Door: Leen
Datum: 02-12-2025 | Cijfer: 9.4 | Gelezen: 2274
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 11 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Dagboek, Pijn,
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 11 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Dagboek, Pijn,
The law won't arrest you
The world won't detest you
You never did anything any man wouldn't do
De wereld draait vandaag door met een stuitende, bijna obscene vrolijkheid. Buiten vieren de seizoenen hun routine; de zon werpt haar goudgele vingers over de daken van de buren, mensen mopperen bij de bushalte over een vertraging van vijf minuten, en ergens in de verte lacht een kind om een hond die achter een bal aan rent. Voor de rest van de wereld is het een dinsdag, een woensdag of een donderdag — een witte ruimte in de kalender van hun leven, een dag die ze morgen alweer vergeten zijn.
Voor hem waarschijnlijk ook. Wouter loopt vrij rond in het felle daglicht, zijn geweten gesust door een ziekelijke vorm van ontkenning of – erger nog – door de pure, ijskoude onverschilligheid van een roofdier dat zijn prooi al lang verteerd heeft. Hij ademt de frisse ochtendlucht in zonder dat zijn longen protesteren. Hij drinkt zijn koffie, maakt een grapje met een collega en hij vergeet. Hij heeft de luxe van het geheugenverlies verdiend met de kille efficiëntie van zijn daden. In zijn wereld is er geen schuld, alleen een verleden dat hem niet meer kan inhalen. Ik wel. Ik voel het nog steeds. Elke seconde, elke hartslag is een getuigenverklaring die ik tegen mezelf afleg. Mijn geheugen is geen archiefkast waar ik af en toe een map uit trek; het is een open wond die vandaag weigert te stollen.
Ik sta in de badkamer, de enige plek waar het slot op de deur me een fractie van schijnveiligheid biedt — een fragiel houten schild tegen een wereld die mijn integriteit heeft opgegeven. De douche staat al uren aan. De ruimte is een witte mist van stoom, een wanhopige poging om de contouren van de realiteit te vervagen. Het water is heet, bijna kokend, maar de kou in mijn botten wijkt niet. Het is een ijstijd die van binnenuit komt, een permafrost van de ziel die geen enkele thermostaat kan ontdooien. Ik staar naar mijn huid onder de stromende straal. Hij is rood, rauw geschrobd met een obsessieve agressie die grenst aan zelfverminking. Ik probeer het weg te wassen – de onzichtbare afdrukken van zijn zware, opeisende handen die mijn grenzen als papier verscheurden. Maar mijn lijf is bevuild op een manier die geen zeep kan bereiken. Hoe hard ik ook veeg, hoe diep de spons ook in mijn vlees snijdt, het vuil zit niet op me. Het zit in me. Het sijpelt door mijn poriën, het wordt opgenomen in mijn bloedbaan, het nestelt zich in de vezels van mijn spieren als een parasiet die weigert te sterven. Het trauma is mijn nieuwe bloedgroep.
Ik haat mijn lichaam. Het is een verrader die alles onthoudt wat ik wil vergeten. Het functioneert via een feilloos, maar harteloos overlevingsmechanisme: mijn hart pompt zijn besmette bloed rond, mijn longen zuigen zuurstof naar binnen die ik voor mijn gevoel niet verdien, mijn benen dragen het gewicht van een vrouw die ik niet meer herken. De ogen die terug staren, zijn de ogen van een overlevende die de oorlog in de spiegel vergeet achter te laten. Omringd door de paarse kringen van duizend slapeloze nachten vragen ze zich af wanneer de lach definitief is geëmigreerd. Ik probeer het, hier in de veilige stoom van de badkamer. Ik dwing mijn mondhoeken omhoog, een aangeleerde beweging zonder ziel. De grimas die verschijnt is een horrorclown, een masker van doodsangst dat niet past op een gezicht van vlees en bloed. Het is de lach van iemand die allang gestorven is maar wiens systeem heeft besloten om door te draaien.
