78.885 Gratis Sexverhalen
A+ - a-

Aan Een Rode Draad - 2

Door: Ghostwriterpluma

Datum: 30-10-2026 | Cijfer: 8.8 | Gelezen: 376
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 60 minuten | Lezers Online: 6
Trefwoord(en): Collega, Werk,

Vervolg op: Aan Een Rode Draad - 1

Scherp

De metro naar de haven was voller dan ze gewend was. Een kwartier later vertrekken betekende blijkbaar een heel andere wereld: scholieren met rugzakken en koptelefoons, een groepje bouwvakkers in oranje hesjes dat luid over het voetbal van gisteravond discussieerde, mannen en vrouwen in pak die met hun koffie in de ene hand en hun telefoon in de andere de deuren door schuifelden. Sam vond een plek bij de deur, zette haar tas tussen haar voeten en opende haar mail. Een bijgewerkte agenda uit Singapore voor de call van drie uur. Twee vragen van een verzekeraar die ze in een paar zinnen kon beantwoorden. En een mail van mr. Van der Werff, zonder aanhef en zonder naam eronder: Half tien. Neem de cognossementen mee. Zo schreef hij altijd. In het begin had ze dat onbeleefd gevonden, totdat ze doorkreeg dat het juist een vorm van vertrouwen was. Mensen die hij niet serieus nam, kregen hele alinea's.

Ze beantwoordde de verzekeraar, las de agenda uit Singapore en zette de drie belangrijkste punten alvast in een conceptmail aan zichzelf. Toen de metro bovenkwam en over het water reed, keek ze even op. De ochtendzon lag laag over de Maas en zette de kranen aan de overkant in een gouden gloed. Een containerschip schoof langzaam de haven uit, hoog opgestapeld met rode, blauwe en grijze dozen, en ze volgde het met haar ogen tot het achter een loods verdween. Zonder dat ze het had gepland, gleden haar gedachten terug naar de sportschool. Naar een rug die zich bij elke herhaling aanspande onder een bruine huid, naar een warme hand die heel even de hare had geraakt. Ze voelde de warmte van die ochtend terugkomen, zacht, ergens diep in haar buik, en ze verschoof onwillekeurig haar gewicht van haar ene been naar het andere.

Ze fronste en richtte haar blik weer op haar telefoon. Ze las de mail van de verzekeraar nog een keer en zette er een komma bij die er eigenlijk niet hoefde te staan. Maar bij het volgende station stapte er een jongen in, een jaar of zevenentwintig, in een slecht zittend pak met een rugzak over één schouder en oordopjes in. Hij ging tegenover haar staan, met één hand aan de stang, en keek even naar haar op voordat hij snel weer naar zijn telefoon keek. Een paar seconden later keek hij weer, en weer weg. Sam zag het, en voordat ze er erg in had, was ze hem al aan het lezen. Een starter, waarschijnlijk bij een accountantskantoor of een bank. Verlegen, maar niet onzeker; zo'n jongen die thuis best grappig was, maar het nooit durfde in een kroeg. Ze zag hoe het zou gaan: één glimlach van haar, een vraag over waar hij werkte, en hij zou blozen tot in zijn nek. Ze zou hem laten praten, hem het gevoel geven dat hij interessant was, en dan zou ze hem precies daar hebben waar ze hem wilde. Hij zou alles doen wat ze zei. Ze kon het bijna voor zich zien, hoe hij naar haar op zou kijken. Hoe gretig hij zou zijn. Ze voelde haar tepels zich verharden tegen de dunne stof van haar beha, en een warme blos kroop van haar hals omhoog naar haar wangen. De jongen keek weer op, zag dat ze naar hem keek, en werd rood. Sam keek snel naar haar scherm, geschrokken van zichzelf, en trok haar jas iets verder dicht over haar blouse.

Bij Leuvehaven stapte de jongen uit, met nog één snelle blik over zijn schouder voordat de deuren dichtgingen. Sam keek hem na en voelde ineens hoe ze daar zat: met haar telefoon vergeten in haar hand, haar mail half gelezen, haar hart een beetje sneller dan nodig, haar wangen nog warm en haar hoofd vol met een jongen die ze niet kende. Ze sloot even haar ogen en zuchtte geërgerd door haar neus.

Dit sloeg nergens op. Ze had vanochtend haar moment al gehad, onder de douche, en ze had zichzelf toen eerlijk gezegd meer dan genoeg verwend. Dat had het moeten afsluiten. Zo werkte het meestal ook: even toegeven, en dan was haar hoofd weer leeg en helder. Maar nu zat ze hier, op weg naar een van de belangrijkste vergaderingen van de week, en ze kon geen man in een metro zien zonder te bedenken hoe ze hem om haar vinger zou winden. Het irriteerde haar. Ze was niet iemand die zich zo liet afleiden. Niet door een man in de sportschool, en zeker niet door een starter in een slecht pak.

Toen de metro weer onder de grond dook en haar eigen spiegelbeeld in het donkere raam verscheen, keek ze zichzelf strak aan. Het was de training, dacht ze. Al dat bloed dat nog door haar lijf pompte, en een week waarin ze zo weinig had geslapen dat haar hoofd er gekke dingen van ging doen. Het zou wel zakken als ze eenmaal aan het werk was. Op het werk wilde ze geen afleiding, geen dagdromen en geen warme buik in een vergadering met Van der Werff. Ze rechtte haar rug, opende haar mail opnieuw en dwong zichzelf de agenda uit Singapore nog een keer helemaal door te lezen, regel voor regel. Het was vrijdag, en vrijdag was een werkdag.

Het kantoor lag aan de rand van de haven, in een gebouw van glas en staal dat een paar jaar geleden was neergezet op de plek van een oud douanepakhuis. Van de oude bebouwing was alleen de bakstenen gevel aan de straatkant bewaard gebleven, met het woord Douane er nog in gegraveerd. Daarachter rees een glazen toren op, die 's avonds verlicht boven het water uitstak als een vuurtoren voor iedereen in de haven die een probleem had. Vanaf de bovenste verdiepingen keek je uit over de rivier en de containerterminals daarachter, waar de kranen als enorme metalen vogels over de schepen gebogen stonden. Sam had in haar eerste weken vaak bij het raam gestaan om ernaar te kijken. Er zat iets geruststellends in, in die eindeloze, precieze beweging van containers die werden opgetild, verplaatst en neergezet, dag en nacht, zonder dat er ooit iets stil leek te staan. Het voelde als de plek waar de wereld echt draaide. En zij werkte erboven.

In de hal zat Ingrid achter de receptie, zoals ze daar al zat sinds lang voordat Sam aan haar rechtenstudie was begonnen. Leesbril op het puntje van haar neus, parelketting om, het Financieele Dagblad opengevouwen voor zich. Ze keek op toen Sam haar pas langs het poortje haalde.

'Goedemorgen, Sam. Mooi pak.'

'Dank je, Ingrid. Nieuw is het niet.'

'Nieuw hoeft ook niet. Het zit goed.' Ingrid sloeg een pagina om. 'Van der Werff is er al sinds zeven uur. Met zijn deur dicht.'

'Dat is hij altijd.'

'Ja,' zei Ingrid, 'maar de deur is niet altijd dicht.' Ze keek Sam even over haar bril aan, met de blik van iemand die dertig jaar lang jonge advocaten had zien komen en gaan en precies wist wie er zou blijven. 'Ik zeg het maar even.'

