Door: Jefferson
Datum: 07-06-2026 | Cijfer: 9.9 | Gelezen: 516
Lengte: Lang | Leestijd: 28 minuten | Lezers Online: 5
Lengte: Lang | Leestijd: 28 minuten | Lezers Online: 5
Vervolg op: Ameland 2.0 - 6: Waar Rook Is
Vuur

Dat was het plan. Ik had nog niks van Eke gehoord, en had daar vrede mee. Oprecht.
En toen belde ze aan...
Dus zat ik hier, achter in de tuin. Bij de kolf. Op een wankel stoeltje. Maar niet meer alleen. Geen belletje naar Kamila. Niet daarna naar bed.
Eke droeg weer een nauwsluitende jurk. Donkerblauw. Met kant bij de uiteinde van de korte mouwen. En rond haar hals. Doorschijnend kant. Het kon net voor een refo. Het jasje had ik in de gang aangenomen, en ik keek natuurlijk weer mijn ogen uit. Al liet ik dat niet merken. Ze deed natuurlijk ook alsof ze er zo altijd bijliep. Nooit had ik haar zo gezien. Ik moest me echt meteen al inhouden. Want ondertussen wist ik wat de kledingkeuze kon zeggen over de intenties. En deze was weer vrij duidelijk. Ik zei aanvankelijk niks tot weinig. Niks over haar komst, haar uiterlijk, haar poging tot 'verleiding'. Ik liet het stil sterven, maar vergat het niet. Dat kon ook niet. Deze entree vergeet ik nooit meer. Eerst maar praten, dacht ik. Maar het is duidelijk. Ze is niet gekomen om te praten. Dat was zo ontzettend duidelijk...
Dus zat ik in de tuin. Zij schuin tegenover me. Bij het vuur. In een net zo ongemakkelijk en wankel stoeltje waarbij je een vrouw als Eke, want dat is ze nu, geen eer aan doet. Stil. En ik ook. Ik observeer haar. Zie de spanning. Voel het ook. Ondertussen glijdt mijn blik over haar lichaam, maar blijven vooral hangen op haar ogen die fonkelen in het vuur.
''Zeg het maar.'' zeg ik als ik haar nerveus moed bijeen zie rapen om wat te zeggen. We zitten buiten. Het is een prachtige avond. Rustig. Wat geluiden van wind en natuur en het knetterende vuur. Verder niks. Ze kijkt naar haar handen, die onrustig op haar schoot liggen. Het jurkje is voor haar doen kort. Net over de knieën. Ook daar eindigent met hetzelfde kant. Haar blonde haar contrasteert mooi met de kleur van de stof. Zo maagdelijk wit als ze ooit was toen ze ging trouwen, zo duister zijn nu haar gedachten, duidelijk doorgeschemerd in haar kledingkeuze. Het had iets moois. Op hoeveel manieren kan je iets aan iemand duidelijk maken? Toch wilde ik het haar vooral horen zeggen. ''Je mag alles zeggen tegen mij. Vergeet de consequenties. Je hebt nagedacht. En besloten te komen.'' stel ik even de feiten op een rijtje en dat ze nu ook B moet zeggen na A gezegd te hebben. Dat was de afspraak. Ze knikt. Ik heb gelijk. Maar dan zegt ze niks. Ze twijfelt nog steeds.
Ik had mezelf voorgenomen rustig te blijven. Eerst praten. Eerst zeker weten dat dit niet alleen de spanning van vanmiddag was. Maar toen ze daar zat, haar handen nerveus in haar schoot, die blik alsof ze elk moment weer op kon staan en weg kon lopen, voelde ik dat ik het zelf ook niet meer volhield.
''Kom.'' zeg ik rustig. Iets in me zegt dat ik het niet moet doen. Maar iemand moet het doen. En die gedachte overheerst. En ze komt ook. Ze slikt en kijkt me aan. Ze staat langzaam op, strijkt de stof van haar donkere jurk glad, en stapt beheerst mijn kant op, zonder woorden. Onze ogen op elkaar gericht en niks kan dat verbreken. Ik zie spanning. Ik zie de wil. Het vuur geeft haar een gouden gloed. Haar ogen fonkelen mee met de vlammen. Haar blonde haar lijkt wel goud.
Ik blijf zitten. Zeg nog steeds niks. Met m'n vrije hand klop ik op m'n dij. Nadat ik, wellicht voor moed, nog een slok bier had genomen. Zonder onze blik op elkaar te verbreken. Ik nodig haar uit op schoot. Dan lacht ze, verlegen. Praten? Daar was ik toch al niet zo goed in. Ik pak haar hand als ze blijft staan, teder en warm, en langzaam trek ik haar dichterbij. De stof rekt mee als ze haar knieën optrekt. We vallen bijna achterover als het stoeltje het dreigt te begeven. We lachen erom. Ze straalt. En als we weer in balans zijn, leg ik een hand in haar nek, onder haar lange, losse, blonde haren en trek ik haar dichterbij. Niks in haar houdt me tegen. Geen woorden nodig. Geen tijd meer om te wachten. De zoen is meteen raak. Niet een kus. Met de binnenkant van de lippen. En zodra ik m'n lippen open, antwoord ze eigenlijk meteen. Alsof ze er echt op wachtte. Gretig. Haar handen op m'n borst, glijdend over m'n schouders en tastent aan m'n nek, terwijl onze tongen elkaar voorzichtig beginnen te verkennen met een honger die groter is dan de daden tot nu toe.
