Wanneer de Jeep tot stilstand komt voor de slagboom van het resort, slaat de hitte meteen door het open raam. Thomas laat zijn handen op het stuur rusten. De motor draait stationair, een doffe brom die trilt door het chassis en via de zitting van de bijrijdersstoel in Leens onderrug trekt. Hij kijkt niet naar de twee geüniformeerde bewakers die vanuit hun wachthuisje over het verlichte asfalt staren, maar naar de gigantische neonletters van El Dorado die dof weerkaatsen op de stoffige motorkap.
"We zijn er," zegt hij zacht. Leen draait zich een kwartslag naar hem toe. De klink van het portier rust al onder haar vingers, maar ze duwt hem niet open. In de besloten schemering van de cabine valt een loodzware stilte. Het zwakke schijnsel van het dashboardpaneel snijdt scherpe groeven in Thomas zijn wangen en legt de vermoeidheid rond zijn ogen bloot. Hij draait zijn hoofd en kijkt Leen aan. Zijn blik glijdt langzaam van haar ogen naar haar lippen. Hij haalt adem, diep en haperend, alsof hij op het punt staat iets te zeggen.
Leen voelt de impuls om naar voren te leunen, haar hand in zijn nek te leggen en haar lippen tegen die van hem te drukken — niet uit romantische overgave, maar als een bezegeling van de intimiteit die ze zojuist aan dat plakkerige plastic tafeltje hebben gedeeld. Eén gebaar om de nuchtere leegte te bezweren. Haar hand verkrampt om de portierklink. Ze doet het niet. De lucht tussen hun gezichten verstart. Een pijnlijke, ongemakkelijke frictie sluipt de wagen binnen. Geen van beiden weet wat hij met de stilte aan moet. Thomas slikt. Een spier in zijn kaak trekt strak, een plotselinge terugtrekking achter zijn vertrouwde pantser. Hij kijkt weer strak voor zich uit door de voorruit.
Leen duwt het portier open. "Bedankt voor het leuke uitstapje," zegt ze. Haar stem klinkt droger dan ze wil, ontdaan van elke warmte. Thomas antwoordt niet. Hij knikt alleen — een kort, stug rukje met zijn kin.
Zodra haar voeten het asfalt raken en het zware portier met een kille, metalige dreun in het slot valt, trapt Thomas het gaspedaal met een nijdige, bijna gewelddadige uithaal in. De achterbanden happen gillend in het losse grind van de oprijlaan, slaan een fontein van stof en steentjes tegen de onderkant van het wachthuisje en de Jeep schiet met brullende toeren achteruit de bocht om. Hij remt te laat, schakelt met een schurend protest van tandwielen en accelereert dan voluit de zwarte Mexicaanse nacht in. Het rode schijnsel van de achterlichten snijdt twee woedende banen door het stof voordat de jungle hem definitief opslokt. Hij vlucht, boos op zichzelf, boos op de wereld, boos omdat hij haar zomaar heeft laten gaan.
Leen blijft staan met haar armen over elkaar geslagen. Het stof dwarrelt traag neer op haar blote kuiten en kleeft aan haar bezwete huid. Achter haar zakt de slagboom met een snerpende piep weer in zijn vergrendeling. De twee bewakers kijken haar verveeld aan vanachter hun spiegelende zonnebrillen. Ze negeert hen volkomen. Ze draait zich om naar het complex. De brede, met fakkels geflankeerde marmeren trap die naar de glazen schuifdeuren van de receptie leidt, baadt in een hard, geel licht. Vier verdiepingen hoger ligt kamer 412. De gedachte aan het weerzien met haar vriendinnen bezorgt haar een golf van misselijkheid. Ze ziet het tafereel al voor zich: Kathleen die met gevouwen armen en getuite lippen wacht om haar de les te lezen, Eva die haar telefoon klaar houdt om de hele scène te streamen voor een horde vreemden, en Maria die ongemakkelijk heen en weer schuift en wegkijkt. Leen schudt haar hoofd. Ze weigert de herinnering aan Thomas te laten verdampen in een schelle tirade over groepssolidariteit.