"Het gaat wel weer over," zeggen de mensen. "Je moet het loslaten," zeggen ze. Mensen denken dat de ziel een rugzak is die je gewoon op de grond kunt zetten als hij te zwaar wordt. Maar hoe laat je iets los dat zich in je DNA heeft gebrand? Hoe vergeet je de kou die niet van de winter komt, maar van de herinnering aan de kille, klinische blik in zijn ogen terwijl hij het metaal opwarmde? Hoe laat je de hand los die nog steeds om je keel zit, zelfs als de eigenaar van die hand kilometers verderop een broodje eet?
Want zodra ik mijn ogen sluit, of zodra de schaduwen van de nacht de kamer binnensluipen, houdt de wereld van vandaag op te bestaan. De herinnering is geen vage gedachte meer; het is een neuro-chemische hinderlaag. Het is een retinale inbranding die zich met een brute helderheid op mijn netvlies projecteert. Ik zie geen beelden van 'vroeger', ik word erin getrokken. De tijd klapt ineen. Het is alsof mijn hersenen een high-definition film afspelen waar ik geen regie over heb. De kleuren zijn te fel, de geluiden te scherp. Ik ruik de brandlucht van zijn uniform weer, een geur die door de muren van het heden heen breekt. De stilte in mijn slaapkamer transformeert in de beklemmende luchtdruk van de keuken van toen. De lawine is genadeloos: het begint bij een flits van zijn blik en voor ik het weet, word ik verstikt onder het gewicht van scènes die ik al duizend keer heb geprobeerd te verbranden.
Wanneer ik vandaag naar de littekens op mijn buik kijk, zie ik de kille systematiek van zijn gedrag. Wouter vond het destijds niet erg als ik huilde; voor hem was mijn verdriet slechts een smeermiddel voor zijn macht. Hij genoot zichtbaar van de transformatie van een vrouw naar een prooi. Het was een bewuste keuze toen hij dat koude metaal tevoorschijn haalde. Hij sneed niet uit blinde drift, maar met de methodische rust van een vakman. Terwijl hij zijn naam in mijn vlees kerfde, letter voor letter, was hij bezig met een onteigening. Het bloed dat toen in dunne beekjes over mijn heupen liep, was voor hem de inkt van zijn eigendomsbewijs. Hij dwong me om te kijken, om getuige te zijn van mijn eigen verminking. Het was zijn manier om de tijd stil te zetten: hij wist dat de huid zou genezen, maar dat het schrift onuitwisbaar zou blijven. Hij wilde niet dat ik hem zou onthouden; hij wilde dat ik heel mijn leven zou voelen.
De fysieke pijn van die nachten was verpletterend, maar de echte vernietiging vond plaats op het niveau van de psychische vernedering. Nadat hij me brak tot ik slechts een trillend hoopje ellende was, gunde hij me geen genadige stilte. Hij eiste een publiek voor zijn goddelijkheid. Ik herinner me hoe hij zijn zware gewicht op mijn geplette middenrif hield en mijn gezicht in zijn handen klemde. Het was niet genoeg dat hij me fysiek bezat; hij wilde mijn wilskracht als trofee. Hij dwong me tot de ultieme leugen. "Zeg het," beval hij, terwijl hij het mes tegen de verse wonden drukte. "Zeg dat je me wilt." Het was daar, op die bevlekte vloer, dat hij mijn menselijkheid definitief amputeerde. Om de pijn te laten stoppen, om weer lucht in mijn longen te krijgen, gaf ik hem de woorden die hij wilde. Ik hoor mijn eigen schorre stem nog steeds die woorden uitspreken — woorden die als stenen uit mijn mond vielen en mijn waardigheid in duizend stukken sloegen. Hij veranderde mijn stem in een instrument van mijn eigen vernedering. Hij dacht dat ik hem op dat moment erkende, maar in werkelijkheid wiste hij de laatste resten van de vrouw die ik was uit, om ze te vervangen door zijn eigen, gruwelijke script.
Dit is mijn situatieschets. Dit is de kaart van mijn ruïne. En vanuit dit stof vertel ik mijn verhaal.
