78.372 Gratis Sexverhalen
Klik hier voor meer...
A+ - a-

De Cult Van Ovulia - 33

Door: Meneer De Heer

Datum: 05-10-2026 | Cijfer: 9.2 | Gelezen: 265
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 68 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Fantasy, Stiekem, Uitdagen, Zolder,

Vervolg op: De Cult Van Ovulia - 32: Onverzadigbaar

Kijken Kan Geen Kwaad

Na onze terugkeer uit de tempel hadden Aliya en Kassia de halve nacht nodig om de seksuele magie uit mijn lijf te krijgen. De volgende ochtend vertelde ik dat Voss kopieën had gemaakt van Aliya's boek, en dat Meredith die aan haar orde, de Malachieten, heeft gestuurd voordat we haar ontmoetten. We onderzochten de twaalf portaal-spiegels in de troonzaal om een snelle route naar Eikhaven te vinden. De laatste bleek uit te komen op een stoffige zolder in het Academisch kwartier.

De dikke laag stof waait op onder mijn laarzen. De lucht ruikt muf, naar droog hout en de zoute lucht van de zee. Buiten op straat rolt een kar over de stenen en roept een vrouw haar kinderen.

Eikhaven. We zijn terug. Nadat we hadden ontdekt dat de groene spiegel ons direct naar Voss zou brengen, hebben we niet lang meer getwijfeld. We wilden er heen, hem zien. Ik weet niet wie van de vrouwen ongeduldiger was. Aliya wordt gek dat ze niet weet wat er op die kopieën staat, en Kassia is heel bezorgd over haar oude werkgever. We pakten een tas met spullen bij elkaar, zeiden Dorian dat hij de vis nog even moest bewaren, en niet veel later stapten we door het portaal.

Kassia loopt meteen naar het dichtgespijkerde raam en drukt haar gezicht tegen de planken. Ik draai me eerst naar de spiegel om te controleren of we terug kunnen. De lijst van deze spiegel is bedekt met stof, maar daaronder net zo groen als zijn tegenhanger in de troonzaal. Opvallend genoeg is het glas stofvrij. Ik leg mijn hand ertegen en vraag de naam.

"Yll'meret," vertaalt Aliya de runen. "De trage bode." Ze schrijft de naam in haar notitieboek.

De spiegel is helemaal niet traag, want het lukt me bijna meteen om de verbinding met het paleis terug te vinden. Dit keer hoef ik niet te tasten in het duister: ik beeld me simpelweg de troonzaal in, zeg de naam van de spiegel, en het beeld verschijnt vrijwel onmiddellijk. Ik laat de spiegel los en het beeld van de twee zetels verdwijnt in rook.

"Goed," zeg ik. "We kunnen terug."

Kassia wenkt me vanaf een ander dichtgetimmerd raam. Ik loop naar haar toe en buk voorover om tussen de planken door te kijken. We kijken uit over een straat in het Academisch kwartier, met statige huizen in grijze steen. Kassia wijst naar een huis iets verderop en dan herken ik de deurklopper in de vorm van een uil. Een week geleden stond ik daar nog. Het is de voordeur van de geleerde Clemens Voss.

Kassia wijst naar een raam op de eerste verdieping. "Dat is zijn bibliotheek," fluistert ze. "En dat kleine raam daar schuin boven is mijn kamer."

Ik kijk haar aan en trek lachend een wenkbrauw op. "Is?"

Ze bloost, maar haalt dan haar schouders op. "Ik ben er vast nog welkom."

Onder een luik in de vloer vinden we een smalle trap. Niet alleen de zolder is stoffig: het hele huis is verlaten. De meeste kamers zijn leeg, en waar ooit schilderijen hingen, zijn nu alleen nog vale plekken op het behang. Alleen in de keuken vinden we nog een tafel met vier stoelen, waarvan er twee door hun poten zijn gezakt.

De voordeur van het huis is op slot, maar achter vinden we een deur naar een smalle steeg met een grendel aan de binnenkant. Ik schuif de grendel opzij en de deur zwaait piepend open. We stappen naar buiten op de klinkers van de havenstad.

"Dit is fantastisch!" Ik kijk Aliya en Kassia lachend aan. "We hebben een achterdeur naar Eikhaven. Nu hoeven we niet meer twee dagen te reizen vanaf de tempel."

"Dat komt mooi uit," zegt Aliya. "We moeten ook nog bij Aren langs."

Ik knik. Ik zie Arens gezicht al voor me als we vertellen dat we zijn moeder ontmoet hebben, en dat ze op hem wacht bij een wilg in het Koningswoud. En als ik hem dan de sluiersteen geef. Cyverdelle heeft hem gemaakt nadat hij vertrok.

Mijn hand gaat naar mijn borst, naar de zak waar ik die steen in heb gestoken. Ik bevries.

"Thomas?"

Ik draag een doublet uit het paleis. Het heeft geen binnenzak. Mijn vingers zoeken toch, over de stof, onder de rand.

"De sluiersteen," zeg ik. "Ik heb hem niet. Hij zit in mijn vest."

Aliya kijkt naar mijn kleren. Ik voel haar schrik via de ring. "En waar is je vest?"

Niet in het paleis. Daar kwamen we naakt aan. Dus daarvoor al.

"Ik droeg het voor het laatst toen we de tempel in gingen. De tweede keer, met Kassia."

Aliya kantelt haar hoofd. "Het is verdwenen in de mist?"

Ik knik en leun tegen de muur. Voor als hij hem ooit nodig heeft, zei Cyverdelle. Ze legde de steen in mijn hand, en ik beloofde hem te geven. Aren had zijn eerste sluiersteen verkocht toen hij niks meer had. Hij krijgt een tweede, en die laat ik in een tempel liggen.

Aliya pakt mijn hand. "Het komt vast goed. We hebben tot nu toe al onze kleren ook teruggekregen van de mist."

"Toen liepen we meteen weer naar buiten." Ik zucht. "Ik ben daarna zelfs nóg eens door de mist gelopen, toen ik Meredith wilde lokken. Als ik nu naar buiten ga, krijg ik vast mijn paleiskleding terug, niet mijn vest."

"Dan ga je nog een keer," zegt Aliya.

Ik kijk haar aan. "We weten niet of dat werkt."

Ze slaat haar ogen neer. "Nee. Dat weten we niet."

Kassia komt voor me staan. "Als je weer naar de tempel moet, moet je dan ook weer de magie gebruiken? Voor de anemonen, enzo?"

De barrières zullen wel weer dicht zijn. Opnieuw de rode handafdrukken. Opnieuw de anemonen in bedwang houden, met magie die door mijn lijf jaagt en mijn pik laat opzwellen. Ik knik.

"Dan moet je het zeker proberen." Kassia grijnst.

Ik kijk op. "Ben je... nu al weer geil, Kass?"

Haar ogen twinkelen. "Je was zo groot... dat was heel lekker."

Aliya schudt haar hoofd. "Dat is voor later. Eerst naar Voss."

"Goed." Ik kom overeind. "En als het niet lukt, gaan we alsnog naar Aren. Hij moet horen wat zijn moeder gezegd heeft."

We lopen de steeg uit en steken de straat over. Bij de voordeur van Voss steekt Kassia haar hand uit, maar op het laatste moment trekt ze hem terug. Ze kijkt naar mij. "Klop jij maar."

Ik klop aan. Er komen snelle, lichte voetstappen. De deur gaat een handbreedte open, en in de kier staat een meid van een jaar of vijftien met rode krullen in dezelfde dienstmeidkleding die Kassia vroeger droeg. Op haar schort zit een natte plek.

"Wij komen voor meneer Voss," zegt Aliya.

"Meneer Voss ontvangt niemand," zegt de dienstmeid. "Hij voelt zich niet goed."

"Zeg maar dat Aliya Ravenswaaij er is."

De dienstmeid aarzelt.

"En Kassia," zegt Kassia.

Haar ogen worden groot. Ze staart naar Kassia's jurk, en dan naar haar gezicht. "U bent Kassia?"

"Zeg maar jij, hoor."

"Nele!" klinkt het uit het huis. "Wie is daar?"

"Kassia, meneer. En mevrouw Ravensbaai."

Een stoel schuift over tegels, en de stem van Voss klinkt opnieuw. "Ravenswaaij! Alle goden, meisje, doe open!"

De gang ruikt naar boenwas en tabak, en aan het einde staat Clemens Voss met zijn hand tegen een deurpost. Hij draagt geen fluweel, maar een opvallend simpele bruine kamerjas. Zijn snor is niet gewaxt en hangt slap omlaag. Zijn linkerpols zit in een dik verband. Bij zijn rechteroog zit een zwelling die van paars naar geel loopt.

Als hij Kassia ziet, komt hij met grote passen op haar af. "Kind!"

"Meneer Voss!"

Hij slaat een arm om haar heen. Kassia omhelst hem terug.