Ik aarzel niet. Geen redenen voor. Haar borst komt weer prominent naar voren, en mijn hand vindt ze. Een volle hand kneedt een borst, en ze kreunt zachtjes waarbij ze haar nek naar achteren kantelt en zoen verbreekt. Ik kus meteen haar hals. Kijk naar haar reactie. Haar houding. Een knie van haar komt tussen m'n benen, waar ze van schrikt. Maar ze laat hem liggen. Ze drukt tegen het harde wat ze daar voelt, daar waar ze van leek te schrikken. Dus niet stoppen, maar verder gaan nu.
''Dus...'' fluister ik zacht. ''Wat wil je nou echt van me?'' vraag ik haar. M'n hand glijdt van haar borst naar haar keel, strelend, niet grijpend. De ander ligt op haar rug. M'n duim raakt haar lippen en ze kijkt op me neer met een zeer ondeugende blik. Een verloren blik. Geen weg meer terug.
Ze Leunt een klein beetje naar achteren. Haar borst duidelijk wat meer naar voren. Mijn hand daar nu net onder, op haar warme nog bedekte buik. Maar niet lang meer bedekt. Ze kijkt. Ze verzint. Ze glundert en lacht. Haar handen glijden stevig over m'n schouders en borst. Ze bekijkt me. Alsof ze eindelijk heeft wat ze wil.
''Ik wil eigenlijk maar één ding.'' fluistert ze. Ik zie de spanning. Ik voel haar buik zich aanspannen. ''Neem me. Zoals je me toen ook nam.'' fluistert ze. Langzaam buigt ze naar voren. Ze kust m'n oor en m'n hals. Mijn handen vallen van haar af. Want ik verlies alle grip.
Zoals ik haar toen ook nam? Ik begrijp het niet.
''Je was m'n eerste...'' fluistert ze als haar lippen weer bij m'n oor zijn. ''Je had m'n enige moeten blijven...'' fluistert ze tegen m'n lippen als ze me weer wil zoenen. Alhoewel haar woorden me opwinden, kus ik niet meteen terug. Ik had haar toch alleen gevingerd? En mijn gebrek aan reactie valt natuurlijk meteen op, na hoe we net begonnen waren.
''Wacht, Eke... Wat bedoel je precies?'' Want plots voel ik dat dit helemaal verkeerd kan gaan. ''Toen in het kantoor, bedoel je toch?'' Ik moet het zeker weten. Meteen veert ze weer naar achteren, rechtop, maar niet haar borst bewust naar voren met een zwoele blik. Ze schrikt van mijn reactie. ''Wat? Nee. Daarvoor...'' Stile vult zich met zwijgende verbazing. "Weet je dat niet meer?'' haar stem sterft langzaam en dan ook de blik in haar ogen en dit hele moment.
Er volgt een stilte waarin ze heel even blijft zitten. Maar dan breekt het definitief. Ze staat op. Rug naar me toe. Handen over elkaar. Ze kijkt me niet aan, maar blijft wel staan. En ik blijf verstomd zitten. Hebben wij dan seks gehad? Echte seks? Hoe kan ik me dat niet herinneren. Al die tijd heb ik alleen onthouden hoe ik haar vingerde op het kantoor van de slijterij, met die belofte terug te komen. Ik begrijp er niks van. Echt niet.
''Maak je een grapje?'' vraagt ze als ik te lang stil blijf, en ze kijkt half over haar schouder. Ik slik. Ik hoor haar hoop. ''Ik zei dat ik van je hield. Je zei me aan de pil te moeten gaan. Voor als je terug zou komen...'' breekt ze weer weg. Ik slik. ''Je had het gefilmd.'' zegt ze dan. ''Je liet het me zien.'' Ze draait zich nu om. Ongeloof was nog nooit zo duidelijk te zien. Ik zie ook dat ze kwaad wordt. Omdat ik het nog steeds niet lijk te herinneren. Maar dat uit ze nog niet. ''Was ik dan maar een van de velen, ofzo?'' vraagt ze met venijn. Dat was ze zeker niet. Ze blijft staan. Draait zich weer van me af. Maar ze blijft wel staan. Armen om haar heen alsof ze zich moet beschermen. Ik graaf en ik graaf. Ik heb er gewoon geen herinnering aan. Verdrongen? Vergeten? Rijmde dat moment niet met de Eke die ze toen was, en nog steeds voor me is. Nog steeds.
