
De receptioniste glimlacht professioneel, haar ogen schieten even naar zijn ringloze linkerhand voordat ze terugkeren naar het computerscherm. "Meneer Van Dijk, uw suite is klaar. Derde verdieping, uitzicht op zee." Ze overhandigt hem een sleutelkaart met gouden letters. "Geniet van uw verblijf."
De lift is van glas en stijgt langs de gevel van het gebouw, het Middellandse Zee blauw en eindeloos onder hem. Hij denkt aan het huis in Zeist, de stilte die daar hangt tussen de muren die ooit gevuld waren met kindergelach en het gekletter van schoolspullen. De stilte die nu alleen wordt onderbroken door het echoën van zijn eigen voetstappen op de houten vloer van de hal.
De suite is ruimer dan nodig, een zitgedeelte met lederen banken, een kingsize bed dat nog in de punt staat alsof niemand er ooit in heeft geslapen. De badkamer trekt zijn aandacht—marmer in zwart en wit, een regendouche die groot genoeg is voor vier personen, een badkuip die uitkijkt over de zee door een raam dat van vloer tot plafond reikt. Hij laat zijn vingers over het koele oppervlak van het wastafelblad glijden, voelt de oneffenheden van het natuursteen.
Hij trekt zijn overhemd uit, laat het op het bed vallen, en staart naar zijn eigen reflectie in de spiegel. De huid van zijn torso is bleek, de markeringen van een leven binnen, achter een bureau, tussen vergaderzalen. Hij is vijfenvijftig en voelt het soms in zijn knieën wanneer hij de trap neemt, maar zijn schouders zijn nog breed, zijn handen nog sterk, en er is iets in zijn ogen dat niet mee wil geven met het verstrijken van de jaren—een vonk die zijn ex-vrouw heeft proberen te doven en niet is geslaagd.
Hij kleedt zich aan in iets luchtigers, een linnen overhemd in een kleur die tussen beige en oudroze hangt, een pantalon van katoen die zijn benen ruimte geeft. Hij laat zijn polshorloge liggen, voelt plotseling de behoefte om tijdloos te zijn, los van afspraken en verplichtingen. Hij stopt zijn portemonnee in zijn zak, controleert of hij zijn telefoon heeft, en stapt de gang in.
De boulevard van Ibiza is een levend organisme, ademend in de hitte van de middag. Terrassen spreiden zich uit als kleurrijke vlekken langs de promenade, parasols in felle tinten die schaduw bieden aan dorstige toeristen. Muziek mengt zich—uit één hoek de zware bastonen van een club die nog niet is geopend, uit een ander de akoestische gitaren van een straatmuzikant die zingt over verloren liefdes in een taal die Arnold niet verstaat maar wel voelt.
Hij loopt langzaam, laat zich leiden door de geur van vers gebakken churros en de zilte wind die van zee komt. Zijn ogen dwalen over de voorbijgangers, niet op zoek maar wel ontvankelijk, een gewoonte die hij zichzelf niet wil toegeven maar die er toch is. Hij ziet een vrouw in een te strakke jurk die op hoge hakken worstelt met de kasseien—een zes, denkt hij, te geforceerd. Een paar in matching outfits, hand in hand, gelukkig in hun bubbel. Een serveerster die tafels dekt met bewegingen die op dansen lijken, haar heupen zwaaiend in een ritme dat haar lichaam kent maar haar geest niet hoeft te volgen.
Dan ziet hij hen.
Zes meisjes die de hoek om komen, een wolk van jeugd die de lucht lijkt te veranderen waar ze passeert. Ze zijn niet opvallend op een manier die roept, maar op een manier die fluistert—de onbedorvenheid van huid die nog nooit heeft hoeven vechten tegen zwaartekracht, de onbezorgdheid van lichamen die nog niet hebben geleerd dat ze voorwerpen kunnen zijn. Arnold schat ze achttien, misschien negentien, de leeftijd waarop de wereld nog een speeltuin lijkt en de gevaren nog ver weg zijn.
