78.935 Gratis Sexverhalen
A+ - a-

De Duivelin En De Vampier

Door: Elite_12

Datum: 01-11-2026 | Cijfer: 0 | Gelezen: 113
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 106 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Halloween, Vampier,

De tomtom hing met een zuignap aan de voorruit en deed al een halfuur alsof de A28 niet bestond. Elke keer dat Lisa opnieuw berekenen tikte, verscheen hetzelfde lint van gele binnenwegen over het scherm, en elke keer zei de stem hetzelfde: over vierhonderd meter linksaf.

'We zijn hier al geweest,' zei Tim. Hij wees naar een vervallen bushokje waar iemand met zwarte spuitbus een hart doorheen had getrokken. 'Dat bushokje ken ik. Dat stond er net ook al.'

Lisa tikte weer. 'Nee, dat was een ander bushokje. Dat had een dak.'

'Dit heeft ook een dak.'

'Dat had een heel dak.'

Tim keek opzij. Lisa zat met haar benen over elkaar in de passagiersstoel, haar zwarte pruik scheefgezakt, en haar witte gezichtsschmink begon bij haar haargrens te bladderen. Ze droeg een zwart korset dat haar borsten tot vlak onder haar kin duwde, een kort rood rokje dat bij elke bocht verder omhoog kroop, en netkousen met een ladder die ze onderweg had opgelopen bij het instappen. Op haar hoofd stond een plastic duivelshoornpaar, waarvan er eentje was afgebroken. Ze zag eruit als een duivelin die een slechte dag had op kantoor.

'We zijn niet al eerder bij dat bushokje geweest,' zei ze. 'De tomtom zegt gewoon dat we hier moeten zijn.'

'De tomtom zegt dat we over vierhonderd meter linksaf moeten. Dat zei hij een halfuur geleden ook. Toen zijn we linksaf gegaan. En nu staan we weer voor hetzelfde stuk weiland.'

'Het is een ander stuk weiland.'

Tim zuchtte en liet zijn hoofd tegen de hoofdsteun zakken. Hij droeg een wit overhemd dat hij bij de kringloop had gekocht, een zwarte pantalon die twee maten te klein was, en een cape van een oude gordijnstof die Lisa's moeder nog had liggen. Op zijn borst zat een sticker met de tekst HAP, in rode letters. Hij was gegaan als vampier, maar dan een vampier die net zijn tanden was vergeten en daar ter plekke achter was gekomen. De plastic hoektanden lagen nog in het dashboardkastje, naast een rol pepermunt en een parkeerbon van drie weken geleden.

'Het is een ander weiland,' herhaalde Lisa. 'Dat zie je toch aan de koeien.'

'Er zijn geen koeien.'

'Precies. Bij het vorige weiland waren er ook geen koeien. Maar dat waren andere geen koeien.'

Tim draaide het raampje open. De avondlucht rook naar nat gras, rottend hout en iets zoetigs dat hij niet kon thuisbrengen. Het was eind oktober, koud voor de tijd van het jaar, en de mist hing laag over de velden alsof iemand een laken over het landschap had getrokken. De koplampen van de auto sneden er een gele tunnel in, en aan het eind van die tunnel stond het bushokje.

'We zijn verdwaald,' zei hij.

'We zijn niet verdwaald. We zijn tijdelijk gedesoriënteerd.'

'We zijn verdwaald. Dat mag je gewoon zeggen. Het is niet erg om verdwaald te zijn. Het is alleen vervelend dat we verkleed zijn als een duivel en een vampier zonder tanden, ergens op het platteland, en dat het Halloweenfeest van Merel over een halfuur begint.'

Lisa peuterde aan de rand van haar korset. 'Merel begint toch nooit op tijd. Die is om negen uur nog bezig met het ophangen van nepspinnenwebben.'

'Merel heeft een draaiboek. Dat weet je. Om acht uur de eerste gasten, om halfnegen de eerste shotjes, om negen uur het spel met de appel. Als wij er om halfelf zijn, zijn de shotjes al op en is de appel al verdronken.'

'Dan doen we het spel met de appel gewoon nog een keer. Met een peer of zo.'

Tim zette de auto in zijn achteruit en keerde op de smalle weg. De banden zakten weg in de modderige berm, en even dacht hij dat ze zouden blijven steken, maar toen schoot de auto weer los en reden ze terug in de richting waar ze vandaan kwamen. De tomtom piepte en herberekende. Over driehonderd meter rechtsaf.

'Zie je wel,' zei Lisa. 'Nu gaan we ergens anders heen.'

'We gaan terug.'

'Terug is ook ergens anders. Het is een ander stuk van dezelfde weg.'

Tim gaf geen antwoord. Hij tuurde door de voorruit naar de mist, die dikker werd naarmate ze verder reden. De bomen langs de weg stonden erbij alsof ze zich schaamden voor hun eigen takken: krom, kaal, met schors die eraf bladderde als oude verf. Af en toe dook er een boerderij op in het schijnsel van de koplampen, maar de ramen waren donker en de deuren zaten dicht. Eén keer meende hij een gedaante bij een hek te zien staan, maar toen hij nog eens keek, was het een verkeersbord met een afgebroken punt.

'Weet je wat het is,' zei Lisa. Ze had haar telefoon gepakt en hield hem boven haar hoofd alsof ze een betere verbinding uit de lucht wilde plukken. 'We zitten in een soort dode zone. Geen bereik, geen gps, niks. Het is alsof dit stuk Nederland niet bestaat.'

'Misschien bestaat het ook niet.'

'Wat bedoel je?'

'Niks. Vergeet het maar.'

Hij minderde vaart bij een splitsing. Links liep een pad het bos in, een karrenspoor eigenlijk, met diepe geulen waar het water in stond. Rechts ging de asfaltweg verder, maar daar hing een bord met een doodlopende weg. De tomtom zei niets. Het scherm was leeg, alsof de kaart was opgehouden met bestaan.

'Wat doen we?' vroeg Lisa.

'Rechts is doodlopend.'

'En links is een bospad. Dat is ook doodlopend, maar dan met bomen.'

Tim keek in de achteruitkijkspiegel. Achter hen was de weg waarover ze gekomen waren, maar de mist had die inmiddels opgeslokt. Het was alsof ze op een eiland van asfalt stonden, omringd door niets.

'Links,' zei hij.

'Waarom links?'

'Omdat rechts een bord heeft met doodlopend. En als er één ding is dat ik weet over borden met doodlopend, is het dat je daar niet moet zijn.'

Lisa haalde haar schouders op. 'Dan gaan we links. Maar als we straks bij een of andere enge boerderij uitkomen, zeg ik niet dat ik het niet gezegd heb.'

Tim stuurde de auto het karrenspoor op. De vering kraakte, en Lisa greep zich vast aan de deurgreep terwijl haar rokje nog een stukje verder omhoog kroop. Tim zag het vanuit zijn ooghoek en voelde iets trekken in zijn onderbuik, ondanks alles. Dat was het vervelende van Lisa in dat duivelspak: zelfs verdwaald, zelfs geïrriteerd, zelfs met een afgebroken hoorn, zag ze eruit als iets waar hij zijn handen niet vanaf kon houden.

'Blijf naar de weg kijken,' zei Lisa.

'Ik kijk naar de weg.'

'Je kijkt naar mijn benen.'

'Ik kijk naar de weg. Jouw benen zitten toevallig in de buurt van de weg.'

'Tim.'

'Wat?'

'We gaan straks naar een feest. Daar mag je de hele avond naar mijn benen kijken. En naar de rest. Maar nu even niet, want ik wil niet eindigen in een greppel.'

'We rijden vijf kilometer per uur. Als we in een greppel eindigen, stappen we uit en duwen we de auto eruit.'

'Met deze hakken?'

Tim keek even naar haar schoenen: zwarte pumps met hakken van tien centimeter, die ze bij de feestwinkel had gekocht omdat ze vond dat een duivelin niet op platte schoenen kon lopen. Ze had gelijk, dat kon niet. Maar het betekende ook dat ze bij een eventuele evacuatie te voet ongeveer driehonderd meter ver zou komen voordat haar enkels het opgaven.

'Dan draag ik je,' zei hij.

'In die cape?'

'De cape blijft aan. Dat is juist het hele punt van een vampier.'

Lisa lachte, en het geluid vulde de auto op een manier die de mist even minder dik maakte. Tim voelde zijn schouders zakken. Ze waren verdwaald, ja. Maar ze waren samen verdwaald, en dat was ergens ook wel weer iets.

Het bospad werd smaller. De takken schraapten langs de zijkanten van de auto, en af en toe dook er een steen op in het licht van de koplampen die Tim maar net kon ontwijken. De tomtom was inmiddels helemaal zwart. Lisa had haar telefoon in haar hand en staarde ernaar alsof ze hem met wilskracht weer aan de praat kon krijgen.

'Nog steeds niks,' zei ze.

'Weet ik.'

'Het is hier ook wel echt het einde van de wereld. Kijk dan. Geen lantaarnpalen, geen huizen, geen verkeer. Alleen maar bomen en mist en dat ene geluid.'

Tim luisterde. Er was inderdaad een geluid, laag en regelmatig, als een hartslag die van heel ver kwam. Het duurde even voordat hij besefte dat het de motor van de auto was, die stationair draaide terwijl ze stilstonden. Hij had de auto tot stilstand laten komen zonder dat hij het doorhad.

'Waarom sta je stil?' vroeg Lisa.

'Omdat de weg ophoudt.'

Voor hen, op misschien twintig meter afstand, stond een hek. Het was een hoog smeedijzeren hek, zwart, met punten erop die eruitzagen als speren. Erachter lag een huis dat Tim eerst niet zag, omdat het bijna even donker was als de bomen eromheen. Maar toen zijn ogen eraan gewend raakten, zag hij het: een landhuis van drie verdiepingen, met een toren aan één kant, hoge ramen die allemaal donker waren, en een bordes met een dubbele deur. Op het bordes brandde één lantaarn, geel en flakkerend, alsof iemand hem net had aangestoken.

'Nou,' zei Lisa. 'Daar heb je je enge boerderij.'

'Dat is geen boerderij. Dat is een landhuis.'

'Zelfde categorie.'

Tim zette de motor af. De stilte die volgde was onmiddellijk en totaal, alsof iemand een deken over de auto had gelegd. Alleen de lantaarn op het bordes bewoog, een klein vlammetje dat heen en weer zwaaide in een wind die Tim niet voelde.

'We moeten keren,' zei Lisa.

'Dat kan niet. Het pad is te smal.'

'Dan rijden we achteruit.'

'Een halve kilometer achteruit door het bos, in het donker, met die takken overal. Dan zitten we zo vast.'

Lisa keek naar het huis. 'Dan lopen we naar de deur en vragen we de weg.'

'Naar dat huis?'

'Het is een huis. Er woont iemand. Mensen hebben tegenwoordig gewoon internet en een telefoon en een auto. We vragen of we even mogen bellen, of ze de weg weten naar de bewoonde wereld, en dan zijn we over een halfuur bij Merel.'

Tim staarde naar het hek. Het stond open, zag hij nu. Niet wijd open, maar op een kier, net genoeg voor iemand om zich erdoorheen te wringen. Het grindpad erachter was overwoekerd met onkruid, maar er liep een spoor doorheen, alsof er nog regelmatig iemand overheen liep.

'Ik weet het niet,' zei hij.

'Waarom niet?'

'Omdat dit precies het moment is waarop het publiek in de bioscoop begint te roepen dat ze het niet moeten doen.'

Lisa maakte haar gordel los en draaide zich naar hem toe. Haar korset kraakte, en Tim zag hoe haar borsten erin meebewogen, zacht en bleek boven de rand van het zwarte satijn. Ze had haar pruik rechtgetrokken, en haar ogen glansden in het licht van het dashboard.

'Tim,' zei ze. 'We zijn in Nederland. We zijn op weg naar een Halloweenfeest. Er is geen enge man met een bijl. Er is geen spookhuis. Er is alleen een of andere rijke stinkerd die een landhuis heeft gekocht en er niets aan doet. We lopen naar de deur, we bellen aan, en als er niemand opendoet, gaan we terug naar de auto en rijden we achteruit naar de grote weg. Oké?'

Tim keek naar haar mond, die rood was gestift en iets was uitgelopen bij haar rechtermondhoek. Hij wilde haar kussen. Hij wilde zijn hand onder dat rokje leggen en alles vergeten. Maar er was iets in de manier waarop de lantaarn flikkerde, iets in de manier waarop het huis daar stond alsof het op hen had gewacht, dat hem tegenhield.

