77.895 Gratis Sexverhalen
Houd jij ook van een beetje kinky?
A+ - a-

Ijskristallen En Stil Verlangen

Door: Maria-rp

Datum: 12-09-2026 | Cijfer: 8.5 | Gelezen: 329
Lengte: Lang | Leestijd: 20 minuten | Lezers Online: 12
Trefwoord(en): Verlangen,

Ik weet niet of ik hem meesleep of dat hij me volgt. Het maakt niet uit. Het enige wat telt is de steeg, de Vriesgoot, die ik ken van al die nachten dat ik hier stond te roken in het donker, wachtend op iets dat nooit kwam. Tot nu.

De straat achter ons is leeg. De Peperstraat ligt er verlaten bij, de kinderkopjes glinsteren onder een laagje ijs dat kraakt onder elke stap die we niet meer horen. Het enige geluid is onze adem, witte wolkjes die zich vermengen in de ruimte tussen ons. De steeg is smal, amper breed genoeg voor twee mannen die te dicht op elkaar staan. De kapotte straatlantaarn flakkert oranje licht over zijn gezicht, over de scherpe kaaklijn, de stoppels van een dag, de blauwe ogen die me aankijken alsof hij me wil stoppen maar niet weet hoe.

Ik duw hem tegen de muur. De bakstenen zijn koud, vochtig, er sijpelt water langs de voegen dat in de vorst is veranderd in ijskristallen. Zijn rug raakt de steen met een dof geluid, het geluid van uniformjas tegen baksteen. Hij laat het gebeuren. Dat is het eerste wat me opvalt — hij laat het gebeuren. Een man van een meter vijfentachtig, atletisch gebouwd, politieagent, en hij laat zich door mij tegen een muur duwen alsof hij erop heeft gewacht.

Zijn handen komen omhoog. Niet om me weg te duwen. Ze zweven naast zijn heupen, vingers gespreid, alsof hij zichzelf fysiek op zijn plaats moet houden. Ik ken dat gebaar. Ik heb het wekenlang bestudeerd, vanaf de eerste keer dat hij me beboette voor te hard fietsen op de Vismarkt, zijn handen in zijn zij, zijn ogen die me scanden alsof hij iets zocht wat hij niet wilde vinden.

"Je weet dat dit niet kan," zegt hij. Zijn stem is laag, schor, alsof de woorden moeite kosten.

Ik zeg niets. Mijn handen liggen op zijn borst, tegen de stof van zijn uniformjas. De mouwen zijn lang en dik, opgerold tot halverwege zijn onderarm — een kleine rebellie die niemand hem kwalijk neemt. Ik voel de warmte van zijn lichaam door de stof heen, de spanning in zijn spieren, de manier waarop zijn borstkas beweegt onder mijn handpalmen. Hij ademt te snel. Ik ook.

De straatgeluiden vervagen. Het verre gerinkel van een fietsbel, het gedempte geroezemoes van de stad, het zachte klotsen van water in de gracht — alles verdwijnt achter het geluid van onze ademhaling. Hijgend. Onregelmatig. Alsof we allebei rennen zonder te bewegen.

Ik kijk naar zijn riem. De gesp glinstert in het flakkerende licht. Geen pistool. Hij heeft zijn dienstwapen al ingeleverd, dat weet ik, ik heb hem gevolgd vanaf het Achterplein waar hij zijn auto parkeerde. Maar de handboeien hangen er nog. Zilver, glanzend, klaar voor gebruik. Mijn maag trekt samen bij het zien ervan, een reactie die ik niet onder controle heb.

De plug zit er nog. Ik voel hem bij elke beweging, een constante aanwezigheid die me eraan herinnert wat ik van plan was toen ik vanochtend voor de spiegel stond en mezelf openmaakte. De grote metalen buttplug met de blauwe steen, koud tegen mijn huid, nu opgewarmd door urenlang dragen. Ik heb hem ingebracht terwijl ik aan hem dacht, aan zijn handen, aan zijn ogen, aan de manier waarop hij me aankeek toen hij me die nacht in de cel liet slapen na mijn zoveelste overtreding. Openbaar dronkenschap. Alsof ik dronken was. Alsof ik niet precies wist wat ik deed.