Een blond meisje voert het groepje aan, haar haar gevangen in een knot die precies onzorgvuldig genoeg is om bedacht te zijn. Achter haar loopt een brunette met zonnebril op haar hoofd—een detail dat Arnold irriteert zonder dat hij weet waarom, alsof het een symbool is van iets groter, van een generatie die de wereld ervaart door filters en schermen. Een roodharige met sproeten die haar schouders bloot laat, een donker meisje met krullen die om haar gezicht dansen als een halo, en twee anderen die in elkaars oor fluisteren en giechelen om een privégrapje.
En dan is er degene die achteraan loopt, iets afgezonderd van de rest, alsof ze observeert voordat ze besluit mee te doen. Haar haar is bruin met gouden strepen die het zonlicht vangt, haar jurk is eenvoudig, wit, met knopen die van haar hals naar haar middel lopen. Ze draagt geen schoenen met hakken maar sandalen, en er is iets in de manier waarop haar voeten de grond raken—vol, zeker, alsof ze weet waar ze staat.
Haar ogen vinden de zijne.
Het is geen toeval, geen vluchtige blik die elkaar kruist en doorgaat. Ze kijkt, ziet, en blijft kijken. Arnold voelt iets in zijn borstkas, een spier die hij niet kent die plotseling samentrekt. Hij glimlacht—een reflex, een oude gewoonte van beleefdheid die zijn gezicht niet heeft verlaten sinds zijn eerste sales pitch dertig jaar geleden. Ze glimlacht terug, niet het geflirteerde van iemand die weet wat ze doet, maar iets opener, nieuwsgieriger, alsof ze een vraag stelt die ze nog niet hardop durft te formuleren.
De groep stopt bij een terras dat vol lijkt, de blonde leidster kijkt gefrustreerd naar de bezetting. Arnold ziet hoe de brunette met de zonnebril op haar hoofd iets fluistert, hoe de groep in een kleine kring verder praat, hoofden die bij elkaar komen als bloembladeren die zich sluiten. Dan scheiden ze zich, en het meisje in het witte jurkje—Annemiek, zal hij later horen—loopt naar hem toe.
Haar benen zijn bruin, spieren die zich ontspannen en aanspannen in een ritme dat natuurlijk is, niet geoefend. Ze komt tot stilstand bij zijn tafeltje, en hij ziet nu de details die op afstand verborgen bleven: een sproetje op haar linkerslaap, nagels die ongelakt zijn maar schoon, een hanger om haar nek die een versteend schelpje lijkt te zijn.
"Goedemiddag, meneer." Haar stem is helder, niet gebroken als van iemand die nog moet groeien in haar klank. "Mag ik u vragen of we bij u aan tafel mogen komen zitten? De terrassen zitten vol, en u zit zo alleen."
Ze zegt het zonder meelij, zonder de neerbuigendheid die sommige jonge mensen hebben voor ouderen die ze alleen aantreffen. Er is iets anders in haar toon, een eerlijkheid die hem verrast.
"De plaatsen zijn vrij," zegt hij, en hij hoort zijn eigen stem vreemd klinken, iets dieper dan normaal, alsof zijn lichaam reageert voordat zijn verstand het kan controleren. "Kom gerust zitten."
De andere vijf komen erbij, een golf van geuren—zonnebrand en shampoo en iets fruitigs dat van één van hen afkomt, misschien de roodharige. Ze introduceren zich haastig, namen die over elkaar heen buitelen: Fleur, die blijkt de blonde te zijn; Sanne, de brunette die nu de zonnebril afdoet en hem met openlijke nieuwsgierigheid bekijkt; Roos, het roodharige meisje dat niet stopt met bewegen, haar enkels kruisend onder de tafel; Naomi, de donkere schoonheid met de halo van krullen; en Marloes, een stil meisje met bruin haar dat in haar gezicht valt en die als laatste plaatsneemt, alsof ze hoopt onopgemerkt te blijven.
En Annemiek, die naast hem schuift, haar dij tegen de zijne, een warmte die door de stof van hun kleding heen dringt.