'Oké,' zei hij toch. 'Maar we blijven bij elkaar.'

'Dat was ik ook niet van plan om te veranderen.'

Ze stapten uit. De kou sloeg onmiddellijk door Tims cape heen, en hij trok hem dichter om zich heen terwijl hij naar de achterbak liep om de zaklamp te pakken. Lisa stond al bij het hek, haar armen over elkaar geslagen, haar adem zichtbaar in de lucht. Ze zag er klein uit naast dat hoge hek, ondanks de hakken.

'Het staat open,' zei ze.

'Dat zie ik.'

'Dat is toch juist een goed teken? Als het dicht was, zouden we niet naar binnen kunnen.'

'Als het dicht was, zouden we terug naar de auto gaan.'

Lisa draaide zich om en keek hem aan. 'Tim. Ik heb het koud. Mijn voeten doen pijn. Mijn hoorn is afgebroken. Ik wil naar een feest waar ik dronken kan worden en met jou in een donkere hoek kan staan. Laten we gewoon even aanbellen en dan weer gaan.'

Tim knipte de zaklamp aan. De straal sneed door de mist en viel op het grindpad, dat er in het kunstlicht nog verlatener uitzag dan in het donker. Hij pakte Lisa's hand. Haar vingers waren koud, maar ze kneep even in de zijne, en dat was genoeg.

Ze wurmden zich door de kier van het hek en liepen over het grindpad naar het bordes. Het grind knarste onder hun voeten, veel te hard in de stilte. Tim had het gevoel dat elke stap door het hele bos te horen was, en dat er iets in dat bos meeluisterde. Hij keek om. Er was niets. Alleen de mist, die nu ook het pad achter hen had opgeslokt.

De deur was van donker hout, met ijzerbeslag dat eruitzag alsof het in een vorige eeuw was gesmeed. Er was geen bel, alleen een klopper in de vorm van een leeuwenkop, zwaar en groen uitgeslagen. Tim liet de klopper één keer vallen. Het geluid galmde door het huis, hol en diep, alsof er niemand was om het op te vangen.

'Probeer nog eens,' zei Lisa.

Hij klopte weer. Weer dat galmende geluid, dat langzaam wegstierf in de verte. Toen werd het stil. Zelfs de wind leek even in te houden.

'Niemand thuis,' zei Tim.

'We wachten even.'

'Lisa, er is niemand thuis. We gaan.'

'Misschien duurt het gewoon even. Het is een groot huis. Misschien is die persoon boven.'

'Met alle lichten uit?'

Lisa opende haar mond om iets te zeggen, maar op dat moment ging de deur open. Niet wijd, maar op een kier, net als het hek. Er stond niemand achter. Alleen een gang, donker, met een vloer van zwarte en witte tegels die in de verte verdween.

'Hallo?' riep Lisa.

Geen antwoord.

Tim richtte de zaklamp naar binnen. De straal gleed over de tegels, over een kapstok waar één jas aan hing, over een trap die naar boven leidde. Ergens achter in het huis tikte iets, regelmatig, als een klok die zijn eigen tijd bijhield.

'We gaan niet naar binnen,' zei Tim.

'Nee,' zei Lisa. 'Natuurlijk niet.'

Maar ze deed een stap naar voren, en nog een, en voor Tim haar kon tegenhouden stond ze in de gang, haar hakken klikkend op de zwarte en witte tegels.

'Lisa.'

'Wat? De deur stond open. Dat betekent dat er iemand is. We roepen gewoon even.'

'Hallo?' riep ze weer, harder nu. 'Is er iemand thuis? We zijn verdwaald en we zoeken de weg.'

Het tikken hield op. In de stilte die volgde hoorde Tim zijn eigen ademhaling, en Lisa's ademhaling, en iets anders: een zacht schuifelend geluid, alsof er ergens boven aan de trap iemand bewoog.

'Tim,' fluisterde Lisa. 'Er is iemand.'

'Dat weet ik. Daarom gaan we nu.'

Maar hij liep naar haar toe in plaats van naar de auto, want ze stond daar in die donkere gang met haar rug naar hem toe, en hij kon haar niet alleen laten. Hij pakte haar arm. Ze voelde warm aan, ondanks de kou, en hij rook haar parfum, iets zoets met een ondertoon van vanille, dat zich mengde met de geur van oud hout en stof.

'We gaan,' zei hij.

'Wacht.'

Boven aan de trap verscheen een licht. Het was zwak en geel, als van een kaars, en het bewoog langzaam naar beneden, tree voor tree. Tim richtte de zaklamp op de trap, maar de straal leek te worden opgeslokt door het donker, alsof het huis het licht niet wilde.

'Wie is daar?' riep Lisa.

Het licht bleef dalen. En toen, op de onderste tree, verscheen een gestalte. Het was een man, lang en mager, gekleed in een donker pak dat eruitzag alsof het met hem was vergaan. Zijn gezicht was bleek, bijna wit, en zijn ogen lagen diep in hun kassen. Hij hield een kandelaar vast met drie kaarsen, waarvan er maar één brandde.

'Verdwaald,' zei de man. Zijn stem was laag en droog, als bladeren die over steen schuiven. 'Dat zei u, ja.'

Tim voelde Lisa's hand in de zijne glijden. Ze kneep hard.

'We zoeken de weg naar de A28,' zei Tim. 'We hebben een feest. Kunt u ons helpen?'

De man glimlachte. Het was geen prettige glimlach. Het was de glimlach van iemand die al heel lang niet meer had gelachen en zich de beweging nog maar vaag herinnerde.

'De weg,' zei hij. 'Ja. Die kan ik u wijzen. Maar niet nu. Het is te laat om nog te rijden. De mist, begrijpt u. Die wordt alleen maar dichter.'

'We hebben haast,' zei Lisa.

'Haast.' De man proefde het woord alsof het een vreemde smaak had. 'Haast is iets voor de levenden.'

Er viel een stilte. Tim hoorde het tikken weer, nu duidelijker: een klok, ergens in een kamer naast de gang, die de seconden wegtikte alsof hij ze telde.

'Wat bedoelt u daarmee?' vroeg Lisa.

De man keek haar aan. Zijn ogen gleden over haar gezicht, over haar korset, over haar rokje, en bleven even rusten op haar benen. Tim voelde een golf van woede en iets anders, iets wat hij niet wilde benoemen.

'Ik bedoel,' zei de man, 'dat u welkom bent om te blijven. Het huis is groot. Er is eten. Er is drinken. En morgen, als de mist is opgetrokken, wijs ik u de weg.'

'We kunnen niet blijven,' zei Tim. 'We zijn verkleed. We hebben geen spullen.'

'U ziet eruit alsof u zich prima heeft voorbereid.' De man gebaarde naar Tims cape. 'Een vampier, nietwaar? En uw gezelschap is een duivelin. Wat toepasselijk.'

Lisa lachte nerveus. 'Het is Halloween. We gaan naar een feest.'

'En u bent bij mij terechtgekomen.' De man draaide zich om en begon de trap weer op te lopen. 'Kom. Het huis is warm. Ik zal u de kamer wijzen waar u kunt uitrusten.'

'We hebben niet gezegd dat we blijven,' zei Tim.

De man bleef staan, halverwege de trap, en keek over zijn schouder. 'Nee,' zei hij. 'Maar u bent al binnen.'

Tim wilde iets zeggen, maar Lisa trok aan zijn hand. 'Tim,' fluisterde ze. 'Laten we gewoon even binnenkomen. Het is koud. En misschien heeft hij een telefoon.'

'Hebt u een telefoon?' riep Tim naar de man.

'Geen bereik,' zei de man. 'Niet hier. Niet al honderd jaar.'

Hij liep verder de trap op, en het licht van zijn kaars verdween langzaam naar boven. Tim en Lisa bleven achter in de gang, hand in hand, terwijl de klok in de kamer naast hen de seconden wegtikte.

'We gaan niet naar boven,' zei Tim.

'Nee,' zei Lisa. 'We gaan alleen even kijken of er beneden iets is. Een woonkamer of zo. Een open haard.'

'Lisa.'

'Tim. Ik heb het koud. Mijn tenen zijn bevroren. En die man is misschien raar, maar hij heeft ons niet bedreigd. Hij heeft ons uitgenodigd. Misschien is hij gewoon eenzaam.'

'Een eenzame man in een landhuis dat eruitziet alsof het elk moment kan instorten, die zegt dat er al honderd jaar geen bereik is. Dat is niet eenzaam. Dat is een alarmsignaal.'

Maar Lisa liep al naar de deur naast de trap, waarachter het tikken vandaan kwam. Ze duwde hem open en stapte naar binnen. Tim volgde haar, want dat deed hij altijd: hij volgde haar, ook als hij wist dat het niet verstandig was.

De kamer was groot en hoog, met een plafond dat verdween in het donker. Er stond een open haard, niet brandend, en een bankstel dat eruitzag alsof er al jaren niemand op had gezeten. Aan de muur hing een portret van een vrouw in een witte jurk, met een gezicht dat Tim vaag bekend voorkwam, al kon hij niet zeggen waarvan. In de hoek stond de klok: een staande klok van donker hout, met een slinger die heen en weer zwaaide, heen en weer, heen en weer.

'Het is hier koud,' zei Lisa.

'Overal is het koud.'

'Maar hier is het kouder dan buiten. Hoe kan dat?'

Tim liep naar de open haard. Er lagen houtblokken in, keurig gestapeld, en ernaast stond een mand met aanmaakhout en oude kranten. Hij pakte een krant. De datum was van 31 oktober 1923.

'Kijk,' zei hij.

Lisa kwam naast hem staan en las over zijn schouder. 'Dat is een grap,' zei ze. 'Die man heeft gewoon oude kranten. Voor de sfeer.'

'Voor de sfeer.'

'Ja. Halloween. Mensen versieren hun huis. Dat doen wij toch ook?'

'Wij hangen nepspinnenwebben op. We leggen geen kranten van honderd jaar oud naast de open haard.'

Lisa sloeg haar armen om zich heen en keek naar het portret aan de muur. 'Ze lijkt op mij,' zei ze.

Tim keek. Ze had gelijk, besefte hij nu. De vrouw op het portret had Lisa's gezicht, of liever: Lisa had het gezicht van de vrouw op het portret. Dezelfde jukbeenderen, dezelfde mond, dezelfde ogen die je aankeken alsof ze iets van je wilden.

'Dat is toeval,' zei Tim.

'Alles is toeval,' zei Lisa. 'Tot het dat niet meer is.'

Boven hen klonk een deur die dichtging. Toen voetstappen op de gang, langzaam, alsof iemand iets zwaars droeg. Tim en Lisa keken elkaar aan.

'We gaan,' zei Tim.

'Ja,' zei Lisa. 'Nu.'

Ze liepen terug naar de gang. De voordeur stond nog open, zag Tim, en door de kier viel een streep mist naar binnen, alsof het huis de buitenlucht opdronk. Hij pakte Lisa's hand en trok haar mee.

Maar toen ze bij de deur kwamen, stond de man erachter. Hij was geruisloos de trap af gekomen, of misschien was hij er al die tijd geweest, verscholen in het donker. Hij hield de kandelaar nog vast, en het kaarslicht viel op zijn gezicht, dat nu nog bleker leek dan eerst.

'U wilde toch de weg weten?' vroeg hij.

'We vinden het zelf wel,' zei Tim.

'De mist is te dicht. U zult de weg niet vinden. Niet vanavond.'

'Dan wachten we in de auto.'

De man schudde langzaam zijn hoofd. 'De auto start niet meer. Dat doet hij nooit, hier. Het huis neemt wat het nodig heeft.'

Tim voelde hoe Lisa's hand zich om de zijne klemde. 'Wat bedoelt u?' vroeg ze.

De man glimlachte weer, diezelfde vreemde glimlach. 'Het huis is oud. Het heeft zijn eigen manieren. U zult het wel merken, als u blijft. En u blijft. Iedereen blijft.'

'We blijven niet,' zei Tim. Hij deed een stap naar voren, maar de man bewoog niet. Hij stond daar maar, tussen hen en de deur, en zijn ogen gleden weer naar Lisa, naar haar hals, naar de plek waar haar korset haar borsten omhoog duwde.

'Uw vriendin,' zei de man. 'Ze lijkt op iemand die ik gekend heb. Weet u dat?'

'Dat zeiden we net ook al.'

'Het is geen toeval. Niets is toeval. Niet vanavond.'

