten. Ze glimlachte toen niet. Maar ik zag dat ze haar vinger kort langs haar onderlip haalde voordat ze zich naar mij toe draaide.
“Jij bent van Dongen,” zei ze.
Ik knikte. “Aangenaam.”
Ze zei niets terug, liep verder. Maar ik wist dat ze me had geregistreerd.
Het eerste overleg vond een paar dagen later plaats in kamer 6.3, een vierkante ruimte met systeemplafond, akoestische wandpanelen en een langwerpige tafel met acht stoelen. De ramen keken uit op de tramrails. De zon stond laag en trok strepen over het parket.
Er zaten zes mensen. Twee van het directoraat, drie vanuit de RPD, en ik. Ik had geen rol in de bespreking, behalve luisteren, analyseren, registeren. Niemand keek verbaasd toen ik me voorstelde. De meesten schreven met een ballpoint op schrijfblokken, in korte notities zonder opsmuk.
Smits zat aan de kop, een halve meter van de flip-over. Haar handen gevouwen op de tafel, een rood potlood voor zich. Ze luisterde zonder te knikken. Als iemand uit het veld te breedsprakig werd, onderbrak ze met één zin of een stil gebaar. Ze vroeg door op afwijkingen, op aannames, op ontbrekende onderbouwing.
Toen iemand van het directoraat een kaart liet zien met geprojecteerde ontsluitingswegen, boog ze zich voorover, bekeek de kaart secondenlang en zei toen: “Ik zie hier geen relatie met bevolkingsdruk. Is die er wel?”
“Niet in cijfers,” antwoordde de man.
“Dan is het projectie, geen planning.”
Ze schoof het kaartje terug en zei niets meer. Haar houding liet weinig ruimte voor misverstand. Alleen wie met een heldere analyse kwam, onderbouwd met feiten en cijfers, kreeg haar aandacht. Verhalen, veronderstellingen of breedvoerigheid werden door haar niet erkend, laat staan bekrachtigd. Binnen de ambtelijke wereld was zij in dit opzicht, zoals ik later zou ontdekken, een uitzondering.
Vijf minuten later draaide ze zich onverwacht naar mij. “Meneer Van Dongen, wat zou ú hiermee doen, op basis van wat u nu weet?”
Ik zat rechtop, mijn aantekeningen open voor me. “Ik zou nagaan welk beleidsdoel onder deze doorsnijding ligt. Verkeersontlasting? Economische ontsluiting? Bestemmingsverschuiving? Pas dan kun je toetsen of deze lijn iets oplost.”
Ze hield me een paar tellen in haar blik, knikte niet, zei alleen: “Dank u.”
Toen keek ze terug naar de rest en vervolgde de bespreking.
Twee dagen later vroeg ze of ik aan het eind van de middag even bij haar langs kon komen. Ze stond in de deuropening van haar kamer, een stap van de vergadertafel vandaan, en sprak zonder aantekeningen in haar hand.
“Er ligt een voorstel uit Bunnik dat niet klopt met de uitgangspunten van het huidige bestemmingsplan. Te veel bouwvolume, te weinig onderbouwing in termen van regionale noodzaak. Ik wil dat jij daar iets over schrijft. Maximaal anderhalve pagina. Geen herhaling van de bijlage, geen overname van hun taal. Je krijgt mijn aantekeningen mee.”
“Voor wanneer?”
“Morgen voor de lunch. Ik lees het dan direct.”
Ze overhandigde me een map met een gele sticker op de rand. “Werk hier maar aan in 5.8. Daar is het rustig.”
Zaal 5.8 lag aan het eind van de gang, met uitzicht op een parkeerterrein waar zelden iemand kwam. De verwarming tikte. Het tl-licht flikkerde aan bij binnenkomst, daarna bleef het stabiel. Ik zette mijn tas op een lege stoel, haalde mijn schrijfblok tevoorschijn en las haar aantekeningen.
Ze had steekwoorden genoteerd in de marge van de concepttekst, meestal één of twee per alinea: oncontroleerbaar, wensdenken, geen precedentbeleid. Eén pijl verwees naar een passage in het midden: opblazen en vervangen door eigen redenering.
Ik schreef een eerste versie in potlood, zonder doorhaling. Toen ik het een uur later teruglas, herformuleerde ik het laatste kwart en werkte het daarna uit op een IBM-machine op kamer 5.10.
Toen ik terugkwam om mijn spullen te halen, stond zij in de deuropening van 5.8. Haar jas hing over haar arm.
“Klaar?”
“Bijna. Ik wil nog een laatste controle.”
Ze kwam binnen, liet de deur openstaan. Ging zitten, naast me, aan de lange zijde van de tafel.
“Laat maar zien.”
Ik gaf haar het blad. Ze las, zonder aantekeningen te maken. Haar gezicht bewoog niet.
Bij het tweede kopje tekst legde ze haar hand vlak naast de mijne, met de vingers naar voren. Ze raakte me niet.
“Dit,” zei ze, “is helder.”
Ik knikte.