Ik zak op mijn knieën. De sneeuw ligt als een dunne laag op de grond, nog niet vertrapt, nog wit en schoon. De kou snijdt door mijn spijkerbroek heen, een scherpe pijn die me helder houdt. Mijn knieën worden nat, maar ik negeer het. Ik heb het niet koud. Ik heb het al uren niet koud, niet sinds ik hem zag staan op de hoek van de Grote Markt, zijn adem in witte wolkjes, zijn handen in zijn zij alsof hij op me wachtte.

Mijn vingers vinden zijn riem. De gesp is koud, het leer stug. Ik maak hem los zonder mijn ogen van hem af te houden. Hij kijkt op me neer, zijn blauwe ogen wijd open, zijn kaak aangespannen alsof hij iets inhoudt. Een bevel. Een waarschuwing. Een kreun.

"Sem." Alleen mijn naam. Meer niet.

Ik trek de rits naar beneden. Het geluid is te luid in de stilte, een scheurend geluid dat weerkaatst tegen de bakstenen muren. Mijn handen trillen niet. Dat verbaast me. Ik had verwacht dat ik zou trillen, dat de zenuwen me zouden overmannen, maar mijn handen zijn kalm, alsof ze precies weten wat ze moeten doen. Alsof ze dit al weken oefenen in mijn hoofd.

Zijn boxershort is zwart, strak, en erachter beweegt iets. Een stijfheid die niet te verbergen is. Ik trek de stof opzij en zijn lul springt vrij, groot en dik en keihard. Mijn adem stokt. Ik slik.

Het is groter dan ik ooit in mijn mond heb gehad. Langer, dikker, met een ader die over de zijkant loopt als een rivier op een kaart. De eikel is donkerroze, vochtig bij de opening, en ik ruik hem — zout, muskus, man. Mijn eigen lul bonst in mijn broek, een doffe pijn die vraagt om aandacht, maar ik kan niet stoppen. Ik wil niet stoppen.

Ik neem het topje in mijn mond. De warmte, de textuur, de smaak — het is overweldigend. Ik laat mijn tong over de opening glijden, proef het vocht dat daar al verzameld is, en kijk naar hem op. Mijn ogen vinden de zijne. Ik weet hoe ik kijk. Ik weet dat mijn groene ogen iets hebben dat mensen ongemakkelijk maakt, een directheid die te lang vasthoudt. Ik houd vast. Langer dan beleefd is. Langer dan veilig is.

"Laat u dit toe, meneer agent?"

De woorden trillen tegen zijn eikel, mijn lippen bewegen over zijn huid. Ik zie hoe zijn adem stokt, hoe zijn borstkas een fractie van een seconde stopt met bewegen. Zijn handen, nog steeds naast zijn heupen, ballen zich tot vuisten.

Hij kreunt. Het is een grommend geluid, laag en diep, alsof het uit een deel van hem komt dat hij jarenlang heeft onderdrukt. Hij weet dat hij dit moet stoppen. Ik zie het in zijn ogen, de strijd tussen wat hij hoort te doen en wat hij wil doen. De agent die de regels handhaaft versus de man die tegen een muur staat met mijn mond om zijn lul.

Hij stopt het niet.

Ik begin te pijpen. Langzaam eerst. Ik moet wennen aan de grootte, aan de manier waarop hij mijn kaak dwingt te openen, aan het gevoel van vulling in mijn mond. Mijn lippen glijden over zijn schacht, mijn tong beweegt in cirkels, en ik adem door mijn neus. De lucht is koud en scherp, een contrast met de warmte in mijn mond.

Ik slik. De beweging trekt aan zijn eikel, en hij kreunt opnieuw. Het geluid is luider nu, minder ingehouden. Zijn lichaam verraadt hem. Zijn heupen bewegen, een fractie van een centimeter, alsof hij zichzelf niet kan tegenhouden. Ik voel hoe zijn spieren aanspannen onder mijn handen, die nog steeds op zijn heupen rusten.