Sam bedankte haar en liep naar de liften. Ingrid zei nooit iets zomaar.

De afdeling Handel en Transport besloeg de hele zevende verdieping. De partners hadden een eigen kamer aan de raamkant, met uitzicht op het water. De advocaten in opleiding zaten in een open ruimte in het midden, aan lange tafels met grote schermen en stapels dossiers die nooit kleiner leken te worden. Sam had een vaste plek bij het raam aan de noordkant. Ze had die in haar eerste week geclaimd door er gewoon elke ochtend als eerste te gaan zitten, totdat niemand het meer in zijn hoofd haalde om er iemand anders te zetten.

Op de stoel naast de hare zat Jasmijn, met haar benen over elkaar, een kop koffie in haar hand en een tweede beker op Sams bureau.

'Havermelk, geen suiker,' zei ze zonder op te kijken van haar telefoon. 'Hij is lauw, maar hij is van mij, dus je drinkt hem op.'

'Je bent een heilige.'

'Dat weet ik.'

Jasmijn was de enige op kantoor die Sam echt als vriendin beschouwde. Ze waren in dezelfde week begonnen en hadden elkaar op de tweede dag gevonden bij het koffieapparaat, toen ze allebei hardop hadden gezucht om een partner die een introductiepraatje van drie kwartier had gehouden zonder één keer adem te halen. Jasmijn was klein, een kop kleiner dan Sam, met een wilde bos donkere krullen die ze vandaag met een gouden speld in een losse knot had gedwongen. Ze had grote donkere ogen met lange wimpers, een warme, getinte huid en een figuur dat ze zonder enige schaamte liet zien in een getailleerde blazer in diep bordeaux en een nauwsluitende zwarte pantalon. Jasmijn wist precies wat haar uiterlijk met mensen deed, en ze zette het in zoals Sam een goed argument inzette: bewust, op het juiste moment en zonder dat iemand doorhad dat het een tactiek was. En ze flirtte graag. Met partners, met cliënten, met de jongen van de koffiebar beneden; niet omdat ze iets van ze wilde, maar omdat ze het gewoon leuk vond, en omdat ze er goed in was.

Ze waren in bijna alles elkaars tegenpolen, en dat was precies waarom het werkte. Sam wilde de beste zijn. Ze wilde het argument vinden dat niemand anders had gevonden en de memo schrijven die geen enkele rode streep meer nodig had. Jasmijn wilde hogerop komen, en ze had al in haar eerste maand begrepen dat de beste zijn op dit kantoor niet genoeg was. Je moest ook gezien worden, door de juiste mensen en op het juiste moment. Ze wist ook dat zij zelden de intelligentste in de ruimte was. Dat was Sam meestal, of Van der Werff, of een van die stille types van Corporate die hele wetboeken uit hun hoofd kenden. Maar ze was vaak wel de slimste, en dat was iets heel anders. Jasmijn wist wie er met wie lunchte, welke partner een slechte week had, wie er op de nominatie stond voor promotie en wie er stilletjes werd weggewerkt. Ze wist hoe je een partner een compliment gaf zonder dat het als slijmen voelde, en hoe je een collega zo lang aan het praten hield dat hij dingen vertelde die hij eigenlijk niet had moeten vertellen. Ze lachte veel en hard, met een lach die je door de hele afdeling kon horen, en de meeste mensen dachten daarom dat ze vooral gezellig was. Sam wist wel beter. Achter die lach zat een blik die alles registreerde, opsloeg en analyseerde, en die je, als je niet oppaste, helemaal uit elkaar haalde voordat je doorhad dat je werd bekeken.

'Ik heb iets gehoord,' zei Jasmijn, terwijl ze haar telefoon wegstopte en haar stoel een kwartslag draaide.

'Natuurlijk heb je iets gehoord.'

'Iets groots.' Ze boog zich naar voren en liet haar stem dalen, hoewel er nog nauwelijks iemand op de afdeling was. 'Er komt een nieuwe cliënt. Een heel grote. Ingrid zegt dat Van der Werff de hele week al met de managing partner aan het bellen is, met de deur dicht, en dat er gisteren iemand uit Amsterdam speciaal voor naar Rotterdam is gekomen.'

'Wie is de cliënt?'

'Dat is het nou juist. Niemand weet het.' Jasmijn trok een gezicht alsof dat een persoonlijke belediging was. 'Ik heb het bij het secretariaat geprobeerd, bij de IT'ers, ik heb zelfs geprobeerd die stagiair van Corporate dronken te voeren op de borrel van vorige week. Niks. Het enige wat ik weet is dat het iets met scheepvaart te maken heeft, dat het om veel geld gaat, en dat er mensen bij gaan worden ingedeeld.' Ze keek Sam veelbetekenend aan. 'Mensen van onze afdeling.'

'Dat kan van alles zijn.'

'Dat kan van alles zijn,' gaf Jasmijn toe. 'Maar Van der Werff doet zijn deur niet dicht voor van alles.' Ze nam een slok van haar koffie en keek Sam toen over de rand van haar beker aan, met een plagerige glinstering in haar ogen. 'Eigenlijk zou jij het moeten uitzoeken. Jij bent toch zijn lievelingetje. Loop straks na het overleg even met hem mee, stel een slimme vraag over een clausule, en dan laat hij het vast vallen.'

'Ik ben niet zijn lievelingetje.'

'Sam. Hij heeft je vorige maand een compliment gegeven. Eén woord, maar toch. Volgens Ingrid heeft hij al vijf jaar aan niemand anders een compliment gegeven.' Jasmijn grijnsde. 'Als iemand dat van hem los kan weken, ben jij het.'

'Ik ga Van der Werff niet uithoren.'

'Nee, natuurlijk niet. Jij bent te netjes.' Jasmijn zuchtte theatraal. 'Zonde. Al dat potentieel.' Ze zette haar beker neer. 'Goed, dan doe ik het wel op mijn manier. Als ik iets weet, weet jij het.'

Sam knikte en zette haar laptop open. Ze had niet zoveel met dit soort geruchten. Ze gingen elke week rond, en negen van de tien keer bleek het om niets te gaan. Maar ze merkte toch dat ze het opsloeg, ergens achter in haar hoofd, naast de dingen die ze later misschien nog nodig had.

'En nu het belangrijkere nieuws,' zei Jasmijn. 'Thomas zit sinds half acht in de kleine vergaderzaal. Deur dicht. Hij heeft drie keer koffie gehaald.' Ze zei het luchtig, maar Sam merkte dat ze het precies had bijgehouden. 'En toen ik net bij het secretariaat was, lag er een printopdracht van hem in het apparaat. Inspectierapporten uit Algeciras, met gele markeringen.' Ze glimlachte zoet. 'Ik heb er misschien even naar gekeken. Per ongeluk.'

'Per ongeluk.'

'Volkomen per ongeluk. Ze lagen open.' Jasmijn haalde haar telefoon tevoorschijn, scrolde even en draaide het scherm naar Sam toe: een scheef genomen foto van een pagina, met een gele markering midden in een alinea. 'Hij denkt dat de containers al vochtschade hadden toen ze in Algeciras aankwamen. Dat de schade dus op het eerste schip is ontstaan, en dat de vervoerder volledig aansprakelijk is.'

