
Thomas stond bij de pasta en wist niet waarom hij daar zo lang bleef. Hij had twee zakken penne in zijn mandje en keek naar een derde alsof die een besluit van hem vroeg. Zevenenveertig, natte schouders van de regen buiten, een gezicht dat te open stond voor een supermarkt. In zijn jas zat nog de geur van zijn lege huis.
Achter hem klonk het zachte zoemen van een motor, toen een stem.
“Mag ik er langs, of speelt u nog even verstoppertje met die penne?”
Hij stapte opzij, te abrupt, en keek naar beneden.
Een elektrische stoel. Een vrouw van hooguit twintig, donker haar in een slordige knot, een wijde jas die te groot leek over haar schouders. Haar rechterhand lag op de joystick. De linker rustte in haar schoot, vingers half krom. In het mandje voorop haar stoel lagen yoghurt, een netje mandarijnen, een pak koffie dat scheefgezakt was.
Haar ogen waren te helder voor hoe moe de rest van haar lichaam eruitzag. Haar mond was vol. Ze keek hem aan alsof ze al had gezien dat hij te lang naar niets staarde.
“Sorry,” zei hij. “Ik stond in de weg.”
“Dat doet bijna iedereen. U doet het ten minste met een schuldig gezicht. Dat is al winst.”
Hij lachte, verrast, te hard voor het gangpad. Een vrouw met een kind keek om.
“Emma,” zei ze. Alleen de naam. Geen uitleg.
“Thomas.”
Ze knikte naar het bovenste schap. “Die groene doos. De havermout. Als u toevallig toch niks te doen heeft.”
Hij pakte de doos. Te snel. Alsof snelheid bewees dat het geen medelijden was. Hij legde hem in haar mandje. Hun vingers raakten elkaar niet.
“Dank u. Nu de koffie. Die valt steeds om en ik heb geen zin om hem voor de derde keer op te rapen met mijn tanden.”
Hij rechtte het pak. Dichtbij rook hij shampoo en koude lucht van buiten, en onder haar jas de vage geur van schone huid. Haar sleutelbeen was scherp in de halsopening. Hij keek ernaar langer dan beleefd was. Zij merkte het. Natuurlijk merkte ze het.
Bij de zuivel bleef haar stoel steken omdat iemand een kar dwars had gezet. Ze zuchtte door haar neus.
“Mensen denken dat een stoel een persoonlijkheid is,” zei ze. “Of juist geen.”
“Wat moet ik denken?”
“Dat ik havermout wil en dat mijn linkerarm niks doet. De rest mag u zelf uitzoeken.”
Hij schoof de kar weg. Zij reed langs hem, zo dichtbij dat haar wiel bijna zijn schoen raakte. Hij zag hoe dun haar polsen waren, hoe haar rechterhand trilde als ze de joystick te lang vasthield. Later, bij de kassa, zou hij haar ID zien en achttien denken. Nu dacht hij alleen: jong. Te jong om zo scherp te klinken. Te aanwezig om weg te kijken.
Bij de appels kon ze er niet bij. Hij pakte er vier, liet haar kiezen. Zij wees met haar kin.
“Die. Nee, die andere. U pakt altijd de mooiste. Dat verraadt iets.”
“Wat dan?”
“Dat u denkt dat mensen krijgen wat ze verdienen. Of juist niet.”
Hij voelde warmte in zijn nek. Niet alleen van de winkel.
Aan de kassa was het gedrang. Haar pinpas zat in een etui met klittenband aan de armleuning. Ze kreeg hem er bijna uit. Bijna. Hij wachtte. Pakte hem niet. Zij keek op.
“U mag hem nu wel pakken. Ik heb het geprobeerd. Dat is het punt.”
Hij deed het. Zijn duim langs de rand van het etui, langs haar mouw. Even huid. Koel. Zij haalde adem alsof ze iets inhield.
Buiten stond de regen weer opzetten. De drempel bij de automatische deur was te hoog voor haar voorwielen als ze geen vaart had. Ze probeerde het, stootte, vloekte zacht.
“Wacht,” zei hij.