Arnold wenkt de ober, een jonge man met een ringetje in zijn wenkbrauw die hen alle zeven aankijkt alsof hij een rekensom maakt van de fooi versus de moeite. "Graag wat te drinken voor ons allemaal," zegt Arnold, en hij hoort hoe natuurlijk het klinkt, alsof hij altijd al met zes jonge vrouwen om een tafel zat. "Ik neem een biertje."
De meiden bestellen in koor—wijn voor Fleur en Sanne, cola voor Roos die toont met haar paspoort dat ze inderdaad achttien is, een fruitsap voor Naomi die zegt dat ze de alcohol voor vanavond bewaart, en water voor Marloes die nauwelijks durft te kijken naar de ober.
"Bent U al lang op Ibiza, meneer?" vraagt Annemiek, en haar knie raakt de zijne onder de tafel, een aanraking die even blijft hangen voordat ze hem terugtrekt.
"Nee, nog niet. Net aangekomen, eerste dag." Hij neemt een slok van het biertje dat wordt gebracht, voelt de bittere bubbels op zijn tong. "En jullie?"
"Ook vanochtend," zegt Sanne, die voorover leunt alsof ze een geheim wil delen. "Vanuit Rotterdam. Eerste vakantie zonder ouders, zonder toezicht, zonder—" ze maakt een gebaar met haar hand, "—regels."
"Behalve de regels die we onszelf stellen," voegt Fleur eraan toe, en er gaat een geroezemoes door de groep, een inside joke die Arnold niet begrijpt maar wel waardeert.
"We hebben een appartement gehuurd," zegt Annemiek, en haar hand komt tot rust op haar eigen dijbeen, zo dicht bij de zijne dat hij de hitte ervan kan voelen. "Iets verderop, langs het strand. Drie slaapkamers, zodat we met z'n tweeën kunnen slapen."
"Of niet slapen," zegt Roos, en ze lacht, een geluid dat opklinkt als klokjes.
Arnold vertelt over zijn hotel, de marmeren badkamer die hij nog niet heeft gebruikt, het uitzicht dat hij vanavond wil zien bij zonsondergang. Hij vraagt wat ze van plan zijn, een vraag die hij zichzelf hoort stellen alsof hij een vader is, een oom, iemand die verantwoordelijkheid draagt.
"We zien wel wat er op ons pad komt," zegt Annemiek, en haar ogen ontmoeten de zijne, en er is iets in die blik dat hem doet verstijven, een belofte of een uitnodiging die hij niet durft te benoemen. "Ik ben blij dat u hier bent," voegt ze eraan toe, zachter nu, alsof de woorden alleen voor hem bestemd zijn. "Een landgenoot die ten minste mijn taal spreekt."
Haar hand verschuift, een beweging die zo klein is dat hij het bijna zou missen, en plotseling ligt haar pink over zijn knie, een contact dat elektrisch aanvoelt in de hitte van de middag. Hij kreunt niet—het is te zacht, te beheerst voor een geluid maar hij voelt zijn adem inhouden, zijn borstkas zich uitzetten tegen de druk die hij niet kan plaatsen.
"Zullen we teruggaan?" vraagt Fleur opeens, en de groep reageert als een school vissen die van richting verandert. "We moeten nog avondeten klaarmaken."
Annemiek trekt haar hand niet terug. Integendeel, ze laat hem glijden, een centimeter, twee, tot de binnenkant van haar pols zijn dijbeen raakt en hij de polsslag kan voelen, een tromgeroffel die overeenkomt met het zijne.
"Komt u ook mee?" vraagt ze, en haar stem heeft die uitdagende ondertoon gekregen die hij eerder alleen in haar ogen zag. "We gaan pasta maken, dat is makkelijk en lekker. U kunt gewoon mee-eten."
Hij zegt ja voordat hij kan nadenken, voordat de stem in zijn hoofd—de stem van verstandigheid, van wat mensen zouden zeggen—kan protesteren. Hij staat op, betaalt de rekening voor de hele groep ondanks hun protesten, en loopt met hen mee, een oude man tussen zes jonge vrouwen, zijn hart bonzend in een ritme dat hij niet herkent maar wel volgt.