Sam las de gemarkeerde zin twee keer. Het was een goed punt. Niet briljant, maar goed. Precies het soort punt dat in een vergadering indruk maakte.

'Jasmijn.'

'Ja?'

'Je bent eng.'

'Dat weet ik ook.' Jasmijn draaide haar stoel terug naar haar eigen scherm. 'Je hebt nog een uur.'

Om tien over negen hoorde ze hem al voordat ze hem zag: de doffe tik van dure leren zolen op de vloer en een stem die net iets harder klonk dan nodig, terwijl hij in het voorbijgaan een collega begroette met een grap die alleen hijzelf grappig vond. Naast haar trok Jasmijn de gouden speld uit haar haar, schudde haar krullen even los en stak hem er weer in, iets hoger dan eerst. Sam zag het vanuit haar ooghoek en zei er niets van.

Thomas Brouwer was derdejaars, twee jaar verder dan zij, en hij liep door de afdeling alsof hij er al de eigenaar van was. Hij was ruim een meter vijfentachtig, met donkerblond haar dat hij met gel strak naar achteren kamde en een vierkante, gladgeschoren kaak. Hij droeg een donkerblauw pak dat duidelijk duurder was dan dat van wie dan ook op de afdeling, met de mouwen net genoeg opgeschoven om zijn horloge te laten zien. Hij was knap op een glanzende, verzorgde manier, en hij wist het. Alles aan hem straalde uit dat hij nooit ergens voor had hoeven vechten. Zijn vader zat in de raad van bestuur van een van de grootste verzekeraars van het land en speelde golf met de helft van de partners. Thomas had zijn eerste stage hier gekregen via een vriend van zijn oom, en zijn eerste grote dossier via een etentje bij iemand thuis in Wassenaar. Hij noemde dat netwerken. Sam noemde het anders, maar alleen in haar hoofd.

Het vervelende was dat hij goed was. Als hij dom was geweest, had ze hem kunnen negeren. Hard werken deed hij niet; hij kwam laat, ging vroeg en zat een opvallend groot deel van de dag te bellen met mensen die niets met zijn dossiers te maken hadden. Maar als het erop aankwam, wist hij zich precies genoeg in te zetten om te schitteren, op precies het moment dat de juiste partner keek. En hij wist hoe hij een partner moest laten denken dat een idee van hem kwam, ook als dat niet zo was. Bij Sam had hij dat in haar eerste maanden een paar keer geprobeerd. Tot hij een van haar argumenten in een vergadering als het zijne presenteerde, en zij hem daar vriendelijk een paar verdiepende vragen over stelde. Eerst een, toen nog een, en toen nog een, steeds iets dieper, steeds iets preciezer. Hij had de eerste nog redelijk weten te pareren, de tweede met een grapje proberen weg te lachen, en bij de derde was hij gaan bluffen. Niet goed genoeg. Van der Werff had zijn bril afgezet en gewacht, en het was vijf seconden stil gebleven, die voor Thomas waarschijnlijk vijf minuten hadden geduurd. Sindsdien probeerde hij het bij haar niet snel meer. Hoewel hij er soms van leek te genieten om het toch te proberen, gewoon om te zien of ze het zou merken. Ze merkte het altijd. En hij was het nooit vergeten. Sindsdien hing er tussen hen iets wat nooit helemaal ging liggen: een soort natuurlijke strijd tussen twee mensen die allebei wilden winnen. Het verschil was dat Thomas gewend was te winnen, omdat het hem altijd was komen aanwaaien. Sam had nooit iets cadeau gekregen. Zij dwong het af.

Hij kwam niet naar haar bureau toe zoals een normaal mens dat deed. Hij kwam erop zitten. Met één bil op de rand, zijn been losjes bungelend, zijn arm achteloos over haar stapel dossiers, zodat ze er niet meer bij kon.

'Goedemorgen, dames.'

'Thomas,' zei Sam. 'Je zit op mijn dossiers.'

'Ik weet het. Ze zitten heel comfortabel.' Hij keek op haar neer en liet zijn blik langzaam over haar heen glijden, van haar opgestoken haar via de open hals van haar blouse naar de kokerrok, op een manier die net niet onbeleefd genoeg was om er iets van te zeggen. 'Mantelpak. Kokerrok. Bovenste knoopje los. Heel gewaagd voor jouw doen, Sam.' Hij grijnsde. 'Zat je vanochtend in een bijzondere stemming?'

'Ik zat vanochtend in de metro.'

'De metro.' Hij zei het alsof het een exotisch woord was. 'Hoe charmant. Ik vergeet altijd dat mensen dat nog doen.' Hij pakte de pen die naast haar toetsenbord lag, draaide hem tussen zijn vingers en bekeek hem alsof hij hem op waarde aan het schatten was. 'Je was trouwens laat vanochtend. Ik zag je pas om negen uur binnenkomen. Dat ken ik niet van je.' Hij boog zich een stukje naar haar toe en liet zijn stem dalen. 'Lange nacht gehad?'

'Mijn pen, Thomas.'

'Zo meteen.' Hij draaide hem nog een keer rond. 'Ik vraag het uit bezorgdheid, hoor. Twee jaar single, Sam. Twee jaar. Dat is zonde van al die uren in de sportschool. Al dat harde werken, en niemand die er iets aan heeft.' Hij legde zijn hand op zijn hart. 'Als je ooit iemand nodig hebt die je even uit je schema haalt, weet je me te vinden. Puur collegiaal.'

Sam voelde het in haar nek, die bekende, prikkelende irritatie die alleen Thomas bij haar losmaakte. Bij andere mannen had ze altijd een antwoord. Een blik, een opmerking, een stilte op het juiste moment, en ze waren weer precies waar ze ze hebben wilde. Maar Thomas liet zich niet sturen. Hij wilde zelf veroveren, en hij deed dat graag en vaak. Hij had het niet eens zozeer op haar gemunt omdat hij haar wilde. Natuurlijk zou hij haar graag een keer in bed krijgen; ze was mooi, ze was moeilijk te krijgen en dat maakte haar voor hem een uitdaging. Maar zijn opmerkingen waren vooral bedoeld om te zien of ze reageerde. Hij merkte dat ze er slecht tegen kon, en dat vond hij leuk. En het ergerde haar mateloos dat ze bijna altijd reageerde, al was het maar met een iets te strak klemmen van haar kaken.

Ze stak haar hand uit, met de palm naar boven, en keek hem recht aan. 'Pen.'

Hij keek haar een moment aan, grijnsde en legde de pen in haar hand. Maar niet zomaar. Hij liet zijn vingers net een fractie te lang over de hare glijden. 'Altijd zo streng,' zei hij zacht. 'Dat vind ik nou zo leuk aan je.' Hij hield zijn hoofd een beetje schuin en keek haar onderzoekend aan. 'Ben je dat eigenlijk overal, Sam? In alles? Altijd de touwtjes in handen?' Hij liet het even hangen. 'Of zijn er ook momenten dat je ze wel eens loslaat?'

'Wie wil dat weten?'

'Gewoon. Nieuwsgierig.' Hij knipoogde. 'Ze zeggen dat de strengste mensen vaak het meest verlangen naar iemand die het van ze overneemt. Maar dat zal bij jou natuurlijk niet zo zijn.'

Hij lachte, ging rechtop zitten en draaide zich naar Jasmijn, alsof hij Sam al lang genoeg had laten spartelen. 'Jasmijn. Nieuwe blazer?'