Bij de grote bronzen dolfijn-fontein, die met een sissend geraas een overdaad aan gechloreerd water de lucht in spuugt, slaat ze resoluut linksaf. Weg van de fakkels, weg van het pad naar de lobby. Ze kiest het smalle klinkerpad achterom. Hier is de verlichting nagenoeg afwezig. Lage paaltjes met gebarsten matglas werpen schokkerige, bleke vlekken over het pad. De hitte van de dag zit nog opgesloten in het beton en straalt door de dunne zolen van haar sneakers. Aan haar linkerhand gaapt de zwarte, ondoordringbare muur van het mangrovebos; de geur van rottend blad, modder en stilstaand brak water verdringt genadeloos het parfum van het resort.
Na tweehonderd meter doemt voor haar het drie meter hoge gaaswerk van de tennisbanen op, overwoekerd met dorre bougainvillea die in het donker oogt als prikkeldraad. Maar de banen zijn niet verlaten. Hoog boven het gaaswerk, op een punt waar je het allerminst verwacht, priemt een ragfijne, felwitte lichtstraal door de nacht. Het is een kille, onbeweeglijke bundel die schuin omlaag de duisternis in snijdt. Er beweegt niets; het licht hangt daar als een verdwaald, zwevend baken midden in de leegte.
Leen vertraagt en blijft staan. Haar blik haakt zich vast aan het ongerijmde schijnsel. Naast de bedwelmende chaos van het resort is die eenzame, roerloze lichtkoker zo volkomen bizar dat haar vermoeidheid in één klap plaatsmaakt voor verwondering. Wat is dit in hemelsnaam? Een vergeten werklamp van het onderhoudspersoneel, een losgeslagen sensor, of bevindt zich daar daadwerkelijk iets boven de baan? De drang om het raadsel te ontrafelen trekt haar onweerstaanbaar van het pad.
Ze loopt naar het verweerde draaihek. Ze duwt ertegen; het ijzer jankt schel over de betonnen drempel. Vier lege banen van rood gravel liggen er doods bij, ingeklemd tussen de mangrove en een betonnen keermuur. De netten hangen als slappe, levenloze doeken tussen de roestige palen. De lucht hangt hier roerloos stil; het opwaaiende rode stof prikt zacht in haar keel. Behoedzaam volgt ze de servicelijn van baan twee, met haar ogen gericht op de lichtbundel die onverstoorbaar blijft schijnen vanaf een houten scheidsrechterstoel.
Pas wanneer ze op een paar meter afstand stilhoudt, ontrafelt het silhouet zich. Drie meter boven de grond, op het wankele plateau van de bok, balanceert Arthur. Twee magere, spierwitte benen steken door de houten sporten omlaag en bungelen bewegingloos boven het gravel. Hij draagt dezelfde vale polo met de gerafelde boord als dagen geleden. Om zijn voorhoofd zit met een elastieken band een goedkope koplamp geklemd. De felle lichtkoker schijnt loodrecht omlaag op zijn geopende linkerhandpalm, waarin de glimmende kast van een zakhorloge rust. In zijn rechterhand klemt hij een minuscuul schroevendraaiertje. Een lauw glazen flesje water staat gevaarlijk dicht bij de rand van het smalle multiplex plankje naast hem.
Hij kijkt niet naar haar, hoewel het piepen van het draaihek hem onmogelijk kan zijn ontgaan. De lichtbundel blijft roerloos gericht op het binnenwerk van het horloge. "Je bent te laat voor de kwalificatieronde," zegt hij. Zijn stem klinkt kurkdroog. "De meeste hotelgasten liggen al sinds elf uur in een comateuze toestand in hun kamer." Leen stopt aan de voet van de ladder. Een rauwe, vermoeide grijns breekt door op haar gezicht. "Arthur? Wat doe je in hemelsnaam op die bok met een mijnwerkerslamp op je hoofd?"
"Mechanica, Leen," antwoordt hij zonder zijn blik van het horloge te halen. Hij draait met een precieze beweging aan een schroefje. "In tegenstelling tot het menselijk gemoed zit in een Zwitsers ankerwerk ten minste een reproduceerbare logica. Als het hapert, ligt het aan een korrel vuil, niet aan een gebrek aan emotionele maturiteit."