Ze keek op. “We gaan elkaar vaker spreken, dus als het je geen moeite kost: zeg maar je tegen me. Dat maakt het werk niet minder precies.”
Ze keek me aan en liet een korte stilte vallen. “Noem mij dan ook maar bij mijn voornaam, Leonie, als we niet in gezelschap zijn. En voor het overige weet je waar het om draait. Blijf bij de kern en hou het strak. Geen concessies aan wollig taalgebruik.”
Ik knikte opnieuw. Haar hand bleef liggen tot ze de bladzijde omsloeg.
In de dagen die volgden liep ik mee in de overleggen van de sectie, las ik dossiers en werkte ik aan twee korte adviezen waarvan er één ongevraagd bleek, maar wél werd geaccepteerd. Smits corrigeerde spaarzaam, maar scherp. We spraken elkaar vooral functioneel, aan de rand van een overleg, bij een kopieerapparaat, kort na een bespreking.
Ze vroeg me die donderdag om na werktijd nog even te blijven.
Het gebouw was bijna leeg. De liften stonden stil, het tl-licht in de gang was overgeschakeld op spaarstand. Op kamer 6.1 stond alleen nog een bureaulamp aan, het gordijn half dichtgetrokken.
Ik zat aan de kopse kant van de tafel, het conceptvoorstel voor de regioanalyse voor me. Smits stond aan de andere kant, handen op tafel, schuin voorovergebogen, haar blik strak op de alinea waar ik net een aantekening bij had gezet.
“Je schuift hier van analyse naar samenvatting zonder overgang,” zei ze. “Dat maakt het kwetsbaar. Dat maakt het kwetsbaar. Eén kritische vraag en je betoog verliest aan geloofwaardigheid.”
Ik pakte mijn pen, strekte mijn arm om het stuk terug te draaien. Haar hand bleef op de hoek liggen. Onze vingers raakten elkaar. Ze trok haar hand niet weg.
“Kun je het herschrijven?” vroeg ze.
“Ik wil het eerst hardop lezen,” zei ik.
“Doe maar.”
Ze ging zitten, links van me, niet tegenover. Haar been raakte dat van mij onder tafel, niet hard, maar ook niet vluchtig. Ze zei er niets over.
Ik las de alinea voor, langzaam, met kleine pauzes. Toen ik klaar was, draaide ik me iets naar haar toe.
Ze keek me aan. “Zet het zo maar op papier. Verder niets meer aan doen.”
“Goed.”
Ze bleef nog even zitten, haar hand vlak bij mijn knie op het tafelblad. Haar vingers bewogen niet, maar haar houding was losser dan eerder.
“Werk jij altijd zo laat?” vroeg ik.
“Niet met iedereen.”
Ik knikte. Zij ook. Daarna stond ze op, pakte haar map en liep zonder iets te zeggen naar de gang. Bij de deur keek ze nog even achterom.
“Tot morgen, Mucike.”
“Tot morgen!”
De dag erop liep ik haar tegen het lijf in de gang, vroeg in de middag. Ze hield een brillenkoker in haar hand en een map onder haar arm.
“Heb jij iets te doen vanavond?”
Ik keek op van mijn blocnote. “Neen, ik heb niets speciaals staan..”
Ze knikte, keek even over haar schouder of er iemand meeluisterde. “Ik wil je iets laten zien. Iets dat verband houdt met het dossier over de oostrand. Het is lastig uit te leggen op papier, maar ik heb thuis documentatie liggen die niet geschikt is voor algemene verspreiding.”
Ik knikte en luisterde aandachtig naar wat ze zei.
“Ik woon op de Laan van Meerdervoort, net buiten het centrum. We kunnen daar in alle rust praten, zonder gestoord te worden. Komt zeven uur jou gelegen?”
“Dat is prima.’
Ze gaf me een kaartje. Alleen haar naam en adres stonden erop, geen functie. “Neem het stuk over de waterstructuur mee. En wees op tijd.”
“Prima, dan ik zie je om zeven uur.”
Haar appartement bevond zich op de derde verdieping van een oud herenhuis aan de Laan van Meerdervoort, een brede laan met trams, platanen en winkelgalerijen met gesloten rolluiken. Ze deed zelf open. Ze was gekleed in een grijze pantalon, donkerblauw vest en een lichte blouse. Geen juwelen, maar wel met een lichte glimlach op haar gezicht.
“Kom binnen. Hang je jas daar maar aan de kapstok op.”
Ik volgde haar de hal in, langs een dressoir met drie gesloten lades en een schaal met sleutels. De woonkamer was ruim, rechthoekig, met hoge ramen en half gesloten vitrages. Er stonden twee leren stoelen, een bijpassende bank, een eikenhouten tafel met daarop opengeslagen kaarten en printjes.
Ze wees naar de tafel. “Ga zitten. Ik zal je zo iets laten zien over de waterstructuur bij Odijk. Wil je wat drinken misschien?”
“Ja graag, heb je misschien een kopje thee?”
“Ja zeker, ik heb net voor mezelf gezet. Momentje. Kijk anders vast even naar deze kaart van de provincie Utrecht.”