"Je bent terug," zegt hij.

"Ja. Ik wilde u weer zien."

Hij laat haar los en bekijkt haar op armlengte. "Je ziet er goed uit. Anders."

"Ik heb een andere jurk aan, meneer Voss."

"Ja," zegt hij. "Dat zal het zijn." Hij trekt zijn kamerjas recht. "Kom, kom. Nele, maak alsjeblieft thee voor onze gasten."

De studeerkamer is chaotischer dan de vorige keer. Een deel van de planken in de talloze boekenkasten is leeg, en verspreid in de kamer liggen stapels boeken op de vloer. Het bureau is dan weer opvallend leeg, met slechts een enkel opengeslagen boek en een inktpot erop. De opgezette vogel met zijn kraalogen staat er nog steeds.

"Jullie vragen je natuurlijk af wat er met mijn gezicht is gebeurd." Voss laat zich achter zijn bureau zakken en wijst met zijn goede hand naar de stoelen. "Ga zitten, alsjeblieft. Ik kan niet goed omhoog kijken met mijn nek."

Kassia gaat op de rand van mijn stoel zitten. Aliya trekt een tweede stoel bij.

"Het was een vrouw," zegt Voss. "Genânt, ik weet het. Geen dronken matroos, geen straatrover. Een jonge vrouw met schone nagels en een aanbevelingsbrief uit Vessel, verzegeld en al. Marren, noemde ze zich. Ze had mijn verhandeling over Ovuliaanse iconografie gelezen." Hij wijst naar de kast, naar een lege plek tussen twee boeken. "Ze citeerde er zelfs uit! Verkeerd, maar met zoveel vuur dat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen om haar te—"

"Wanneer was dit?" vraagt Aliya.

"De dag na jullie vertrek. Twee dagen later kwam ze terug, met wijn. Een Vesselse rode, heel behoorlijk." Hij zucht door zijn neus. "Ik heb haar verteld dat ik nieuw materiaal had. Nee, laat ik eerlijk zijn. Ik heb zitten opscheppen."

"En uw pols?" vraagt Kassia.

"Geduld, kind. Daar kom ik vanzelf. Enfin, ze begon vragen te stellen. Hoeveel bladzijden? Wat voor band? Zaten er vlekken op, en waar precies?" Hij kijkt op. "Toen rook ik onraad. Welke geleerde wil weten waar vlekken zitten? Geen één. Een geleerde wil weten wat erin staat. Zij wilde het boek kunnen herkennen als ze het in handen had."

Aliya's potlood tikt één keer tegen haar notitieboek.

"Dus zei ik dat het weg was. Naar Lamentine, voor een vertaling. Dat geloofde ze niet. Ze zette haar glas neer en stond op, en ik weet nog dat ik dacht: gelukkig, ze gebruikt een onderzetter." Hij snuift. "Het volgende moment lag ik op de vloer met mijn arm op mijn rug. En ze vroeg het nog eens. Op precies dezelfde beleefde toon."

Kassia's vingers klemmen zich om de rand van de stoel.

"Ik heb het geprobeerd vol te houden. Dat lukte niet lang. Ze was... overtuigend. Toen heb ik haar verteld waar het lag. Daarna weet ik niets meer. Toen ik bijkwam was het donker en keek ik in het gezicht van de buurvrouw. Ze had gezien dat er bij mij geen licht brandde." Hij wrijft voorzichtig over zijn verband. "Ze heeft mijn pols verbonden en me brandewijn gegeven."

"U hebt daar de hele middag gelegen?" Kassia's stem schiet omhoog. "Alleen?"

"Op een zacht kleed, gelukkig." Hij probeert te glimlachen, wat maar half lukt. "De volgende dag heb ik een nieuwe dienstmeid gezocht. Met één hand kan ik nog net lezen, maar geen eten koken."

Kassia kijkt naar de deur waar Nele achter verdwenen is.

Ik kijk naar het oog van Voss. Meredith zei dat hij nog leefde. Dat ze niet meer had gedaan dan nodig was. Dat eerste klopt. Dat tweede weet ik nog zo net niet. En ik heb haar geneukt in die tempel. Niet bevochten, niet verslagen - geneukt. Ik wist wat ze had gedaan, en toch wilde ik haar.

Ik schud mijn hoofd. "Ze heet geen Marren. Ze heet Meredith. We zijn haar eerder tegengekomen. Gisteren nog, bij de tempel. Ze had uw boek bij zich."

Voss komt met een schok overeind. "Jullie kennen haar?"

"Zo zou je het kunnen zeggen. Het is niet bepaald een vriendschap."

"En het boek?"

"Dat hebben we terug."

Hij laat zich terugzakken en blaast langzaam zijn adem uit. Er komt een beetje kleur terug in zijn gezicht. "Alle goden. Dat is het beste nieuws dat ik deze week heb gehad."

Aliya klapt haar notitieboek dicht en legt haar hand erop. Ze kijkt Voss prangend aan, maar zegt niks. Ik weet wat ze denkt. Meredith heeft niet alleen het boek meegenomen. Voss heeft een deel ervan overgeschreven, en die kopieën zijn nu onderweg naar haar opdrachtgevers. Dat vertelde ze me in de tempel. Voss moet weten dat die kopieën weg zijn.

Hij zegt niks over de kopieën, stuurt Aliya via de ring.

Geef hem nog even.

Voss draait zich naar Kassia en zijn gezicht klaart op. "En jij, kind? Hebben jullie die tempel gevonden? Wat zat er achter die deur?"

Kassia wordt rood tot in haar hals. "Een altaar, meneer Voss."

"Een altaar!" Hij leunt naar voren. "Wat voor altaar?"

"Het was..." Kassia kijkt naar haar handen. "Het was heel hard, meneer Voss."

"Hard." Voss pakt een pen. "Graniet? Marmer?"

Kassia hoort wat ze gezegd heeft. Het rood kruipt van haar hals tot aan haar haargrens. Ik bijt op de binnenkant van mijn wang. "Amberkleurig," piept ze.

Op dat moment gaat de deur open, en ik ben nog nooit zo blij geweest om thee te zien.

Nele draagt een dienblad met twee handen eronder, ver voor zich uit, alsof het elk moment kan ontploffen. Bij elke stap tikken de kopjes tegen elkaar. Ze kijkt naar het blad en niet naar de kamer, en bij onze stoel moet ze een draai maken. Dat gaat mis. De kopjes wankelen, één schuift over de rand, raakt de hoek van het bureau en valt in drie stukken op de vloer. De thee spat over het kleed.

"Oh! Het spijt me, meneer, het spijt me zo—"

"Nele. Zet dat blad neer voordat de rest ook sneuvelt, alsjeblieft."

Ze zet het blad neer. Haar wangen staan in brand. Ze gaat op haar knieën zitten en begint de scherven met haar blote handen op te rapen.

Naast me zit Kassia heel rechtop. Ze vouwt haar handen in haar schoot, maar haar voeten staan al klaar om op te staan. Ze kijkt naar de scherven, dan naar de deur naar de gang, en dan naar het blad op het bureau. Haar vingers gaan open en weer dicht.

Nele verzamelt de rest in haar schort en loopt met rode oren de kamer uit.

"Ze is er pas enkele dagen," zegt Voss. "Ze leert nog."

"Natuurlijk," zegt Kassia zacht.

Voss schenkt de overgebleven kopjes vol, met zijn goede hand, en morst daarbij zelf ook. Kassia pakt er één aan en houdt het met twee handen vast. Ze drinkt er niet uit.

Aliya laat haar thee staan. "Clemens. Vertel me over de kopieën."

Voss' kopje blijft halverwege zijn mond hangen. "Hoe weten jullie dat?"

"Meredith vertelde het me," zeg ik. "Ze had ze niet bij zich in de tempel. Ze heeft ze vooruitgestuurd. Naar haar opdrachtgevers."

Voss zet zijn kopje neer. Er loopt thee over de rand, over zijn vingers, en hij veegt ze niet af.

"Hoeveel heb je overgeschreven?" vraagt Aliya.

"De laatste twintig bladzijden." Hij kijkt op. "Die begreep ik het minst. De rest kon ik lezen terwijl het boek hier lag, maar voor dat laatste deel zou ik maanden nodig hebben. Voor die tijd zou jij het boek weer komen halen. Dus heb ik een kopie gemaakt."

"Ik gaf je toestemming om het te bestuderen," zegt Aliya. "Niet om het over te schrijven."

"Ik schrijf álles over." Voss slaat met zijn goede hand op het bureau, harder dan hij van plan was, en trekt een grimas. "Bronnen verdwijnen, Aliya. Ze verbranden. Of ze komen bij een verzamelaar terecht, en als die doodgaat verkoopt zijn zoon de hele boel per gewicht. Als ik iets niet overschrijf, raakt het verloren."