'Nieuw,' zei Jasmijn, en ze straalde. 'Gisteren gekocht. Wat leuk dat je dat ziet.' Ze keek naar hem op en hield zijn blik iets langer vast dan nodig was. Toen hield ze haar hoofd een beetje schuin en glimlachte haar liefste glimlach, het soort glimlach waarmee je iemand aankijkt die je stiekem een beetje bewondert. Sam kende die glimlach. Ze had hem bij partners gezien, bij cliënten, bij de man van de IT-helpdesk, en hij zat altijd precies op zijn plek. 'Maar Thomas, er is mij ook iets aan jou opgevallen.'

'O ja?' Thomas trok een wenkbrauw op en grijnsde. 'Jasmijn. Zit je zo op mij te letten?'

Jasmijn giechelde. Een kort, hoog lachje, met haar hand even tegen haar mond, alsof hij haar ergens op had betrapt. Sam rolde met haar ogen en keek nadrukkelijk naar haar scherm. Giechelen. Hoe konden mannen dit niet door hebben, dacht ze geërgerd.

'Je zit al sinds half acht in de kleine vergaderzaal. Met de deur dicht.' Ze draaide haar pen langzaam tussen haar vingers. 'Heb je weer eens iets ontdekt?'

Thomas glimlachte, leunde achterover en sloeg zijn armen over elkaar. 'Misschien.'

'Misschien,' herhaalde Jasmijn.

'Je hoort het straks wel, in het overleg.' Hij keek even naar Sam, en toen weer naar Jasmijn, met de blik van iemand die het heerlijk vond om iets te weten wat de rest niet wist. 'Ik kan niet alles zomaar weggeven.'

Jasmijn boog zich een stukje naar voren en legde haar hand op zijn knie. Licht, bijna terloops. 'Ook niet een tipje van de sluier?' vroeg ze zacht. 'Voor mij?'

Hij keek naar haar hand, en toen naar haar. Sam zag hem aarzelen, en zag hem toen zwichten, op de manier waarop mannen zwichten als ze denken dat ze een cadeau geven in plaats van iets afstaan.

'Laten we zeggen,' zei hij, met zijn stem iets lager, 'dat de vervoerder er nog spijt van gaat krijgen dat hij zo naar Algeciras wijst. Die containers waren daar niet zo droog als hij denkt.'

'Thomas.' Jasmijn trok haar hand terug en keek hem aan alsof hij haar net iets heel bijzonders had verteld. 'Dat klinkt echt goed.'

'Het wordt ook goed.' Hij glimlachte naar haar, en ze glimlachte terug, en heel even keken ze elkaar aan op een manier waar Sam niet helemaal bij hoorde. Toen gleed Thomas van het bureau, trok zijn colbert recht en tikte met twee vingers op de stapel dossiers waar hij op had gezeten. 'Tot straks, dames. Sam, maak je geen zorgen. Ik laat in het overleg nog wel wat voor je over.'

Jasmijn keek hem na tot hij de hoek om was. Daarna bleef ze nog een paar tellen naar de lege gang kijken, voordat ze zich naar haar scherm draaide. Sam wist niet zeker of dat laatste nog bij het spel hoorde.

'Nou,' zei ze. 'Nu weet je het zeker.'

Sam keek haar aan. 'Hoe doe je dat?'

'Wat?'

'Hem zo laten praten.'

Jasmijn haalde haar schouders op, zonder op te kijken van haar scherm. 'Ik vraag het gewoon.' Ze typte iets, en voegde er na een paar seconden aan toe: 'Je kunt ook gewoon een keer om zijn grapjes lachen, hoor. Hij is niet zo erg als je denkt.'

'Hij is precies zo erg als ik denk.'

Jasmijn glimlachte een beetje, maar zei niets meer. Sam keek naar de pen in haar hand, die ze nog steeds stevig vasthield, en legde hem neer. Ze zou nooit om Thomas' grapjes lachen. Ze zou nooit iemand als Thomas bewonderen om er iets voor terug te krijgen. Liever won ze op inhoud, en dan zo dat niemand er nog omheen kon. Ze trok de cognossementen naar zich toe, las de gemarkeerde clausule nog één keer en voelde haar irritatie langzaam plaatsmaken voor iets anders. Iets scherps en kouds en heel prettigs. Thomas had zijn punt. Zij had het hare. En nu wist zij precies wat hij zou zeggen, en hij niet wat zij zou zeggen.

Om half tien zat de grote vergaderzaal vol. Sam zat aan de lange tafel tegenover het raam, met haar laptop open en een geprinte kopie van de cognossementen voor zich. Jasmijn zat links van haar, Thomas rechts, met zijn map met gekleurde tabbladen al opengeslagen. Hij leunde opzij toen ze ging zitten.

'Spannend, hè,' fluisterde hij. 'Je eerste grote overleg met mij erbij. Ik zal lief voor je zijn.'

Ze antwoordde niet. Ze keek naar het raam.

Van der Werff was nog niet binnen, en terwijl de anderen zachtjes praatten, dwaalde haar blik over het water. Ver beneden duwde een sleepboot een binnenvaartschip naar de kade. Vanaf de zevende verdieping waren de mensen op het dek niet meer dan stipjes, maar haar gedachten vulden het vanzelf in. Een man die daar de hele dag werkte, met trossen en kettingen en ladingen die zwaarder waren dan hij. Brede schouders, sterke handen, armen die gewend waren om dingen op hun plek te trekken. Iemand die niet nadacht over hoe hij moest vastpakken, maar het gewoon deed. Ze vroeg zich af of hij buiten de haven ook zo goed was met grote, zware dingen, en ze moest bijna glimlachen om haar eigen gedachte. Haar ademhaling werd iets dieper. Onder de tafel sloeg ze haar benen over elkaar, en ze voelde tot haar ergernis een vochtige warmte tussen haar dijen die er niet hoorde te zijn, niet hier, niet nu. Toen besefte ze waar ze was, en ze balde onder de tafel haar vuist. Alweer. Ze had het nog zo tegen zichzelf gezegd, in de metro. Niet op het werk.

Naast haar schoof Thomas zijn stoel iets dichterbij, en de geur van zijn veel te dure aftershave trok haar volledig terug in de kamer. Ze rechtte haar rug, legde haar handen plat op het papier voor zich en keek naar de deur. Niemand had iets gemerkt. Daar was ze zeker van.

Mr. Van der Werff kwam binnen zoals hij altijd binnenkwam: zonder op te kijken, met een stapel papier onder zijn arm en een kop zwarte koffie in zijn hand. Hij was een lange, magere man van achter in de vijftig, met kortgeknipt grijs haar en een leesbril die te ver op zijn neus stond, alsof hij er voortdurend overheen moest kijken naar iets wat interessanter was. Hij ging zitten aan het hoofd van de tafel en legde zijn stapel papier voor zich neer. Sam zag dat het de complete correspondentie uit het dossier was, honderden pagina's, met op bijna elke pagina aantekeningen in zijn kleine, schuine handschrift. Hij had alles gelezen. Hij las altijd alles.