Ze pakte een kaart en legde hem voor me neer. “Kijk hier. Er is een verbinding ingetekend met het kanaal bij Werkhoven, maar die bestaat fysiek niet. De provincie heeft het laten lopen, het ministerie zwijgt voorlopig. Wij moeten de ongerijmdheid benoemen, zonder politiek te bedrijven. Als jij het even bekijkt, ga ik nu snel even een kopje thee voor je inschenken.”
Toen ze terugkwam met twee geurig kopjes thee en er een voor mij had neergezet, ging ze naast me zitten, links, zodat we allebei zicht hadden op de kaart. Ik rook een lichte geur van haar parfum, droog, niet bloemig. Onze schouders raakten elkaar bijna.
Ze gaf me een kopie met kanttekeningen. “Dit zijn mijn observaties. Je hoeft ze niet over te nemen, maar ik wil dat je ze overweegt.”
We werkten zwijgend, wisselden een paar zinnen over terminologie, over ruimtelijke logica. Haar stem was anders dan op kantoor: lager, minder metaal. Ze corrigeerde enkele zinnen in potlood, vroeg me een formulering hardop te herhalen, knikte bij mijn toon.
Nadat we een klein uur hadden gewerkt en de gehele zaak goed hadden doorgesproken, schoof ze haar papieren aan de kant en draaide zich iets naar mij toe. “Zo, dat was nog eens productief!”
Ik knikte instemmend en zei: “Als je niet gestoord wordt, kun je er sneller doorheen!”
Ze stond op, liep naar het aanrecht in de open keuken. “Drink je wijn?”
“Soms, bij gelegenheid.”
“Dit is er een, vind je niet?”
“Ik lust wel een glas,” zei ik terwijl ik haar na keek en realiseerde me dat ze eigenlijk een erg goed figuur had.
Ze schonk in zonder uitleg, rode wijn, geen etiket zichtbaar. Ze kwam terug met twee glazen, gaf me het mijne zonder dat we elkaar met de vingers aanraakten.
Ze bleef staan, leunde met één hand op de tafel, en vroeg: “Hoe ben jij eigenlijk bij dit bureau terechtgekomen?”
Ik vertelde haar iets over mijn studie, een scriptie over institutioneel conflict, mijn behoefte aan bewegingsvrijheid en dat ik daarom ervoor gekozen had bij een adviesbureau te werken. Ze luisterde zonder in te breken, liet me uitpraten.
“Je hebt iets afstandelijks,” zei ze toen. “Maar je neemt veel op.”
“Ik ben doorgaans niet zo afstandelijk,” gaf ik als reactie, “maar ik pas me wel aan aan de mensen waarmee en de omgeving waarin ik werk. En jij? Altijd ambtenaar willen worden?”
Ze glimlachte schuin. “Ik zou de wetenschap ingaan, maar ik merkte dat ik te veel oordelen had om waardevrij te blijven zoals het hoort bij dat soort werk. Maar in beleidswerk kan dat wel als je die oordelen maar goed onderbouwt.”
Ik knikte begrijpend.
Ze ging zitten, nu iets meer naar me toe. Haar knie raakte kort de mijne toen ze haar houding verplaatste.
“Je straalt controle uit, Mucike,” zei ze. “Maar je houdt ook dingen achter.”
Ik zweeg.
“Dat is geen verwijt,” voegde ze eraan toe. “Ik ben er zelf niet anders in.”
“Zijn er dan dingen die je van me zou willen weten, zakelijk of persoonlijk?” vroeg ik.
Ze nam een slok wijn, zette het glas neer zonder geluid. “Misschien, ik werk graag met mensen die niet alles meteen prijsgeven. Daar valt ten minste iets mee op te bouwen.”
Toen werd het stil. De wijnglazen halfvol, het daglicht vervaagd tot schaduw. Ze keek niet weg, maar stond ook niet op.
“Je mag blijven als je wilt,” zei ze. “Maar alleen als het nergens toe verplicht.”
“Ik vind het wel gezellig zo en nu kunnen we een andere kant van elkaar leren kennen.”
We zaten nog altijd in de schemer. Buiten was het stil geworden; af en toe gleed een auto over de trambaan. Ze had het gordijn nog niet dichtgetrokken en leek geen haast te hebben dat alsnog te doen.
Ze zei niets, maar keek nu en dan op, alsof ze wilde peilen hoe ik erbij zat. Mijn glas rustte nog in mijn hand. Haar knie raakte opnieuw de mijne toen ze iets naar voren schoof om haar glas te pakken, zonder zich terug te trekken.
“Ik woon hier nu acht jaar,” zei ze, zonder aanleiding. “Alleen. Niet uit overtuiging, maar omdat ik anders te veel moet uitleggen.”
Ze nam een slok en hield het glas nog even vast, alsof het haar houding rechtvaardigde.
“Ik heb het geprobeerd, samenwonen. Twee keer zelfs. Maar er komt altijd een moment dat werk belangrijker is dan overleg over gordijnstof.”
Ik glimlachte kort. Ze ving het op en zei: “Dat was een grapje.”