"Nu is het ook verloren," zegt Aliya. "Het ligt nu bij de mensen die jou tegen de grond hebben gewerkt."

Voss trekt een gezicht alsof ze met haar duim op zijn blauwe oog heeft gedrukt.

"Excuses zouden op hun plek zijn," zegt Aliya.

"Geen sprake van."

Kassia's hoofd komt met een ruk omhoog.

"Excuses? Kijk naar me!" Voss wijst met twee vingers naar zijn gezicht. "Ik kan niet goed meer zien met mijn rechteroog. Mijn pols kan ik zes weken niet gebruiken. Ik heb een dag lang buiten westen op de grond gelegen, verdomme! En dan moet ik ook nog door het stof omdat ik een tekst heb gered die—"

"Dat heeft Meredith je aangedaan. Niet ik." Aliya's stem gaat omhoog. "Ik was bezorgd om je, Clemens, maar ik ben niet gekomen om je te verplegen. Ik ben hier omdat er kostbare informatie uit mijn boek in handen is van mensen die mijn onderzoek willen saboteren!"

Ik houd me buiten de ruzie. Het vervelende is dat ze allebei gelijk hebben. Onder het bureau sluit ik mijn hand om het medaillon en tast heel voorzichtig naar Voss. Ik wil hem niet beïnvloeden, alleen weten wat er in hem omgaat. Als hij over het boek praat, stuit ik op trots, met daaronder een dikke muur van koppigheid. Schuld vind ik niet. Tot hij naar Kassia kijkt. Dan drukt zijn schaamte zo hard op mijn borst dat ik mijn adem inhoud. Ik laat het medaillon los. Sorry zeggen tegen Aliya gaat hij vandaag niet meer.

Midden in een zin van Aliya draait hij zich naar mij.

"Het is nu een week geleden dat jullie vertrokken," zegt hij. "Ik dacht dat ik wist waar ik haar in betrok, maar sinds die... Meredith me tegen de grond heeft geslagen, twijfel ik aan alles." Zijn stem wordt schor. "Ik moet het weten. Wat hebben jullie met haar gedaan?"

"U kunt het ook aan mij vragen," zegt Kassia. "Ik zit hier."

Voss draait zich naar haar toe.

Ze zet haar kopje neer. Het tikt luid tegen het bureau. "U hebt me nergens bij betrokken, meneer Voss. Ik ben zelf gegaan. Omdat ik dat wilde." Ze haalt adem. "Ik ben blij dat u me liet gaan. Maar ik ben uw dienstmeid niet meer."

"Dat weet ik toch, kind. Dat weet ik. Ik bedoelde alleen dat—" Voss maakt een weids gebaar met zijn goede hand, maar laat zijn arm dan weer zakken. "Ik bedoelde niets. Je hebt gelijk."

Hij pakt zijn kopje, ziet dat het leeg is en zet het terug.

"Vertel me dan ten minste wat er in die tempel was, Aliya."

"Eerst jij," zegt Aliya. "Wat staat er op die kopieën?"

Voss is al half overeind voordat ze uitgesproken is. Hij loopt naar de halflege kast en tikt met zijn goede hand langs de ruggen, mompelend, tot hij vindt wat hij zoekt. Zonder zijn fluwelen jasje lijkt hij kleiner. Maar als hij zich omdraait, heeft hij weer de stem van de eerste keer dat we hier zaten.

"Hallenbeek!" Hij legt een dik boek met een klap op het bureau. "Woordenboek van het Ourevesch. Gelukkig heeft de dievegge dit achtergelaten. Voor zover ik weet is dit het enige exemplaar ten westen van Lamentine. Ik heb er een half maandsalaris voor betaald, in de tijd dat ik nog een salaris had. Een onuitstaanbare man, overigens, Hallenbeek. Hij at uien uit de hand als appels. Maar hij kende zijn klinkers."

"Clemens."

"Ja, ja." Hij slaat het boek ergens halverwege open. "Die laatste bladzijden. Je hebt ze gelezen?"

"Overgeslagen," zegt Aliya. "Het zijn litanieën. Dezelfde regel, twintig keer, met steeds een ander teken aan het eind. Eén streepje erbij, of eraf." Ze haalt haar schouders op. "Ik dacht dat de kopiist in slaap viel."

"De kopiist viel niet in slaap. De kopiist was een ezel." Voss tikt op het woordenboek. "Ourevesch."

"Het boek is geschreven in het Oud-Arditisch, niet in—"

"Die talen zijn praktisch broers! Ourevesch heeft klinkers bewaard die het Arditisch dialect kwijt is geraakt, en—"

Aliya luistert al niet meer. Ze trekt het woordenboek naar zich toe en bladert, snel, naar achteren.

Voss wijst. "De lange klinkers staan—"

"Ik zie het, Clemens."

Ze leest. Haar lippen bewegen mee. Ze zegt iets in een taal die ik niet ken, zacht, zoals ze de namen van de spiegels uitspreekt, en dan nog een keer, met een andere klinker erin.

"Er staat niet twintig keer hetzelfde," zegt ze langzaam. "Hier staat zij rust. En dan zij reist. En dan—" Ze stopt. "Het zijn andere woorden."

"Het zijn andere woorden!" Voss slaat op het bureau en trekt meteen een grimas. "Au. Ja. Andere woorden."

Via de ring voel ik Aliya's schaamte zo duidelijk dat ik zelf naar de vloer kijk.

"Hoeveel heb je vertaald?" vraagt ze. Ze kijkt niet op van het woordenboek.

"Een halve bladzijde. Meer niet, en ook daarvan weet ik niet of het klopt." Voss leunt achterover en kijkt naar het plafond, zoals iemand doet die zich iets probeert te herinneren. "Aan het einde van hun dienst maken de hogepriester en de hogepriesteres een reis. Niet te voet. Niet te paard. Niet per koets. En dan nog tien manieren waarop ze niet reizen. Hoe ze wel reizen is een mysterie. Er staat iets als door de vlakke waterspiegel. Een meer, denk ik. Maar—"

"Staat daar water," vraagt Aliya, "of spiegel?"

Aliya! stuur ik.

"Hm, interessant. Het zou ook enkel spiegel kunnen betekenen." Voss overweegt het even, en wuift het dan weg. "Ach. Het is een dichterlijke tekst. Je weet nooit wat een woord precies betekent. Enfin, ze komen bij een huis waar geen weg heen gaat. Alles is daar volmaakt. De bedienden kennen geen honger en geen dood. Voedsel en drank zijn er in overvloed." Hij haalt één schouder op. "En dan is er nog een regel over behaaglijk warm water."

Dat is het paleis. Voss beschrijft het paleis waarvan we hadden afgesproken dat we er niks over zouden vertellen. Aliya heeft haar notitieboek open, maar haar potlood hangt stil boven het blad.

"En wat betekent dat volgens u?" vraag ik. Aan mijn stem is hopelijk niets te merken.

"Beeldspraak." Voss spreidt zijn armen. "Elke religie belooft iets dergelijks. Je hebt gediend, je hebt geofferd, en dan mag je rusten. Bij Elin heet dat de Stille Hof. Zeelui hopen op een eiland met eeuwig voorspoedige wind. Bij de Ovulianen blijkt het een huis met warm water te zijn, wat ik eerlijk gezegd een verbetering vind." Hij glimlacht scheef. "Aan het einde van mijn leven hoef ik niet eeuwig te zingen. Een warm bad lijkt me veel aantrekkelijker."

Aliya bladert in Hallenbeek zonder te lezen.

"Je kijkt zo," zegt Voss. "Wat is er?"

"Ik heb dat boek wekenlang bij me gedragen," zegt Aliya. "Het lag 's nachts naast mijn kussen, Clemens. En nu zit jij me uit te leggen wat erin staat."

Het is waar, maar dat is niet waarom ze zo kijkt. Via de ring voel ik wat eronder zit. Ze is jaloers. Hij heeft haar bron beter gelezen dan zij, en hij snapt niet eens waar het over gaat. Voss heeft er geen erg in en lijkt het als compliment op te vatten. Hij wijst met zijn goede hand naar het woordenboek, als iemand die net een schaakpartij gewonnen heeft.

"Dat," zegt hij, "is nou precies waarom je bronnen moet kopiëren."

Onder het bureau voel ik Aliya's voet tegen de mijne drukken.

Daarna houdt ze zich aan haar kant van de afspraak. Min of meer. Ze vertelt over de tempel in de klif, over de anemonen in het zwarte water, en over de barrière die alleen voor een maagd openging. Kassia wordt rood en blijft rood. Wat er achter die barrière lag, vertelt Aliya niet. Voss merkt het niet, of hij doet alsof.

We praten tot het donker wordt. Daarna eten we in de kamer achter de studeerkamer, aan een tafel waar twaalf mensen aan passen. Nele serveert schalen met groente en vlees en verdwijnt weer.