Pieter van der Werff was in de haven een begrip. Rederijen belden hem als het echt mis was, en tegenpartijen werden zichtbaar nerveus als hij binnenliep. Hij had geen enkele interesse in netwerken, borrels of de vraag wie welk kantoor op de achtste kreeg. Hij geloofde in één ding, en dat was het werk. Hij kon een dossier van duizend pagina's in een weekend doorlezen en op maandagochtend vertellen op welke pagina het probleem zat. Hij sprak zacht en weinig, zodat iedereen in de kamer zich vanzelf naar hem toe boog, en als hij een vraag stelde, wist je dat hij het antwoord al kende en vooral wilde weten of jij het ook kende. In deze kamer was hij de enige autoriteit die telde, en iedereen wist het. Zelfs Thomas zat iets rechter op zijn stoel.

'Waar staan we?'

Thomas had zijn map al open voordat de vraag uitgesproken was. Hij presenteerde zijn punt goed, dat moest Sam hem nageven: helder, zelfverzekerd, met de juiste pagina op het juiste moment. Hij sloot af met een gebaar naar het inspectierapport en de woorden 'Hij is volledig aansprakelijk', en leunde daarna achterover met de blik van iemand die zojuist een schaakpartij had gewonnen. Onder de tafel tikte zijn knie even tegen die van Sam, alsof het per ongeluk was.

Van der Werff las het rapport. Hij zei niets. Toen keek hij op, over de rand van zijn bril, langs Thomas heen naar Sam.

'En jij?'

Sam liet een korte stilte vallen. Niet omdat ze twijfelde, maar omdat ze had geleerd dat het moment waarop je begon te praten soms belangrijker was dan wat je zei.

'Thomas heeft gelijk dat de schade waarschijnlijk op het eerste schip is ontstaan,' zei ze. 'Maar daarmee zijn we er nog niet. De vervoerder gaat zeggen dat het zeegevaar was, en de Hoge Raad heeft in 2016 in een vergelijkbare zaak een vervoerder daarin gelijk gegeven. Met het weer in de Golf van Biskaje in die weken staat hij niet eens zo zwak. Dan krijgen we jaren discussie over weersberichten en deskundigenrapporten.'

Ze schoof haar kopie van de cognossementen naar het midden van de tafel. Op de achterzijde had ze een clausule geel gemarkeerd.

'Maar kijk naar clausule zeventien. De vervoerder heeft in zijn eigen voorwaarden opgenomen dat hij de containers vóór inlading inspecteert op waterdichtheid, en dat die inspectie wordt vastgelegd in een rapport dat op verzoek aan de verlader wordt verstrekt. Hij heeft dat zelf zo opgeschreven, waarschijnlijk om zich in andere zaken in te dekken. Als die inspectie in Shanghai niet is gedaan, of als hij het rapport niet kan overleggen, kan hij zich niet meer verschuilen achter zeegevaar. Dan heeft hij een verplichting geschonden die hij zelf heeft gecreëerd. En als het rapport er wel is en de containers waterdicht waren, dan weten we precies wanneer het misging. Dan hebben we Thomas' punt alsnog nodig, maar dan staat het een stuk sterker.' Ze tikte met haar pen op het papier. 'Ik zou hem vandaag nog om dat rapport vragen. Formeel, met een termijn van veertien dagen. De opzet van de brief heb ik klaar.'

Het bleef stil. Jasmijn keek strak naar haar aantekeningen. Thomas zat heel stil naast haar. Zijn knie was weggeschoven.

Van der Werff trok de cognossementen naar zich toe en las de gemarkeerde clausule. Hij las hem twee keer, langzaam. Toen pakte hij zijn vulpen, schreef iets in de kantlijn, schoof het papier terug en keek Sam aan.

'Scherp,' zei hij.

Verder niets. Hij ging door naar het volgende punt op de agenda, alsof er niets bijzonders was gebeurd. Maar Sam voelde het in haar hele lijf, een warm, sprankelend gevoel dat van haar borst naar haar vingertoppen trok. Hetzelfde woord had al maanden in rode inkt in de kantlijn van haar memo's gestaan, maar dan met een -er erachter. Ze hield haar gezicht volkomen neutraal en maakte een aantekening die eigenlijk nergens over ging.

Naast haar sloeg Thomas zijn map dicht, iets harder dan nodig. Sam zag vanuit haar ooghoek dat Jasmijn heel even naar hem keek, met iets in haar blik wat bijna op medelijden leek, en toen weer naar haar aantekeningen.

Na afloop, toen iedereen opstond, zei Van der Werff zonder op te kijken: 'Sam. De brief om twee uur op mijn bureau. Onder jouw naam, met de mijne eronder. En de call met Singapore doe jij vanmiddag. Ik schuif aan, maar jij leidt.' Hij pakte zijn stapel papier en bleef bij de deur nog even staan. 'Er komen de komende tijd grotere dossiers op de afdeling. Ik heb mensen nodig die verder lezen dan de eerste pagina.' Toen was hij weg.

Jasmijn greep op de gang haar arm zo hard vast dat het bijna pijn deed. Ze zei niets, maar haar ogen spraken boekdelen. Achter hen liep Thomas met zijn telefoon al aan zijn oor naar de liften. Sam ving nog net de woorden pap en even sparren op voordat de deuren dichtgingen.

'Grotere dossiers,' zei Jasmijn bij het koffieapparaat, voor de derde keer. 'Grotere dossiers. Dat is die cliënt. Dat moet die cliënt zijn.'

'Je weet niet of het daarover gaat.'

'Ik weet het niet. Maar ik voel het.' Jasmijn drukte op de knop voor een cappuccino. 'Thomas voelt het ook. Hij belt nu zijn vader.' Ze zei het zonder venijn, eerder een beetje zacht, en keek naar de lift alsof ze hem daar nog kon zien staan.

Achter haar kwam iemand de koffiecorner in lopen. Joris Vermeulen, tweedejaars bij Corporate, een jaar verder dan zij. Sam kende hem van een paar borrels en een cursus contractenrecht waar ze allebei te vroeg voor waren gekomen, maar ze hadden nooit veel meer dan beleefdheden uitgewisseld. Hij was lang en breed, met donkerbruin haar dat net iets te lang was voor dit kantoor, een rustig, hoekig gezicht en een donkergroene trui over zijn overhemd, terwijl iedereen hier in colbert liep. Hij knikte kort naar hen allebei, zette een kop onder het andere apparaat en wachtte, met zijn handen in zijn zakken en zijn blik op het raam. Hij keek niet naar Jasmijn, en ook niet naar haar.

Sam merkte dat ze naar hem keek, en dat het haar meteen interesseerde. Joris stond bekend als iemand die weinig zei, niet vaak bij borrels bleef hangen en zijn werk deed zonder er ooit over op te scheppen. Hoe zou hij zijn, buiten kantoor? Zou hij ook zo rustig blijven als zij hem aankeek, echt aankeek, zoals ze naar mannen keek die ze wilde hebben? Of zou die kalmte net zo snel barsten als bij de rest? Zou ze hem net zo makkelijk krijgen, of zou ze er moeite voor moeten doen? Ze zag het voor zich: een borrel, laat, als de meeste mensen al weg waren. Zij die naast hem ging staan, een vraag stelde die net iets persoonlijker was dan nodig, en hoe hij eerst afstandelijk zou blijven, en zij langzaam die laag van hem af zou pellen tot hij net zo gretig werd als de rest. Want dat werden ze uiteindelijk allemaal. Dat was het leukste deel: de moeilijke langzaam zacht zien worden. Ze voelde het bloed naar haar wangen stijgen en een prikkelende warmte door haar borst trekken, en ze sloeg onwillekeurig haar armen over elkaar.