Lisa huiverde. Tim voelde het door haar hand, door haar arm, door de lucht tussen hen in. Hij trok haar achter zich en ging voor de man staan.

'Laat ons erdoor,' zei hij.

De man keek hem aan, en voor het eerst zag Tim iets in die ogen dat op verbazing leek. 'U wilt me tegenhouden?' vroeg hij. 'U, verkleed als vampier, met een cape van gordijnstof en een sticker op uw borst? U wilt mij tegenhouden?'

'Als het moet.'

De man lachte. Het was een droog, raspend geluid, dat door de gang galmde alsof het van alle kanten kwam. 'O, dat moet u niet doen,' zei hij. 'Dat moet u vooral niet doen. Maar ik waardeer de moeite. Echt. Het is lang geleden dat iemand de moeite nam.'

Hij deed een stap opzij en gebaarde naar de deur. 'Ga dan. Probeer het. Uw auto zal niet starten. De mist zal u opslokken. En morgen, als de zon opkomt, staat u weer voor mijn deur. Dat is altijd zo.'

Tim aarzelde. Lisa trok aan zijn hand. 'Kom,' zei ze. 'We gaan.'

Ze liepen langs de man heen, door de deur, het bordes af, het grindpad over.

Het grind knerpte onder hun voeten en de mist sloot zich achter hen als een gordijn dat iemand zacht dichttrok. Tim hield de zaklamp laag, de straal viel op de stenen en op Lisa's pumps, waarvan de hakken bij elke stap wegzakten in het losse gruis. Ze zei niets. Haar hand zat nog steeds in de zijne, klam van het zweet, en ze liep sneller dan hij, alsof ze hem meetrok naar de auto die daar ergens moest staan, voorbij de bocht van het pad, achter de muur van wit die alles opslokte.

'Kijk uit,' zei hij, toen ze bijna over een omgevallen tak struikelde.

'Ik zie het.' Ze trok haar hand los en pakte de tak, gooide hem opzij in het onkruid. Haar pruik was verder gezakt, het ene duivelshoorn stak scheef boven haar oor en de witte schmink bladderde nu ook op haar wangen, waar ze had gezweet. Ze zag eruit als iets dat uit een begrafenis was weggelopen. 'Schiet op,' zei ze.

De auto stond waar ze hem hadden achtergelaten, half op het karrenspoor, met zijn neus naar het bos en zijn kont naar het hek. De mist had zich om de banden gelegd en de motorkap glansde van het vocht. Tim trok het portier open, en de geur van zijn eigen auto sloeg hem tegemoet, dat vertrouwde mengsel van oude bekleding en het luchtje dat Lisa vorige week in de ventilatie had gehangen, iets met vanille, en voor één seconde was alles weer normaal.

Hij ging zitten, stak de sleutel in het contact en draaide hem om.

De auto bleef stil.

Er gebeurde niets. Geen klik, geen hoest, geen gerommel van een startmotor die het probeerde. Alleen de sleutel die soepel doordraaide naar de stand waar het allemaal had moeten beginnen, en dan niets, een leegte die zo compleet was dat Tim zijn eigen ademhaling erin hoorde.

Hij draaide terug en opnieuw. Niets.

'Wat?' zei Lisa, en ze boog zich over hem heen, haar korset tegen zijn arm, de geur van haar zweet en haar deodorant en iets zoets dat eronder zat. 'Wat is er?'

'Even wachten.' Hij trapte het gaspedaal in, draaide nog eens, hield de sleutel vast alsof hij hem met zijn wil kon dwingen. De wijzerplaten op het dashboard stonden doodstil. Geen enkel lampje, geen enkele beweging. Zelfs de klok, die altijd knipperde sinds hij de accu een keer had losgekoppeld, was zwart.

Lisa ging rechtop zitten. Ze keek naar het dashboard, toen naar hem, en haar gezicht deed iets wat hij er niet eerder op had gezien. Ze was niet bang. Ze was iets anders, iets dat hij niet meteen kon plaatsen, en het maakte hem meer ongerust dan angst zou hebben gedaan.

'Ik zei toch,' zei ze, langzaam, 'dat we die ouwe man moesten geloven.'

Tim liet de sleutel los. 'Dat meen je niet.'

'Ik meen het wel.' Ze wees naar het dashboard. 'Kijk. Niets. Hij zei het en het is zo. Hoe noem je dat?'

'Toeval.' Hij zei het omdat hij het moest zeggen, omdat er niets anders te zeggen viel, maar het woord klonk hol in de kleine ruimte van de auto. 'Een lege accu. Zoiets gebeurt. Het is koud, de accu is oud, we hebben de hele tijd met de koplampen en de verwarming aan gereden.'

'De verwarming deed het niet eens,' zei Lisa. 'We hadden het koud.'

'Dan de radio.'

'De radio deed het ook niet.'

Hij sloeg met zijn vlakke hand op het stuur. De claxon bleef stil, en dat was het moment waarop iets in zijn maag zich omdraaide. Een claxon werkte altijd. Een claxon had niets met de startmotor te maken, niets met een lege accu die nog wel genoeg prik had voor de lampen, en de lampen hadden het gedaan, hij had ze zelf uitgedaan toen ze uitstapten, hij wist zeker dat hij ze uit had gedaan.

Hij deed het portier open en stapte uit. De kou sloeg tegen zijn gezicht. Hij liep naar de voorkant van de auto, trok de motorkaphendel, en de kap ging met een droge klik omhoog. De mist wolkte erin. Hij richtte de zaklamp op de accu, op de kabels, op de zekeringen die hij kon zien. Alles zag eruit zoals het er altijd uitzag. Hij tikte tegen de accupool, wrikte aan de klem, en er gebeurde niets, geen vonk, geen enkel teken dat er nog leven in zat.

'En?' Lisa was ook uitgestapt. Ze stond naast hem met haar armen over elkaar, en de kou had de huid van haar armen in kippenvel gezet. 'Is het de accu?'

'Ziet er niet naar uit.' Hij liet de kap zakken. 'Ik weet het niet. Ik ben geen monteur.'

'Je bent toch naar die cursus geweest? Van je werk?'

'Dat was een cursus over vergaderen, Lisa.'

Ze lachte, kort en schor, en het geluid was zo onverwacht dat hij bijna meelachte. Toen hield ze op en keek ze naar het bos, waar de mist tussen de stammen hing als iets tastbaars. 'We kunnen Merel bellen,' zei ze. 'Als we terugrijden naar de weg, naar dat bushokje, daar hadden we bereik.'

'We hebben geen bereik. We hebben al de hele avond geen bereik.'

'We hadden bereik bij dat bushokje. Weet je nog? Daar heb ik nog naar Merel gekeken, en toen stond er ineens weer een streepje.'

Hij wist het niet meer. Hij wist dat ze bij dat bushokje hadden gestaan, dat ze daar ruzie hadden gemaakt over links of rechts, maar of er bereik was geweest, of ze daar naar haar telefoon had gekeken, dat was weggezakt in de mist van de afgelopen twee uur. 'Weet je dat zeker?'

'Natuurlijk weet ik dat zeker.' Ze zei het met een overtuiging die hij niet kon tegenspreken. 'We lopen terug. We bellen Merel, of een wegenwacht, of God mag weten wie, en we laten ons ophalen. En dan komen we morgen met een sleepwagen terug voor die auto.'

'Dat is een kilometer of drie door het bos. In het donker. In de mist.'

'En?' Ze keek hem aan, en haar ogen waren groot en zwart in het bleke masker van haar gezicht. 'Wat is het alternatief? Hier blijven zitten tot we bevriezen? Terug naar dat huis?'

Daar had hij geen antwoord op. Hij keek naar de auto, naar de dode motorkap, naar de mist die zich alweer om hen heen sloot alsof hij hen wilde insluiten. Toen deed hij wat hij altijd deed als Lisa iets zeker wist: hij gaf toe. 'Goed. We lopen terug. Maar we blijven bij elkaar, en als ik zeg dat we omdraaien, draaien we om.'

'Ja hoor,' zei ze, en ze stak haar arm door de zijne. 'Kom.'

Ze liepen terug over het karrenspoor, langs het hek dat nog op een kier stond, en Tim keek er niet naar. Hij wilde niet naar dat huis kijken, naar de ramen waarvan hij wist dat er geen licht brandde, naar de deur die openstond. Maar hij keek toch, en het huis stond er in de mist als een schim, een donkere massa met een toren die in de lucht verdween, en de deur was dicht. Hij wist het zeker. Hij had hem open zien staan toen ze wegliepen, hij had de streep mist naar binnen zien vallen, en nu was hij dicht.

'Lisa.'

'Ik zie het.'

'We lopen door.'

'Dat zei ik toch.'

Ze liepen door. Het karrenspoor werd smaller, het bos dichter, en de mist hing zo laag dat Tim de kruinen van de bomen niet meer kon zien. De zaklamp bescheen een paar meter voor hen uit, niet meer, en daarbuiten was alles wit en stil. Geen vogel, geen tak die kraakte, geen wind. Alleen hun voetstappen, haar hakken op de harde grond, zijn zolen op de bladeren.

Na een tijdje zei Lisa: 'We zijn hier niet eerder langs gekomen.'

'We zijn hier wel langs gekomen. We zijn hier met de auto langs gekomen.'

'Er stond een omgevallen tak. Waar is die tak?'

Hij bleef staan. De zaklamp zwaaide over de grond, over het pad, en er lag geen tak. Er lagen bladeren, nat en donker, en wat stenen, maar geen omgevallen tak. Hij wist dat er een tak had gelegen, want hij had Lisa erbijna over zien struikelen, hij had hem zelf opzij gegooid, in het onkruid, en nu was het pad leeg.

'Misschien zijn we een andere afslag genomen,' zei hij.

'Er was geen andere afslag.'

'In het donker zie je dat niet.'

'Tim.' Ze liet zijn arm los. 'We zijn hier al tien minuten. We zijn hier al tien minuten en we zijn nog geen meter opgeschoten. Kijk naar de bomen. Kijk naar die ene, die dikke, met die knoest. Daar zijn we net ook langs gelopen. Ik weet het zeker, want ik dacht nog: die knoest lijkt op een gezicht.'

Hij keek. De boom stond er, dik en zwart, met een knoest die op een scheefgetrokken mond leek. En hij wist dat ze gelijk had, dat hij hem ook had gezien, twee minuten of tien minuten geleden, hij wist het niet meer.

'We gaan terug,' zei hij.

'Terug waarheen? Naar de auto?'

'Naar de auto. We wachten daar tot het licht wordt.'

'Dat duurt nog zes uur.'

'Dan wachten we zes uur.'

Ze keek hem aan, en in het schijnsel van de zaklamp zag hij dat ze haar lippen op elkaar had, dat ze iets wilde zeggen en het inslikte. Toen zei ze: 'En als die man gelijk heeft? Als de mist ons terugbrengt?'

'We gaan niet terug naar dat huis.'

'Dat zei je de vorige keer ook.'

Hij wilde iets zeggen, iets scherps, maar hij hield het in. Ze had gelijk en hij wist het, en ruziemaken in de mist loste niets op. Hij pakte haar hand weer en liep terug, de weg die ze gekomen waren, en hij probeerde zich te herinneren hoe vaak ze was afgeslagen, welke bocht naar links ging en welke naar rechts, maar het pad leek zich achter hen te sluiten, en na een paar minuten wist hij het niet meer zeker.

Toen zag hij het licht.

Het was zwak, geel, en het hing tussen de bomen als een gevangen vuurvlieg. Tim bleef staan en richtte de zaklamp erop, maar de straal reikte niet ver genoeg, en het licht bleef waar het was, onbeweeglijk.

'Wat is dat?' fluisterde Lisa.

'Ik weet het niet.'

'Het is een raam.'

'Het is een lantaarn.'

'Het is een raam, Tim. Het is dat huis.'

Hij wilde het tegenspreken, maar hij wist dat ze gelijk had. Het licht had de vorm van een rechthoek, smal en hoog, en het trilde niet, zoals een lantaarn zou trillen in de hand van iemand die liep. Het stond stil. Het wachtte.

'We gaan er niet heen,' zei hij.

'Waar moeten we dan heen?'

Hij keek om zich heen, naar het bos dat in alle richtingen even wit en even stil was, en hij voelde iets in zijn borst dat hij niet eerder had gevoeld, iets koud en zwaars dat zich langzaam vulde. 'We lopen erlangs,' zei hij. 'We lopen eromheen, en we zoeken de weg.'

'Welke weg?'

'De weg naar het dorp. Naar de A28. Naar iets.'

