Leens kuiten branden nog licht van de kilometers over de oneffen kasseien, maar haar hoofd is helderder dan het in maanden is geweest. Ze leunt met haar rug tegen de muur van de gang, haalt diep adem en laat haar schouders zakken. De plavuizen onder haar voeten zijn nog lauw van de hitte die overdag door het dak naar binnen is geslagen. Buiten schuren de palmbladeren met een droog geritsel tegen het horrengaas.
Tegenover haar zoekt Thomas haar blik. Hij staat met een licht gebogen rug in de deuropening van zijn kamer, zijn handen diep in zijn broekzakken. Er zit geen greintje haast in zijn ogen, geen drang om de stilte vol te praten.
"Moe?" vraagt hij zacht.
"Een beetje," zegt Leen. "Maar een goeie soort moe."
Thomas glimlacht flauw.. "Het was een mooie dag in Valladolid."
"Het was een geweldige dag," verbetert ze hem rustig. "Echt."
"Zelfs die mangopartjes?"
Leen schiet zachtjes in de lach en schudt haar hoofd. "Mijn lippen branden nog steeds een beetje van die chili. Je had me moeten waarschuwen."
"Ik zei toch dat het op eigen risico was?"
"Dat was nadat ik die hap al had genomen."
"Details," mompelt hij, en het lachje om zijn mondhoeken wordt breder, zacht en ongeveinsd.
Er valt een stilte tussen hen.
Zijn blik glijdt van haar ogen naar haar lippen en weer terug. "Je moet gaan slapen," zegt hij hees. Maar hij maakt geen aanstalten om zich om te draaien.
"Jij ook," zegt ze.
"Weet ik."
Ze blijven elkaar aankijken. Haar wangen gloeien; ze haalt haar blik niet meer weg. Het logische moment om elkaar goedenacht te wensen is allang voorbijgegleden, en de stilte tussen hen is te beladen om zomaar te verbreken. Thomas overbrugt het laatste restje afstand. Hij legt zijn hand in haar hals, zijn vingers warm tegen haar huid, zijn duim langs haar kaaklijn. Hij buigt voorover en kust haar. Zacht, zoekend, en met een tederheid die de wereld om hen heen meteen buitensluit.
Leen houdt haar adem in. Een tel lang beweegt ze niet; ze laat het gebeuren, gevangen in de warmte van zijn lippen en de vertrouwde nabijheid die sinds vanmiddag alles overhoop heeft gegooid. Maar de aarzeling duurt slechts één hartslag. Ze ontspant, kantelt haar hoofd en zoent hem terug, met een zachte gretigheid die naadloos aansluit op de zijne. Ze schuift haar hand tegen zijn borst. Onder haar vingers voelt ze het leven in hem pulseren: geen rustig, beheerst ritme, maar een zwaar, bijna struikelend gebonk. Het is dezelfde verliefde onrust die ook door haar lijf giert.
Hij verbreekt de kus en trekt zich zachtjes terug, net ver genoeg om haar aan te kijken. Zijn adem strijkt nog warm langs haar slaap.
"Slaapwel, Leen."
"Welterusten, Thomas."
Zijn vingers glijden langzaam van haar hals over haar schouder naar beneden. Hij gunt haar nog één trage blik, knikt bijna onmerkbaar en draait zich om. Hij loopt zijn kamer in en trekt de deur achter zich dicht.
Leen blijft nog een paar tellen alleen in de schemering staan, voordat ze haar eigen kamer binnengaat. Ze schopt ze haar sneakers uit en verruilt haar strakke spijkerbroek voor een luchtig nachthemd, dat verrassend koel aanvoelt na de hitte van de dag. Even later ligt ze in bed, maar ze kan de slaap niet vinden. Haar lippen tintelen nog van de kus en op haar huid voelt ze nog steeds de warmte van zijn vingers. Hoe ze ook draait, of hoe vaak ze haar kussen ook opschudt om de slaap te vatten, de rust keert niet terug. Ze blijft klaarwakker, gevangen in een lome, zoete roes.
Ze staart naar het plafond en beseft dat elke poging om te slapen zinloos is zolang hij zo dichtbij is. Hij ligt daar, aan de overkant van de gang, slechts een paar meter verderop. Waarom ligt ze hier in haar eentje te wachten op een ochtend die nog uren wegblijft? Al haar twijfels van de afgelopen maanden wegen ineens niet meer op tegen het verlangen om bij hem te zijn. Ze slaat het laken opzij. Zonder er nog langer over na te denken, komt ze overeind. Ze stapt de gang op en loopt naar zijn kamer. Vlak voor zijn deur houdt ze in. Ze blijft roerloos staan, haar hand op de klink. Haar hart klopt zo hard in haar keel dat ze bang is dat het geluid haar verraadt. Ze staart naar de deur voor haar neus en duwt de klink naar beneden, maar aarzelt. Als ze nu doorduwt, verandert alles tussen hen. Er is geen weg terug.