“Dat begreep ik,” antwoordde ik, “maar ik ben wel benieuwd wat je dan anders teveel zou moeten uitleggen.”
Ze hield mijn blik vast. “Soms weet ik niet wat jij allemaal begrijpt.”
Ik zette mijn glas neer. “Meer dan ik laat blijken.”
Ze boog zich naar voren, legde haar hand op mijn onderarm. Haar vingers bleven liggen, zonder druk, alsof ze alleen wilde voelen dat ik niet bewoog. Daarna trok ze zich terug.
“Dat idee had ik al,” zei ze.
Ze stond op, liep naar het raam en bleef daar staan, haar rug naar mij toe. Haar silhouet tekende zich scherp af tegen het matte licht van de straat.
“Ik moet dit niet doen,” zei ze zacht, zonder te verklaren wat ‘dit’ precies inhield.
Toen ze zich omdraaide, was haar blik zachter, maar ook onrustiger dan daarvoor.
“Ik zou je eigenlijk moeten laten gaan.”
Ik stond op, zonder iets te zeggen, liep naar haar toe en pakte zachtjes haar arm vast. “Ik zou natuurlijk nu kunnen vertrekken,” zei ik zachtjes.
Ze knikte, heel langzaam, haar mond een fractie strakker dan daarvoor. “Je bent gevaarlijk, weet je dat?”
“Alleen als je me dat laat zijn, maar iedereen, ook de sterksten onder ons, heeft behoefte aan menselijke warmte.”
Ze glimlachte. Er zat iets in van waardering, maar ook van waakzaamheid. Ze streelde me kort zachtjes over mijn wang. “Misschien bij een volgende gelegenheid. Kom, ik laat je uit. We zien elkaar morgen weer.”
Ze liep met me mee naar de gang, zei niets meer tot we in het halletje bij de voordeur waren.
“Dank je voor vanavond,” zei ze daar. “Voor de manier waarop je hier was èn voor wat je zei.”
“Jij ook bedankt,” zei ik, pakte mijn jas en voegde eraan toe, “laat me maar weten als ik verder nog iets voor je kan betekenen.”
Ze knikte en opende de deur. Ik stapte naar buiten, draaide me nog even om. Haar blik bleef op me rusten, tot de deur zacht dichtviel.
Het was de volgende dag kort na negen toen ik haar tegenkwam bij het kopieerapparaat. Ze droeg een donkergrijs pak, net iets formeler dan gebruikelijk, haar haar opgestoken, een dun gouden kettinkje nauwelijks zichtbaar onder de kraag. Ze bladerde door een stapel documenten alsof ze zocht naar iets wat ze al had gevonden.
Ze keek op. “Ben jij al begonnen aan de samenvatting van het oostranddossier?”
“Net,” zei ik. “Ik wilde jou eerst nog iets vragen over die kaartreferentie bij Werkhoven.”
Ze knikte. “Kom straks even langs. Niet nu.” Ze hield de stapel tegen zich aan. “Zeg maar rond kwart voor twaalf. Dan is het rustiger.”
“Dat is prima.”
Ze zei niets meer, maar hield mijn blik net iets langer vast dan nodig was.
Toen ik haar kamer tegen het middaguur binnenliep, lag het dossier al open op tafel. Ze had een pen in haar hand, geen bril op. De ramen stonden op een kier, er hing een lichte geur van koffie in de kamer. Ze was alleen.
“Ik wilde niet dat je dat stuk ging schrijven zonder dit eerst te zien,” zei ze. “Het is een oudere kaart, uit 1971. Ik heb een kopie voor je laten maken.”
Ze gaf me het blad, bleef zelf staan. Ik voelde dat haar houding gespannen was wat bij haar erg ongebruikelijk was.
“Heb je goed geslapen?” vroeg ik, zonder nadruk maar met oprechte belangstelling die in mijn stem doorklonk.
Ze aarzelde. “Minder dan gewoonlijk.”
“Dacht ik al.”
Ze liep naar het raam, keek even naar buiten. “Ik ben gisteren niet eerlijk geweest,” zei ze toen. “Niet tegenover jou, maar vooral niet tegenover mezelf.”
Ik wachtte.
“Ik denk dat ik me heb laten gaan. Door de setting, door wat er gebeurde. Door hoe jij daar was en wat je zei. En daarna had ik geen passende reactie meer.”
Ik liet haar uitpraten.
Ze draaide zich om. “Maar ik wil het niet laten voorbijgaan zonder dat we erover gesproken hebben.” Ze pauzeerde, als om het gewicht van dat woord toe te laten. “Misschien kunnen we het gesprek vervolgen. Maar niet hier.”
Ik knikte. “Vanavond dan?”
Ze keek op haar horloge. “Ik heb een afspraak om zes uur, maar daarna ben ik vrij. Zou je bezwaar hebben tegen iets eenvoudigs? Een wandeling en een korte maaltijd misschien?”
“Lijkt me een uitstekend idee.”
Ze knikte langzaam. “Dan zie ik je rond half acht. Je weet de weg.”
“Dat is prima.”