Ze knikte langzaam. 'Goed.'

Ze liepen verder, maar het pad boog, en na een paar minuten stonden ze weer voor de rechthoek van licht, dichterbij nu, en Tim zag dat het een raam was, een hoog raam met een boog erboven, en dat erachter iets bewoog, een schaduw die langzaam langs het glas gleed.

'Tim,' zei Lisa, en haar stem was niet bang meer. Ze klonk moe, en iets in die moeheid was erger dan angst. 'Ik heb koude voeten. Mijn pumps zijn nat. Mijn pruik jeukt. Ik heb honger en ik moet nodig plassen en ik wil naar huis.'

'Ik weet het.'

'Nee, je weet het niet. Jij wilt de held uithangen. Jij wilt bewijzen dat je die man niet gelooft. Maar ik geloof hem wel. Ik geloof hem omdat hij de enige is die vanavond iets tegen ons heeft gezegd dat klopte. En ik ben het zat om in de mist rond te lopen met een man die denkt dat hij het beter weet.'

Het was stil. De schaduw achter het raam was verdwenen.

'Het spijt me,' zei hij.

'Dat hoef je niet te zeggen.'

'Ik meen het.'

'Ik weet dat je het meent.' Ze zuchtte, en de mist dampte voor haar mond. 'We gaan naar binnen. We vragen om een telefoon, of om een slaapplek, of om wat dan ook. En morgen, in het daglicht, zien we wel verder. Dat is toch wat hij zei? Dat we morgen terug zouden komen? Nou, dan zijn we er al.'

Hij keek naar het huis, naar het raam waarachter het licht brandde, en hij dacht aan de man met zijn kandelaar en zijn bleke gezicht en zijn stem als bladeren over steen. Hij dacht aan het portret van de vrouw die op Lisa leek, en aan de krant van 1923, en aan de woorden die de man had gezegd: het huis neemt wat het nodig heeft.

'Goed,' zei hij. 'Maar we blijven bij elkaar. En als er iets is, als er ook maar iets is, dan gaan we weg. Met of zonder telefoon.'

'Ja hoor,' zei ze, en ze pakte zijn hand weer. 'Kom.'

Ze liepen naar het huis. Het grind knerpte onder hun voeten, en het hek stond open, en de deur stond open, en Tim wist dat hij hem dicht had zien zijn. Hij zei er niets over. Ze liepen het bordes op, over de stenen, en de deur waardoor ze naar binnen gingen was donker en zwaar en de klopper in de vorm van een leeuwenkop staarde hen aan.

Binnen was het warm. Dat was het eerste dat Tim voelde, een warmte die uit de muren kwam, uit de vloer, uit de lucht zelf, en het was zo'n welkome warmte dat hij er bijna van duizelde. De gang met de zwarte en witte tegels lag voor hen, de kapstok met die ene jas, de trap die naar boven verdween in het donker. De kandelaar stond op de tafel bij de trap, met drie kaarsen waarvan er één brandde, en de man stond ernaast.

Hij stond daar alsof hij hen had verwacht, alsof hij al die tijd op hen had staan wachten, en zijn gezicht vertrok tot iets dat op een glimlach leek. 'U bent teruggekomen,' zei hij. 'Ik zei het toch.'

'Onze auto start niet,' zei Tim.

'Nee. Dat zei ik u.'

'We willen een telefoon. Of een slaapplek. Tot het licht wordt.'

De man keek van Tim naar Lisa, en zijn ogen bleven op haar rusten, op haar gezicht, op de plek waar het korset haar borsten omhoogduwde, op de ladder in haar netkous. 'Natuurlijk,' zei hij. 'Ik heb u een kamer laten klaarmaken. De blauwe kamer, op de eerste verdieping. Er staat een bed, en er is water, en er is een kachel. Het is niet veel, maar het is warm.'

'En een telefoon?' vroeg Lisa.

'Er is geen telefoon,' zei de man. 'Er is hier nooit een telefoon geweest. Maar er is een kamer. En er is morgen.'

Tim wilde iets zeggen, maar Lisa was hem voor. 'Dank u,' zei ze. 'We zijn u dankbaar.'

'Dankbaar,' herhaalde de man, alsof hij het woord proefde. 'Dat hoor ik niet vaak.' Hij pakte de kandelaar op en draaide zich om, en de kaarsvlam wierp zijn schaduw groot en scheef tegen de muur. 'Volg mij.'

Ze liepen achter hem de trap op. De treden kraakten onder hun voeten, en de man liep langzaam, met de kandelaar hoog, en de vlammen wierpen licht op de muren waar het behang in repen van losliet. Op de overloop hing een rij portretten, allemaal vrouwen in witte jurken, allemaal met hetzelfde donkere haar en dezelfde hoge jukbeenderen, en Tim zag dat Lisa's ogen erlangs gleden zonder erbij stil te staan, en hij hoopte dat ze het niet zag.

De blauwe kamer was aan het eind van de gang. De man deed de deur open en hield de kandelaar omhoog, en Tim zag een bed met een donkerrode sprei, een wastafel met een kan, een kachel die zacht gloeide, en een raam dat uitkeek op de mist. Het rook er naar stof en naar lavendel.

'Het water is vers,' zei de man. 'De kachel brandt. Als u iets nodig hebt, ik ben beneden.'

'Dank u,' zei Lisa weer.

De man keek haar aan, en zijn gezicht deed iets wat Tim niet kon volgen, iets tussen honger en verdriet. 'U lijkt op haar,' zei hij zacht. 'Op Elvire. U hebt haar hals. Haar handen.' Hij stak zijn hand uit, alsof hij Lisa's kin wilde aanraken, en Tim deed een stap naar voren.

'Niet doen,' zei hij.

De man trok zijn hand terug. 'Vergeef me,' zei hij. 'Het is lang geleden. Ik ben de manieren verleerd.' Hij zette de kandelaar op de wastafel en liep naar de deur. 'Slaap goed. Morgen praten we verder.' En hij trok de deur achter zich dicht, en de grendel viel met een klik in het slot.

Tim stond stil en luisterde. De voetstappen van de man verwijderden zich, langzaam, de gang door, de trap af, en toen was het stil.

Hij liep naar de deur en pakte de klink. Hij draaide eraan. De deur zat op slot.

'Tim?'

'De deur zit op slot.'

'Wat?'

'De deur zit op slot, Lisa.' Hij rammelde aan de klink, duwde met zijn schouder tegen het hout, en de deur gaf geen millimeter mee. 'Hij heeft ons opgesloten.'

Ze kwam naast hem staan en probeerde het zelf, met beide handen, met haar hele gewicht. Niets. 'Misschien is het een oud slot,' zei ze. 'Misschien gaat het vanzelf weer open.'

'Het is geen oud slot dat vanzelf opengaat. Het is een grendel. Hij heeft hem omgedraaid.'

Ze deed een stap achteruit. Haar gezicht was bleek onder de schmink, en ze had haar armen weer over elkaar, en ze huiverde. 'Nou,' zei ze. 'Dan zijn we in ieder geval warm.'

'Lisa.'

'Ik meen het. We zijn warm, we hebben een bed, we hebben water. Het is niet ideaal, maar het is beter dan de mist.' Ze liep naar het bed en ging zitten, en de sprei kreukte onder haar. 'We wachten tot het licht wordt. Dan rammelen we aan die deur tot hij ons eruit laat. Of we klimmen uit het raam.'

Hij keek naar het raam. Het was hoog, smal, met een diepe vensterbank, en eronder, in de mist, was niets te zien. 'Drie verdiepingen,' zei hij. 'Dat wordt niets.'

'Dan wachten we.' Ze trok haar pumps uit en liet ze op de vloer vallen, en ze wreef over haar voeten, over de plekken waar de bandjes hadden gedrukt. 'Kom zitten. Je bent gespannen.'

'Ik ben niet gespannen. We zijn opgesloten in een huis waarvan de eigenaar denkt dat je zijn dode vriendin bent.'

'Ik weet het.' Ze keek hem aan. 'Kom nou zitten. Alsjeblieft.'

Hij ging naast haar zitten. Het bed was zacht, zachter dan hij had verwacht, en de warmte van de kachel kroop langzaam in zijn benen. Hij deed zijn cape af en legde hem naast zich, en de sticker op zijn borst krulde aan de randen. Lisa leunde tegen hem aan, haar hoofd op zijn schouder, en hij voelde haar ademhaling door de stof van zijn overhemd.

'Weet je wat ik dacht,' zei ze, 'toen we daarstraks in de auto zaten? Toen die niet startte?'

'Wat dan?'

'Ik dacht: zie je wel. En tegelijk dacht ik: god, wat is dit spannend.' Ze lachte zacht. 'Is dat niet erg? Dat ik het spannend vond?'

'Een beetje.'

'Het spijt me.' Ze tilde haar hoofd op en keek hem aan. 'Nee, dat is niet waar. Het spijt me niet. Ik vond het spannend. Ik vond het spannend dat we verdwaald waren, en dat die man zo raar deed, en dat je zo stoer voor me ging staan bij de deur. Ik vond het allemaal spannend.' Ze legde haar hand op zijn dij. 'En nu zitten we hier. En ik ben nog steeds niet bang.'

'Je zou wel bang moeten zijn.'

'Misschien.' Haar hand gleed langzaam omhoog, over zijn dij, naar de rand van zijn pantalon. 'Maar ik ben het niet.'

Hij keek naar haar hand, naar de nagels die ze die ochtend had gelakt, zwart, met een chip erin, en naar de pols met het armbandje dat hij haar had gegeven, en hij voelde de warmte van haar vingers door de stof heen. 'Lisa,' zei hij, en het klonk schor.

'Wat?'

'We zitten opgesloten.'

'Ik weet het.' Ze draaide zich naar hem toe en sloeg haar been over het zijne, en haar korset duwde tegen zijn borst, en hij rook haar huid, haar zweet, de vanille van het luchtje dat ze altijd droeg. 'We zitten opgesloten,' zei ze, 'en er is niets dat we kunnen doen, en ik ben het zat om te wachten tot er iets gebeurt.' Ze pakte zijn gezicht met beide handen. 'Dus ik ga nu iets doen.'

Ze kuste hem. Het was geen voorzichtige kus, geen kus van iemand die wacht op toestemming, het was een kus die hem vastpakte en meenam, en hij kuste terug voordat hij erover had nagedacht. Haar lippen waren warm en ze smaakten naar lippenstift en naar iets bitters, en haar tong gleed langs de zijne, en hij voelde haar handen in zijn haar, in zijn nek, en de kou van de kamer was plotseling ver weg.

Hij legde zijn handen op haar taille, op het korset, en hij voelde de baleinen onder zijn vingers. 'Dit is gek,' zei hij tegen haar mond.

'Ja,' zei ze. 'Hou op met praten.'

Ze trok zijn overhemd uit zijn broek, en haar vingers gleden over zijn buik, over zijn borst, en ze duwde hem achterover op het bed. De sprei was koel onder zijn rug. Ze hing boven hem, haar pruik scheef, haar gezicht half in de schaduw, en ze glimlachte op een manier die hij kende van vroeger, van de eerste maanden, toen ze nog niet wisten waar ze mee bezig waren.

'Je bent nog steeds verkleed,' zei hij.

'Jij ook.'

'Ik ben een vampier.'

'En ik ben een duivel.' Ze boog zich voorover en likte langs zijn hals, en hij voelde haar tanden, niet scherp, gewoon haar tanden, en hij huiverde. 'Een slechte duivel.'

Ze ging rechtop zitten en trok haar korset los, de haken aan de voorkant, een voor een, en haar borsten kwamen vrij, bleek in het kaarslicht, met de tepels hard van de kou. Ze pakte zijn handen en legde ze erop, en hij voelde hoe ze zich vulden in zijn handpalmen, zwaar en warm, en hij streek met zijn duimen over de tepels tot ze zich samentrokken.

'Zo,' zei ze zacht. 'Ja.'

Hij trok haar naar zich toe en kuste haar borsten, de ene en dan de andere, en ze liet haar hoofd achterover vallen en zuchtte, en haar handen lagen in zijn haar. Hij zoog aan haar tepel en ze kreunde, zacht, en ze drukte haar heupen tegen de zijne, en hij voelde de warmte van haar kruis door het korte rokje heen.

Ze kwam overeind en trok haar rokje uit, en de netkousen, en ze stond daar in haar zwarte slipje, met haar benen uit elkaar, en de ladder in de kous liep van haar knie naar haar dij. Ze zag er belachelijk uit, en mooi, en hij wilde haar.