Moet ze dit wel doen? Het zou zo makkelijk zijn om nu om te keren en naar haar eigen kamer te gaan. Maar dat wil ze niet. Ze hoeft hier niet langer over na te denken; ze wil vannacht gewoon bij hem zijn. Ze haalt diep adem en duwt de deur open. In het gefilterde maanlicht door de jaloezieën tekent zijn bed zich af. Thomas ligt op zijn rug. Zijn armen rusten op het laken; zijn ogen zijn open en staren in het halfduister. Wanneer ze binnenstapt, schrikt hij niet op. Zijn mondhoeken krullen omhoog in een trage glimlach. Zonder een woord te zeggen schuift hij op naar de rand van het bed en slaat het laken met één rustige beweging voor haar open.
Leen aarzelt niet langer meer. Ze loopt naar hem toe en kruipt bij hem in bed. Ze nestelt zich meteen tegen hem aan. Haar hoofd rust in de holte van zijn schouder, haar arm ligt over zijn borst. Thomas' arm slaat zich vanzelfsprekend om haar heen en trekt haar tegen zich aan. De warmte van zijn lichaam trekt direct door haar dunne slaapkleedje.
Boven hen draait de ventilator met een loom suizen. Een tijdlang liggen ze zo in stilte, luisterend naar elkaars ademhaling. Haar vingers trekken onwillekeurig een klein beetje aan de stof van zijn shirt, alsof ze hem nu al probeert vast te houden. Thomas merkt het. Hij strijkt zachtjes over haar bovenarm.
"Kon je niet slapen?"
Leen schudt heel licht haar hoofd. Ze aarzelt even, maar de onrust die al de hele avond onder de oppervlakte brandt, laat zich niet langer bedwingen. De gedachte aan het naderende einde van de vakantie laat haar niet los. "Over een paar dagen vlieg ik terug naar België, Thomas..." Haar stem klinkt gedempt in de stilte van de kamer. “Ik wil niet dat dit een enkel vakantieliefde wordt. Ik wil… ik moet weten waar ik aan toe ben." Ze schuift een fractie achteruit om hem aan te kunnen kijken. "We hebben het zo vaak over echtheid gehad," gaat ze verder. "Maar straks eist het gewone leven ons weer op. Jij hebt je hectische leven in Marbella om naar terug te keren, en ik mijn lege flat in Antwerpen. Ik ben gewoon doodsbang dat de oude gewoontes ons straks weer opslokken. Dat we de draad weer oppakken en doen alsof dit hier nooit gebeurd is."
Hij schuift zijn hand naar haar nek en strijkt met zijn duim over haar kaaklijn. "Dat gaat niet gebeuren," fluistert hij. “Ik laat je nooit meer gaan. Je bent veel te belangrijk voor me geworden. Je hebt me getoond hoe leeg mijn leven eigenlijk was."
Leen sluit haar ogen even bij zijn aanraking. "Het is gewoon... we wonen zo ver van elkaar."
"De afstand is onhandig," onderbreekt hij haar direct. "Ja, het wordt gedoe met vluchten en agenda's. Maar… Denk je echt dat ik die moeite niet ga doen voor jou?"
Leen slikt. "Je zegt dit omdat het nu goed voelt."
"Ik zeg dit omdat ik het meen," antwoordt Thomas onmiddellijk. Hij pakt de hand beet waarmee ze zijn shirt vasthoudt en verstrengelt zijn vingers met de hare. "Dit is geen vakantieliefde. Zodra we thuis zijn, bel ik je. En dan kijken we wie er als eerste de grens oversteekt. We gaan dit gewoon proberen."
"Beloof je dat?" vraagt ze, haar stem is nog maar een fluistering.
“Dat beloof ik,” bevestigt hij zonder ook maar een seconde te twijfelen. "We gaan dit laten lukken. Samen." Hij draait zijn gezicht naar haar toe, zoekt haar lippen en kust haar opnieuw. Dit keer is het geen zoekende kus, maar een zachte, diepe bevestiging die al haar resterende twijfels meteen het zwijgen oplegt.