Ik nam het kaartblad aan en draaide me naar de deur. Toen ik vertrok, bleef ze staan zoals ze stond: rug naar het licht, handen losjes langs haar zij. Ze zei niets meer.
Toen ik ‘s avonds voor haar deur stond, deed ze open voordat ik kon aanbellen. Haar haar was los, haar gezicht onopgemaakt. Ze droeg een eenvoudige wollen jurk met lange mouwen en had haar voeten in zachte instappers gestoken. Het huis was stil.
“Kom binnen. Ik moet me nog even omkleden, maar ik ben zo terug.”
Ze verdween richting de slaapkamer. Ik bleef in het halletje staan, hing mijn jas op, keek naar het dressoir met de schaal waarin nu alleen een sleutelbos lag. Een minuut later kwam ze terug in een donker jasje en een lichte sjaal.
“Het waait iets meer dan ik dacht. Wandel je liever eerst of eten we eerst iets eenvoudigs hier?”
“Wat jij prettig vindt.”
Ze dacht kort na. “Dan liever nu eerst een hapje. Anders eet ik vanavond niet meer.”
Ze leidde me naar de keuken, waar een pan soep op het fornuis stond en een snijplank met brood, kaas en wat olijven. Er stond een fles witte wijn op het aanrecht, ongeopend.
“Ik dacht: iets makkelijks, zonder veel gedoe.”
“Lijkt me een uitstekend idee!”
We aten aan de kleine keukentafel, tegenover elkaar. Ze at langzaam, zonder te praten, alsof ze de rust niet wilde verbreken. Toen ze haar lepel neerlegde, keek ze op.
“Het zit me niet lekker dat ik je gisteren liet gaan zonder dat ik zei wat ik wilde zeggen.”
Ik wachtte, niet aandringend, terwijl ik mijn laatste lepel soep verorberde.
“Ik meende het toen ik zei, dat ik geen verplichting wil, dat ik niet op zoek ben. Maar ik merkte vannacht, toen ik niet kon slapen, dat het niet alleen daarom was dat ik je liet gaan.”
Ze schoof haar kom iets opzij.
“Er is iets aan jou dat ik niet helemaal in de hand heb.”
“Ik heb niets gedaan om dat uit te lokken.”
“Ik weet het,” zei ze. “Juist daarom.”
Ze stond op, liep naar het aanrecht en schonk ons beiden wijn in. Toen ze terugkwam en het glas voor me neerzette, bleef ze even staan.
“Zullen we het niet moeilijker maken dan het is?”
Ik keek haar aan. “Zeg jij het maar.”
Ze legde haar hand op mijn schouder, liet hem daar eerst even rusten om vervolgens mijn wang te strelen.
“Ik wil dat je vanavond blijft en ik hoop dat jij dat ook wil.”
Ik bewoog me naar haar toe in haar meest intieme zone, legde mijn hand in haar nek, trok haar hoofd zachtjes naar mij toe en gaf haar een zoen op haar mond.
“Dan blijf ik.”
Ze knikte langzaam terwijl ze mij indringend aankeek, alsof ze wilde vaststellen dat wat er gebeurde ook echt gebeurde en het zichzelf moest toestaan. Daarna draaide ze zich om en liep de kamer uit.
“Kom!”
Ik liep achter haar aan terwijl zij de deuren opende en haar slaapkamer inliep. Het was een ruime kamer met een nostalgische sfeer die aan de dertiger jaren deed denken, erg veel art nouveau elementen in het interieur, maar niet overdadig veel. Er stond een ruim king size bed met een heus hoofd - en voeteinde en een sprei die paste bij de sfeer.
“Kom bij me zitten,” zei ze terwijl ze ging zitten. “Niet te veel praten.”
Ik ging naast haar zitten, maar kon het niet laten om met een grijns te vragen: “De wandeling gaat zeker niet meer door?”
Haar gezicht brak open in een brede lach. “Tenzij jij nu behoefte hebt aan frisse lucht!” zei ze plagend.
Ik draaide me naar haar toe, pakte haar schouders beet en duwde haar achterover op haar bed, hing met mijn gezicht boven de hare en zei zachtjes: “Ik heb voldoende aan jouw lekkere geur.”
Ze trok haar benen op het bed, draaide zich op haar zij, keek me aan en strekte haar armen naar mij uit. “Ik ben een beetje nerveus,” zei ze zacht.
“Dat hoeft niet,” zei ik terwijl ik me in haar armen nestelde en haar gezicht met mijn hand omvatte, mijn duim langs haar kaaklijn, mijn lippen even op haar voorhoofd.
“Ik heb het nog niet zo vaak gedaan,” fluisterde ze. “Niet dat ik het niet wilde, maar… ik heb het niet vaak toegelaten en ben er daarom niet echt goed in geweest.”
“Het gaat er niet om goed te zijn,” zei ik terwijl ik haar gezicht overdekte met zachte kusjes. “Het gaat erom dat je voelt wat klopt. En dat je niets hoeft te veinzen.”