Ik zuig. Harder. Dieper. Mijn lippen glijden verder naar beneden, mijn tong drukt tegen de ader aan de onderkant van zijn schacht. Ik proef zout, vocht, de smaak van hem. Mijn eigen lul is nog nooit zo hard geweest, een stalen paal die tegen mijn broek drukt, maar ik negeer het. Dit gaat niet om mij. Dit gaat om hem. Om het geluid dat hij maakt als ik dieper ga. Om de manier waarop zijn ademhaling verandert, sneller, rauwer.

Zijn handen bewegen. Eindelijk. Ik voel zijn vingers in mijn haar, stevig, dwingend. Hij grijpt me vast bij de wortels, zijn knokkels drukken tegen mijn hoofdhuid, en hij bepaalt het tempo. Niet ik. Hij.

Mijn ogen tranen. Ik kokhals, een reflex die ik niet kan onderdrukken, maar hij stopt niet. Hij trekt mijn hoofd naar voren, duwt zijn lul dieper mijn keel in, en ik laat het gebeuren. Mijn keelspieren spannen zich samen rond hem, een strakke, warme greep die hem harder doet kreunen.

"Verdomme," sist hij. Het is het eerste woord dat hij zegt sinds hij mijn naam uitsprak. "Verdomme, Sem."

Hij neukt mijn keel. Er is geen ander woord voor. Zijn heupen stoten naar voren, zijn handen houden mijn hoofd op zijn plaats, en hij gebruikt mijn mond alsof het van hem is. Ik kan niets doen behalve slikken, ademen, overleven. Mijn ogen zijn nat van tranen, mijn kin is nat van speeksel, en ik voel hoe mijn keel zich aanpast aan zijn grootte. De plug in mijn kont pulseert mee met elke stoot, een ritme dat synchroon loopt met zijn bewegingen.

De wereld is gereduceerd tot dit. Tot de koude steen onder mijn knieën, de sneeuw die smelt tegen mijn broek, de smaak van zijn lul in mijn keel, en het geluid van zijn gekreun. Ik hoor niets anders. De stad bestaat niet meer. Alleen hij en ik en de ruimte tussen ons, die steeds kleiner wordt tot er niets meer over is.

Hij komt met een grom. Het geluid is diep, dierlijk, alsof het uit zijn tenen komt. Zijn sperma vult mijn mond, dik en zout, en ik slik. Ik slik en slik, mijn keelspieren werken om alles binnen te houden, maar er lekt iets langs mijn lippen, een druppel die langs mijn kin glijdt en op de sneeuw valt. Ik blijf zuigen tot hij stopt met bewegen, tot zijn handen verslappen in mijn haar, tot het enige geluid onze ademhaling is.

Mijn paal is nog nooit zo hard geweest. Ik voel hem kloppen tegen mijn broek, een constante, pijnlijke herinnering aan wat er net is gebeurd. Mijn handen trillen nu pas, een lichte tremor die ik niet onder controle heb, terwijl ik zijn broek weer dicht doe. De rits sluit met hetzelfde scheurende geluid. De gesp klikt vast. Alsof er niets is gebeurd.

Ik sta op. Mijn knieën doen pijn, de sneeuw heeft mijn broek doorweekt, en mijn benen zijn stijf van het knielen. Ik wankel, mijn evenwicht verstoord door de kou en de spanning en het feit dat mijn lichaam niet meer weet wat het moet doen. Mijn hand grijpt naar de muur, maar de bakstenen zijn glad van het ijs.

Hij vangt me op. Zijn arm schiet uit, zijn hand landt op mijn bil, en hij trekt me tegen zich aan. Ik voel zijn lichaamswarmte, de stevigheid van zijn borstkas, de manier waarop zijn adem nog steeds onregelmatig is. Zijn hand blijft op mijn bil liggen. Zijn vingers bewegen, verkennend, alsof hij iets zoekt.

Dan verstijft hij.