Joris pakte zijn koffie, knikte nog een keer en liep weg zonder om te kijken.

'…Sam?'

Ze keek op. Jasmijn keek haar aan met haar beker halverwege haar mond.

'Sorry. Wat zei je?'

'Niks bijzonders.' Jasmijn volgde haar blik naar de gang waar Joris net in was verdwenen, en keek toen weer naar Sam, met één wenkbrauw iets hoger dan de andere. Ze zei er niets over. Ze nam alleen een slok van haar cappuccino en glimlachte een heel klein beetje in haar beker.

Sam nam een slok van haar eigen koffie, die ze niet proefde. Alweer, dacht ze. Midden op de afdeling, bij het koffieapparaat, bij iemand van Corporate. Haar wangen gloeiden nog. Ze voelde zich onnozel, en ze voelde zich betrapt, al had Jasmijn niets gezegd.

De lunch was op het terras van het restaurant op de bovenste verdieping. Het was oktober, maar het was een van die zeldzame zonnige middagen waarop het nog net warm genoeg was om buiten te zitten, met een jas over je stoel en je gezicht naar de zon. Jasmijn had een tafeltje aan de rand bemachtigd. Thomas had zichzelf uitgenodigd, zoals hij elke vrijdag deed, en schoof zonder te vragen de stoel naast Jasmijn naar achteren, tegenover Sam. Jasmijn schoof haar tas een stukje opzij om ruimte te maken, nog voordat hij erom had gevraagd.

Hij had zich na de vergadering snel herpakt. Dat was het irritante aan hem: hij herpakte zich altijd. Hij had haar bij de lift gefeliciteerd, met een hand op haar onderrug die er net te lang bleef liggen, en hij zat nu breeduit en ontspannen in zijn stoel, alsof de ochtend nooit had plaatsgevonden. Hij praatte over zijn arbitrage in Londen, die volgens hem de belangrijkste zaak van het jaar zou worden, en noemde namen van advocaten bij de grote Londense kantoren alsof het oude studievrienden waren. Jasmijn luisterde, met haar kin op haar hand, en lachte op de momenten dat hij wilde dat er gelachen werd, steeds precies op tijd, alsof ze zijn verhalen al kende voordat hij ze vertelde. Eén keer, toen hij iets zei over een barrister die zijn pruik in een taxi was vergeten, lachte ze zo echt dat ze haar hand voor haar mond moest houden, en Thomas keek haar aan met een blik die Sam niet vaak bij hem zag. Iets minder glad. Iets meer gemeend.

Sam luisterde maar half. Twee tafels verderop zat een man alleen met een kop koffie en een krant: begin dertig, donkere krullen die over zijn kraag vielen, een wit overhemd met opgerolde mouwen en sterke, gebruinde onderarmen. Geen advocaat, dacht ze; daarvoor zat hij te ontspannen. Iemand van een rederij misschien, of van de terminal, iemand die hier voor een afspraak was. Hij sloeg een pagina om en keek even op, langs haar heen, naar het water. Ze bekeek zijn handen, de manier waarop hij zijn kopje vasthield, en vroeg zich af hoe hij zou zijn als je hem 's avonds tegenkwam in plaats van op een kantoorterras. Of hij iemand was die je moest verleiden of iemand die zich liet verleiden. Ze zag het al voor zich: haar glas op de bar naast het zijne, een vraag, een glimlach, en hoe zijn ontspannen houding langzaam zou veranderen in… Ze voelde haar tepels hard worden onder de zijde van haar blouse, zichtbaarder dan haar lief was, en trok haar jas van de rugleuning en over haar schouders, alsof ze het ineens koud had gekregen.

'…toch, Sam?'

Ze keek op. Thomas keek haar verwachtingsvol aan. Ze had geen idee wat hij had gezegd.

'Absoluut,' zei ze.

'Zie je wel,' zei Thomas tegen Jasmijn, tevreden. 'Zelfs Sam vindt het.'

Jasmijn wierp haar een korte, onderzoekende blik toe, en daarna een blik op de jas om Sams schouders. Ze zei niets. Sam pakte haar vork en at een hap van haar salade die ze niet proefde. Ze voelde zich betrapt, al had niemand iets betrapt. Ze was de tel kwijt van hoe vaak het haar vandaag al was overkomen, en ze begon er echt genoeg van te krijgen.

Thomas vertelde ondertussen over een diner in Mayfair met een partner van een groot Londens kantoor die hij 'Charlie' noemde, en liet terloops vallen dat hij die week nog een lunch had gehad met de managing partner.

'Mijn vader kent hem nog van vroeger,' zei hij. 'Dus dat praat makkelijk.'

'Dat zal best,' zei Sam.

'Dat is ook zo.' Hij glimlachte naar haar, en ze zag in zijn ogen dat hij precies wist wat ze dacht. 'Niet iedereen heeft dat geluk, natuurlijk. Sommige mensen moeten het helemaal op eigen kracht doen. Vanuit niks.' Hij prikte in zijn salade. 'Heel bewonderenswaardig. Echt waar. Ik zou het niet kunnen. Al die avonden tot elf uur in de clausules.' Hij keek haar aan. 'Wat doen jouw ouders eigenlijk ook alweer, Sam?'

Hij wist het. Hij had het haar al eens gevraagd, op de kerstborrel, en ze had het hem verteld.

'Mijn vader werkt bij de gemeente,' zei ze kalm. 'Mijn moeder in de thuiszorg.'

'Prachtig,' zei Thomas. 'Echt. Dat zijn de mensen die dit land draaiende houden.' Hij nam een slok water. 'En moet je kijken waar hun dochter nu zit. Ze zullen wel trots zijn.'

Sam voelde haar kaken zich aanspannen en haar vingers zich om haar vork klemmen. Ze legde de vork neer. Het was zo glad, zo onschuldig verpakt, dat elke reactie overgevoelig zou lijken. En hij wist het. Hij keek haar aan met dat lachje, wachtend.

'Ze zijn heel trots,' zei ze. 'Net zoals jouw vader vast trots is dat zijn zoon zijn eigen afspraken nog niet kan maken.'

Thomas lachte, hard en oprecht geamuseerd, alsof ze hem een cadeau had gegeven. Ze had hem precies gegeven wat hij wilde: een reactie. Hij leunde achterover, tevreden, en ze haatte het.

'Thomas,' zei Jasmijn, en ze legde heel even haar hand op zijn arm. 'Die golfdag. Met de managing partner. Is dat bij die baan in Wassenaar? Ik hoorde dat die zo mooi is.'

Hij draaide zich naar haar toe, en Sam zag hoe zijn aandacht verschoof, hoe hij ineens weer begon te vertellen, over de baan en de holes en een partner die zijn bal in de vijver had geslagen. Jasmijn liet haar hand iets langer op zijn arm liggen dan nodig was en trok hem toen terug. Ze lachte om zijn verhaal en stelde de juiste vragen, en Sam had geen idee of ze het deed om Sam te redden of omdat ze het gewoon leuk vond om naar hem te luisteren. Ze vermoedde allebei.

Toen het onderwerp golf eindelijk was uitgeput, keek Thomas weer naar Sam.