"Het is vier uur 's nachts."
"Een uitstekend tijdstip. De luchtvochtigheid is minimaal en de lucht is vrij van zonnebrandnevel." Hij laat de schroevendraaier zakken, knipt de koplamp met een harde klik uit en kijkt nu pas naar beneden. Door de plotse duisternis zijn alleen de scherpe contouren van zijn neus en de weerkaatsing van een verre lamp in zijn brilglazen te zien. "En op de grond ben je vogelvrij. Dat weet je inmiddels toch?"
Leen schopt met de neus van haar schoen tegen het houten bankje naast de ladder. "Leg uit."
"Als je daar beneden rondloopt, ben je een prooi," doceert hij vanaf zijn stoel, terwijl hij zijn schroevendraaiertje behoedzaam in zijn borstzakje steekt. "Animators die je verplichten tot heupwiegen op synthetische trompetten, stagiaires die je polsbandje willen scannen voor tevredenheidsenquêtes, of wanhopige kantoorsukkels die na vier mojito's denken dat ze een connectie voelen met iedereen die twee functionerende oren heeft. Maar niemand kijkt omhoog. De menselijke anatomie is geprogrammeerd om op ooghoogte te speuren naar sociale status of fysieke dreiging. Als je drie meter boven het maaiveld op een tennisladder zit, categoriseert het brein je als operationeel personeel, of als volslagen krankzinnig. In beide gevallen lopen ze met een boog om je heen."
Leen trekt het verweerde houten bankje een halve meter naar voren en gaat zitten. Ze trekt haar knieën op en slaat haar armen eromheen.
Op dat moment scheurt een hels kabaal door de rust. Vanaf het pad naast de baan klinkt een hoog, jankend geluid. Twee trillende, geelwitte koplampen zwiepen wild door het struikgewas. Een elektrisch golfkarretje slingert met een veel te hoge snelheid over het pad, schampt een betonnen border en boort zich met een doffe, krakende klap tegen het hoekpunt van het tennishekwerk, amper vijftien meter van waar zij zitten. Het gaas trilt met een schel gonzend geluid. Dorre takken van de bougainvillea regenen op het gravel neer.
Achter het stuur zit de nachtmanager van het resort. Zijn donkerblauwe colbert hangt half van zijn linkerschouder, zijn witte overhemd is opengesperd tot zijn navel en vertoont donkere zweetkringen onder de oksels. De donkere wallen onder zijn ogen lijken in het koplampenlicht op verse bloeduitstortingen. Hij zit met zijn voorhoofd tegen het stuurwiel gedrukt, zijn borstkas gaat wild op en neer.
Bovenop de wankele toren van polycarbonaat koffers op de achterbank ontploft het. De klap lanceert de mannelijke passagier naar voren, maar hij vangt zichzelf met een zwaai op aan de stalen dakbeugel. Zijn gezicht is paars aangelopen van de opgekropte woede. Hij rukt de rits van zijn Beierse fleecejas met een nijdige haal open, maait met een stijve, priemende arm door de lucht en begint met het volume van een overspannen drilsergeant brullen. "Achtung! Halt! Sofort anhalten!" briest hij, terwijl spuug spatten oplichten in de koplampen. "Verfluchter Saustall! Sind Sie des Wahnsinns fette Beute?! Das grenzt an offene Sabotage! Ein frontaler Blitzkrieg gegen zahlende Bundesbürger! Wo ist die Disziplin?! Wo ist die Kommandantur?! Ich fordere augenblicklich den Oberbefehlshab... den Hoteldirektor! Das ist ein völkerrechtswidriges Attentat! Sie gehören auf der Stelle vor ein Standgericht!"
De vrouw naast hem klampt zich met knokkels zo wit als kalk vast aan een nekkussen met pantermotief. Ze graait met trillende vingers haar smartphone uit haar heuptasje, houdt hem omhoog en begint te filmen: "Kurt, nicht kapitulieren! Alarm! Beweise sichern! Filmen für das Kriegsgericht und das Konsulat!"