Het appartementencomplex is nieuw, te nieuw, de geur van bouwstof nog niet verdwenen uit de gangen. Hun appartement is op de tweede verdieping, een balkon dat uitkijkt over een binnenplaats met een zwembad dat nog niet gevuld is. Binnen is het ruimer dan hij verwachtte, een open keuken die uitkomt op een woonkamer met een ronde eettafel en een bank die groot genoeg is voor drie personen.
De meiden verspreiden zich als water dat een nieuw oppervlak vindt. Fleur en Sanne nemen de keuken over, vinden potten en pannen in kasten die ze nog niet hadden geopend. Roos ontdekt de bluetooth speaker en er klinkt muziek, iets met een zware beat dat de muren laat trillen. Naomi staat op het balkon, haar telefoon omhoog om het uitzicht vast te leggen. En Marloes—Marloes gaat zitten op een van de stoelen bij de tafel, haar handen gevouwen in haar schoot, haar ogen op de grond gericht alsof ze hoopt te verdwijnen.
Annemiek trekt Arnold mee naar de bank, laat hem plaatsnemen, en gaat zo dicht naast hem zitten dat haar heup de zijne raakt. "Ik zal u vertellen over de anderen," zegt ze, en haar adem raakt zijn oor, warm en geurig naar de wijn die ze heeft gedronken. "Fleur en Sanne zijn al sinds de brugklas bevriend, onafscheidelijk. Roos is de gekke, altijd bezig, nooit stil. Naomi is de mooie, weet u wel, degene die iedereen aankijkt."
Ze pauzeert, en haar hand vindt zijn been, rust erop als iets dat er hoort.
"En Marloes?" vraagt Arnold, omdat iets in het stille meisje hem raakt, een herkenning van eenzaamheid die hij in zichzelf heeft gezien.
Annemiek leunt dichter, haar lippen bijna tegen zijn oor. "Marloes wordt thuis geslagen," fluistert ze, en haar vingertoppen drukken zacht in zijn dijbeen, een tegengewicht tegen de zwaarte van haar woorden. "Door haar vader. Met een riem, als ze vijf minuten te laat is. En volgens mij..." ze aarzelt, haar adem stokt even, "volgens mij doet hij meer. Dingen die een vader niet hoort te doen. Ze wil het liefdevol, zachtzinniger, maar hij..hij forceert het, neemt haar zonder pardon."
Arnold draait zijn hoofd, kijkt haar aan van dichtbij, ziet de gouden vlekjes in haar bruine ogen. "Waarom doet ze geen aangifte?"
"Dan heeft ze geen vader meer. Geen thuis." Annemiek haalt haar schouders op, een beweging die haar borstkas laat rijzen, het decolleté van haar jurkje strakker trekt. "Maar u," zegt ze, en haar hand glijdt hoger, de binnenkant van zijn dijbeen nu, de warmte door de dunne stof van zijn pantalon heen, "u bent niet zo, hè? Volgens mij bent u juist heel lief."
Hij wil antwoorden, wil iets zeggen over hoe hij niet weet wat hij is, hoe hij vijfentwintig jaar heeft gedacht dat hij wist wie hij was tot die dag in zijn eigen huis, zijn eigen bed, met vijf mannen die zijn vrouw namen terwijl ze hem aankeek en zei dat dit was wat ze wilde. Maar dan voelt hij haar vingertoppen zijn halfstijve pik raken, een druk die hem het adem beneemt, en hij kreunt, zacht, een geluid dat hij niet kan onderdrukken.
De keuken komt tot leven achter hen, het gekletter van pannen, het gezucht van het fornuis dat aangaat. De geur van knoflook en olijfolie vult de ruimte. Annemiek trekt haar hand terug, maar niet ver, laat ze rusten op zijn middel, alsof ze eigendom claimt, alsof ze hem al heeft gemarkeerd.
De pasta komt op tafel, een grote schaal met tomatensaus die nog pruttelt. De meiden scheppen voor elkaar, giechelen wanneer er druppels vallen, maken plaats voor Arnold alsof hij altijd al bij hen hoorde. Hij wacht tot iedereen heeft opgeschept, ziet dat er meer dan genoeg is, en neemt dan pas zelf, een gewoonte die hij niet kan verdringen.