'Wat gaan jullie trouwens doen vanavond?'

'Ik heb een diner,' zei Jasmijn. 'Van de vereniging van jonge advocaten. Met een paar partners van andere kantoren.' Ze haalde haar schouders op. 'Netwerken.'

'Saai,' zei Thomas.

'Heel saai,' gaf ze toe, en ze keek hem even aan. 'Tenzij er iemand leuks is.'

Hij grijnsde en draaide zich weer naar Sam. 'En jij?'

'Weet ik nog niet.'

'Weet je nog niet.' Thomas leunde naar voren en liet zijn ellebogen op tafel rusten. 'Twee jaar single, vrijdagavond, en ze weet het nog niet.' Hij schudde zijn hoofd. 'Weet je wat jij nodig hebt, Sam? Iemand die het een keer voor je beslist. Die zegt: vanavond gaan we hiernaartoe, je trekt dit aan, en ik bepaal hoe laat je thuis bent.' Hij liet zijn stem iets zakken. 'Iemand die die controle van je overneemt, al is het maar voor één avond. Ik denk dat je het stiekem heerlijk zou vinden.'

Sam keek hem aan zonder een spier te vertrekken. 'Je denkt veel te veel, Thomas.'

'Misschien.' Hij stond op en pakte zijn bord. 'Ik ga met een paar jongens van het dispuut uit eten. We eindigen meestal op de Witte de With. Als je je bedenkt, weet je me te vinden.' Hij keek naar Jasmijn. 'Jij ook. Als je diner saai is.'

'We zullen zien,' zei Jasmijn.

Hij liep weg, en halverwege het terras draaide hij zich nog even om. 'Trek iets aan waar ik niet aan hoef te denken, Sam. Dat leidt zo af.'

Jasmijn keek hem na. Toen ze zich weer omdraaide, keek ze even naar haar telefoon, legde hem weer neer, en nam een slok water.

'Hij was erg vandaag,' zei Sam.

'Hij is altijd erg.' Jasmijn glimlachte vaag. 'Een beetje.'

'Een beetje?'

'Een beetje.' Ze keek Sam aan, en haar blik bleef net iets langer hangen dan nodig, op de jas die nog steeds om Sams schouders hing. 'Heb je het koud?'

'Een beetje.'

'Mm-hm,' zei Jasmijn, en ze liet het daarbij.

Na de lunch ging Sam aan haar bureau zitten om de brief af te maken. Ze had de opzet al klaar; het was een kwestie van de laatste alinea aanscherpen, de termijn goed formuleren en de verwijzingen naar de cognossementen controleren. Een half uur werk, misschien minder.

Na tien minuten merkte ze dat ze dezelfde zin voor de vierde keer had herschreven. Ze leunde achterover en staarde naar haar scherm. De afdeling was rustig na de lunch, met het zachte geroezemoes van mensen die bellen en het tikken van toetsenborden. Door het raam zag ze de zon over het water schitteren en de kranen langzaam draaien. En in haar hoofd zag ze weer de man op het terras, zijn onderarmen en zijn handen om het kopje. Daarachter Joris bij het koffieapparaat, met zijn handen in zijn zakken, de blozende starter in de metro, en helemaal vooraan, met die warme stem, Lucas.

Ze voelde het in haar hele lijf. Een onrustige, warme spanning die zich in haar onderbuik had genesteld en niet meer weg wilde. Ze zat niet lekker, schoof op haar stoel heen en weer, sloeg haar benen over elkaar en weer terug. Ze voelde hoe vochtig ze was, en hoe de stof van haar slipje tegen haar huid plakte, en ze kneep haar dijen even tegen elkaar aan. Dat maakte het alleen maar erger. Haar tepels schuurden tegen het kant van haar beha bij elke ademhaling. Haar wangen gloeiden, en ze was blij dat ze met haar rug naar de afdeling zat.

Ze sloot haar ogen. Dit was belachelijk. Ze kon het niet meer op de training of het slaapgebrek gooien. Haar lichaam was allang afgekoeld van de sportschool. Ze had vanochtend onder de douche haar moment gehad, ze had zichzelf echt meer dan genoeg verwend, en het had niets geholpen. Het was alsof het alleen maar erger was geworden. Alsof ze een deur op een kier had gezet en die nu niet meer dicht kreeg.

Ze opende haar ogen weer en keek naar haar spiegelbeeld in het donkere scherm van haar tweede monitor. Het lag niet aan Lucas, besefte ze, en ook niet aan de jongen in de metro, aan Joris of aan de man op het terras. Die waren alleen maar toevallig in de weg gelopen. Het lag aan haar. Ze had het te lang laten liggen. Twee, misschien drie maanden zonder iemand, en blijkbaar was haar lichaam daar klaar mee, of zij het nu wilde of niet. Zichzelf verwennen was prima, maar het was niet hetzelfde. Ze miste het moment waarop ze een man uitkoos, naar zich toe trok en hem precies liet doen wat zij wilde. Ze miste die blik, als hij doorkreeg dat zij de touwtjes in handen had en hij het niet erg bleek te vinden. Ze miste het gewicht van iemand naast haar, iemand die ze de volgende ochtend weer de deur uit kon laten lopen.

Ze had een man nodig. Echt nodig. Niet voor iets serieus, daar had ze geen tijd en geen zin in. Maar voor een avond. Iemand die ze kon uitkiezen, met wie ze kon spelen, en dan kon haar hoofd weer rustig worden.

En dan was er Thomas, met zijn touwtjes, zijn loslaten en zijn iemand die die controle van je overneemt. Ze voelde de irritatie weer in haar nek, en daaronder nog iets anders, iets wat ze niet goed kon plaatsen en meteen wegduwde. Hij had het mis. Hij had het zo ontzettend mis. Ze had helemaal niet nodig dat iemand iets van haar overnam. Ze had nodig dat ze weer eens nam wat ze wilde.

Het besluit gaf haar meteen rust. Het voelde als een dossier dat ze eindelijk had geopend in plaats van het steeds onder op de stapel te schuiven. Het was gewoon een kwestie van planning, zoals alles. Ze zou het dit weekend regelen. Vanavond al, als het kon. Ze knikte kort naar haar eigen spiegelbeeld, trok haar toetsenbord naar zich toe en schreef de laatste alinea van de brief in één keer, helder en scherp, zonder een woord te veel.

Om kwart voor twee lag de brief op Van der Werffs bureau. Om tien over twee lag hij terug op dat van haar, met één woord veranderd in de derde alinea en een parafering in de hoek. Om half drie ging hij de deur uit, aangetekend en per e-mail.

De call met Singapore leidde ze zelf. Van der Werff zat naast haar in de kleine vergaderzaal, met zijn armen over elkaar en zijn ogen half gesloten, en zei in drie kwartier precies twee zinnen. Sam sprak met twee advocaten die zeker tien jaar ouder waren dan zij, in vloeiend en precies Engels, en ze merkte hoe ze het gesprek na een paar minuten naar zich toe trok. Ze hield de agenda strak, stelde de vragen die ze moest stellen en liet stiltes vallen op de momenten dat ze wilde dat de ander iets meer zou zeggen dan hij van plan was. Haar hoofd was helder, helderder dan de hele dag, alsof het besluit van na de lunch alle ruis had weggehaald. Aan het eind hadden ze toegezegd binnen een week de documenten aan te leveren die ze al drie maanden niet hadden willen geven.