U mag van mij geen klassieke autobiografie verwachten waarin de tijd keurig van A naar B loopt en alles uiteindelijk goed komt. Wat ik u bied, is een ontleding van de schaduw. In de hoofdstukken die volgen, neem ik u mee naar de 'Black Box', de no-go zone in mijn hoofd waar de fysieke ontsnapping begon. U zult getuige zijn van de nacht waarin de machine definitief vastliep en ik in het ziekenhuis belandde. In die zwartste nacht was er één lichtpunt dat weigerde te doven: Kristof. Hij was geen toeschouwer achteraf; hij was degene die me uit de ellende trok terwijl de sirenes nog nagalden, degene die besloot te blijven staan in de rook van mijn verwoeste leven.
Ik zal u tonen hoe ik jarenlang heb overleefd op de automatische piloot, aangedreven door een mechanisme dat geen ruimte liet voor de waarheid. Ik beschrijf de jaren van zelfdestructie, de kunst van het bloeden als bewijs van leven, en de razernij die uiteindelijk de resten van de gijzeling moest wegbranden om plaats te maken voor een nieuw begin. U zult de kille, scherpe helderheid ontmoeten van een vrouw die haar eigen grenzen eindelijk heeft getrokken. U zult lezen over de moeizame zoektocht naar veiligheid, de sabotage van het eigen geluk, en de uiteindelijke ontdekking dat integriteit niet betekent dat je nooit bent gebroken, maar dat je weigert de barsten nog langer te verbergen voor de wereld.
De as is nog warm onder mijn voeten. De inkt is nog vers en vlekt op mijn vingers. Bereid u voor op een reis door de architectuur van een breuk — een constructie van pijn die even indrukwekkend als verwoestend is. Maar bereid u vooral voor op de koppige wederopstanding die begon bij die ene, trillende, uitgestoken hand in het ziekenhuis. Een hand die niet kwam om te grijpen of te slaan, maar om simpelweg te zeggen: Ik ben hier. Je bent niet meer alleen.
De stilte is definitief verbroken. Het is tijd dat ik mijn verhaal vertel.
Leen.
- - -
Dit verhaal is een onderdeel van mijn biografie. Het is een verzameling scherven die samen een spiegel vormen. Het wisselt af tussen rauwe, verhalende scènes (in de tegenwoordige tijd), filosofische essays over trauma, en gedichten die dienen als emotionele ontlading. Een overzicht van alles vind je op mijn profielpagina
The world won't detest you
You never did anything any man wouldn't do
De wereld draait vandaag door met een stuitende, bijna obscene vrolijkheid. Buiten vieren de seizoenen hun routine; de zon werpt haar goudgele vingers over de daken van de buren, mensen mopperen bij de bushalte over een vertraging van vijf minuten, en ergens in de verte lacht een kind om een hond die achter een bal aan rent. Voor de rest van de wereld is het een dinsdag, een woensdag of een donderdag — een witte ruimte in de kalender van hun leven, een dag die ze morgen alweer vergeten zijn.
Voor hem waarschijnlijk ook. Wouter loopt vrij rond in het felle daglicht, zijn geweten gesust door een ziekelijke vorm van ontkenning of – erger nog – door de pure, ijskoude onverschilligheid van een roofdier dat zijn prooi al lang verteerd heeft. Hij ademt de frisse ochtendlucht in zonder dat zijn longen protesteren. Hij drinkt zijn koffie, maakt een grapje met een collega en hij vergeet. Hij heeft de luxe van het geheugenverlies verdiend met de kille efficiëntie van zijn daden. In zijn wereld is er geen schuld, alleen een verleden dat hem niet meer kan inhalen. Ik wel. Ik voel het nog steeds. Elke seconde, elke hartslag is een getuigenverklaring die ik tegen mezelf afleg. Mijn geheugen is geen archiefkast waar ik af en toe een map uit trek; het is een open wond die vandaag weigert te stollen.