'Kom,' zei ze, en ze trok aan zijn pantalon.

Hij deed hem uit, en zijn pik was hard, stijf tegen zijn buik, en ze keek ernaar en glimlachte. 'Kijk nou,' zei ze. 'De vampier is opgewonden.'

'Lisa.'

'Wat?' Ze knielde op het bed en boog zich voorover, en haar mond ging over de kop van zijn pik, warm en nat, en hij kreunde en greep in de sprei. Ze nam hem in haar mond, zo ver als ze kon, en haar hand volgde, en hij voelde haar tong langs de schacht glijden, langzaam, en hij sloot zijn ogen.

'God,' zei hij.

Ze zoog harder, en hij voelde het in zijn tenen, in zijn buik, in zijn hele lichaam, en hij duwde zijn heupen omhoog, en ze nam het, en hij hoorde haar ademen door haar neus, snel en regelmatig. Toen liet ze hem los en keek ze op, en haar lippen waren rood en nat. 'Niet klaarkomen,' zei ze. 'Nog niet.'

'Ik was ook niet van plan.'

'Jawel.' Ze ging rechtop zitten en trok haar slipje uit, en ze was nat, hij zag het aan de binnenkant van haar dijen, aan de glans op haar schaamhaar.

Ze stapte van het bed af, en haar voeten maakten geen geluid op de vloer. Hij zag haar gaan, het bleke van haar billen in het kaarslicht, de ladder in de kous die ze vergeten was af te doen, en hij wilde iets zeggen, haar terugroepen, maar zijn keel was droog en er kwam niets uit. Ze liep naar de deur. Niet naar de deur om hem open te doen — ze liep ernaartoe en bleef staan, haar hoofd schuin, alsof ze luisterde. Toen kwam ze terug.

Ze ging op zijn schoot zitten.

Zijn benen lagen nog opengespreid op de sprei, zijn pik stijf tegen zijn buik, en ze liet zich zakken alsof ze op een stoel ging zitten, en haar dijen sloten om zijn heupen, en hij voelde haar warmte en haar natheid tegen zijn schacht, en ze school heen en weer, net genoeg om hem te laten voelen wat ze van plan was zonder het te doen. Ze boog zich voorover, haar borsten tegen zijn borst, haar mond bij zijn oor, en haar adem was warm en rook naar lippenstift en naar iets zoets, naar de wijn die ze bij het avondeten hadden gedronken, honderd jaar geleden, in een andere wereld.

'De deur staat op een kier,' fluisterde ze.

Hij verstijfde onder haar. Niet van de woorden — van de manier waarop ze het zei, alsof het een grap was, alsof het niets was. Hij draaide zijn hoofd naar de deur. De grendel. De grendel van buiten, die de man erop had geschoven, die ze hadden horen dichtslaan als een geweerschot in de gang. De deur stond nu op een kier. Een streep donker in de kier, geen licht, geen gezicht, alleen de kier zelf, en de wetenschap dat er iets was dat hem had opengemaakt.

'Lisa.' Zijn stem was een schrapend geluid. 'Lisa, dat is niet —'

'Stil.' Ze legde haar vinger op zijn lippen. Haar vinger was koud, en hij rook de metaalachtige lucht van de schmink die er nog op zat. 'Hij staat al een tijdje open. Ik zag het toen ik opstond.' Ze liet zich iets zakken, en de kop van zijn pik gleed langs haar natte schaamlippen, en hij hapte naar adem. 'Dus we kunnen gaan. Als we willen.'

'We moeten gaan.' Hij probeerde overeind te komen, maar ze zat op hem, en ze was niet zwaar, ze was nooit zwaar geweest, maar ze hield hem tegen met haar gewicht en met de blik in haar ogen. 'Lisa, de auto deed het niet, de mist — hij zei dat we terug zouden komen, en nu staat die deur open, dat is niet — dat is geen toeval, dat is —'

'Misschien is het een uitnodiging.' Ze zei het luchtig, bijna vrolijk, en ze bewoog haar heupen, en hij voelde hoe ze hem tegen zich aan liet glijden, nat en glad, en zijn lichaam reageerde voordat zijn verstand er iets tegenin kon brengen. 'Misschien wil hij dat we weggaan. Misschien heeft hij spijt dat hij ons heeft opgesloten en heeft hij de deur voor ons opengemaakt.'

'Of misschien,' zei hij, en hij greep haar heupen, niet om haar tegen te houden maar om iets vast te hebben, 'misschien staat hij in de gang en wacht hij tot we naar buiten komen.'

'Dan ziet hij ten minste waar we mee bezig zijn.' Ze grijnsde, en het was haar oude grijns, de grijns van de eerste maanden, en het maakte hem woedend en opgewonden tegelijk. 'Dat is toch een mooie afsluiter. De vampier en de duivel, betrapt door de butler.'

'Lisa, ik meen het.'

'Ik meen het ook.' En toen veranderde er iets in haar gezicht. De grijns bleef, maar eronder kwam iets anders, iets hards, iets wat hij niet kende. 'Ik meen het, Tim. Ik ga niet als een bang konijn door die gang rennen en in de mist verdwijnen en hopen dat ik de auto vind. Ik ga niet.' Ze zei het zacht en gelijkmatig, en ze keek hem aan, en haar ogen waren groot en donker in het kaarslicht. 'Ik ga niet terug de mist in. Ik heb het koud. Ik heb honger. Ik heb een krant uit 1923 gelezen en een portret gezien van een vrouw die mijn gezicht heeft, en ik weet niet wat dat betekent, en jij weet het ook niet, en ik ben het zat om te doen alsof we gewoon verdwaald zijn.'

'Dus je wilt hier blijven?'

'Ik wil niet vluchten.' Ze legde haar handen op zijn schouders en duwde hem achterover, en hij lag weer op de sprei, en ze zat boven op hem, en de kier in de deur was een streep die ze niet meer aankeek. 'En ik wil niet dat we straks in een greppel liggen te bevriezen en dat we dan denken: hadden we maar één nacht in dat huis geslapen. Hadden we maar —' ze stopte, en haar lippen krulden, '— hadden we maar even geneukt voordat we weggingen.'

Hij wilde lachen en het lukte niet. Zijn hart ging te snel, en niet alleen van de angst. Ze had gelijk, en hij haatte dat ze gelijk had, en hij haatte nog meer dat ze het wist. Hij keek naar de kier. Hij keek naar haar. De kier bleef een kier, donker en stil, en niets bewoog erin, en dat was bijna erger dan als er iets had bewogen.

'Als hij binnenkomt,' zei hij, 'dan —'

'Dan zien we wel.' Ze boog zich voorover en kuste hem, en het was geen tedere kus, het was een kus met haar tanden erin, en hij proefde lippenstift en zijn eigen zout. 'Jij bent toch de duivel? Wees dan een beetje duivels.'

Ze kwam omhoog op haar knieën en pakte zijn pik met één hand, en ze hield hem recht en liet zich zakken, langzaam, en hij voelde hoe hij in haar gleed, warm en nauw en nat, en zijn adem stokte in zijn keel. Ze zakte helemaal tot ze op zijn heupen zat, en ze bleef even zo, met haar handen op zijn borst, en ze sloot haar ogen. 'God,' zei ze. 'God, dat is —'

'Lisa.'

'Wat.' Ze opende haar ogen en keek op hem neer. 'Wat is er.'

'De deur.'

'Ik weet het.' Ze begon te bewegen, langzaam, met haar heupen, en hij greep de sprei weer vast, en zijn hele lichaam was één wordend punt van warmte en druk. 'Ik weet het, Tim. Ik weet dat de deur openstaat. Ik heb het je zelf verteld.' Ze bewoog sneller, en haar borsten schudden zachtjes, en het kaarslicht wierp hun schaduw op de muur, groot en grillig. 'Misschien vind ik het wel spannend.'

Hij wilde zeggen dat hij het niet spannend vond. Hij wilde zeggen dat hij het verschrikkelijk vond, dat hij de hele tijd naar die kier zou kijken, dat hij niet kon, dat hij niet — maar ze bewoog, en ze was nat en warm en ze kneep om hem heen bij elke beweging, en zijn woorden losten op in een kreun die hij niet tegenhield. Ze lachte zacht, en het was een gemeen lachje, en ze boog zich voorover zodat haar tepels langs zijn borst streken, en ze fluisterde in zijn oor: 'Kijk dan naar de deur. Als je durft.'

Hij keek. De kier was er nog. En nu — nu was er iets anders. Een schaduw, of de suggestie van een schaduw, net naast de kier, alsof er iemand stond te wachten, alsof er iemand stond te luisteren. Hij wilde zijn hoofd wegdraaien, maar hij kon niet, en Lisa bewoog op hem, en zijn lichaam trok zich samen, en hij was zo dichtbij dat het pijn deed.

'Niet klaarkomen,' zei ze, en ze stopte. Gewoon stopte, midden in een beweging, en ze bleef zitten, en hij hijgde en vloekte.

'Lisa, in godsnaam.'

'Je wilde toch naar de deur kijken.' Ze glimlachte, en ze leunde achterover, haar handen achter zich op zijn dijen, en ze liet hem zien hoe ze om hem heen zat, hoe hij in haar verdween en er weer uitkwam, langzaam, met kleine bewegingen van haar heupen. 'Zie je iets?'

'Ik zie —' Hij slikte. 'Ik zie een kier. En ik zie iets. Iemand. Ik weet het niet.'

'Dan is hij er.' Ze zei het rustig, zonder angst, en dat maakte hem bang. 'Dan wacht hij tot we klaar zijn. Dat is beleefd van hem.'

'Lisa, dit is niet —'

'Jij denkt te veel.' Ze begon weer te bewegen, en deze keer sneller, harder, en ze liet haar hoofd achterover vallen, en haar pruik zakte verder scheef, en ze kreunde, en het was een echt geluid, geen toneel. 'Ik denk — ik denk dat ik het fijn vind. Dat hij kijkt. Dat hij wacht.' Ze hijgde. 'Dat is toch erg? Zeg dat het erg is.'

'Het is erg.' Hij greep haar heupen en duwde haar neer, en ze kreunde weer, en hij stootte omhoog, en ze nam het, en haar nagels drukten in zijn borst. 'Het is verschrikkelijk erg, en je bent —'

'Zeg het.'

'Je bent gestoord.'

'Ja.' Ze lachte, en het lachen brak in een hijgen, en ze bewoog sneller, en hij voelde het in zijn buik, in zijn ballen, in zijn hele rug, en hij wist dat hij het niet lang meer zou volhouden. 'Zeg nog eens.'

'Je bent gestoord, en ik —' Hij stootte weer, en ze schreeuwde zacht, en hij sloot zijn ogen, en de kier was er nog, en de schaduw was er nog, en hij kon niet meer nadenken. 'Ik hou van je.'

'Dat is niet hetzelfde.' Ze zei het ademloos, en ze boog zich voorover en kuste hem, en haar tong was in zijn mond, en ze bewoog en bewoog, en hij voelde haar samentrekken, en ze kreunde in zijn mond, en hij kwam, hard, met een schok die door zijn hele lichaam ging, en ze bleef op hem zitten en nam het, en hij voelde zijn eigen zaad warm en nat tussen hen in.

Ze bleef even zo, hijgend, met haar voorhoofd tegen het zijne. Toen ging ze rechtop zitten en keek naar de deur.

'Het is dicht,' zei ze.

Hij draaide zijn hoofd. De kier was weg. De deur was dicht, en de grendel — hij kon het niet zien, maar hij wist het, hij wist dat de grendel er weer op zat, van buiten, en dat de man had gewacht tot ze klaar waren en toen de deur had dichtgetrokken, zacht, zonder geluid.

'Tim.' Haar stem was anders nu. De grijns was weg. 'Tim, ik zag hem.'

'Wat?'

'Ik zag hem. Toen ik rechtop ging zitten. Ik zag zijn gezicht in de kier.' Ze slikte. 'Hij keek naar ons. En hij glimlachte. En toen deed hij de deur dicht.'

Hij duwde haar van zich af en stond op, en zijn benen waren slap, en hij trok zijn pantalon omhoog en liep naar de deur, en hij legde zijn hand erop, en het hout was koud. Hij duwde. Niets. Hij duwde harder. Niets. Hij ramde met zijn vuist tegen de deur, en het geluid was hol en doods in de kamer.

'Hé!' schreeuwde hij. 'Hé, jij daar! Doe open!'

Geen antwoord. Alleen de stilte, en achter hem het geluid van Lisa die van het bed stapte en haar rokje zocht.