Van der Werff stond op, en bij de deur bleef hij even staan.

'Om vier uur nog tien minuten,' zei hij. 'Met jou en Jasmijn. In mijn kamer.'

Om vier uur zaten ze met z'n tweeën tegenover zijn bureau, in een kamer die precies zo was als hij: kaal, opgeruimd, met stapels dossiers in volmaakte rechte hoeken en aan de muur één ingelijste zeekaart van de Rotterdamse haven uit 1890. Hij keek hen allebei een moment aan over de rand van zijn bril.

'Volgende week komt er iets binnen,' zei hij. 'Ik kan er nog niets over zeggen. Het wordt groot, het wordt intensief, en het vraagt mensen die niet om zes uur naar huis willen.' Hij keek naar Jasmijn. 'Jij kunt goed met mensen. Ik zie hoe je met het secretariaat omgaat, en met cliënten op de borrels. Bij dit dossier gaan er veel mensen om ons heen lopen, en ik wil iemand die weet hoe ze met die mensen moet praten.' Toen keek hij naar Sam. 'En jij leest. Dat ga ik ook nodig hebben.' Hij schoof een stapel papier recht die al recht lag. 'Voorlopig zijn jullie het. Mr. De Haas komt er als senior bij. Daarna kijken we of er meer mensen nodig zijn. Zorg dat je volgende week je agenda vrijhoudt. Allebei. Dat was het.'

Buiten de deur bleef Jasmijn stokstijf staan, haar hand nog op de klink.

'Hij heeft het gezien,' fluisterde ze. 'Dat ik goed ben met mensen. Hij heeft het echt gezien.'

'Natuurlijk ziet hij dat,' zei Sam. 'Hij ziet alles.'

'Caroline de Haas, wel.' Jasmijn trok een klein gezichtje. Sam kende Caroline vooral van afstand: een van de senior advocaten van de afdeling, altijd onberispelijk gekleed, altijd beleefd, en altijd met een enorm strenge blik. 'Dat wordt gezellig.' Toen glommen Jasmijns ogen weer. 'Maar Sam, dit is het. Die cliënt. Wij zitten erop. Jij en ik.' Ze kneep in Sams arm. 'En Thomas niet.'

Ze zei het triomfantelijk, maar halverwege de zin werd haar stem net iets zachter, en ze keek even de gang in, naar de lift.

Om half vijf liep de afdeling langzaam leeg richting de lounge, waar om vijf uur de borrel begon. Jasmijn was naar de achtste verdieping om met iemand van het secretariaat van de managing partner een praatje te maken, wat ze 'een kop thee halen' noemde en wat ongetwijfeld te maken had met de cliënt van volgende week. Thomas was nergens te zien. Sam zat alleen aan haar bureau om de laatste mails van de week af te handelen.

Ze was moe op de goede manier, zoals ze altijd moe was na een week waarin alles was gelukt. Haar lichaam voelde nog de training van vanochtend, een zware, warme loomheid in haar benen en billen, en haar hoofd zat vol met het overleg, de brief, de call en het gesprek in Van der Werffs kamer. Volgende week begon er iets groots. Ze zou trots moeten zijn, en dat was ze ook.

Maar nu het werk erop zat, kwam het besluit van na de lunch weer omhoog, en dit keer duwde ze het niet weg. Ze voelde de warmte terugkomen, rustiger nu, verwachtingsvol. Ze wilde vanavond niet thuis op de bank zitten met een glas wijn en een serie. Ze wilde de stad in. Ze wilde een kroeg vol mensen en muziek die door haar borstkas dreunde, een drankje in haar hand en een man aan de andere kant van de bar die naar haar keek en niet wist wat hem overkwam. Ze wilde hem uitkiezen, met hem spelen, hem laten werken voor elke centimeter, en dan, als ze er zin in had, hem meenemen. Op haar voorwaarden. In haar tempo. Ze wilde zich even helemaal laten gaan, op de enige manier waarop ze dat kon: door alles zelf te bepalen.

Alleen: waar? Ze dacht aan de cocktailbars waar ze normaal naartoe ging, aan de Witte de With, en schoof dat meteen van tafel. Daar zou Thomas zijn, met zijn dispuutvrienden, en dat was wel het laatste wat ze wilde. De wijnbar bij haar om de hoek was te rustig, te vol stellen van eind dertig. De plekken waar Jasmijn heen ging, zaten vol advocaten. Ze merkte dat ze eigenlijk niet eens goed wist waar ze moest beginnen. Ze was er zo lang niet meer echt op uit geweest, met dit doel, dat ze haar eigen jachtgebied was kwijtgeraakt. Ze tikte met haar pen tegen de rand van haar bureau en fronste.

Op dat moment trilde haar telefoon.

Ze draaide hem om. Noor.

SAM. Vanavond. Ik heb een gastenlijst voor dat feest in de Maassilo, een DJ uit Berlijn, tot zes uur 's ochtends. Ik ga,Lotte gaat (tot één uur, saai), Isa gaat als ik haar ga ophalen. Jij gaat ook. Geen nee. Geen 'ik ben moe'. Geen 'ik moet morgen sporten'. Negen uur bij mij, ik heb champagne koud staan. 🍾🍾🍾

Een paar seconden later kwam er nog een bericht.

En trek iets aan waar je niet in kunt sporten.

Sam keek naar het scherm en voelde een glimlach over haar gezicht trekken, langzaam en breed. Natuurlijk. Noor. Noor wist altijd waar het feest was, kende altijd iemand die iemand kende en stond altijd op een gastenlijst. Noor kwam op plekken waar Sam nooit zou komen, met mensen die Sam nooit zou tegenkomen, en ze kwam er nooit alleen vandaan. Als er één iemand was met wie ze vanavond ergens zou uitkomen waar het zou lukken, dan was het Noor. Sam dacht aan alle keren dat ze haar had afgezegd omdat ze moe was, omdat ze moest werken of omdat ze de volgende ochtend om zes uur in de sportschool wilde staan. Ze dacht aan de warmte die de hele dag in haar buik had gezeten, aan de man die vanavond ergens aan de andere kant van een bar zou staan en nog niet wist dat zij bestond, en aan hoe goed het zou voelen om hem dat te laten merken.

Ze typte terug.

Ik ben er om negen uur.

Het bleef even stil, en toen kwam er een reeks uitroeptekens, een dansend poppetje en een vuurwerkemoji.

EINDELIJK. Wie ben jij en wat heb je met Sam gedaan?

Sam lachte hardop op de lege afdeling, legde haar telefoon neer en klapte haar laptop dicht. Ze had nog een borrel om doorheen te komen, een glas wijn om te drinken en een paar partners om gedag te zeggen. Daarna ging ze naar huis, om zich om te kleden voor een avond die van haar was.

Ergens aan de andere kant van de afdeling ging een deur open, en ze hoorde de doffe tik van dure leren zolen op de vloer. Ze pakte haar tas en liep de

andere kant op, naar de liften, voordat Thomas haar kon zien. Ze voelde alweer een gevoel in haar onderbuik bij de gedachte aan de avond.
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Ghostwriterpluma
Ookdeminde
Ookdeminde (61)
Zoek jij een vrouw die houdt van spanning, aandacht en een goed gesprek?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel
Durf jij met oma te flirten?
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Durf jij met oma te flirten?

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 860 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net