"Het is lekker," zegt hij, en hij meent het, de smaak van verse basilicum en goede olijfolie, de textuur van de pasta die precies goed is gekookt.
De meiden lachen, een koor van blijdschap. "Dank u," zegt Fleur, "dat u het aandurft om met ons te eten."
Annemiek komt dichterbij, haar dij tegen de zijne, haar schouder onder de zijne. Ze eten in een ritme dat natuurlijk wordt, gesprekken die over en weer gaan, verhalen over school, examens, de toekomst die voor hen ligt als een open weg. Arnold luistert meer dan hij praat, voelt hoe Annemieks hand weer zijn been vindt, hoe haar vingers naar zijn kruis glijden, hoe ze hem door de stof heen vastpakt en zachtjes knijpt.
"Het voelt groot aan," fluistert ze, en haar adem raakt zijn hals. "Begint u me aardig te vinden, Arnold?"
Hij kijkt haar aan, ziet de vraag in haar ogen, de uitdaging en de kwetsbaarheid die eronder ligt. "Ik ben een ouwe lul," zegt hij, zacht genoeg dat alleen zij het hoort. "En jij bent zo jong."
"Wat ik voel," zegt ze, en haar hand knijpt harder, zijn pik reageert, wordt stijver, drukt tegen de beperking van zijn kleding, "wat ik voel zou ik best dieper willen voelen. Ik denk dat hij me wel zal bevallen."
Het is geen vraag, geen smeekbede. Het is een mededeling, een besluit dat ze al heeft genomen en nu met hem deelt. En hij voelt hoe iets in hem meegaat, hoe de stem van verstandigheid wordt overstemd door iets ouders, iets dat weet wat het lichaam wilt ondanks alle redenen waarom het niet zou moeten.
"Als je dat echt wilt," zegt hij, en zijn eigen stem klinkt vreemd, rauw, een instrument dat lang niet is bespeeld.
"Ik wil," zegt ze, en haar ogen vinden de zijne, en er is geen twijfel meer, geen ruimte voor terugtrekken. "Ik val niet op schooljongens, Arnold. Ik val op u."
De maaltijd eindigt in een werveling van beweging. De meiden beslissen collectief om op een strandwandeling te gaan, het is nog licht, de avond is nog jong. Fleur roept iets over "niets doen wat wij ook niet zouden doen" en de giechel die volgt is een geluid dat de muren lijkt te kleuren. De deur valt dicht, voetstappen die wegsterven in de gang, en dan zijn ze alleen.
Annemiek staat op, trekt hem mee van de eettafel, haar hand om zijn pols, haar vingers die zijn polsslag voelen bonzen. Ze leidt hem naar de bank, laat hem plaatsnemen, en gaat zitten met haar benen over de zijne, een positie die intiem is zonder onmiddellijk uitdagend te zijn. Maar dan gaat haar hand naar zijn gulp, opent de knoop, de rits, en haalt zijn pik tevoorschijn die nu volledig stijf is, een erectie die zich heeft opgebouwd in de loop van de middag en nu eindelijk wordt erkend.
Ze kijkt, kijkt er naar, haar ogen die over zijn lengte glijden, de ader die langs de onderkant loopt, de gladde kop die al nat begint te worden. "Mooi," zegt ze, een woord dat hij niet verwacht, en dan begint ze hem af te trekken, haar hand die niet ervaren is maar wel enthousiast, een ritme dat ze vindt door te proberen.
Haar mond vindt de zijne, een kus die zacht begint en dieper wordt, haar tong die de zijn tong ontmoet, de smaak van wijn en tomatensaus en iets dat alleen zij is. Ze beweegt tegen hem aan, haar heupen die een dans maken die geen woorden nodig heeft.
"De slaapkamer," fluistert ze tegen zijn lippen, en ze trekt hem mee, zijn pik nog in haar hand, half uit zijn broek hangend.