Hij tilde de voorkant van de stoel niet op zoals amateurs dat doen. Hij ging naast haar staan, vroeg: “Mag ik?” Zij knikte. Hij duwde mee op het moment dat zij gas gaf. Samen. De stoel kwam over. Haar schouder raakte zijn heup.
Onder het afdak bleven ze staan. Plastic tassen aan haar haken, een mandarijn die bijna uit het netje rolde. Hij raapte hem op. Hun handen botsten. Deze keer niet per ongeluk helemaal.
Emma keek naar zijn mond, toen naar zijn ogen.
“U woont hier in de buurt.”
“Twee straten. Het complex met de lelijke balkons.”
“Nummer… laat maar. Ik weet het straks wel. Ik woon in twaalf. Aangepast. U kunt de lift ruiken.”
Hij glimlachte. “Ik breng de tassen wel. Als u wilt.”
Zij was even stil. Achter hen ging de deur open, dicht, open. Een man schoof voorbij zonder kijken.
“Ik wil het,” zei ze. “Niet omdat ik het niet alleen kan. Omdat ik geen zin heb om alleen te kunnen terwijl u hier staat met dat gezicht.”
“Wat voor gezicht?”
“Alsof u al weken niemand hebt aangeraakt en het toch netjes houdt.”
De zin hing tussen hen in, scherp en precies. Hij had weg kunnen lachen. Hij deed het niet.
“En u?” vroeg hij.
Emma haalde één schouder op, de schouder die nog meedeed. Regen parelde op de armleuning.
“Ik vind u aantrekkelijk op een manier die onhandig is. U bent te oud. Ik zit opgesloten in een rolstoel. En toch keek u naar mijn mond in het schap met de pasta. Dat vond ik prettig. Mensen kijken meestal naar de stoel of naar niets.”
Hij slikte. Zijn mandje knelde in zijn vingers.
“Ik keek naar u.”
“Dat merkte ik.”
Ze reden langzaam het plein over, hij naast haar, tassen in zijn handen, de hare leeg op schoot. Haar stoel zoemde door een plas. Water spoot tegen zijn broekspijp. Zij zei sorry zonder het te menen. Hij zei dat het niks was en meende het wel.
Voor haar portiek bleven ze staan. De lift geurde naar schoonmaakmiddel, zoals ze had beloofd. Hij zette de tassen in de houder van haar stoel, schoof het pak koffie recht, deed niets wat ze niet had gevraagd.
Emma keek omhoog. Vanuit de stoel was hij groter dan in het gangpad. Zij moest haar nek strekken. Een natte lok plakte tegen haar slaap.
“Thomas.”
“Ja.”
“Als u morgen boodschappen doet, kunt u melk meenemen. Halfvol. En u hoeft niet te doen alsof het toeval is.”
Hij knikte.
Zij reed de lift in, draaide de stoel met een klein, geoefend gebaar, zodat ze hem nog zag toen de deuren begonnen te sluiten.
“U heeft mooie handen,” zei ze. “Mag ik ze even aanraken?”
Hij legde zijn hand tegen haar gezonde rechterhand aan. Ze streelde zijn hand terwijl ze hem aankeek. Teder. Aandachtig. "Je bent zo lief," fluisterde hij.
Zijn lippen bewogen vlak boven de hare, aarzelend. "Je mag," zei ze zacht. "Je hebt mooie lippen."
"Jij ook, Emma. Zo mooi."
Hij kuste haar zacht en teder. Eerst aarzelend, toen vaster. Ze beantwoordde zijn kus, deed haar ogen dicht, genietend. Ze likte langs zijn lippen. "Kom morgen weer, Thomas."
De deuren vielen dicht.
Thomas bleef staan in de tocht van de portiek, zakken van zichzelf nog in zijn vuist, het natte stof van haar wiel op zijn broek, en voelde voor het eerst in lange tijd iets dat geen eenzaamheid was en ook geen redding. Alleen de duidelijke, ongemakkelijke wetenschap dat hij haar mond opnieuw wilde zien, en dat zij dat al had geweten.