De nachtmanager knippert niet eens met zijn ogen. Zijn ogen blijven glazig op het dashboardpaneel gericht. Zonder ook maar een seconde naar de foeterende Beier om te kijken, rukt hij de rijhendel met een rauw, knarsend geluid in zijn achteruit, stampt het gaspedaal plat tegen het metaal en lanceert het wagentje met piepende banden naar achteren. Door de abrupte versnelling slaat de kofferpiramide om; Kurt duikelt met zijn benen kaarsrecht de lucht in en verdwijnt vloekend tussen twee harde Samsonite-trolleys, terwijl het wagentje een diepe geul in het zand slaat en over het pad wegzwalpt richting de strandbungalows.
Arthur kijkt het schouwspel na tot de rode lampjes achter de hibiscusstruiken verdwijnen. Zijn mondhoeken trekken in een grijns vol giftig leedvermaak. "Kijk ze gaan," mompelt hij. "Nog geen tien minuten over de grens en de Beierse invasie komt al tot stilstand in een onvoorwaardelijke capitulatie. Dat is de Duitse reflex: als de troepen weigeren te marcheren in gelid, begin je gewoon bevelen te schreeuwen tot de palmbomen vanzelf in de houding springen."
Arthur reikt omlaag, pakt zijn flesje bij de hals en neemt een slok. Hij slikt hoorbaar door. "Je ruikt trouwens naar vis. En naar goedkope Mexicaanse brandstof." Leen kijkt naar haar knieën, waar een veeg rood gravelstof zich mengt met het zout op haar huid. "We hebben gegeten in een lokaal restaurantje. Vis op de barbecue."
"Met de linnen prins." Arthur formuleert het niet als een vraag, maar legt het neer als een proces-verbaal. Hij wrijft met twee vingers over zijn neusbrug. "De man die zo graag doet alsof hij lijdt onder zijn eigen succes. Heeft hij je uitgelegd hoe pijnlijk het is om personeel te moeten aansturen op een jacht? Hoe existentieel zwaar een te warme fles prosecco kan wegen?" Leen voelt een opkomende irritatie langs haar ruggengraat omhoog kruipen, maar de scherpe herinnering aan het gesprek over Kristof en de waszakken snoert haar mond. "Hij was anders vanavond. Hij deed geen moeite om leuk te zijn."
"Natuurlijk niet," snibt Arthur van boven haar hoofd. De houten sporten kreunen wanneer hij achterover leunt. "Dat is fase twee van het protocol. Zodra een man van dat kaliber merkt dat je niet direct op je rug rolt voor zijn bankrekening of zijn boot, trekt hij het kostuum van de getormenteerde denker aan. Dan gaat hij ineens 'op zoek naar echtheid'. Dan is de luxe ineens 'een kooi'. Het is het oudste lokaas ter wereld, Leen. Hij verkoopt je zijn desillusie alsof het diepgang is."
Leen heft haar kin op en kijkt recht omhoog, tegen de onderkant van zijn houten zitting aan. "En wat als het geen truc is, Arthur? Wat als iemand gewoon doodmoe is door de hele poppenkast?"
Voordat Arthur kan antwoorden, klinkt er een dof gespartel bij het materiaalhok aan de zijkant van baan vier. Tussen de stapels roestige sproeiers en stapels gebarsten plastic tuinstoelen beweegt een gedaante. Het is een jongen van hooguit twintig jaar. Hij draagt de felgele, met modder besmeurde pluche romp van de hotelmascotte — de karikaturale papegaai — die tot op zijn knieën naar beneden is gestroopt als een zware, natte overall. Daarboven draagt hij slechts een doordrenkt, vaalgrijs hemd. De reusachtige schuimrubberen papegaaienkop klemt hij onder zijn linkerarm; de enorme, openstaande snavel sleept door het rode gravelstof. In zijn rechterhand houdt hij een aangebroken fles merkloze tequila vast. De jongen wankelt, struikelt over een opgerolde sleepmat voor het gravel, en valt met zijn rug tegen de golfplaten wand van het hok. De knal galmt luid over de banen.