Ze zei niets, maar pakte mijn hand en legde die op haar borst. Haar hart klopte snel. Door de stof heen voelde ik de warmte van haar huid. Ze liet me haar jurk losknopen, één voor één, tot ze voor me lag in haar slip en beha. Ze keek niet weg, maar hield haar blik op mijn gezicht, zoekend naar aanwijzing, naar bevestiging.
Ik boog me naar haar toe en kuste haar mond, haar hals, de huid onder haar oor. Haar ademhaling versnelde. Mijn handen gleden langs haar flanken, haar buik, haar heupen. Ze bewoog nauwelijks, maar haar benen gingen vanzelf iets uit elkaar.
Toen ik haar beha losmaakte en hem weglegde, kneep ze zacht haar ogen dicht. Ik kuste haar borsten, eerst voorzichtig, toen gretiger. Haar vingers lagen open op het laken, zonder houvast.
“Je doet het alsof je me al kent,” fluisterde ze.
“Ik lees alleen wat er in jouw lichaam staat geschreven en wat jij uitstraalt,” zei ik. “Èn ik luister.”
Ze humde kort, trok me naar zich toe, voelde mijn erectie door mijn broek en streek eroverheen. “Ik weet niet wat ik met zoiets moet.”
“Je hoeft niets te weten,” zei ik. “Alleen te voelen.”
Ik deed mijn overhemd uit, mijn broek, mijn ondergoed. Ze keek, zonder schaamte, alleen verwondering. Toen ze zich omdraaide om haar slip uit te doen, hield ik haar tegen.
“Dat is iets wat ik graag wil doen,” zei ik zachtjes.
Ze hield in en liet me mijn dingetje doen. Met beide handen pakte ik de zijkanten van haar witte slip vast en duwde mijn neus in haar kruis en haalde diep adem terwijl ik het langzaam naar beneden trok. Vervolgens gaf ik haar kusjes op haar onderbuik en haar krullig schaamhaar.
Met wat handige manoeuvres slaagde ik erin om haar slip uit te trekken zonder de verkenning met mijn mond en lippen te onderbreken.
Ik schoof mijn vingers tussen haar benen, voelde hoe vochtig ze al was. Ze ademde scherp in toen ik haar kittelaar met mijn tong beroerde en haar schaamlippen langzaam op en neer likte.
Ik bewoog langzaam, cirkelend, terwijl ik haar met mijn mond bleef kussen. Ze duwde haar bekken tegen mijn mond, haar ademhaling onregelmatig, haar benen gespannen.
“Ik wil dat je in me komt,” zei ze toen. “Nu.”
“Neen, niet zo snel, schat.” zei ik, “we nemen er onze tijd voor.”
Ik ging door met strelen, likken en zuigen. En op een gegeven moment bracht ik een vinger in haar heerlijk geurende kut, die wagenwijd open stond. Terwijl ik met mijn ene hand haar borst zachtjes masseerde, haar clitje met mijn lippen bewerkte, vingerde ik haar rustig maar gedegen zonder een orgasme te willen provoceren.
Haar opwinding nam toe naarmate ik mijn activiteiten intensiveerde.
“O, mijn God! Ja, ja, daarzo. Ga verder, niet stoppen!” En ze wreef met haar onderlichaam tegen mijn gezicht terwijl ze met beide handen mijn hoofd op de juiste plek vastpinde.
“Aahhh! Ik kom! Ik kom!” Haar lichaam verkrampte op het moment surprême en met een luide kreet kwam ze voor de eerste keer die avond klaar.
“Dit is pas het begin, schat!’ zei ik en ging boven haar liggen, bracht mezelf naar haar opening en voelde hoe ze me in zich opnam, eerst voorzichtig, toen volledig. Ze kreunde diep, sloeg haar armen om me heen en trok me dicht tegen zich aan.
“Zo… ja… blijf zo.”
Ik bewoog traag, met lange halen, voelde haar lichaam reageren, gespannen, dan weer ontspannen. Haar handen lagen op mijn rug, haar lippen vlak bij mijn oor.
“Ik voel het overal,” fluisterde ze. “Alsof ik open ga.”
Ik zei niets, alleen mijn adem, mijn beweging. Ze begon te trillen, haar bekken tegen me aan, haar handen stevig op mijn schouders. “Ik… ik ga weer komen,” zei ze, haar stem brekend. “Laat me.”
Ik hield haar vast toen het weer door haar heen trok, niet luid, maar intens. Haar hele lichaam verstrakte, haar benen om mijn middel geklemd, haar adem stokte, haar nagels in mijn huid.
Toen het over was, bleef ze stil liggen, mijn gezicht in haar hals, haar armen nog steeds om me heen. Ik voelde natte tranen op mijn schouders vallen en voelde haar lichtjes schokken.
Ze zei niets. Alleen onze ademhaling vulde de kamer. Ik richtte me op, keek haar in haar betraande ogen aan en veegde de tranen van baar gezicht.
Na een lange stilte fluisterde ze: “Dat heb ik nog nooit gehad.”
Ik kuste haar slaap. “Niet alle vrouwen krijgen orgasmes, maar als het gebeurt is het echt en is het mooi.”
