Thomas, drieënveertig en bezweet, zoekt schaduw bij de containers op de Wereld Jamboree. In het benauwde transportkantoor treft hij Elke, een Belgische vrijwilligster. Hun blikken kruisen, een struikelpartij bij de kar brengt hun lichamen tegen elkaar, en de hitte van de Poolse zon lijkt niets verg…
De zon hing loodrecht boven de Koreaanse velden, een brandende schijf die de lucht tot een trillende massa verhittte. Thomas, drieënveertig jaar oud en met een zweetgebroken voorhoofd, liep over het knisperende grind van het centrale pad. Rondom hem strekte de Wereld Jamboree zich uit als een oceaan van tenten; khaki, oranje, groen en blauw, tot aan de horizon. Het geluid van tienduizend stemmen – gillende kinderen, fluitende leiders, het bulderen van vrachtwagens – vormde een constante, fysieke druk op zijn trommelvliezen. Hij trok de kraag van zijn scoutinguniform los, de stof klevend tegen zijn vochtige rug, en zocht naar schaduw tussen de twee hoge containers die het logistieke centrum markeerden.
Als vrijwilliger, lid van de International Service Team, was hij hier niet om te kamperen, maar om te werken. De jeugd had de lol, hij had de chaos. Hij stopte even, leunend met één schouder tegen de warme golfplaten van de container, en veegde met een handdoek over zijn nek. De geur van de Jamboree was uniek: een mengeling van droog gras, zweet, toiletpokken, barbecuevuren en de zoete, chemische lucht van zonnebrandcrème. Het was een geur die je in de neusharen kreeg en niet meer losliet. Hij keek naar een groepje scouts die voorbij rende, vlaggen wapperend, hun energie bijna tastbaar in de stilstaande lucht. Hij voelde de spieren in zijn kuiten zwaar en stijf worden, een herinnering aan de kilometers die hij al vandaag had afgelegd.
Hij duwde de zware metalen deur open van de container die dienstdeed als kantoor voor de transportafdeling. Binnen was het donker en benauwd, alleen verlicht door een ventilator die traag en luidruchtig ronddraaide in een hoek, zonder enige verkoeling te bieden. De lucht hier was dikker, verzadigd met de geur van koffie en oud papier. Achter een stapel houten kisten zat een vrouw gebogen over een landkaart. Ze droeg hetzelfde beige overhemd, maar de mouwen waren opgerold tot boven haar ellebogen, en de bovenste knopen stonden open, waardoor een glimp van haar decolleté zichtbaar werd, bevochtigd door zweet. Haar haar, een donkerblonde waas, stond in alle richtingen uit, vastgepind met een potlood dat op het punt stond te vallen.
Thomas liet de deur met een klap in het slot vallen. De vrouw schrok op, draaide zich om en keek hem aan met een blik die eerst verwarring toonde, daarna herkenning. Het was Elke, een vrijwilliger uit België die hij een paar dagen eerder kort had gesproken bij de incheckbalie. Haar ogen waren groot en lichtbruin, omringd door fijne lijntjes van vermoeidheid en zon. Ze rekte zich uit, een beweging die de stof van haar overhemd strak trok over haar borsten, en liet een diepe zucht ontsnappen die eindigde in een klein grommend geluid.
"Je ziet eruit alsof je net een marathon hebt gelopen," zei ze, haar stem een octaaf lager dan hij zich herinnerde, ruw van de hitte en het stof. Ze pakte een plastic flesje water van tafel en dronk in lange teugen, haar kekel bewegend terwijl ze slok. Een druppel water ontsnapte uit haar mondhoek en trok een lijn langs haar hals, verdwijnend in de schaduw tussen haar borsten. Thomas volgde de druppel met zijn ogen, zijn keel plotseling droog. Hij liep naar de overzijde van de tafel, zijn benen voelde zwaar en houten.
"Transport is een hel," zei Thomas, zijn stem klinkend als schuurpapier in de kleine ruimte. Hij leunde met beide handen op de tafel, de rand hard en warm tegen zijn palmen. "De bussen staan vast bij de hoofdingang, iemand heeft de routeplanner verkeerd ingesteld, en er is een vrachtwagen met ijsblokjes omgeslagen in modderpoel." Hij keek naar haar handen. Ze waren klein, met korte, netjes geknipte nagels, en ze vouwde de landkaart langzaam dicht, haar vingers glijdend over het papier alsof ze een huid streelde.