Hij zakt door zijn knieën tot hij op de grond zit, zijn benen wijd over de witte belijning gespreid. Met trillende vingers graait hij in de borstzak van zijn hemd, vist er een verfrommelde, geknakte sigaret uit en probeert die met een goedkope plastic aansteker aan te steken. De vlam licht zijn gezicht op: holle wangen, ogen die staren naar een punt in het oneindige, en een dunne streep speeksel dat uit zijn mondhoek loopt. Hij neemt een lange, gulzige slok uit de fles, slikt, en laat dan zijn bezwete voorhoofd lusteloos in de holte van de gele pluche snavel rusten.
Arthur steekt zijn arm uit en wijst met zijn schroevendraaiertje naar de figuur op het gravel. "Daar," sist hij zacht, met een giftig soort triomf in zijn stem. "Daar zit je verplichte vakantievreugde. Vier dollar per uur om overdag bij veertig graden kleuters te knuffelen, en 's nachts de interne organen ontsmetten met industriële alcohol achter het materiaalhok. Dat is de motor van dit hele circus. Iedereen speelt een rol tot hij erbij neervalt. Die jongen weet ten minste nog dat hij een pluche pak draagt. Jouw vriend Thomas denkt nog steeds dat zijn linnen hemd zijn eigen huid is."
Leen staart naar de jongen bij het hok. De sigaret tussen zijn vingers gloeit zwak op in het donker, een klein rood oog dat oplicht en dooft. De vergelijking prikt venijnig, maar er zit een barst in Arthurs cynisme die haar tegenstaat. "Je weet overal een etiket op te plakken, hè?" zegt ze scherp. Ze draait zich om en kijkt hem recht in zijn gezicht. "Alles is een transactie, iedereen is een idioot of een toneelspeler. Maar wat doe jij hier dan zelf, Arthur? Je zit midden in de nacht op een tennisladder van een all-inclusive resort horloges uit elkaar te schroeven. Waar ben jij voor op de vlucht?"
Arthur reageert niet dadelijk. Zijn vingers glijden over de rand van zijn stoel. Een korte stilte valt over het veld, enkel gevuld door het verre, eentonige geruis van de branding op het rif. "Ik verkoop in ieder geval geen illusies, Leen," zegt hij, en voor het eerst klinkt zijn stem een fractie minder schools, killer en rauwer. "Ik weet wat ik ben: een uitgedroogde kantoorklerk die hunkert naar zijn pensioen en een grondige hekel aan de mensheid. Ik val niemand lastig met mijn existentiële leegte. Ik vraag niet aan een vrouw om mij te entertainen."
Hij leunt voorover, zijn ellebogen op zijn knieën, zodat zijn gezicht dichter bij haar komt. "Die Thomas van je... Het verschil tussen hem en de rest van de idioten aan de poolbar is niet dat hij dieper voelt. Het verschil is dat hij slimmer is. Hij weet dat de poppenkast van bordkarton is, maar hij blijft meedoen met dit theater omdat hij verslaafd is aan het applaus. Hij gebruikt jou om zichzelf te bewijzen dat hij nog een hartslag heeft. Als je met hem meegaat, wissel je gewoon de ene regisseur in voor de andere. Van Kathleen naar Thomas. Het blijft een script waarin jij de rol van de geredde ziel mag spelen." De woorden snijden diep, precies omdat ze resoneren met de aarzeling die haar zonet bij de slagboom verlamde.
Tijd om te reageren heeft ze niet, want op dat moment ontploft bij de Beach Club een golf van geluid. De monotone bastoon die al uren door de grond trilt, maakt abrupt plaats voor een schel, overstuurd carnavalsnummer. Krakende trompetten en een veel te snel drumritme kletteren uit de openluchtspeakers over het resort. Flitsen van felblauw en roze stroboscopisch licht schieten door de palmbomen. Over het zandpad naast de club slingert een wankele, luidruchtige stoet. Voorop rent een animator in een zilverkleurig vest, wild zwaaiend met twee neonroze lichtstaven terwijl hij door een krakende megafoon brult: "¡Azúcar! ¡Todos juntos!"