Ze trok het laken over ons heen, haar hand op mijn borst, haar benen verstrengeld met de mijne. Ze zei niets meer die nacht.
Het was nog donker in de kamer toen ik wakker werd. Haar lichaam lag tegen het mijne, warm, ontspannen. Ik keek naar het plafond, naar de vaag bewegende schaduw van het gordijn. Ze ademde rustig. Mijn hand lag op haar buik, haar vingers rustten losjes op mijn onderarm.
Ze werd wakker zonder iets te zeggen. Haar ogen gingen langzaam open, ze draaide zich op haar rug en keek me aan.
“Goedemorgen,” zei ik zacht.
Ze glimlachte en gaf me een zoen op mijn lippen. “Jij ook een goede morgen.”
We lagen nog een tijdje zo. De stilte voelde niet ongemakkelijk, maar er zat iets in van terugkeer naar de wereld, naar kleren, naar koffie en naar afspraken.
“Hoe laat is het?” vroeg ze.
“Vijf over half zeven,” zei ik, na een blik op de wekkerradio.
Ze zuchtte. “We moeten eruit. Jij moet ook nog naar huis, neem ik aan?”
Ik zweeg even. “Dat wordt lastig, dat red ik niet als ik op tijd weer op kantoor wil zijn. Verder heb ik geen schone kleren bij me. Geen tandenborstel of scheerspullen.”
Ze draaide haar hoofd naar me toe. “Ik heb een extra tandenborstel. Scheerspullen zijn er ook. En qua kleren… ik heb een strijkbout.”
Ik moest lachen. “Dat scheelt.”
Ze kwam overeind, sloeg het laken van zich af en liep naar de badkamer. “Kom je?”
Even later stonden we samen onder het warme water van de douche in een ruimte die net groot genoeg is voor twee personen. We zeepten elkaar in en spoelden elkaar af. Alles efficiënt, erg veel tijd hadden we immers niet. Ook droogden we elkaar af alsof we dat al jaren deden als een koppel dat langere tijd samenwoonde.
Ze wikkelde haar haar in een handdoek en zei ze: “Ik heb hier de tandenborstel en de scheerspullen. Ik zet vast koffie en maak het ontbijt klaar. Zin in een eitje?”
“Ja, lekker!”
Ik schoor me met het scheermesje en zeep die ze had klaargelegd en poetste mijn tanden met haar reserveborstel. Mijn overhemd kon ermee door, daar zaten geen echte kreuken in. De vouwen in mijn broek duwde ik er zo goed mogelijk uit met de vlakke hand.
In de keuken had ze twee mokken klaargezet, brood gesneden, boter, kaas en twee gekookte eitjes. Ze was weer gekleed zoals ik haar eerder kende: praktische jurk, ingetogen make-up, zakelijke blik.
“We moeten het even hebben over straks,” zei ze terwijl ze de koffie inschonk.
“Dacht ik ook.”
Ze ging tegenover me zitten. “Wat gisteren gebeurde, verandert niets aan onze opdracht. We zijn collega’s. Ik ben jouw principaal. Ik wil dat we professioneel blijven.”
“Ben ik met je eens,” zei ik. “Wat er gebeurt, blijft tussen ons. Geen gedrag dat opvalt, geen verschil in toon of houding.”
Ze knikte. “Goed. En mocht het zich herhalen…”
“Wil je dat dan?” vroeg ik kalm.
Ze keek me van onder haar wimpers aan, en zei met een lichte blos op haar wangen: “Ik heb het idee dat ik in dat opzicht nog veel van je kan leren, Mucike!”
Ik keek haar aan. “Dan zorgen we dat het zich opnieuw afspeelt buiten werktijd. Zonder gevolgen voor ons werk.”
Ze glimlachte. “Je bent zakelijker dan ik dacht.”
“Dat komt door jou. En mijn vrienden noemen me Moets, uiteraard buiten werktijd!”
Ze hief haar koffiemok even, glimlachte kort. “Op de samenwerking. En noem mij dan maar El, zo noemde mijn moeder me altijd.”
“Op discretie, El!” zei ik, en tikte mijn mok kort tegen de hare.
We stonden in de gang op het punt om te vertrekken, jassen aan, schoenen aangetrokken. Haar sleutels lagen al in haar hand. Ze draaide zich naar me toe, keek even naar de vloer, toen weer naar mij. Zonder iets te zeggen stapte ze dichterbij, sloeg haar armen om mijn nek en legde haar hoofd tegen mijn borst.
Ik hield haar stevig vast, drukte zachtjes mijn hoofd tegen het hare aan en voelde hoe ze zich voor een ogenblik volledig liet rusten in die omarming. Geen afstand of aarzeling. Geen woorden meer, alleen de warmte van haar lichaam tegen het mijne.
Toen keek ze op, legde haar hand in mijn nek en trok mijn gezicht naar het hare. De kus die volgde was traag en diep, zonder enige haast. Haar lippen gleden langs de mijne, onze tongen waren kort verwikkeld in een duel en haar vingers bleven in mijn haar.