Kassia zit tussen Aliya en Voss en zegt bijna niets. Halverwege de maaltijd reikt Voss naar de kan met wijn. Kassia komt half overeind om voor hem in te schenken. Dan bedenkt ze zich en gaat weer zitten, met haar handen plat op haar schoot. Voss schenkt zelf in en merkt niets. Aliya wel. Ze schuift haar eigen beker naar Kassia toe.

Voss praat voor vier. Over Hallenbeek, over een ruzie van twintig jaar geleden over de datering van een inscriptie, over hoe moeilijk het is om met één hand een potlood te slijpen. Drie keer vraagt hij aan Kassia of ze wel genoeg eet.

Bij de kaas legt hij zijn mes neer. "Het is laat. Jullie zullen natuurlijk willen blijven slapen. Ik zal Nele vragen om een bed op te maken."

"Dat is niet nodig," zegt Aliya. "We vinden wel een herberg."

"Om deze tijd? In het havenkwartier?" Hij wijst op zijn oog. "Ik heb deze week persoonlijk ondervonden wat er voor gespuis in deze stad rondloopt. Boven staan twee kamers leeg."

We hebben natuurlijk geen herberg nodig. Aan de overkant van de straat hangt een spiegel waarmee we over een halve minuut in ons eigen bed liggen. Dat kunnen we niet zeggen. We hebben vanochtend afgesproken dat we Voss pas over het paleis vertellen als we hem durven vertrouwen. En na zijn koppigheid van vanmiddag weet ik dat nog zo niet.

Zeg jij hem dat we een herberg gaan zoeken, stuurt Aliya. Van jou neemt hij het wel aan.

Ik kijk de gang in, naar de voordeur. Daar is Meredith een week geleden gewoon naar binnen gewandeld, met een fles wijn en een mooi verhaal. Ik kijk naar Voss' pols in het verband. Naar Nele, die met rode oren de lege schalen weghaalt en niet ouder is dan vijftien.

Ze weten waar hij woont, stuur ik.

Jij wilt hier blijven? De wacht houden?

Ik zou het een stuk veiliger vinden.

"We blijven graag," zegt Kassia.

Twee tegen één, en Kassia weet niet eens dat ze meegestemd heeft. Aliya zucht door haar neus. "Alleen vannacht," zegt ze.

Voss klapt met zijn goede hand op zijn dij en roept Nele om de gastenkamer op te maken. Kassia zegt heel snel dat ze haar eigen kamer zelf wel doet.

"Je bent te gast," zegt Voss.

"Ik weet waar de lakens liggen," zegt Kassia.

Voor ik naar boven ga, schuif ik de grendel van de voordeur dicht en zet ik een stoel onder de klink van de keukendeur. Voss ziet het vanuit de gang. Hij knikt zonder iets te zeggen.

De gastenkamer ligt recht boven de studeerkamer. Het bed is zo zacht dat Aliya er half in verdwijnt als ze zich achterover laat vallen, met haar schoenen nog aan.

"Het bad," zegt ze tegen het plafond. "Die kopieën beschrijven ons bad, Thomas. Dorian en Melite. Ik dacht dat het betekenisloos was. En Voss denkt dat het over de hemel gaat."

"En die tekst ligt nu bij de Malachieten?"

"Ja." Ze wrijft in haar ogen. "Daar ga ik vannacht van wakker liggen."

Beneden gaat een deur dicht. Er klotst water in een emmer. Boven ons schuift iets over een vloer.

Aliya draait haar hoofd naar me toe. "Ga bij Kassia kijken."

"Nu?"

"Ze heeft de hele avond op het puntje van haar stoel gezeten. Ze wilde de scherven van dat kopje opruimen, ze wilde wijn inschenken, en ze heeft zich steeds ingehouden." Ze pakt mijn hand en legt hem op haar borst. "Ze heeft nog geen moment voor zichzelf gehad. Ga maar. Ik blijf wel wakker."

Ik ken die toon. Er zit een grijns onder.

"Je bent verschrikkelijk."

"Ik ben attent." Ze duwt me met haar voet van het bed. "En doe de deur zachtjes dicht."

De trap naar de zolder is smal en steil, en de treden zijn uitgesleten in het midden. Boven zijn twee deuren. Onder de rechter is het donker. Onder de linker brandt een streepje licht.

Ik klop met één knokkel.

Kassia doet open met een kaars in haar hand. Haar krullen hangen los over haar schouders en ze draagt een hemd van grof linnen. Dat komt niet uit het paleis. Het moet uit haar oude kast komen.

"Zachtjes," fluistert ze. Ze trekt me naar binnen en houdt de klink vast tot de deur helemaal in het slot valt. "Meneer Voss slaapt hier recht onder. Ik hoorde hem zijn laarzen uittrekken. Dus hij hoort ons ook."

"Ik zal fluisteren."

"Jij snurkt als een verkouden os." Ze kijkt heel ernstig. "Aliya vindt dat ook."

De kamer is drie passen bij vier. Het dak loopt schuin omlaag, zodat je alleen bij de deur rechtop kunt staan. Er staat een smal bed onder een klein raam, een kruk, en aan de balk hangt een haak waar niets aan hangt. Het ruikt naar stof en naar kaarsvet. Boven het bed zijn streepjes in houtskool op de muur gezet, in rijen van vijf.

"Dagen," zegt Kassia als ze me ziet kijken. "De eerste maanden hier. Ik was zestien en kende niemand in de stad. Op een gegeven moment ben ik gestopt met tellen."

We gaan naast elkaar op het bed zitten. Het kraakt zo hard dat we allebei verstijven. Beneden blijft het stil.

"Hoe is het om terug te zijn?" vraag ik zacht.

"Klein." Ze kijkt naar de schuine balk boven haar hoofd. "Het paleis went sneller dan ik dacht." Ze trekt het hemd over haar knieën. "En Nele gebruikt de verkeerde emmer. Die heeft een deuk. Hij lekt als je hem niet goed neerzet, maar dat weet ze niet. Maar goed, ik mag er niks van zeggen, want ik werk hier niet meer." Ze glimlacht scheef. "Ik ben vertrokken met twee mensen die ik in de studeerkamer zag neuken."

Ik lach met mijn hand voor mijn mond. Zij schrikt van haar eigen grap en slaat haar hand ook voor haar mond, en dan zitten we allebei te schokken op dat smalle bed.

Mijn oog valt op de vloer. Tussen het bed en de muur ligt een plank die net iets anders ligt dan de rest. De naden eromheen zijn schoon. Een opbergplek. Haar spaargeld, misschien? Maar Kassia volgt mijn blik en wordt rood tot in haar hals. Voor spaargeld word je niet zo rood.

"Wat ligt daaronder, Kass?"

Haar hoofd schiet omhoog. "Niks."

"Kass. Je bent de slechtste leugenaar die ik ken."

Ze houdt het nog drie tellen vol. Dan maakt ze een geluid tussen kreunen en lachen in, laat zich van het bed op haar knieën zakken en wrikt de plank los met haar vingers. Uit de holte haalt ze een opgevouwen doek. Er zitten drie kleine boekjes in, van versleten leer, zonder titel op de rug. De boeken van meneer Voss. Ze noemde ze in de keuken, toen ze vertelde wat ze 's avonds deed. Ik heb me sindsdien afgevraagd welke het waren.

"Geleend," zegt ze. "Ik bracht ze altijd terug. Alleen deze drie had ik zo vaak teruggezet en weer gepakt, dat het een beetje idioot werd."

Ze geeft me de bovenste. Hij valt vanzelf open, op een plek waar hij al heel vaak is opengevallen. Een pentekening van een vrouw die voorover over een tafel ligt, met haar rokken over haar rug geslagen en een man achter haar. De tekenaar heeft in detail getekend hoe hij haar penetreert. In de onderhoek van de bladzijde zit een donkere vlek.

"Dit was de laatste weken mijn favoriet. Omdat die tafel—" Kassia stopt.

"Omdat die tafel... wat?"

"Niks."

Ik kijk haar aan.

"Omdat hij op het bureau van meneer Voss lijkt," fluistert ze, en ze slaat haar handen voor haar gezicht. "Zo zagen Aliya en jij eruit. Toen ik binnenkwam. Ik beeldde me in dat ik dat weer zag, en dan..."

"Wat deed je dan?" vraag ik.

Ze kijkt weg. "Dat weet je best."

"Ik ben toch benieuwd."

"Wil je het zien?" fluistert ze tegen de muur.

"Graag," fluister ik, veel te snel.

Ze draait zich om en wijst naar de kruk bij de deur. "Ga daar zitten. Niet naast me. Alleen kijken."

Ik ga op de kruk zitten. Het is de andere kant van de kamer, maar ik zou haar bed nog steeds kunnen aanraken, zo klein is de kamer.