'Tim.' Ze stond naast hem, en ze had haar rokje aan en haar korset hing open, en ze was bleek onder de schmink. 'Tim, hij zei het. Hij zei dat we morgen terug zouden komen.'

'Ik weet het.'

'Hij zei dat het huis neemt wat het nodig heeft.'

'Ik weet het.' Hij draaide zich om en keek haar aan. 'En hij zei dat je op iemand lijkt die hij gekend heeft. En er hangt een portret van een vrouw die jouw gezicht heeft, en er ligt een krant van honderd jaar oud, en de deur ging open en weer dicht, en hij stond te kijken terwijl we —' Hij stopte. Zijn handen trilden. 'Lisa, wat hebben we gedaan?'

Ze keek naar de deur, en toen naar hem, en er was iets in haar ogen wat hij niet eerder had gezien. Niet angst. Iets ergers. Iets wat erop leek dat ze het antwoord al wist en het niet wilde zeggen.

'Ik weet het niet,' zei ze. 'Maar ik weet wel dat we niet in de mist moeten gaan staan. Niet nu.' Ze pakte zijn hand. 'Kom. We zoeken een raam. Een achterdeur. Iets.'

Hij liet zich meetrekken, en zijn benen waren nog steeds slap, en zijn hart ging te snel, en ergens in het huis, ver weg, hoorde hij een geluid dat hij niet kon plaatsen. Iets wat op een klok leek. Of op een deur die openging.

Ze liepen de gang in, en de kaarsen op de kandelaar in de verte waren gedoofd, en het was donker, en Lisa hield zijn hand zo hard vast dat het pijn deed. En achter hen, in de blauwe kamer, stond de deur op een kier.

De gang was langer dan hij zich herinnerde. Toen ze binnenkwamen had hij twee, drie passen gedaan van de deur naar de trap, maar nu liepen ze en liepen ze en kwam er geen einde aan de zwarte en witte tegels, en de kapstok met die ene jas stond er nog steeds, en de trap was er nog steeds, maar de verhoudingen klopten niet, alsof het huis ademde en zijn kamers uitzette zodra je niet keek.

Lisa trok hem mee, haar hakken klikten onregelmatig op de tegels, één keer scherp, dan een schuivende tik wanneer ze door haar enkel ging. Ze zei niets. Dat was het ergste, vond hij: dat ze niets zei. Lisa zei altijd iets.

'Daar,' fluisterde ze.

Aan het einde van de gang, voorbij de trap, was een streep licht onder een deur. Niet kaarslicht, dat was geel en trilde. Dit was bleek en stil, maanlicht dat door een raam viel en op een vloer lag.

'Dat is de keuken,' zei hij. 'Daar zit vast een achterdeur.'

'Of een raam.'

'Of een raam.'

Ze liepen erheen. De deur ging zonder geluid open, en het was geen keuken. Het was een kamer met een hoge boog en een raam dat van de vloer tot het plafond liep, met glas in lood in het bovenste deel, en door dat glas zag hij de mist, dik en wit, tegen het glas gedrukt als een hand. En in het midden van de kamer stond een tafel met een laken erover, en op dat laken stonden twee borden, twee glazen, een karaf met iets donkers erin, en twee kaarsen die brandden.

'Dat was er niet,' zei hij.

'Het is er nu wel.' Lisa liep naar de tafel. Ze boog zich over de borden, en haar pruik zakte verder af, en ze duwde hem met een geïrriteerd gebaar terug. 'Er is gedekt. Voor twee.'

'We gaan hier niet aan tafel zitten.'

'Nee.' Ze keek naar het raam. 'Maar dat is onze uitweg. Als ik dat glas eruit krijg, of als er een hendel zit —'

Hij liep naar het raam en legde zijn handen op het kozijn. Het was oud hout, hard en droog, en er zat geen hendel, geen kruk, geen enkel ijzerwerk. Hij duwde. Het kozijn gaf geen millimeter. Hij duwde met zijn schouder ertegen, en er gebeurde niets, en hij voelde iets wat hij niet wilde voelen: dat dit raam niet dicht zat, maar dat het nooit open had gehoeven, dat het gewoon niet meewerkte, zoals alles in dit huis niet meewerkte.

'Tim.'

Hij draaide zich om. Lisa stond bij de tafel, en ze had de karaf opgepakt en aan haar neus geroken.

'Het ruikt naar kersen,' zei ze. 'En naar iets anders. Naar — ik weet niet. Naar vroeger.'

'Zet neer.'

Ze zette neer. Maar ze keek niet naar de karaf. Ze keek naar de stoel aan het hoofd van de tafel, en toen naar hem, en er ging iets over haar gezicht wat hij kende van andere avonden, van een terras in de stad, van een slaapkamer met de gordijnen nog open.

'Lisa. Nee.'

'Wat nee?'

'Dat gezicht. Ik ken dat gezicht.'

'Welk gezicht?' Ze trok haar wenkbrauw op, en de witte schmink scheurde een beetje bij haar slaap. 'Ik heb helemaal geen gezicht. Ik ben dood. Ik ben een vampier. Kijk.' Ze deed haar mond open en wees naar haar eigen tanden, die gewoon haar eigen tanden waren, en hij moest bijna lachen, en dat maakte hem bozer dan iets anders.

'We staan opgesloten in een huis dat niet bestaat,' zei hij. 'Er zit een man achter ons aan die ons heeft zitten bekijken terwijl we —' Hij stopte. 'En jij wilt een grapje maken.'

'Ik wil helemaal geen grapje maken.' Ze kwam naar hem toe, en haar stem werd zachter, en ze pakte de cape van gordijnstof vast en trok eraan alsof ze hem aan zijn revers naar zich toe haalde. 'Ik wil niet bang zijn, Tim. Ik ben al de hele avond bang. Ik ben bang sinds dat bushokje. En ik word er moe van, en ik word er koud van, en ik wil even iets anders voelen dan dat.'

'En dat is dan ik?'

'Dat is dan jij.' Ze liet de cape los en legde haar hand op zijn borst, op de sticker met HAP, en ze duwde hem achteruit. 'Ga zitten.'

'Waar?'

'Daar.' Ze wees naar de stoel aan het hoofd van de tafel.

'Dat is zijn stoel.'

'Het is een stoel.' Ze duwde weer. 'Ga nou.'

Hij ging zitten. Het hout kraakte onder hem, en de stoel was koud, en hij zat met zijn rug naar het raam en de mist erachter, en Lisa stond voor hem en keek op hem neer, en in het kaarslicht was haar gezicht half wit en half schaduw, en haar korset hing nog open, en hij kon de bovenkant van haar borsten zien waar het zwarte kant tegen haar huid lag.

Ze stapte uit haar pumps, één voor één, en ze werden tien centimeter kleiner, en ze stond op haar netkousen op de houten vloer en zei: 'Schuif even op.'

Hij schoof op. Ze ging op zijn schoot zitten.

Ze ging zitten alsof ze er altijd had gezeten, met haar rug tegen zijn borst, haar billen in het kommetje van zijn schoot, haar benen over zijn dij geslagen, en het korte rode rokje schoof omhoog en de zoom van haar netkousen kwam tegen zijn hand. Ze rook naar zweet en naar schmink en naar iets zoets wat hij niet kon thuisbrengen, en haar haar — het echte haar onder de pruik, dat hij kende, dat naar haar shampoo rook — was warm tegen zijn kin.

Hij legde zijn handen op haar heupen, uit gewoonte, omdat ze daar hoorden.

'Zo,' zei ze. 'Beter.'

'Lisa.'

'Shh.' Ze draaide haar hoofd een beetje, en haar lippen waren dicht bij zijn oor, en hij voelde haar adem. 'Luister.'

Hij luisterde. De klok die hij eerder had gehoord was er weer, ergens ver weg, en het tikte niet zoals een klok hoort te tikken. Het tikte alsof er iemand met een vinger tegen het glas tikte. En daaronder, heel zacht, het geluid van de mist tegen het raam.

'Ik hoor niets,' zei hij.

'Jawel.' Ze legde haar hand op zijn dij, en haar vingers gingen langzaam omhoog over de zwarte pantalon die twee maten te klein was. 'Je hoort het wel. Je wilt het niet horen.'

'Lisa, we moeten —'

'De deur staat op een kier.'

Hij verstijfde. 'Wat?'

Ze fluisterde het nu, haar lippen bijna tegen zijn oor, en haar stem was zo laag dat hij het meer voelde dan hoorde. 'De deur. Van de blauwe kamer. Ik heb hem niet horen dichtgaan. Ik heb hem horen opengaan, en toen ik rechtop ging zitten zag ik zijn gezicht, en toen was het weg, en toen dacht ik dat de deur dicht was. Maar dat was niet zo.' Ze haalde adem. 'De deur staat op een kier, Tim. Hij is niet dicht. Hij is nooit dicht geweest.'

Hij wilde haar van zijn schoot duwen. Hij wilde opstaan, naar de gang rennen, naar die kier, en hij wist niet of hij hem wilde dichttrekken of erdoorheen wilde. Maar zijn lichaam deed het niet. Zijn handen bleven op haar heupen liggen, en zijn hart ging zo tekeer dat hij het in zijn keel voelde, en Lisa zat daar en ze bewoog niet en ze was warm en ze rook naar haarzelf.

'Waarom zeg je dat nu pas?' zei hij.

'Omdat ik het pas net zeker weet.' Ze draaide haar hoofd en keek hem aan, en haar ogen waren groot en donker. 'En omdat ik wilde dat je het van mij hoorde en niet van hem.'

'Van hem?'

'Ik denk dat hij het wil.' Ze zei het rustig, alsof ze het over het weer had. 'Ik denk dat hij wil dat we weten dat hij kijkt. Dat is het hele huis, Tim. Dat is het hele ding. Het is niet dat hij ons opsluit. Het is dat hij ons laat weten dat we opgesloten zitten.'

Hij keek naar het raam. De mist stond er nog, en de kaarsen op de tafel brandden nog, en de twee borden stonden nog leeg, en de karaf met kersenwijn stond nog dicht. En in het glas in lood bovenin zag hij iets bewegen. Niet de mist. Iets achter de mist. Een schaduw die niet van een boom was.

'We moeten terug,' zei hij. 'Naar die kier.'

'Ja.' Ze stond niet op. 'Maar niet nu.'

'Lisa —'

'Niet nu.' Ze verschoof op zijn schoot, en hij voelde het door zijn pantalon heen, de warmte van haar, en hij wist dat ze het wist, en hij wist dat ze het voelde. 'Als we nu gaan, dan gaan we als twee bange mensen. En dan wint hij. Hij wint altijd, Tim. Dat zie je toch? Hij heeft honderd jaar gewacht op iemand die op mij lijkt. Hij heeft een krant van 1923 naast de haard liggen alsof het gisteren was. Hij heeft ons niet opgesloten omdat hij ons tegen wil houden. Hij heeft ons opgesloten omdat hij wil dat we blijven.'

'En daarom moeten we weg.'

'Daarom moeten we eerst iets anders doen.' Ze legde haar hand op zijn wang en draaide zijn gezicht naar haar toe. 'Ik wil niet dat de laatste keer dat ik je voelde, was met een man die stond te kijken. Ik wil het zelf hebben. Ik wil het omdat ik het wil, en niet omdat hij het ziet.'

Ze kuste hem. Het was geen zoen van een verjaardag of van een afscheid bij de deur. Het was een zoen met haar hele mond, en haar lippenstift smaakte naar iets metaalachtigs, en ze beet zacht in zijn onderlip en trok eraan en liet los.

'Ik zit hier al,' fluisterde ze. 'Dus.'

Hij legde zijn handen op haar billen, op de stof van het rokje, en hij trok haar dichter naar zich toe, en ze zuchtte tegen zijn mond. Zijn handen gingen onder het rokje, over de netkousen, over de rand waar de kous ophield en haar huid begon, en ze was warm en glad en ze duwde zich tegen hem aan.

'De deur staat op een kier,' zei ze nog een keer, en deze keer was het geen waarschuwing. Het was een feit dat ze tussen hen in legde, als een voorwerp op de tafel. 'Hij kijkt.'

'Laat hem kijken.'

'Ja.' Ze grijnsde, en het was haar echte grijns, de grijns van het terras, van de slaapkamer, van alle avonden dat ze hem had laten wachten. 'Laat hem kijken. Laat hem zien wat hij honderd jaar gemist heeft.'