Toen ze zich losmaakte, bleef ze me aankijken. “Tot straks,” zei ze zachtjes. Haar stem was vast, maar haar blik milder dan ik ooit van haar had gezien.
“Straks,” herhaalde ik, en volgde haar naar buiten.
Rond kwart over negen zaten we in een kleine vergaderruimte, met het kernteam van het oostrandproject. Drie collega’s van de ruimtelijke ordening, een jurist, en El aan het hoofd van de tafel. Ik zat schuin tegenover haar. Ze was terug in haar rol: kort van toon, scherp in formulering en alert op details. Maar af en toe kruisten onze blikken elkaar, even, neutraal, maar geladen met herinnering.
Het gesprek ging over de status van een recent ambtelijk overleg met de provincie. De kaarten lagen op tafel, de notulen verspreid. Er waren verschillen in interpretatie over een waterstructuur bij Werkhoven.
Toen één van de beleidsmedewerkers, een man van de oude stempel, begon te speculeren over ‘de bedoeling achter het kaartmateriaal’, hief El haar hand op. “Geen veronderstellingen, graag. Alleen de feiten.”
Ik boog me voorover. “De situatie is helder. De verbinding is ingetekend, maar bestaat fysiek niet. Er is verder geen hydrologische noodzaak noch een vastgelegde intentie. We zouden het als zodanig kunnen benoemen in de toelichting: geen beleidskader, slechts cartografische overerving.”
Er volgde een korte stilte. De jurist keek op van zijn aantekeningen. “Dat is scherp gesteld.”
El knikte. “Dat kan erin.”
Ze noteerde zelf niets, maar gaf een klein teken aan haar secretaresse. Daarna gleed haar blik langs mij, vluchtig, maar met een miniem knikje van goedkeuring.
Het gesprek ging verder, op zakelijke toon, zonder onnodige emotie. Maar ik wist, en zij wist, dat er sinds vanochtend iets fundamenteels veranderd was.
De periode waarin ik meeliep naderde zo met rasse schreden tot de dag dat ik mijn resultaten moest presenteren.
De ochtend begon met koffie in de glazen zaal, waarin we eerder hadden vergaderd. Iedereen zat op tijd. El hield de inleiding kort, benoemde de context, de opzet van de afgelopen weken, en gaf het woord aan mij.
Ik presenteerde mijn bevindingen, helder en zonder franjes. De kaarten lagen klaar, de cijfers waren doorgerekend. De afstemming tussen planvorming en hydrologisch beleid was scherper geworden, zonder dat de provincie gezichtsverlies zou lijden. Ik had El’s commentaar verwerkt, maar niets verzacht.
Toen ik klaar was, knikte ze langzaam en vatte het in twee zinnen samen. “Dit is precies de scherpte die we nodig hebben. Dank u, meneer van Dongen.”
Ze keek niet naar me, maar haar stem klonk net iets zachter dan anders.
Een uur later stond ik bij de uitgang. Een van de senior adviseurs van mijn bureau was speciaal gekomen om het project formeel af te sluiten. “We zijn tevreden,” zei hij. “Je contract wordt omgezet. Je hebt het waar gemaakt.”
Ik knikte. “Dank u.”
“Zeg maar ‘je’ vanaf nu. Je hoort erbij.”
“Nogmaals bedankt!”
Diezelfde avond nog belde ik bij El aan.
Ze deed open met een glas wijn in haar hand. “Ik dacht dat je wel iets wilde drinken,” zei ze met een glimlach.
“Lekker, daar zeg ik geen neen tegen,” zei ik terwijl ik me voorover boog om haar een zoen te geven. Kort maar intens zoende ze me terug.
We liepen naar de keukentafel toe en gingen tegenover elkaar zitten. Ze had dit keer geen kaarten klaargelegd of aantekeningen. Alleen twee glazen, een bakje nootjes met een open raam, waardoor de stad zacht op de achtergrond klonk.
Ze keek me een beetje meewarig aan, op een manier waaruit een zekere kwetsbaarheid sprak.
“We zijn klaar,” zei ze uiteindelijk. “Zakelijk dan.”
Ik humde bevestigend.
“Maar ik ben nog niet klaar met jou, ten minste als jij dat ook niet bent.”
Ik keek haar aan en zei: “Dat ben ik niet. Ik denk dat we elkaar nog veel te bieden hebben.”
Ze boog iets naar voren en nam mijn hand vast in de hare terwijl ze met haar duim over mijn knokkels heen wreef. “Mooi. Dan houden we het open, maar dan zonder verplichting of verwachting.”
“Alleen als het goed voelt en je de behoefte voelt.”
Ze glimlachte, zonder haar blik af te wenden. “En als het discreet blijft.”
“Dat spreekt voor zich.”
Ze dronk haar glas leeg, stond op en stak haar hand naar me uit. “Kom je nog mee naar de slaapkamer? Ik wil je nog even vasthouden en voelen. Geen verplichting.”
Ik nam haar hand vast, stond op om met haar mee te lopen en zei zachtjes terwijl ik haar in haar ogen aankeek: “Niets aan jou voelt als een verplichting, lieverd!”