Ik sta in de badkamer, de enige plek waar het slot op de deur me een fractie van schijnveiligheid biedt — een fragiel houten schild tegen een wereld die mijn integriteit heeft opgegeven. De douche staat al uren aan. De ruimte is een witte mist van stoom, een wanhopige poging om de contouren van de realiteit te vervagen. Het water is heet, bijna kokend, maar de kou in mijn botten wijkt niet. Het is een ijstijd die van binnenuit komt, een permafrost van de ziel die geen enkele thermostaat kan ontdooien. Ik staar naar mijn huid onder de stromende straal. Hij is rood, rauw geschrobd met een obsessieve agressie die grenst aan zelfverminking. Ik probeer het weg te wassen – de onzichtbare afdrukken van zijn zware, opeisende handen die mijn grenzen als papier verscheurden. Maar mijn lijf is bevuild op een manier die geen zeep kan bereiken. Hoe hard ik ook veeg, hoe diep de spons ook in mijn vlees snijdt, het vuil zit niet op me. Het zit in me. Het sijpelt door mijn poriën, het wordt opgenomen in mijn bloedbaan, het nestelt zich in de vezels van mijn spieren als een parasiet die weigert te sterven. Het trauma is mijn nieuwe bloedgroep.
Ik haat mijn lichaam. Het is een verrader die alles onthoudt wat ik wil vergeten. Het functioneert via een feilloos, maar harteloos overlevingsmechanisme: mijn hart pompt zijn besmette bloed rond, mijn longen zuigen zuurstof naar binnen die ik voor mijn gevoel niet verdien, mijn benen dragen het gewicht van een vrouw die ik niet meer herken. De ogen die terug staren, zijn de ogen van een overlevende die de oorlog in de spiegel vergeet achter te laten. Omringd door de paarse kringen van duizend slapeloze nachten vragen ze zich af wanneer de lach definitief is geëmigreerd. Ik probeer het, hier in de veilige stoom van de badkamer. Ik dwing mijn mondhoeken omhoog, een aangeleerde beweging zonder ziel. De grimas die verschijnt is een horrorclown, een masker van doodsangst dat niet past op een gezicht van vlees en bloed. Het is de lach van iemand die allang gestorven is maar wiens systeem heeft besloten om door te draaien.
"Het gaat wel weer over," zeggen de mensen. "Je moet het loslaten," zeggen ze. Mensen denken dat de ziel een rugzak is die je gewoon op de grond kunt zetten als hij te zwaar wordt. Maar hoe laat je iets los dat zich in je DNA heeft gebrand? Hoe vergeet je de kou die niet van de winter komt, maar van de herinnering aan de kille, klinische blik in zijn ogen terwijl hij het metaal opwarmde? Hoe laat je de hand los die nog steeds om je keel zit, zelfs als de eigenaar van die hand kilometers verderop een broodje eet?
Want zodra ik mijn ogen sluit, of zodra de schaduwen van de nacht de kamer binnensluipen, houdt de wereld van vandaag op te bestaan. De herinnering is geen vage gedachte meer; het is een neuro-chemische hinderlaag. Het is een retinale inbranding die zich met een brute helderheid op mijn netvlies projecteert. Ik zie geen beelden van 'vroeger', ik word erin getrokken. De tijd klapt ineen. Het is alsof mijn hersenen een high-definition film afspelen waar ik geen regie over heb. De kleuren zijn te fel, de geluiden te scherp. Ik ruik de brandlucht van zijn uniform weer, een geur die door de muren van het heden heen breekt. De stilte in mijn slaapkamer transformeert in de beklemmende luchtdruk van de keuken van toen. De lawine is genadeloos: het begint bij een flits van zijn blik en voor ik het weet, word ik verstikt onder het gewicht van scènes die ik al duizend keer heb geprobeerd te verbranden.
Wanneer ik vandaag naar de littekens op mijn buik kijk, zie ik de kille systematiek van zijn gedrag. Wouter vond het destijds niet erg als ik huilde; voor hem was mijn verdriet slechts een smeermiddel voor zijn macht. Hij genoot zichtbaar van de transformatie van een vrouw naar een prooi. Het was een bewuste keuze toen hij dat koude metaal tevoorschijn haalde. Hij sneed niet uit blinde drift, maar met de methodische rust van een vakman. Terwijl hij zijn naam in mijn vlees kerfde, letter voor letter, was hij bezig met een onteigening. Het bloed dat toen in dunne beekjes over mijn heupen liep, was voor hem de inkt van zijn eigendomsbewijs. Hij dwong me om te kijken, om getuige te zijn van mijn eigen verminking. Het was zijn manier om de tijd stil te zetten: hij wist dat de huid zou genezen, maar dat het schrift onuitwisbaar zou blijven. Hij wilde niet dat ik hem zou onthouden; hij wilde dat ik heel mijn leven zou voelen.