Achter hem strompelt een man of tien in een stuurloze, zwalpende polonaise. Ze houden elkaars heupen met krampachtige grepen vast, struikelen over elkaars slippers en schoppen het fijne zand in het rond. Een man met een vuurrood verbrande borstkas en een scheefhangende strohoed zwaait met een fles bier en schreeuwt ritmeloos mee; onder zijn andere arm klemt hij een opblaasbare flamingo, waarvan de slappe, roze kop met een dof schrapend geluid over het grindpad sleept.
De stoet raakt uit balans. Twee vrouwen giechelen luidkeels terwijl ze op de grond vallen. Ze hijsen zichzelf overeind en strompelen daarna weer lallend achter de animator aan, richting het verlichte hoofdzwembad. Arthur kijkt naar de voorbijtrekkende chaos. Zijn mondhoeken krullen in een bittere, harde lijn. "Kijk ernaar, Leen," zegt hij. "Zo zijn je vriendinnen ook. Zo hoort het. Handen op de heupen van de voorganger, verstand op nul en lachen tot je kaken kramp vertonen. En weet je wat Thomas is? Thomas is de man die voorop loopt met de duurste sombrero, die de muziek harder zet om het huilen te overstemmen, maar die onderweg wanhopig hoopt dat iemand de stroomkabel doorknipt." Leen kijkt naar de man met de flamingo. Het beeld is potsierlijk, pijnlijk en zo schreeuwend leeg dat de adem in haar keel stokt. De waanzin van het all-inclusive bestaan, de constante terreur van verplicht geluk die Kathleen haar al dagen probeert op te dringen, valt in één klap samen met die stomdronken sliert in het zand.
"En wat is het alternatief?" vraagt ze, haar stem nauwelijks luider dan het schuren van de palmbladeren. "Hier blijven zitten tot de zon opkomt en wachten tot je horloge vanzelf begint te tikken?" Arthur draait zijn horlogekastje dicht. De metalen deksel klikt met een scherp, droog geluid vast. "Het alternatief is heel simpel, Leen," zegt hij zacht, terwijl hij het voorwerp in zijn zak laat glijden. "Je hoeft de wedstrijd niet te winnen. Je hoeft niet eens een punt te scoren. Je kunt ook gewoon weigeren om de baan op te stappen. Laat hen maar tennissen tegen hun eigen schaduw."
De carnavalsmuziek bij de Beach Club sterft plotseling weg met een snerpende pieptoon, alsof iemand de stekker uit het mengpaneel heeft getrokken. De polonaise lost op in dronken geschreeuw en ruziënde stemmen. De jongen bij het materiaalhok heeft zijn sigaret laten vallen; hij ligt nu languit op zijn zij in het rode gravel, zijn gezicht half begraven in de pluche vleugel van de papegaai, diep in slaap. De stilte keert terug over de tennisbanen. Een zware, vochtige nachtstilte waarin alleen het monotone gezoem van de keuken-airco overblijft.
"En?" vraagt Arthur op vlakke toon, zonder Leen aan te kijken. "Ga je je nog melden bij het tribunaal in je kamer?" Leen leunt met haar achterhoofd tegen de ladderpoot. De harde vezels van het hout drukken scherp in haar schedel, maar ze verroert zich niet. De smaak van de vis en de scherpe chili is definitief weggedeemsterd, verdrongen door de zware, brakke lucht van het resort. Er is geen paniek meer, geen haast om zichzelf te verdedigen tegen Kathleen of te schuilen achter Thomas. Wat overblijft is een ijzige, onwrikbare rust. De nuchtere vaststelling dat de deuren boven weliswaar op slot kunnen zitten, maar dat niemand haar dwingt de sleutel om te draaien.
"Nee," zegt ze. Haar stem klinkt rustiger dan ze zichzelf in dagen heeft horen praten. "Vannacht niet meer." Boven haar kraakt de stoel wanneer Arthur achteroverleunt. Hij knikt langzaam, zijn ogen gericht op de sterrenloze hemel boven de jungle. "Uitstekend," mompelt hij. "De scheidsrechter fluit de wedstrijd voor vanavond toch niet meer af." Ze blijven roerloos zitten in de klamme duisternis, twee deserteurs aan de rand van het speelveld, terwijl het resort achter hen langzaam bezwijkt onder zijn eigen suikerzoete narcose.