Elke lachte zacht, een geluid dat klonk als het kraken van droog hout. "Welkom in mijn wereld," zei ze. ze stond op, haar stoel schrapend over de metalen vloer. Ze was niet lang, maar ze droeg zichzelf met een stevigheid die de kleine kamer vulde. Ze liep naar de ventilator, stond er vlak voor en sloeg haar haar op, waarbij ze haar nek blootgaf. De nek was lang en slank, bedekt met een laagje glanzend vocht. Thomas zag hoe de ventilator haar overhemd tegen haar lichaam drukte, de contouren van haar bh en de vorm van haar tepels zichtbaar makend door de dunne, vochtige stof. Hij voelde een plotselinge, stekende warmte in zijn onderbuik, een reactie die hij niet kon onderdrukken.
"Heb je even tijd?" vroeg ze, zonder zich om te draaien. "Ik moet deze dozen naar de medische post brengen, maar ik krijg ze niet alleen op de kar. En mijn collega is verdwenen naar de wc, al twintig minuten geleden." Ze draaide zich om, haar handen in haar zijen, haar borsten heffend met elke ademhaling. Thomas keek naar haar heupen, waar de strakke scoutingrok de ronding van haar billen benadrukte. Hij slikte, zijn tong plakkerig tegen zijn verhemelte.
"Ik help wel," zei hij. Het was wat hij hier was. Hij liep naar de stapel dozen in de hoek. Ze waren zwaar, vol met medische voorraden. Hij bukte zich, zijn spieren spanning onder het gewicht van zijn eigen lichaam, en tilde er twee op. De geur van haar werd sterker naarmate hij dichterbij kwam; een mix van zweet, een lichte, bloemige deodorant en iets dat puur vrouwelijk was, muskusachtig en warm. Hij stond op, de dozen in zijn armen, en keek haar recht aan. Haar ogen gleden over zijn armen, over de zichtbare aderen die onder zijn opgerolde mouwen uitzetten.
"Je bent sterker dan je lijkt," merkte ze op, een glimlachje om haar lippen. Ze opende de deur voor hem, en hij liep naar buiten, de hitte als een muur die hem tegemoet kwam. De kar stond geparkeerd in de zon, het metaal heet genoeg om huid te verbranden. Thomas zette de dozen neer, zijn handen glibberig van het zweet en het karton. Elke stond naast hem, haar schouder bijna zijn aanraken. Hij zag een zweetdruppel van haar slaan langs zijn eigen arm lopen, een kleine, natte weg tekenend op zijn huid.
"Samen tillen?" stelde ze voor. Ze knipte de dozen open met een stanleymes, het geluid scherp door het geroezemoes van het kamp. Ze pakte een pak met verbandmiddelen aan. Toen ze zich omdraaide om het op de kar te leggen, struikelde ze over een oneffenheid in het grind. Ze wankelde, haar hand grijpend naar zijn arm voor balans. Haar vingers grepen zijn bicep vast, hard en stevig. Thomas ving haar op, zijn andere hand automatisch gaand naar haar taille, waar de stof van haar overhemd los zat en zijn hand direct op haar warme, zachte huid rustte.
Ze stond stil, haar gezicht vlak bij het zijne. Hij kon haar ademen horen, snel en oppervlakkig. Hij keek in haar ogen en zag daar geen schrik, maar een donkere, glinsterende intensiteit. Haar lippen waren lichtjes geopend, de tong zichtbaar tussen haar tanden. Hij voelde de warmte van haar lichaam door zijn kleding heen, een straling die sterker was dan de Koreaanse zon. Zijn hand op haar taille bewoog zich een fractie omhoog, zijn duim rustend op de ribben net onder haar borst. Hij voelde de snelle hartslag van haar ader onder zijn vingertoppen. De wereld om hen heen, het geroep, het fluiten, het geratel van karren, leek te vervagen tot een onbeduidend geraas. Er was alleen de geur van zweet en huid, de druk van haar vingers op zijn arm, en de elektrische spanning die tussen hen in de lucht hing, zwaar en oplaaiend.