De fysieke pijn van die nachten was verpletterend, maar de echte vernietiging vond plaats op het niveau van de psychische vernedering. Nadat hij me brak tot ik slechts een trillend hoopje ellende was, gunde hij me geen genadige stilte. Hij eiste een publiek voor zijn goddelijkheid. Ik herinner me hoe hij zijn zware gewicht op mijn geplette middenrif hield en mijn gezicht in zijn handen klemde. Het was niet genoeg dat hij me fysiek bezat; hij wilde mijn wilskracht als trofee. Hij dwong me tot de ultieme leugen. "Zeg het," beval hij, terwijl hij het mes tegen de verse wonden drukte. "Zeg dat je me wilt." Het was daar, op die bevlekte vloer, dat hij mijn menselijkheid definitief amputeerde. Om de pijn te laten stoppen, om weer lucht in mijn longen te krijgen, gaf ik hem de woorden die hij wilde. Ik hoor mijn eigen schorre stem nog steeds die woorden uitspreken — woorden die als stenen uit mijn mond vielen en mijn waardigheid in duizend stukken sloegen. Hij veranderde mijn stem in een instrument van mijn eigen vernedering. Hij dacht dat ik hem op dat moment erkende, maar in werkelijkheid wiste hij de laatste resten van de vrouw die ik was uit, om ze te vervangen door zijn eigen, gruwelijke script.
Dit is mijn situatieschets. Dit is de kaart van mijn ruïne. En vanuit dit stof vertel ik mijn verhaal.
U mag van mij geen klassieke autobiografie verwachten waarin de tijd keurig van A naar B loopt en alles uiteindelijk goed komt. Wat ik u bied, is een ontleding van de schaduw. In de hoofdstukken die volgen, neem ik u mee naar de 'Black Box', de no-go zone in mijn hoofd waar de fysieke ontsnapping begon. U zult getuige zijn van de nacht waarin de machine definitief vastliep en ik in het ziekenhuis belandde. In die zwartste nacht was er één lichtpunt dat weigerde te doven: Kristof. Hij was geen toeschouwer achteraf; hij was degene die me uit de ellende trok terwijl de sirenes nog nagalden, degene die besloot te blijven staan in de rook van mijn verwoeste leven.
Ik zal u tonen hoe ik jarenlang heb overleefd op de automatische piloot, aangedreven door een mechanisme dat geen ruimte liet voor de waarheid. Ik beschrijf de jaren van zelfdestructie, de kunst van het bloeden als bewijs van leven, en de razernij die uiteindelijk de resten van de gijzeling moest wegbranden om plaats te maken voor een nieuw begin. U zult de kille, scherpe helderheid ontmoeten van een vrouw die haar eigen grenzen eindelijk heeft getrokken. U zult lezen over de moeizame zoektocht naar veiligheid, de sabotage van het eigen geluk, en de uiteindelijke ontdekking dat integriteit niet betekent dat je nooit bent gebroken, maar dat je weigert de barsten nog langer te verbergen voor de wereld.
De as is nog warm onder mijn voeten. De inkt is nog vers en vlekt op mijn vingers. Bereid u voor op een reis door de architectuur van een breuk — een constructie van pijn die even indrukwekkend als verwoestend is. Maar bereid u vooral voor op de koppige wederopstanding die begon bij die ene, trillende, uitgestoken hand in het ziekenhuis. Een hand die niet kwam om te grijpen of te slaan, maar om simpelweg te zeggen: Ik ben hier. Je bent niet meer alleen.
De stilte is definitief verbroken. Het is tijd dat ik mijn verhaal vertel.
Leen.
- - -
Dit verhaal is een onderdeel van mijn biografie. Het is een verzameling scherven die samen een spiegel vormen. Het wisselt af tussen rauwe, verhalende scènes (in de tegenwoordige tijd), filosofische essays over trauma, en gedichten die dienen als emotionele ontlading. Een overzicht van alles vind je op mijn profielpagina
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