Ze gaat op haar rug liggen met haar knieën opgetrokken en legt het boekje opengeslagen naast haar hoofd. Ze hoeft de bladzijde niet te zoeken. Haar duim gaat er meteen heen.

Haar rechterhand glijdt over haar buik omlaag, onder de zoom van het hemd. Het linnen schuift omhoog tot boven haar knieën. Vanaf de kruk kijk ik recht tussen haar dijen. Ik zie het plukje blond haar, en daaronder haar kutlippen, roze en al een beetje gezwollen. Ik wil mijn mond er op leggen, maar ik blijf zitten en kijk. Ze legt twee vingers plat over haar spleetje en trekt ze langzaam omhoog. Als ze ze terugschuift, gaan haar lippen een stukje open en glanst ze nat van binnen. Ze houdt haar adem in en luistert naar de vloer.

"Ik begin met één vinger," fluistert ze. "Ik wrijf hier." Ze draait een klein rondje over haar klitje. "Er is een plekje dat heel fijn is. Dat moet ik altijd even zoeken."

Mijn handen liggen op mijn knieën. Mijn pik knelt in mijn broek.

Ze zoekt. Haar vinger schuift een klein stukje opzij, en weer terug, en dan krommen haar tenen zich in het laken. Daar dus. Ik dacht dat ik haar kutje inmiddels kende, maar dit heb ik haar nog nooit zien doen. Ik let precies op waar haar vinger ligt. Straks wil ik het zelf vinden.

Ze kijkt niet naar mij. Ze kijkt naar haar tekening. Dit is geen show, zo doet ze het echt als niemand kijkt.

Kassia wrijft over haar klit en haar ademhaling wordt dieper. Ze gebruikt een tweede vinger. Haar vingers gaan sneller. Ze houdt haar blik op het boekje, maar na een tijdje flitsen haar ogen steeds weer naar mij. Ineens stopt ze.

"Zo kan ik me niet concentreren," fluistert ze. "Niet als jij zo kijkt."

"Ik mocht niks doen van jou."

"Ja. Maar het werkt zo niet." Ze bijt op haar lip. "Trek je broek eens uit? Ik wil hem zien."

Ik sta op, stoot bijna mijn hoofd tegen de balk, en trek mijn broek uit. Mijn pik springt omhoog en blijft recht overeind staan, met een druppel die al aan mijn eikel glanst.

Kassia komt op een elleboog overeind en staart naar mijn pik. "Terug op die kruk," fluistert ze. "Trek jezelf af."

Ik ga zitten, mijn blote billen op het koude hout, en begin mezelf langzaam af te trekken terwijl ik naar Kassia kijk. Haar ogen volgen elke beweging. Haar vingers beginnen weer te bewegen, sneller dan eerst.

"In de boekjes leken ze altijd zo groot," fluistert ze. "Piemels. Ik dacht dat dat niet kon." Ze slikt. "Wel dus."

Onder ons kraakt een vloerplank. We bevriezen allebei en luisteren.

"Dit is dom," fluister ik.

"Meneer Voss ligt hier recht onder." Haar knieën zakken verder uit elkaar. Het hemd is nu tot haar heupen opgeschoven. Ze trekt haar kutlippen met twee vingers open en laat haar middelvinger over haar klitje glijden, heen en weer. Ze is zo nat dat er in het kaarslicht een glanzend spoor over de binnenkant van haar dij loopt. "We kunnen dit ook morgen doen."

"Ja. In het paleis hoort niemand ons."

We gaan allebei door.

Ik kijk naar haar vingers, en er komt iets boven wat ze me in de keuken vertelde. Iets wat ik nooit meer helemaal uit mijn hoofd heb gekregen.

"Deed je het altijd alleen met je vingers?" vraag ik.

Ze bloost. "Nee. Niet altijd."

"Je zei iets over een komkommer."

"Dat was echt één keer." Ze slaat haar vrije hand voor haar ogen. "Ik was die dag zó geil. Maar ik kon niet klaarkomen." Haar vinger glijdt tussen haar lippen door naar beneden en drukt zich een klein stukje in haar opening. "Het lukte niet. Ik wilde iets groters. Echt vol zijn. Toen ben ik terug naar beneden geslopen. Naar de keuken."

Ik zie het voor me. Kassia met haar knieën omhoog, in dit bed, haar kutlippen strak om een komkommer gespannen, terwijl ze hem langzaam naar binnen duwt en haar adem inhoudt. Ik voel mijn pik stijver worden.

Ineens voel ik Aliya door de ring. Dat beeld is ook bij haar aangekomen.

"En?" vraag ik.

"Toen kwam ik wel klaar. De volgende dag zat hij in de soep." Haar schouders schokken. "Meneer Voss zei dat het de beste soep was die ik ooit had gemaakt."

We lachen allebei zonder geluid. Zij met haar benen wijd op het bed, ik naakt op een kruk met mijn pik in mijn hand. Dan kijkt ze weer naar mijn pik en houdt ze op met lachen.

"Hij is bijna net zo dik als die komkommer," fluistert ze.

Ze trekt het hemd over haar hoofd en laat het naast het bed vallen. Haar kleine borsten gaan snel op en neer, haar tepels staan hard en donkerroze, en tussen haar benen glanst ze nat van haar klitje tot haar billen. Ze schuift twee vingers in haar kutje, zo diep als ze kan, en drukt met de muis van haar hand op haar klitje. Haar ogen blijven gericht op mijn pik.

Ik trek mezelf langzaam af, zodat ze kan zien hoe mijn hand over mijn eikel gaat. Haar hand volgt mijn tempo. Als ik versnel, versnelt zij ook.

Plots klemmen haar dijen zich samen. Ze drukt haar mond tegen haar eigen schouder. Haar gezicht wordt rood tot aan haar haargrens en haar buik schokt, drie keer, vier keer, terwijl ze klaarkomt zonder geluid. Het bed kraakt niet eens.

Ze laat haar adem heel langzaam door haar neus ontsnappen. Dan kijkt ze me aan, met haar vingers nog in zich. "Adem inhouden," fluistert ze. "Dat is de truc."

Ze laat zich van het bed zakken, eerst haar billen, dan haar knieën op de vloer. Op haar knieën kruipt ze naar de kruk. Ze duwt mijn hand weg en neemt mijn pik zelf vast.

"Ik wil je proeven," fluistert ze. "Maar je moet echt stil zijn."

Ze likt eerst alleen het topje van mijn eikel. Dan sluit ze haar lippen eromheen en zuigt, heel zacht, zodat er niks te horen is. Ze kijkt omhoog naar mijn gezicht.

Ik bijt op mijn lip terwijl ze mijn pik steeds dieper pijpt. Als ze haar hand om mijn ballen legt, ontsnapt me toch een klein kreuntje.

Ze stopt onmiddellijk. "Ssst."

"Sorry," fluister ik. "Het is echt heel lekker."

"Echt stil zijn. Anders stop ik."

Ik knik en houd mijn adem in. Pas dan neemt ze me weer in haar mond, verder dan eerst.

Gisteren heb ik in mijn eentje vijf gewapende mensen overmeesterd in een magische tempel. Nu zit ik naakt op een kruk en houd ik mijn adem in omdat het moet van Kassia.

Haar hand draait om mijn schacht terwijl haar mond op en neer gaat, langzaam, met haar tong plat tegen de onderkant van mijn eikel. Ik zie mijn pik nat glanzend tussen haar lippen verdwijnen en weer tevoorschijn komen. Elke keer kijkt ze omhoog, om te zien of ik wel stil ben.

Mijn pik drukt tegen haar keel en ik kreun opnieuw. Ze laat me meteen los.

"Je bent te luid," fluistert ze, met haar lippen nog tegen mijn eikel.

"Kass. Het is te lekker."

Ze kijkt naar mijn pik, die nat en kloppend voor haar gezicht staat. "Ik wil hem in me."

Ze gaat op het bed liggen, heel voorzichtig, en trekt me aan mijn pik mee. Ik trek snel de rest van mijn kleding uit en zet één knie op het bed. Het kraakt luid. We verstijven allebei.

"Langzaam," fluistert ze.

Ik verplaats mijn gewicht zo langzaam als ik kan. Het bed kreunt onder ons, lang en hoog. Beneden kucht Voss. Daarna schraapt er een stoel over de vloer.

We bewegen allebei niet meer. Mijn eikel ligt tegen haar spleetje, heet en glad, en ik ben bang dat ik het hele huis wakker kraak als ik een centimeter in haar beweeg.

"Dat bed is veel te luid," sist ze.

"Dit gaat niet," fluister ik.

Kassia draait haar hoofd opzij. Naast haar kussen ligt het boekje, nog open op de tekening. Ze kijkt ernaar. Dan kijkt ze naar mij.

"Kom."