Ze kwam overeind op haar knieën, en ze trok aan zijn pantalon, en de knoop ging los, en de rits, en ze stak haar hand erin en pakte hem vast, en hij was al hard, en ze zei niets, ze keek alleen naar beneden met die kleine glimlach om haar mond. Toen ging ze weer zitten, en ze trok haar slipje opzij, en ze liet zich zakken, en hij gleed in haar, en ze was nat en warm en ze hield even stil met haar ogen dicht.

'God,' zei ze. 'Eindelijk.'

Ze begon te bewegen. Langzaam eerst, met haar handen op zijn schouders, en haar adem kwam in korte stoten, en de stoel kraakte onder hen, en hij hoorde de kaarsen sputteren. Hij hield haar heupen vast en trok haar naar zich toe bij elke beweging, en ze kreunde zacht, en toen harder, en ze deed geen moeite om stil te zijn.

'Harder,' zei hij.

'Jij harder.' Ze lachte, kort en hijgend.

Ze lachte, kort en hijgend, en zei: 'Zo dan,' en ze zette haar handen op de rugleuning achter hem en begon echt te bewegen, niet het wiegen van daarnet maar iets snellers, iets dat de stoelpoten over de vloer liet schrapen, en Tim greep haar bij de heupen en liet zich achterover zakken tegen de leuning en keek naar haar. Haar pruik was helemaal gezakt nu, hij hing scheef over haar ene oor en de witte schmink bladderde bij haar slaap, en haar korset piepte bij elke stoot, en ze was mooi op een manier die niets met het feest te maken had, mooi zoals ze was als ze boven op hem zat en niet oplette.

'Kijk dan,' zei ze, en ze knikte met haar kin naar de deur. 'Kijk of hij nog kijkt.'

Tim keek. De kier was er nog, een streep grijs in het donker van de gang, en in die streep stond niets. Geen schaduw, geen oog, geen glimlach. Alleen de kier.

'Hij is weg,' zei hij.

'Of hij is geduldig.' Ze ging langzamer, rolde met haar heupen, en ze liet haar hoofd achterover vallen zodat haar keel bloot kwam. 'Honderd jaar geduldig. Dat is een soort man, hè. Eentje die wacht tot je klaar bent.'

'Hij is een soort man die ons hier heeft opgesloten.'

'En toch zit ik op je.' Ze boog zich voorover, haar borsten tegen zijn borst, en ze kuste hem vlak bij zijn oor. 'Dus hij heeft niet alles te zeggen, of wel soms.'

Hij wilde iets terugzeggen, iets over hoe dat geen argument was, maar toen deed ze iets met haar bekken waar hij geen antwoord op had, en hij hoorde zichzelf kreunen als een idioot, en hij dacht: laat dan maar. Laat de deur op een kier staan. Laat de hele gang vol staan met oude mannen in vergaan pak. Hij zou dit niet laten bederven door een huis.

Ze ging rechtop zitten en pakte zijn handen en zette ze op haar borsten, en hij voelde de harde rand van het korset onder zijn vingers en de warme huid erboven, en ze zei: 'Knijpen,' en hij kneep, en ze hijgde en sloot haar ogen en zei: 'Ja. Zo.'

De stoel kraakte. De kaarsen op de tafel sputterden, en een van de vlammen ging liggen en stond weer op. Ergens in het huis tikte iets, regelmatig, als een klok die niet helemaal gelijk liep met de wereld, en Tim dacht er niet over na, want Lisa bewoog nu met een ritme dat hij kende van hun eigen bed, het ritme van de laatste minuten voor ze zei dat ze bijna was, en hij voelde het aankomen in zijn buik en in zijn benen en in zijn tanden.

'Ik ga,' zei ze. 'Ik ga, ik ga —'

'Ja,' zei hij. 'Kom.'

Ze kwam met een schok, en ze klemde haar dijen om zijn heupen en zei zijn naam, één keer, hard, en de kaarsen flakkerden alle drie tegelijk alsof er iemand door de kamer liep, en Tim voelde haar samentrekken om hem heen en dat was het einde van zijn eigen geduld, en hij stootte nog twee, drie keer en kwam in haar, en ze zakte boven op hem neer met haar gezicht in zijn hals en hij rook haar zweet en haar lippenstift en iets eronder, iets zoets, iets van kersen.

Ze bleven zo zitten. De stoel kraakte nog één keer na en was toen stil. De kaarsen brandden weer recht.

'Zo,' zei Lisa tegen zijn hals. 'Nu heb ik het zelf gedaan.'

Hij legde zijn hand op haar rug, op het korset, op de veters die hij los kon trekken als hij wilde. 'We moeten gaan.'

'Nog even.' Ze ademde uit, langzaam, en het klonk tevreden, en dat maakte hem zenuwachtig. 'Mijn benen doen het niet.'

'Lisa.'

'Ik meen het. Ik heb tien centimeter hakken aan en ik heb net —' ze giechelde, en het was een echt giecheltje, het giecheltje van de eerste keer in dat kleine appartement met de kapotte verwarming — 'ik heb net iets gedaan waar mijn benen niet op gebouwd zijn.'

Hij wilde lachen. Hij wilde haar van zich af duwen en haar kussen en zeggen dat ze onmogelijk was, en hij wilde dat dit een gewone avond was, een gewone slechte avond met een gemiste afslag en een stom feest, en dat ze over een uur thuis zouden zijn met koude pizza en een film die ze allebei al kenden.

Toen hoorde hij de voetstappen.

Ze kwamen de gang in, langzaam, met die ongelijkmatige tik die hij daarnet voor een klok had aangezien. Tik. Tik. Tik-tik. Alsof iemand liep met één been dat niet helemaal meewerkte, of met een stok, of met iets dat zwaarder was dan een voet.

Lisa kwam overeind. Niet snel, niet verschrikt, maar rustig, alsof ze het ook had gehoord en erop gerekend had. Ze stapte van hem af en trok haar slipje recht en haar rokje naar beneden, en ze streek met de rug van haar hand over haar mond, en de lippenstift veegde uit over haar wang.

'Doe je broek dicht,' zei ze.

Hij was al bezig. De knoop, de rits, de cape recht, en zijn handen trilden en dat maakte hem boos op zichzelf. Hij had dit moeten voorkomen. Hij had haar bij de arm moeten pakken toen ze de gang in wilde, hij had de deur met zijn eigen schouder moeten forceren, hij had —

De voetstappen stopten. Vlak bij de deur. Aan de andere kant van de kier.

En toen ging de deur open, niet met een zwaai, niet met een trap, maar gewoon open, zoals een deur opengaat als iemand hem opendoet, en de man stond in de opening met de kandelaar in zijn hand. De drie kaarsen waren nu alle drie brandend, en ze wierpen zijn schaduw achter hem de gang in, lang en smal en met een hoofd dat niet helemaal klopte.

Hij zei niets. Hij keek naar de tafel, naar de twee borden, naar de twee stoelen, naar Tim die zijn overhemd in zijn broek stopte, naar Lisa die haar pruik rechttrok.

Toen liep hij naar binnen.

Hij liep langs hen heen, en Tim rook hem: stof, en kaarsvet, en iets eronder wat geen geur van een levend mens was, iets als een kast die te lang dicht is geweest. De man zette de kandelaar midden op de tafel, naast de fles kersenwijn, en hij trok de derde stoel er bij.

Het was geen stoel die daar al stond. Het was een stoel die uit de schaduw kwam, of die daar altijd had gestaan en die Tim gewoon niet had gezien, met een hoge rug van donker hout en poten die krulden als klauwen, en de man zette hem neer aan de kop van de tafel, tegenover Tim, en hij schoof hem aan, en het hout schraapte over de vloer met een geluid dat te lang duurde.

Hij ging zitten.

En hij pakte de fles kersenwijn en hij schonk zichzelf een glas in.

Het was een mooie fles, dat moest Tim toegeven, donker glas met een etiket dat hij niet kon lezen, en de wijn die eruit kwam was zo rood dat het bijna zwart was in het kaarslicht. De man schonk niet zuinig. Hij hield de fles schuin tot het glas bijna vol was, en toen zette hij de fles neer, en hij pakte het glas bij de voet en hield het tegen het licht van de kaarsen, en hij draaide het een keer rond, en hij dronk.

Tim hoorde hem slikken. Eén keer, twee keer, en toen zette hij het glas neer en er was een halve vinger wijn minder in, en er zat een veeg op de rand van het glas die niet rood was maar donkerder.

'Ga zitten,' zei de man.

'We gaan weg,' zei Tim.

'Ga zitten.' De man keek niet naar hem. Hij keek naar Lisa. 'Jij ook. Jij vooral.'

Lisa stond naast de stoel waar ze net op gezeten had, en haar handen hingen langs haar lichaam, en ze keek naar de man zoals ze naar een hond keek waarvan ze niet wist of hij ging blaffen of bijten. Maar ze ging niet achteruit.

'Waarom?' vroeg ze.

'Omdat ik je iets wil laten zien.' De man nam nog een slok. 'En omdat ik het vraag. Ik heb het lang niet gevraagd. Ik ben vergeten hoe het moet, geloof ik. Vragen.' Hij zette het glas neer en vouwde zijn handen op tafel, en zijn vingers waren lang en wit en de nagels waren te lang, en een van de nagels was gebarsten. 'Ik heb honderd jaar niemand hoeven vragen. Dat is een van de dingen die je verleert.'

Tim keek naar de deur. Die stond open. Niet op een kier, helemaal open, en de gang erachter was donker maar niet zwart, en aan het einde van de gang was de hoek waar de voordeur moest zitten, en daarvoorbij, als hij zich niet vergiste, het grindpad en de mist en de auto die niet startte.

Hij keek naar Lisa. Ze keek terug, en in haar ogen was iets wat hij niet vaak zag: ze was aan het rekenen. Ze was aan het afwegen of ze zou rennen of blijven, en ze was nog niet klaar met rekenen.

'Wat wil je laten zien?' vroeg ze.

'Eerst ga je zitten.'

Ze ging zitten. Ze trok de stoel naar achteren en ging zitten, en ze sloeg haar benen over elkaar, en haar netkousen knisperden, en ze legde haar handen op haar knie en ze keek de man recht aan.

Tim bleef staan.

'Tim,' zei Lisa, zonder haar ogen van de man af te halen. 'Ga zitten. Alsjeblieft.'

Hij ging zitten. Hij ging zitten op de stoel waar hij net op gezeten had, en hij voelde de warmte van haar er nog op, en dat maakte hem misselijk, en hij legde zijn handen op de tafel en hij keek naar de man en hij dacht: als hij naar haar toe komt, dan pak ik de kandelaar.

De man nam nog een slok. Toen zette hij het glas neer en veegde met zijn duim over zijn onderlip, en hij keek naar Lisa, en hij keek lang.

'Je lijkt op haar,' zei hij. 'Dat heb ik al gezegd. Maar je lijkt niet alleen op haar gezicht. Je lijkt op de manier waarop ze zat. Alsof de stoel van jou is en niet andersom.' Hij knikte langzaam. 'Elvire zat ook zo. Ze kwam binnen en ze ging zitten en iedereen in de kamer wist dat er iets was gebeurd.'

'Wie was ze?' vroeg Lisa.

'Mijn vrouw.'

Het bleef stil. De kaarsen brandden. Ergens in het huis tikte niets meer.

'Ze is dood,' zei de man. Het was geen vraag en hij zei het ook niet verdrietig. Hij zei het zoals je zegt dat het regent. 'Ze is lang dood. Langer dan jij je kunt voorstellen, en ik kan het me ook niet meer voorstellen, en dat is het probleem. Ik weet nog hoe ze rook. Ik weet nog hoe ze klonk als ze mijn naam zei. Maar ik weet niet meer hoe lang geleden het is. Ik tel de jaren en de jaren tellen niet meer.'

Hij pakte de fles en schonk zijn glas bij, en deze keer schonk hij het tot de rand, en er liep een druppel over zijn vingers en hij likte hem eraf.

'Ik heb dit huis,' zei hij. 'Ik heb de kamers en de gang en de trap en de klok. Ik heb de mist. De mist doet wat ik zeg, min of meer, als ik het niet te veel vraag. En ik heb de kersenwijn, en ik heb de krant van die dag, en ik heb het portret. En dat is alles. Dat is honderd jaar.'

'Dat klinkt eenzaam,' zei Lisa.

'Het is eenzaam.' Hij keek haar aan. 'En jij bent de eerste die dat zegt.'

Tim voelde iets in zijn maag draaien. 'We gaan,' zei hij. 'We hebben uw wijn niet nodig en uw verhalen niet. We gaan naar buiten, we lopen naar het bushokje, en morgen halen we de auto op.'