Ik weet wat hij voelt. De plug. Het metaal dat door mijn broek heen te voelen is, een harde, onmiskenbare vorm die niet thuishoort op een lichaam. Zijn vingers drukken harder, tasten de contouren af, en ik voel hoe hij de plug herkent voor wat hij is. Hij zegt niets. Zijn gezicht verraadt niets, maar zijn hand blijft liggen, een fractie van een seconde langer dan nodig is.

"Ik breng je wel even naar huis," zegt hij. Zijn stem is weer kalm, beheerst, alsof de laatste minuten niet hebben plaatsgevonden. "Het is onveilig voor je om alleen over straat te gaan."

Ik knik. Mijn stem werkt niet. Mijn keel is rauw, geschaafd door zijn lul, en ik weet niet wat ik zou moeten zeggen. Dankjewel? Sorry? Doe het nog een keer? De woorden blijven steken in mijn keel, samen met de smaak van hem.

We lopen. Nou ja, hij loopt. Ik wankel. Mijn benen zijn stijf, mijn knieën nat en koud, en de plug beweegt bij elke stap, een constante herinnering aan wat er net is gebeurd en wat er nog steeds in me zit. De Peperstraat is leeg, de gele lantaarns werpen cirkels van licht op de glinsterende kinderkopjes. De gevels zijn donker en verweerd, de winkels allang gesloten. Het is een straat die mensen naar elkaar toe lijkt te trekken — alsof de straat zelf een wil heeft.

Ik wijs de weg zonder woorden. Mijn hand gebaart naar links, naar rechts, door straten die ik ken als mijn broekzak. De Nieuwe Boteringestraat is verlaten, de huizen donker, de ramen gesloten. Mijn studentenhuis is het laatste pand aan de linkerkant, een vervallen gebouw met afbladderende verf en een deur die altijd klemt.

Ik laat de sleutels vallen. Het geluid van metaal op steen is te luid in de stilte, een schril contrast met de gedempte geluiden van de nacht. Hij bukt zich, raapt ze op, zijn vingers raken de mijne niet. Hij opent de deur, het bekende geknars van de scharnieren, de koude lucht die uit de hal stroomt.

Hij kijkt naar binnen. De trap is zichtbaar, vier verdiepingen van geknarste treden en losse leuningen. Het is donker, alleen het licht van de straatlantaarn valt door het raam boven de deur naar binnen.

"Ik zal ook maar meelopen naar je kamer," zegt hij. "Waar is die?"

Mijn stem trilt. Niet van de kou. "Helemaal boven."

Het is laat. Zelfs voor studenten. Het huis is stil, de deuren langs de trap zijn gesloten, en ik weet dat mijn huisgenoten slapen of doen alsof. Niemand komt naar buiten. Niemand ziet hoe hij me half de trap op helpt, zijn hand onder mijn elleboog, zijn lichaam dicht bij het mijne. De treden kraken onder ons gewicht, een geluid dat me normaal nooit opvalt maar nu klinkt als een alarmsignaal.

Vier trappen. Het voelt als een eeuwigheid. Mijn benen zijn zwaar, mijn ademhaling is oppervlakkig, en mijn lul is nog steeds hard. Ik voel hem kloppen bij elke stap, een constante, pijnlijke aanwezigheid die niet weggaat. De plug beweegt mee, een ritme dat synchroon loopt met mijn hartslag.

Mijn kamer is de laatste aan het eind van de gang. Ik duw de deur open, het licht van de bureaulamp werpt een warme gloed over de rommel. Kleren op de vloer, een gitaar in de hoek, het bed onopgemaakt. Het raam staat op een kier, koude lucht stroomt naar binnen, maar ik voel het niet. Ik voel alleen hem, achter me, zijn aanwezigheid vult de kamer alsof hij er altijd al is geweest.

Ik verwacht dat hij nu vertrekt. Dat hij me hier achterlaat, met mijn harde lul en mijn natte knieën en de smaak van hem in mijn mond. Dat hij terugloopt naar zijn auto, naar zijn leven, naar de wereld waar hij een agent is en ik een student die te hard fietst.

Hij sluit de deur. Het geluid is definitief, een klik die de rest van de wereld buitensluit.