Ze glijdt onder me vandaan, en het bed protesteert luid. Ze pakt de kaars en het boekje. Dan raapt ze mijn kleren van de vloer, mijn broek, mijn hemd, mijn doublet, en drukt de hele stapel tegen haar blote borst, met het boekje erbovenop.

"Kass. Wat doe je?"

Ze houdt de klink vast, trekt de deur zonder geluid open en is weg. Met de kaars.

Ik zit op mijn knieën op haar bed, naakt, in het donker. Bij elke beweging kraakt het. Ik stap eraf en stoot mijn hoofd tegen de balk. Ik heb geen keuze. Ik moet haar achterna.

Dit is dom. Dit is zo veel dommer dan wat we net deden. Voss is wakker. Hij kucht, hij schuift met stoelen, en straks hoort hij mij langs zijn deur sluipen. Ik heb vanavond zelf de grendel voor de voordeur geschoven en een stoel onder de keukendeur gezet, zodat niemand ongezien door dit huis kan sluipen.

Mijn pik is nog nat van Kassia's speeksel en zo hard dat het pijn doet.

Ik stap door de deur.

Op de zoldertrap is het aardedonker, maar onder me schijnt een zacht licht. Kassia staat op de overloop, met mijn kleren onder haar arm en haar hand om de vlam. Als ze me ziet, loopt ze door, langs de deur van Voss.

Er brandt licht onder zijn deur.

Ik zet mijn voeten zo zacht mogelijk op de zoldertrap. Kassia liep geluidloos naar beneden, maar ik ben zwaarder en ik weet niet welke treden kraken. Het lukt vrij aardig, en dan ben ik op de overloop. Bij de deur van de gastenkamer voel ik Aliya.

Waar gaan jullie heen?

Geen idee. Ze heeft mijn broek.

Via de ring voel ik haar lachen. Meteen daarna voel ik haar opwinding. Ze is klaarwakker.

Op de grote trap slaat Kassia twee treden over. Ik mis er één en verstijf als het hout luid piept. Kassia blijft stokstijf staan, en ik loop tegen haar op. Mijn pik glijdt tussen haar billen.

We staan midden op de trap, doodstil, in het huis van Voss. Boven blijft het licht onder zijn deur branden. Er gebeurt niets. Kassia kijkt over haar schouder en grijnst.

De gang ruikt naar boenwas. De planken zijn koud onder mijn voeten. Bij de voordeur voel ik aan de grendel. Hij zit nog dicht. Natuurlijk.

Aan het einde van de gang is maar één deur. Kassia tilt hem aan de klink een stukje op, zodat hij zonder geluid opengaat, en laat hem op een kier staan.

Het kaarslicht glijdt over de boekenkasten, over de lege planken en de stapels op de vloer. In het midden staat het bureau.

"Kass." Ik blijf in de deuropening staan. "Dit is zijn studeerkamer."

Ze grijnst ondeugend. "Precies."

Ze zet de kaars op de hoek van het bureau en schuift de inktpot opzij. Mijn kleren legt ze op een van de leren stoelen. Het boekje legt ze open naast de inktpot. Dan buigt ze voorover over het bureau en legt haar wang op het hout.

Ze ligt precies zoals de vrouw op de tekening. Alleen de rokken ontbreken.

Twee weken geleden lag Aliya op deze plek, met haar jurk omhoog, en stond Kassia in deze deuropening met een dienblad dat rammelde in haar handen. Nu ligt Kassia waar Aliya lag. Ze kijkt over haar schouder naar mij.

"Zoals bij haar," fluistert ze. "Neuk me zoals op het plaatje."

Daarvoor heeft ze me zonder broek door het hele huis gesleept. Ze heeft dat plaatje bekeken tot het boek vanzelf op die pagina openvalt. Dit was de eerste keer dat ze seks in het echt zag. Toen lag Aliya op dit bureau en kende ze mij amper. Nu wil ze het zelf ervaren.

Ik ga achter haar staan en laat mijn eikel door haar spleetje glijden, van haar klitje tot haar opening en terug. Ze zucht en duwt zich tegen me aan.

Ik schuif in haar.

Ze kijkt naar de tekening terwijl ik haar opvul. Haar kutje rekt om mijn eikel, dan om mijn schacht, en ik schuif langzaam door tot mijn heupen tegen haar billen liggen. Ze ademt heel lang uit door haar neus.

Bij de eerste harde stoot kraakt het bureau in zijn voegen. We verstijven allebei. Dan beweeg ik weer, langzaam, diep in haar en weer bijna helemaal eruit, en het blijft gelukkig stil. Ze is zo nat dat ik haar hoor, een zacht zuigend geluid bij elke beweging, harder dan haar ademhaling.

"Ssst," fluister ik.

"Dat ben ik niet. Dat is mijn kutje." Ze grijnst tegen het hout. "Zeg jij daar maar tegen dat ze stil moet zijn."

Mijn pik glijdt soepel in haar drijfnatte kutje. Ik beweeg langzaam, om geen geluid te maken, maar Kassia legt haar handen plat op het bureau en duwt terug.

"Harder," fluistert ze. "Neuk me, Thomas."

Ze voelt te goed, en het blijft nog steeds stil in het huis. Verdomme. Ik beweeg iets harder. Het bureau kraakt zachtjes en haar billen schudden heerlijk bij elke stoot. De inktpot schuift kleine stukjes over het bureau.

Gepiep. Boven gaat een deur open.

We verstijven. Ik zit diep in haar. Op de overloop kraakt een plank.

"Wie is daar?" De stem van Voss is hoog en schor.

Hij moet het licht zien. De deur staat op een kier en de kaars brandt. Vanaf de trap kan hij deze deur zien. Het bureau niet, denk ik. Als hij de deur openduwt, ziet hij eerst mijn kont.

Kassia tilt haar wang een stukje van het hout. "Ik ben het, meneer Voss." Ze praat net hard genoeg om boven gehoord te worden. Ze klinkt als een dienstmeid.

"Kassia? Alle goden, kind. Ik dacht—" Hij maakt zijn zin niet af.

"Er zat nog thee in het kleed, meneer. Anders trekt het in."

Om mijn pik knijpt ze samen, heel langzaam, van de basis tot aan mijn eikel.

"Kass," adem ik.

"Dat is van binnen," ademt ze terug. "Dat hoort hij niet."

Boven zucht Voss. "Kind toch. Je werkt hier niet meer."

"Nee, meneer Voss."

Een trede kraakt. Dan nog één. Hij komt naar beneden.

"Wacht, ik kom even—"

"Niet doen, meneer Voss!" Het komt er te hard uit. Ze slikt. "Uw nek. Die trap is steil."

De voetstappen houden op. "Ja," zegt Voss. "Ja, daar zeg je wat." Hij kreunt, en de bovenste trede kraakt onder zijn gewicht.

Hij is gaan zitten.

Kassia duwt zich van het bureau omhoog en ik glijd uit haar. Ze draait zich om en gaat op de rand zitten, heel voorzichtig. Dan laat ze zich achterover zakken tot ze op haar rug op zijn bureau ligt. Het bureau kraakt niet. Ze zet haar voeten op de rand en laat haar knieën uit elkaar vallen. Zo draaide Aliya zich die middag ook om.

Ik sta tussen haar knieën. Met haar linkerhand pakt ze mijn pik vast, nat van haar eigen kutje. Haar rechterhand gaat tussen haar benen.

"Ik kan ook niet slapen," zegt Voss. "Ik lig maar te denken."

"Oh ja, meneer?" Ze tilt haar hoofd een stukje op om naar boven te praten.

Haar hand beweegt langzaam over mijn pik, omhoog tot over mijn eikel, en weer omlaag. Zij maakt geen geluid. Ik bijna wel. Ik bijt in mijn knokkel. Ze kijkt me aan en schudt heel licht haar hoofd. Dezelfde regel als boven. Gelukkig stopt ze nu niet.

"Eet je daar wel genoeg?" vraagt Voss.

De vierde keer vandaag.

"Ja, meneer Voss."

Haar vingers draaien kleine rondjes over haar klitje, precies op datzelfde plekje. Mijn eikel wijst naar haar vingers, een handbreedte ervandaan. Haar wangen gloeien, haar tepels staan hard, en ze grijnst naar me. Ze is bang, maar ze vindt het ook heerlijk. Ze geniet ervan dat ze hem te woord staat met mijn pik in haar hand.

"En zijn ze goed voor je?" vraagt Voss. "Die twee?"

Ze kijkt me recht aan. Haar duim gaat over mijn eikel. "Heel goed, meneer Voss."

Thomas, stuurt Aliya. Hij zit voor mijn deur.

Ik weet het. Mijn ballen trekken al samen. Als ik nu kom, komt Aliya ook, met Voss op een armlengte van haar deur. Ik pak Kassia's pols vast. Ze schudt nee, grijnzend, en versnelt.