De man keek niet naar hem. 'De auto start niet.'

'Dat heeft u al gezegd.'

'En het is nog steeds waar.' De man dronk, en zette het glas neer, en er zat nu een dunne rode rand om zijn mond alsof hij lippenstift op had. 'Ik heb jullie niet tegengehouden. Kijk. De deur is open. De gang is open. Het hek staat op een kier, zoals het stond toen jullie kwamen. Ga. Ik zal niet opstaan.'

Tim keek naar de deur. Hij keek naar Lisa.

Ze zat stil. Ze zat met haar benen over elkaar en haar handen op haar knie en ze keek naar de man, en er was iets in haar gezicht dat Tim niet kende, iets dat leek op hoe ze naar een etalage keek met een jurk die ze niet kon betalen.

'Lisa,' zei hij.

'Wat is er gebeurd met haar?' vroeg Lisa. 'Met Elvire.'

De man glimlachte. Het was dezelfde glimlach als in de deuropening, maar nu zag Tim wat eronder zat, en het was geen wreedheid. Het was iets ergers. Het was hoop.

'Ze is hier,' zei hij. 'Niet zoals jij en ik hier zijn. Maar ze is hier. Ze is in de muren en in de klok en in de geur van de wijn. En soms, als het huis het wil, dan is ze ook in de kamer.' Hij keek naar de kandelaar. 'Ze is vanavond in de kamer geweest. Jij hebt het niet gemerkt. Maar ik wel.'

Lisa keek naar de kandelaar. Tim keek naar Lisa.

'We gaan,' zei hij, en hij stond op, en zijn stoel viel bijna om, en hij pakte Lisa bij haar arm. 'Nu.'

Ze liet zich overeind trekken. Ze stond, en ze keek nog steeds naar de man, en de man keek terug, en tussen hen was iets wat Tim niet kon aanraken en niet kon breken.

'Je komt terug,' zei de man. 'Morgen, of over een week, of over een jaar. Je komt terug omdat je wilt weten wat ik weet. En omdat je wilt weten of je haar bent of jezelf.' Hij hief zijn glas. 'Ik wacht. Ik ben goed in wachten.'

Tim trok Lisa mee. Ze liepen de gang in, en de kandelaar achter hen wierp hun schaduwen vooruit over de zwarte en witte tegels, en de voordeur was dicht.

Tim zag het en zijn benen werden koud. De voordeur was dicht. Hij was van donker hout met ijzerbeslag en een klopper in de vorm van een leeuwenkop, en hij was dicht, en hij had open gestaan.

'Lisa.'

'Ik zie het.'

Hij liet haar arm los en liep naar de deur en pakte de kruk en duwde. De deur gaf niet mee. Hij duwde harder, met zijn schouder ertegen, en het ijzer rammelde maar het hout bewoog niet.

'Achterdeur,' zei Lisa. 'Er moet een achterdeur zijn. Keuken. Zulke huizen hebben een keuken.'

Ze liepen terug, langs de kamer waar de man zat, en Tim durfde niet naar binnen te kijken, maar hij hoorde het: het zachte tikken van een glas op hout, en daarna het geluid van iemand die zijn keel schraapt.

De keuken was er. Aan het einde van de gang, achter een deur die niet op slot zat, en er stond een aanrecht van steen en er hingen pannen aan haken en er was een raam boven de gootsteen. Tim rende ernaar toe en greep de grendel en draaide en duwde het raam open, en de mist kwam naar binnen als een dier dat op de drempel had gewacht.

'Klim,' zei hij. 'Jij eerst.'

Ze klom. Ze zette haar pump op de rand van het aanrecht en ze hees zich op en ze wrong zich door het raam, en haar rokje bleef haken aan de grendel en scheurde, en ze vloekte, en toen was ze buiten en ze stak haar hand naar hem uit.

Hij klom achter haar aan. Zijn cape bleef haken en hij trok en het scheurde en hij liet het hangen, en hij liet zich vallen in het natte gras achter het huis, en hij stond op en pakte haar hand en ze renden.

Ze renden over het gras, weg van het huis, en de mist was overal en het gras was nat en koud en haar hakken zakten weg in de grond en ze trok haar schoenen uit en rende op blote voeten en Tim sleepte haar mee en ze zei niets en hij zei niets, en achter hen werd het huis kleiner en kleiner en toen was het weg.

Ze stopten bij een hek. Niet het hek van het huis, een ander hek, een weilandhek met prikkeldraad erover, en aan de andere kant liep een weg, een echte weg met een streep in het midden.

Lisa hijgde. Ze stond met haar schoenen in haar hand en haar voeten in het natte gras en ze keek naar de weg en toen naar Tim.

'We zijn eruit,' zei ze.

'We zijn eruit,' zei hij.

Ze keken allebei naar de weg. Er kwam geen auto. Er kwam helemaal niets. De mist hing over het asfalt en de streep verdween erin, en ergens heel ver weg, zo ver dat het ook wel in zijn hoofd kon zitten, hoorde Tim een klok slaan.

'Ik heb honger,' zei Lisa.

Hij keek haar aan. 'Wat?'

'Ik heb honger.' Ze liet haar schoenen vallen en streek met haar hand over haar gezicht en de schmink kwam mee, een veeg wit op haar handpalm. 'Ik heb de hele avond niets gegeten omdat dat korset niet toestaat dat ik adem, laat staan dat ik eet, en nu heb ik honger en ik wil naar Merel en ik wil iets eten en ik wil niet meer aan dat huis denken.'

'Merel woont aan de andere kant van het bos.'

'Dan lopen we om het bos heen. Langs de weg. Er komt wel een auto.' Ze keek naar hem, en haar ogen waren groot en zwart en er zat een randje rood in van de lippenstift die was uitgelopen. 'Tim. Ik wil niet terug. Ik zeg het je. Ik wil niet terug naar dat huis.'

'Ik heb je niet gevraagd of je terug wilde.'

'Ik zeg het je toch maar.'

Ze liepen langs de weg. Lisa op blote voeten, met haar schoenen in haar hand, en Tim met zijn cape aan flarden en zijn overhemd half uit zijn broek. Na een kwartier kwam er een auto, een oude stationwagen die zo hard remde dat de banden piepten, en de man achter het stuur was een boer van in de vijftig met een hond op de achterbank, en hij keek naar hen alsof hij naar een spookverhaal keek dat op zijn weghelft liep.

'Jezus,' zei hij. 'Wat is er met jullie gebeurd?'

'Feest,' zei Lisa. 'We zijn verdwaald.'

'Waar kom je vandaan dan?'

Lisa wees. Tim zei niets. De boer keek naar de plek waar ze wees, en zijn gezicht veranderde, en hij zei: 'Daar staat geen huis.'

'Toch wel,' zei Lisa. 'Groot huis. Drie verdiepingen. Toren.'

De boer keek naar Tim. Tim keek terug, en in die blik zat iets wat de boer begreep, want hij knikte langzaam en zei: 'Stap in. Ik breng jullie naar de weg. En jullie praten er niet over, tegen niemand. Begrepen?'

'Begrepen,' zei Tim.

Ze stapten in. De hond rook aan Lisa's hand en legde zijn kop op haar knie en ze aaide hem over zijn kop en zei niets. De boer reed en zei ook niets, en de mist bleef achter hen, en na tien minuten kwam de bebouwde kom in zicht, met lantaarnpalen en een bushokje en een friettent die nog open was.

De boer zette hen af bij de friettent. Lisa stapte uit en trok haar schoenen aan en zei: 'Dank u wel,' en de boer zei: 'Wees voorzichtig,' en reed weg.

Ze stonden bij de friettent. Er hing een tl-buis boven de balie en er zat een man achter de balie die op zijn telefoon keek.

'Friet,' zei Lisa. 'En een kroket. En een frikadel. En een blikje cola.'

Tim bestelde hetzelfde. Ze aten staand, uit het papiertje, en Lisa had mayonaise op haar kin en ze veegde het af met de rug van haar hand en zei: 'Dit is de beste friet van mijn leven.'

'Je hebt honger.'

'Dat zeg ik toch.'

Hij keek naar haar. Ze stond daar met haar pruik scheef en haar schmink half van haar gezicht en een gescheurd rokje en mayonaise op haar vingers, en ze was de mooiste die hij ooit had gezien, en hij dacht aan de man in het donker met zijn glas kersenwijn en zijn derde stoel, en hij dacht: hij heeft ons laten gaan. Hij heeft ons echt laten gaan.

'Hij heeft ons laten gaan,' zei hij.

Lisa stopte met kauwen. Ze keek naar hem.

'Ja,' zei ze. 'Dat heeft hij.'

'Waarom?'

'Omdat hij weet dat we terugkomen.' Ze nam een slok cola. 'Of omdat hij iets anders wil. Ik weet het niet, Tim. Ik weet alleen dat ik morgen niet terugga, en overmorgen niet, en dat ik de auto laat staan en dat ik die weg nooit meer neem.'

'En als de mist ons terugbrengt?'

'Dan neem ik een taxi.'

Hij lachte. Het was een kort, leeg lachje, en hij stopte meteen weer. 'En als hij gelijk heeft? Dat ik terugkom omdat ik wil weten of ik haar ben of mezelf?'

Ze keek hem aan, en deze keer was er niets van het spel in haar gezicht. 'Jij bent Tim,' zei ze. 'En ik ben Lisa. En ik heb geen honderd jaar gewacht op iemand. Ik heb drieëntwintig jaar gewacht op iemand, en dat was jij, en dat is genoeg.'

Ze gooide het papiertje in de prullenbak en pakte zijn hand. 'Kom. We bellen Merel. We zeggen dat we een lekke band hadden. En dan gaan we naar haar feest en dan dans ik met je en dan gaan we naar huis en dan slaap ik drie dagen.'

Ze liepen naar het bushokje. Lisa belde Merel, en Merel was boos en opgelucht en stuurde haar broer, en twintig minuten later zat Lisa in de auto van Merels broer met haar hoofd tegen het raam en haar ogen dicht, en Tim zat naast haar en keek naar de lantaarnpalen die voorbij kwamen.

Hij dacht aan de derde stoel. Aan hoe de man hem had bijgeschoven, met een geluid dat te lang duurde. Aan hoe hij had geschonken, tot de rand, en de druppel van zijn vinger had gelikt.

En hij dacht aan wat Lisa had gezegd, in de kamer, met haar handen op zijn wangen: ik wil het zelf hebben. Ik wil het omdat ik het wil, en niet omdat hij het ziet.

Hij keek naar haar. Ze sliep, of ze deed alsof. Haar hand lag op zijn dij en haar vingers bewogen niet.

'Lisa,' zei hij zacht.

'Mm.'

'Wat zag je in de kier? Toen hij de deur dicht deed. Je zei dat hij glimlachte.'

Ze deed haar ogen open. Ze keek naar het plafond van de auto, naar de hemelbekleding die op een plek losliet.

'Ik zag hem,' zei ze. 'En ik zag iets achter hem. Iets wits. Een jurk, denk ik. Een witte jurk.'

Tim zei niets.

'En ik dacht,' zei Lisa, 'dat ze keek. Naar mij. En dat ze niet boos was.'

De auto van Merels broer sloeg af, een woonwijk in, en de straatlantaarns waren oranje en de huizen hadden pompoenen voor de ramen en er hing een spandoek over de straat met welkom thuis erop, en Lisa keek ernaar en zei: 'Ik heb geen zin in een feest.'

'We gaan naar binnen,' zei Tim. 'We drinken één glas. We zeggen dat we moe zijn. En dan gaan we naar huis.'

'Naar huis,' zei Lisa, en ze zei het alsof ze het woord proefde. 'Ja. Naar huis.'

Ze stapten uit. Merels broer zei dat hij hen morgen kwam halen om de auto te zoeken, en Tim zei dat dat goed was, en ze liepen naar de deur waar de muziek doorheen kwam en waar iemand lachte.

Lisa stopte op de stoep. Ze keek om, over haar schouder, de straat af, de kant op waar ze vandaan waren gekomen.

'Wat?' zei Tim.

'Ik dacht dat ik de mist rook,' zei ze.

Er was geen mist. Er waren lantaarnpalen en pompoenen en een straat die naar de wijk uitliep, en de lucht was helder en koud en er stonden sterren.
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Elite_12
Elysje
Elysje (34)
Ben jij op zoek naar een vrouw die nieuwsgierig is naar jouw fantasieën?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Durf jij met oma te flirten?
Durf jij met oma te flirten?

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 557 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net