"Uitkleden," zegt hij. "Alles nu. Laat maar zien wat je in je kont verstopt hebt."

Zijn stem is anders. Niet de beheerste agent van daarnet, niet de man die kreunde in de steeg. Dit is iets nieuws. Iets dat ik niet eerder heb gehoord. Een bevel dat geen tegenspraak duldt.

Ik aarzel. Mijn handen hangen langs mijn lichaam, mijn vingers bewegen niet. Het is niet dat ik niet wil. Het is dat ik niet weet of ik kan. Mijn lichaam voelt alsof het van iemand anders is, alsof de controle die ik altijd heb gehad plotseling is verdwenen.

"Nu."

Ik gehoorzaam. Mijn vingers vinden de rits van mijn jack, het versleten spijkerjack dat ik draag over een te dunne trui. Ik trek het uit, laat het op de vloer vallen. Dan de trui, over mijn hoofd, mijn haar in de war. Het hemd eronder, katoen, wit, plakkend aan mijn huid van het zweet. Mijn schoenen, de veters te strak, mijn vingers trillen nog steeds. Mijn broek, de spijkerstof stug van de kou, de knieën nog nat van de sneeuw.

Ik sta naakt. Ik droeg geen ondergoed. Helemaal naakt. Mijn huid is bleek in het licht van de bureaulamp, mijn tepels hard van de koude lucht die door het raam stroomt. Mijn lul staat overeind, keihard, de eikel vochtig van het voorvocht dat tegen mijn onderbuik smeert. Ik voel me kwetsbaar, blootgesteld, alsof elke centimeter van mijn huid wordt bekeken. En dat is ook zo.

"Draai een rondje," beveelt hij.

Ik doe het. Langzaam, mijn voeten bewegen over de houten vloer, mijn ogen gericht op de muur, het raam, de gitaar, hem. Mijn billen zijn naar hem toegekeerd, en ik weet wat hij ziet. De plug, de blauwe steen die schittert in het licht, het metaal dat tussen mijn billen verdwijnt. Mijn paal staat nog steeds overeind, een absurd contrast met de situatie.

Hij stapt dichterbij. Zijn voetstappen zijn zwaar op de houten vloer, het geluid van leer op hout. Ik voel zijn hand op mijn kont, warm, ruw, de eeltplekken op zijn vingertoppen die over mijn huid glijden. Hij aait me, een trage beweging die mijn billen volgt, de ronding, de spleet.

Zijn vingers vinden de plug. Hij trekt, een lichte druk die de plug een fractie van een centimeter naar buiten beweegt, en ik kreun. Het geluid ontsnapt me voor ik het kan tegenhouden, een lage, trillende kreun die de stilte vult. Hij duwt de plug terug, dieper, en mijn spieren spannen zich samen rond het metaal.

"Mooi sieraad," zegt hij. Zijn stem is laag, bijna nonchalant, alsof hij een schilderij beoordeelt. "Heb je dat al lang?"

Ik schud mijn hoofd. Mijn stem is schor, gebroken. "Nee, meneer agent. Sinds gisteren. Vandaag voor het eerst getest."

Mijn wangen branden. Ik voel de hitte naar mijn gezicht stijgen, een blos die ik niet kan verbergen. Mijn hand beweegt, bijna onbewust, naar zijn riem. Naar de handboeien die er nog steeds hangen, zilver en glanzend, klaar voor gebruik. Mijn vingers raken het metaal, koud, hard.

Hij grijnst. Het is de eerste keer dat ik hem zie grijnzen, een scheve glimlach die zijn gezicht verandert. Minder agent. Meer man. "Je bent vandaag wel brutaal, hè?"

Ik kijk hem aan. Mijn hand ligt nog steeds op de handboeien, mijn vingers krommen zich rond het metaal. Mijn stem is sterker nu, de trilling verdwenen. "Altijd. Weet u daar raad mee, meneer agent?
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Maria-rp
Rijpenwild
Rijpenwild (50)
Houd jij van een meesteres die graag speelt met spanning en nieuwsgierigheid?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 960 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net