"Hallenbeek sliep ook nooit, weet je," zegt Voss. "Vier uur per nacht. Daarom schreef hij zo veel. Altijd wakker. Altijd aan het denken."

"Ja, meneer." Kassia's stem klinkt hees. Haar vingers flitsen over haar klitje op hetzelfde tempo als haar hand over mijn pik.

Voss zwijgt. De natte geluiden van Kassia's vingers op haar klit en om mijn pik klinken zo luid in die stilte dat ik zou zweren dat Voss het hoort. Ik laat haar pols los en bijt op mijn arm om niet te kreunen.

Ik houd dit niet vol. Haar greep is strak om mijn pik en Kassia ligt naakt voor me op het bureau, haar rug gekromd, haar ogen weggedraaid. Dan kreunt ze, heel kort maar. Ze bijt op haar lip om het in te houden, maar het hoge, sexy geluid duwt mij over de rand. Mijn zaad spuit uit me, over haar vingers, over haar kutje, in lange witte strepen over haar buik tot tussen haar borsten. Ik knijp in haar dijen tot mijn knokkels wit zijn.

Adem inhouden. Adem inhouden. Geen geluid.

Zodra mijn zaad haar buik raakt, komt Kassia ook klaar. Ze slaat haar benen om mijn middel en drukt haar mond tegen haar schouder, net zoals ze boven op bed deed. Ze is muisstil. Ze kronkelt over het bureau terwijl de laatste druppels uit mijn pik op haar kutje vallen.

De trap kraakt. Voss komt overeind. "Nou. Laat dat kleed tot morgen, kind. Welterusten."

Kassia kijkt me aan met grote ogen en houdt haar adem in. Ze kan niet antwoorden.

Voss' voetstappen klinken over de overloop. Even lijkt hij te wachten of Kassia nog zal antwoorden. Dan kraakt zijn kamerdeur en valt hij dicht.

Kassia en ik ademen tegelijk uit. We bewegen geen van beiden. De kaars flakkert. Buiten rolt een kar door de straat, en verderop blaft een hond twee keer.

Dan begint Kassia te schokken van het lachen, zonder geluid, op haar rug op het bureau van Voss, met mijn zaad op haar buik.

"Hij kwam naar beneden," fluistert ze. "Hij kwam bíjna naar beneden."

"Dat waren slimme leugens."

"Helemaal geen leugens." Ze telt op haar vingers, dezelfde vingers die net nog tussen haar benen zaten. "Er zat thee in het kleed. Die trap is steil. En jullie zijn heel goed voor me." Ze kijkt me tevreden aan. "Ik ben de slechtste leugenaar die je kent."

Ze steekt haar hand uit. "Geef me je hemd eens."

"Mijn hemd?"

"De mijne ligt boven."

Ik geef haar mijn hemd. Ze veegt haar buik schoon, en de druppels die op het bureau geland zijn. Ze schuift de inktpot terug op zijn plek. Dan klapt ze het boekje dicht en zet het in de kast, tussen twee dikke leren boeken.

Bij de deur blijft ze staan en kijkt naar het kleed. "Die thee gaat er nooit meer uit," fluistert ze. Ze meent het.

Ze blaast de kaars uit. In het donker pakt ze mijn hand, en we sluipen terug naar boven. Op de overloop blijf ik staan bij de zoldertrap. Ze kijkt omhoog, het donker in. "Ik ga daar niet meer slapen," fluistert ze.

De deur van de gastenkamer gaat open voordat we kunnen kloppen. Aliya staat in het donker met een deken om zich heen en haar haar alle kanten op. Het enige wat ik goed kan zien, is haar grijns.

"Kom binnen, seksbeesten," fluistert ze. "Ik ben klaarwakker, en dat is jullie schuld."

Kassia blijft op de drempel staan. "Heb je... hoeveel heb je gevoeld?"

"Genoeg." Aliya trekt haar aan haar pols naar binnen. "Hij zat op de trap, recht voor mijn deur. Ik heb in mijn kussen liggen bijten." Ze grijnst naar mij. "En ik zag een plaatje dat Thomas niet voor zichzelf kon houden."

Kassia kijkt me aan. "Welk plaatje?"

"Het was lang en groen," zegt Aliya.

Kassia maakt een geluid alsof ze ter plekke doodgaat, en laat zich met haar gezicht voorover in het kussen vallen.

De volgende ochtend zit Voss al aan tafel als wij beneden komen. Hij draagt weer een jasje, purper fluweel met gouden stiksels, en hij heeft geprobeerd zijn snor te waxen. Met één hand is dat maar half gelukt. De ene punt staat trots omhoog en de andere hangt half omlaag.

Er staat vers brood op tafel, en een pot thee. Deze keer is de thee goed. Kassia ruikt eraan en knikt, bijna teleurgesteld.

"Ik heb vannacht wakker gelegen," zegt Voss zonder inleiding. Ik houd mijn adem in, maar hij praat al verder. "En ik ben tot de conclusie gekomen dat ik gisteren een oude ezel was."

"Alleen gisteren?" zegt Aliya. Ze gaat zitten.

"Laat me uitpraten, alsjeblieft. Ik heb vannacht drie keer geoefend wat ik wil zeggen." Hij trekt zijn goede schouder op. "De eerste keer dat jullie hier waren, heb ik jullie nog gewaarschuwd. In deze kamer. Ik zei—"

"Dat er mensen zijn die voor deze magie over lijken gaan," zegt Aliya. "Ik weet het nog."

"Ja. Dat. Dank je." Voss kijkt naar zijn bord. "En toen kwam er een knappe vrouw met een mooi verhaal, en ik— nou ja. Dat weet je allemaal." Hij zucht. "Het spijt me, Aliya. Dat is de korte versie. "

Aliya trekt het brood naar zich toe en snijdt er een stuk af. Ze besmeert het met boter. Voss wacht, met zijn mes in de lucht.

"Goed," zegt ze.

"Goed?"

"Goed, Clemens. Geef de jam eens." Ze steekt haar hand uit. "En je schrijft niets meer over zonder het te vragen."

"Uiteraard." Hij kijkt haar aan, en schuift dan de jam haar kant op. "Je vergeeft me?"

"Ja. Excuses aanvaard."

Kassia kijkt van haar bord op. "Ik heb u nog nooit sorry horen zeggen, meneer Voss."

Voss denkt even na. "Dan werd het eens tijd, kind."

Aliya kijkt me vragend aan als Voss een hap van zijn brood neemt. Ik knik.

Ze wacht tot Nele de kamer verlaat. Dan legt ze haar mes neer. "Clemens. Je bent hier niet veilig."

"Dat had ik zelf ook door."

"Het is erger dan je denkt." Ze buigt naar voren. "Meredith hoort bij een orde. De Malachieten, heten ze. Zij zijn degenen die de cult hebben uitgeroeid, vierhonderd jaar geleden, en ze zijn nog altijd op jacht naar wat er van over is. Daarom kon ik al die jaren zo weinig vinden. Ze zijn gevaarlijk, en ze weten waar je woont. Binnenkort hebben zij een stapel nette kopieën in jouw handschrift. En vroeg of laat bedenkt iemand daar dat ze misschien vertaald kunnen worden door de man die ze geschreven heeft."

Voss knikt langzaam. "Daar lag ik vannacht ook over te piekeren."

"We willen dat je met ons meegaat."

"Waarheen?"

Ik vertel het hem. De spiegel achter het altaar, het paleis in de bergen, de bedienden die niet eten en niet slapen, de baden. En de groene spiegel, die een portaal opent naar een zolder aan de overkant van deze straat.

Voss luistert met zijn handen plat op tafel. Hoe langer ik praat, hoe strakker zijn gezicht wordt.

Als ik klaar ben, pakt hij zijn servet. Hij veegt zijn snor af, eerst de goede kant en dan de hangende, en legt het servet heel precies naast zijn bord.

"Aliya, lieverd," zegt hij. "Hoe lang doe je nu onderzoek naar deze cult?"

Aliya kijkt hem fronsend aan en geeft geen antwoord.

"Weet je zeker dat je er niet... te diep bent ingedoken? Ik heb bewondering voor jullie onderzoek, echt waar. Maar kom me nu niet vertellen dat je het allemaal echt bent gaan geloven. Een paleis in de wolken." Hij lacht schamper. "Metaforen zijn prachtig, maar je kunt er niet in wonen."

"Meneer Voss," zegt Kassia.

Hij draait zijn hoofd naar haar toe.

"Ik snap dat u hen pas net kent. Maar mij kent u al drie jaar, en u weet dat ik niks verzin." Ze zit rechtop, met haar handen plat op tafel, net als hij. "Ik ben er vijf dagen geweest. Er staat elke ochtend honing op tafel, omdat ik één keer heb gezegd dat ik dat lekker vind. Het badwater komt heet uit de kraan."

"Kassia—"

"Er is een enorme bibliotheek."

Voss kantelt zijn hoofd.