De slaapkamer is eenvoudig, een tweepersoonsbed met witte lakens die nog in de vouwen zitten van de vorige gasten of misschien wel van de fabriek. Ze kleden zich uit in een stilte die gespannen is, vol verwachting. Hij ziet haar lichaam voor het eerst—de ronding van haar borsten die nog niet zwaar zijn van de jaren, de smalle taille, de heupen die breder worden in een vorm die vrouwelijk is zonder volwassen te zijn. Haar kutje is geschoren, een gladde driehoek die glimt in het licht dat door de gordijnen valt.
Ze gaat liggen, haar benen wijd, haar handen die naar hem reiken. "Kom," zegt ze, en haar stem is nu anders, lager, een klank die ze nog niet vaak heeft gebruikt. "Kom bij me. Ik wil je, Arnold. Ik wil met je neuken."
Hij kruipt op het bed, positioneert zich tussen haar benen, zijn pik in zijn hand, de warmte van haar lichaam die zijn eigen hitte weerkaatst. "Weet je het zeker?" vraagt hij, een laatste keer, een laatste kans voor haar om terug te trekken.
"Ja," zegt ze, en haar ogen zijn open, helder, geen spoor van twijfel. "Ik wil je lul voelen. Ik wil dat je me neukt, hard. Dat je mijn kutje vult met je grote lul. Ik wil klaarkomen op jouw lul, Arnold. Je moet me neuken, hard."
Hij duwt voorzichtig, de kop van zijn pik tegen haar opening, voelt de weerstand die nat is en toch strak, een spanning die hij moet overwinnen. Ze hijgt, haar handen die zijn schouders grijpen, haar nagels die in zijn huid drukken. Hij schuift naar binnen, centimeter voor centimeter, en voelt haar om hem heen trekken, een strakheid die hem doet verstijven van pure sensatie.
"Oh," zegt ze, en het is geen kreet maar een verademing, een uitademing van iets dat eindelijk gebeurt. "Zo groot. Zo lekker. Zo gevuld."
Hij begint te stoten, eerst langzaam, voorzichtig, haar lichaam laten wennen aan de indringing. Maar dan beweegt ze tegen hem aan, haar heupen die omhoog komen, een vraag om meer, om harder. Hij versnelt, zijn handen die haar heupen grijpen, haar benen die zich om zijn middel sluiten.
"Kom," fluistert ze, haar adem in zijn oor, haar stem gebroken door de stoten. "Neuk me. Ik ben van jou. Vul me. Laat me komen."
Hij voelt haar spieren samentrekken, de eerste golven van haar orgasme die door haar lichaam trekken. Ze kreunt, een diep, dierlijk geluid, en dan spuit ze, haar kutsappen die zijn ballen nat maken, een warmte die hem doet verwilderen. Hij stoot dieper, harder, het ritme dat hen beiden meeneemt.
"Ah... ah... oh, Arnold... je bent zo... zo stevig... ah..." haar woorden breken op, fragmenten die de lucht vullen tussen hun lichamen.
Hij voelt zijn eigen climax opkomen, een druk die zich opbouwt in zijn onderbuik, zijn pik die zich verhardt tot het pijn doet. "Ik ga," hijgt hij, een waarschuwing, een belofte. "Ik kom..."
"Ja," schreeuwt ze, en haar stem is nu hoog, scherp, een geluid dat de muren lijkt te raken. "Neuk me. Spuit me vol. Kom in me. Ik wil je zaad in me voelen. Ik wil het... ah... ah... oh... god..."
Hij explodeert, een orgasme die uit zijn tenen lijkt te komen, door zijn benen, zijn buik, en eruit spuitend in hete, dikke stoten die haar vullen, die haar doen volstromen, die uit haar lopen terwijl hij nog stoot, nog doorpompt, hij wil nog niet stoppen.
Dan liggen ze stil, verstrengeld, zijn gewicht op haar, haar armen om hem heen. Het duurt minuten voordat hun ademhaling normaal wordt, voordat de wereld buiten deze kamer weer bestaat.
"Dat was..." begint hij, maar ze legt haar vinger op zijn lippen.
"Heerlijk," zegt ze. "Hemels.” Verbetert hij. “Jij bent zo lekker. Zo heerlijk strak. Dank je."