"Met hoge kasten, tot aan het plafond," zegt Kassia, en ze praat sneller nu, zoals altijd als ze eenmaal op gang is. "Er staan ladders zodat je er bij kunt, die heb je ook nodig, zo hoog zijn ze. Er is een kast met alleen maar perkamentrollen, in leren kokers. Ook in talen die Aliya niet kan lezen. En er zijn twee registers. Op auteur en op thema. Precies zoals u het doet." Ze kijkt hem recht aan. "Aliya begreep er eerst niks van. Ik wel, omdat ik weet hoe u het doet."

Voss kijkt naar Aliya. Die knikt.

"Er is vierhonderd jaar niemand geweest," zegt Kassia. "Ik dacht steeds: als meneer Voss dit ziet, valt hij flauw."

Voss staat op. Hij loopt naar het raam en blijft daar staan, met zijn blik op oneindig. "Vierhonderd jaar?" zegt hij tegen het glas. "Onaangeraakt?"

"Door niemand," zegt Kassia.

Hij draait zich om. Zijn snor hangt nog steeds half.

"Kijken kan geen kwaad," zegt hij. "Laat me die spiegel zien."

We steken de straat over, met z'n vieren, Voss in zijn purperen jasje door een steeg waar hij duidelijk nog nooit is geweest. Hij klimt als laatste de trap naar de zolder op. Hij steekt zijn hoofd door het luik en blijft daar even hangen, terwijl hij rondkijkt naar de balken, de lakens en het stof.

"Dit is de woning van Peldriks," zegt hij. "Cornelis Peldriks. Hij verzamelde munten. Negen jaar geleden overleden. Ik weet niet wie het geërfd heeft, maar die is er nooit komen kijken."

Ik leg mijn hand op de spiegel. De mist trekt open, en uit de spiegel valt ochtendlicht op de stoffige planken, van een zon die hier in Eikhaven achter de wolken verborgen is.

Voss hijst zich de laatste treden op. Hij steekt zijn goede hand uit en houdt hem een handbreedte voor het glas. Dan duwt hij hem erdoor, tot aan zijn pols. Hij trekt hem terug en draait hem om, en kijkt naar zijn handpalm alsof daar iets op geschreven staat.

"Dat is warm," zegt hij.

Hij kijkt nog één keer door de opening. Dan draait hij zich om naar het luik.

"Laat me snel een paar boeken pakken."

Het duurt drie uur.

Het woordenboek van Hallenbeek gaat als eerste in een kist, maar dat is het enige boek waar hij niet over twijfelt. Voor tientallen andere boeken houdt Voss een pleidooi, en bij sommige twee, eentje voor en eentje tegen. Aliya loopt achter hem aan de trap op en af en haalt de helft er meteen weer uit. Kassia weet elk boek te vinden, ook "dat groene dikke, over zoutwinning". Ik zit bij het raam en houd de straat in de gaten. Een bakkersjongen, twee ruziënde studenten, een kat. Niemand kijkt naar dit huis.

Aan het begin van de middag staan er twee volle kisten en een tas in de gang als Aliya verklaart dat het zo echt klaar moet zijn.

"Dit is een amputatie," verzucht Voss. "Zonder brandewijn."

"Doe niet zo dramatisch, Clemens. De spiegel hangt hier aan de overkant. Je kunt terug."

Voss roept Nele in de studeerkamer. Hij zegt dat hij voor onbepaalde tijd op reis gaat, en dat hij haar drie maanden loon meegeeft. Hij praat in één adem en kijkt langs haar heen. Nele staat met haar handen in haar schort gedraaid.

"Is het vanwege het kopje, meneer?"

"Wat? Nee. Nee, kind—"

"Waarom dan?"

"Omdat—" Voss kijkt naar het raam, naar de deur, naar het geld op tafel. "Omdat het beter is. Voor jou. Dat is alles wat ik erover kan zeggen."

Het is een slecht verhaal, en Nele hoort dat ook. Ze kijkt naar het geld alsof het kan bijten. De waarheid is simpeler: hij wil haar niet alleen achterlaten in een huis waar Meredith terug kan komen. Maar dat kan hij niet zeggen zonder haar de stuipen op het lijf te jagen. Ik zoek nog naar een betere smoes voor hem, maar Kassia is me voor.

Ze stapt naar voren. "Nele. Ken je de winkel van Averdings? Aan de Paardenmarkt?"

Nele knikt.

"Zijn vrouw heeft hulp nodig sinds ze haar heup brak. Ze zochten al iemand toen ik hier nog werkte." Kassia kijkt even naar Voss. "Meneer Voss schrijft een brief voor je. Ga achterom, niet door de winkel. En zeg dat Kassia je stuurt."

Nele kijkt van Kassia naar Voss en terug. Haar wantrouwen maakt plaats voor een glimlach. "Dank u— je. Dank je, Kassia."

Aliya en ik dragen de kisten de straat over, Kassia neemt de tas. Voss heeft alleen zijn eigen leren schoudertas, en zelfs die is hem eigenlijk te zwaar. Op zolder loopt hij direct naar de spiegel. Zijn goede hand gaat naar zijn snor en blijft daar hangen.

"Als u erdoor bent, blijft u staan," zeg ik. "Wacht tot we er allemaal doorheen zijn. En let op dat het marmer glad kan zijn."

"Marmer," zegt Voss. Hij trekt zijn jasje recht. "Vooruit dan maar."

Ik leg mijn hand op het glas. De warme laag erachter is er meteen. Ik beeld me de troonzaal in en het tweede oppervlak komt me tegemoet.

"Yll'meret."

De zilveren mist trekt open. Het middaglicht valt door het portaal op Voss' gezicht, op het paars en het geel rond zijn oog. Hij loopt langs me heen, tot vlak voor het glas. Hij blijft daar even staan, en stapt er dan voorzichtig doorheen.

Kassia pakt zijn tas op en gaat hem achterna. Aliya volgt met de kisten, in twee keer. Ik heb nog nooit zo lang een spiegel opengehouden en het is zwaarder dan ik dacht. Als de laatste kist over is, zit er een band van hoofdpijn om mijn slapen en trillen mijn armen. Ik stap er als laatste door en laat los.

Voss staat midden in de troonzaal. Hij draait langzaam om zijn as, met zijn goede hand nog steeds bij zijn snor. Bij het wandtapijt blijft hij het langst staan, met zijn hoofd scheef, en zijn oren worden rood. Dan draait hij zich naar ons om. "Het is niet symbolisch," zegt hij. Hij wijst, zonder te kijken, naar de hoge ramen achter zich. "Er stond een regel bij die ik niet kon plaatsen. En men kijkt uit op de rug van de wereld."

Achter de ramen liggen de bergen, wit tot aan de horizon.

Aliya zet de kist neer. "Hoeveel van die twintig bladzijden gaan hierover, Clemens?"

"Ik weet het niet," zegt Voss. "Ik heb er een halve bladzijde van vertaald. De rest heb ik alleen overgeschreven."

De grote deuren van de troonzaal gaan open. Dorian blijft één stap over de drempel staan, met zijn handen op zijn rug, en kijkt naar Voss zoals hij gisteren naar de vis keek die door de zeegroene spiegel was binnengespoeld.

"Hogepriester."

"Dorian. Dit is Clemens Voss. Hij is onze gast."

"Uw gast."

"Ja. Hij zal hier blijven slapen."

Dorian kijkt naar de kisten. Dan naar de verbonden pols. Dan naar mij. "Ik laat een kamer gereedmaken op de eerste verdieping. Daar hoeft hij weinig trappen te lopen." Hij buigt en vertrekt. Voss kijkt hem na.

Gisteren aan het ontbijt rekende Kassia uit hoe snel een koerier van Eikhaven in Harredam kan zijn. Een week, misschien tien dagen. Meredith heeft die kopieën bijna een week geleden verstuurd. Teksten in een net handschrift over een huis waar geen weg heen gaat, waar het water warm uit de kraan stroomt, en waar de ramen uitkijken op de rug van de wereld.

En dat is pas een halve bladzijde. In Harredam zullen de Malachieten de rest ook lezen.

Wie weet wat daar op staat.

===

Bedankt voor het lezen van dit hoofdstuk! Ik vind het leuk als je een cijfer geeft en nog leuker als je een reactie achterlaat.

Door persoonlijke omstandigheden kan ik niet meer elke week een nieuw hoofdstuk van De Cult schrijven, maar ik blijf wel schrijven! De conclusie van het verhaal heb ik al uitgedacht en ik wil jullie graag vertellen hoe het afloopt. Op mijn profielpagina kun je je abonneren zodat je een mail krijgt wanneer het volgende hoofdstuk online staat.
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Meneer De Heer
DRukleven
DRukleven (30)
Hou jij van vrouwen die houden van aandacht, humor en ondeugende spanning?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 653 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net