Dan horen ze het, de deur van het appartement, stemmen die opgewonden door de gang komen, het gelach van meisjes die terugkeren van hun wandeling. Annemiek reageert eerst, probeert een laken over hen heen te trekken, maar ze liggen er zelf op, naakt en bloot en niet bereid om te verplaatsen.
De slaapkamerdeur gaat open. Fleur staat als eerste, haar mond opengaand in een 'o' van verrassing, maar dan glimlacht ze, een uitdrukking die zegt dat dit precies is wat ze had verwacht. De andere meiden dringen naar binnen, een menigte van nieuwsgierige ogen.
"Zo," zegt een van hen, hij weet niet wie, "zijn de tortelduifjes klaar met neuken?"
Marloes staat achteraan, haar ogen die over het tafereel glijden—Arnolds naakte rug, Annemieks uitgestrekte lichaam, het bewijs van hun vereniging dat op het witte laken zichtbaar is. Ze komt dichterbij, langzamer dan de anderen, alsof ze niet durft te storen maar ook niet weg kan blijven.
"Was het lekker?" vraagt ze, haar stem zo zacht dat hij haar bijna niet hoort. "Heb je genoten, Annemiek?"
Annemiek steekt haar arm uit, trekt Marloes naar hen toe, en kust haar—niet als minnaars maar als vriendinnen die een geheim delen, een moment van intimiteit dat niets met seks te maken heeft maar alles met begrip. "Het was heerlijk," zegt ze, tegen Marloes, tegen hen allemaal. "Hemels. Ik wil hem niet meer kwijt. Hij is van mij, zolang hij me wil."
Marloes kijkt Arnold aan, en hij ziet de tranen in haar ogen, niet van verdriet maar van iets anders, een erkenning van iets dat ze mist, iets dat ze ziet en nooit heeft gehad. "Je moet altijd lief voor haar zijn," zegt ze, en haar stem trilt. "Je mag haar geen pijn doen. Daar is ze veel te lief voor."
Hij kijkt terug, ziet het meisje dat wordt geslagen door haar vader, die wordt genomen op een manier die geen liefde is, en hij voelt iets breken in zijn borstkas, een deur die opengaat voor een ruimte die hij niet wist dat hij had. "Ik weet het," zegt hij, en hij meent het, elke lettergreep. "Ze is speciaal. Ze betekent nu al veel voor me. Ik heb haar lief."
De woorden hangen in de lucht, zwaarder dan hij verwachtte. Marloes kust hem, een zachte druk op zijn wang, en trekt zich dan terug, laat hen weer alleen in hun naaktheid terwijl de andere meiden zich verspreiden, de keuken in, het balkon op, de badkamer die ze moeten delen.
Ze kleden zich aan, langzaam, met handen die nog naar elkaar reiken, naar aanrakingen die nog niet genoeg zijn. Het balkon roept, het uitzicht op de zee die nu donkerblauw is geworden, de eerste sterren die verschijnen. Ze drinken water, wijn voor degene die wil, en staan samen bij het hek, haar hoofd tegen zijn schouder, zijn arm om haar heen.
"Annemiek," zegt hij, en de naam voelt als een gebed in zijn mond. "Blijf je vanavond bij mij, ga je met me mee?"
Ze draait zich naar hem, haar ogen die het licht van de straatlantaarns vangen. "Waarheen?"
"Terug naar mijn hotel. Morgen. Overmorgen. De rest van de vakantie." Hij ademt diep in, voelt de zoute lucht die zijn longen vult. "Ik wil je niet hier achterlaten. Ik wil wakker worden met je. Ik wil..."
Ze legt haar vinger op zijn lippen, hetzelfde gebaar als eerder, maar nu met een glimlach die de hele hemel lijkt te omvatten. "Ja," zegt ze, voordat hij kan uitspreken. "Ja, Arnold. Ik wil met je mee."
De nacht valt om hen heen, warm en vol belofte, en ergens in de verte klinkt muziek die nooit stopt, het hart van Ibiza dat blijft kloppen terwijl twee mensen die elkaar nog maar net kennen besluiten dat dit het begin is van iets dat geen eind hoeft te kennen.