''Heb je die beelden niet meer?'' vraagt ze dan. Hier ook hoop. Ik had zoveel beelden. Ook van uit de winkel. Nooit meer naar gekeken, als ik eerlijk ben. Stonden vast nog ergens in de cloud. Ze hoopte ook niet dat ik ze weg gedaan had. Ze hoopte dat ik ze nog kon zien, zodat ze gelijk zou krijgen. Een moment wat haar bij gebleven was. Tot de dag van vandaag als iets wat ze wilde herbeleven. En ik? Ik was het vergeten...
Ze is beledigd dat ik het vergeten ben, en terecht. Maar het begint langzaam te dagen. Toen ik haar vingerde, speelde zich iets af op de monitor van de beveiliging. Ik dacht altijd dat we naar mij met Kamila keken, en dat Eke dat ook wilde. Dat ik met die belofte was vertrokken. Dat klonk veel logischer en zelfs redelijk.
Maar we keken naar ons. Bij de toonbank... Ja, ik weet het weer. Hoe kon ik dat vergeten. Die toonbank... Waar ik haar had gevingerd en gebeft. Waar ik haar volledig had uitgekleed en gepassioneerd van achteren had genomen... Zonder bescherming. Ze schrok. Bang dat ze zwanger was geworden. Ik weet het weer...
''Eke...'' zeg ik als ik opsta, maar mijn stem sterft nu snel weg. Dat laat haar omkijken. ''Ik... Ik snap er niks van.'' kan ik niet met een echt antwoord komen. ''Maar. Ik weet het weer. Ik weet het.'' Ik durf haar amper aan te kijken. Ik voel de waarde van dit moment nu ook. En wat het al die tijd voor haar had betekent. Natuurlijk was ze niet een neukertje. Dat waren ze nooit. Ik weet niet wat ik nog kan zeggen. ''Het spijt me.'' zeg ik zacht. Ze kijkt me even aan. Ze kan wel janken. Ik kan wel janken. Dat het dit al die tijd nooit ter spraken was gekomen, was een klein wonder. Of juist niet?
''Hoe... Hoe kan je dat nou niet meer weten?'' stelt ze me dan de pijnlijke vraag. Ik kijk haar aan. De afstand is voelbaar nu. Weg is alle aantrekking. Ze is gekwetst. Vernederd misschien wel. En ik? Ik ben ontregeld. Waar is mijn controle gebleven?
''Ik weet het echt niet. Ik...'' Maar ik weet het gewoon echt niet. ''Jij kon dat niet zijn.'' zeg ik dan plots. Niet als smoes. Het komt in me op omdat het zo is. ''Jij was altijd anders. Puurder. Beter, misschien wel. Niet zo... makkelijk, of... ik weet het niet.'' Ik bedoel het goed. Niet als excuus. Dat zeker niet. ''Ik heb altijd gedacht hoe het zou zijn. Je eerste te zijn. Je enige. Maar...'' Ze schudt haar hoofd fel van me af. Alsof ze het niet wil horen. Want dat was ik dus al...
''Hij merkte het.'' zegt ze dan zonder me aan te kijken. Fel en verslagen. Vernietigend. ''Dat ik geen maagd meer was. En hij wilde eigenlijk niks meer van me weten. Waarom denk je dat hij er nooit is?'' vraagt ze me boos over haar manlief Bert. Ik slik. Hoe dan? Wil ik vragen en weten. Maar ben wijs genoeg die vraag weer in te slikken. ''En toen raakte ik nog zwanger ook. Van hem wél.'' haar stem is fel en kwetsbaar tegelijk. ''Ik bad tot God.'' zegt ze dan. ''Na ons... moment.'' noemt ze het.'' Dat ik juist zwanger zou raken. Dat ik hier weg kon. Weg moest.'' gaat ze dan door. Ze kijkt me weer aan. ''Met jou..." Dikke tranen rollen over haar wangen zonder het geluid van gehuil. ''Ik wilde alleen jou. Ook al zou ik niet jou enige zijn. Ik wilde hier weg. Jij beloofde dat. En toen kwam je terug...'' haalt ze het moment op waarop ik haar afwees. Waarna ze de ander zou ontmoeten, met een ander zou trouwen, en met een ander kinderen zou krijgen. En die ander wilde al snel niks meer van haar te weten hebben... Het werd alleen maar pijnlijker.
Dus er zaten toch consequenties aan mijn daden en gedrag... Wie had dat gedacht? Maar dit had ik nooit gedacht. Had het zelfs verdrongen... Ik wil haar aanraken en troosten maar ben bang dat ik haar alleen maar meer pijn doe. Het voelt als mijn schuld, al nam ze elke beslissing daarna zelf. Zonder mij had ze een ander leven gehad. Dat kon ik niet ontkennen. En met mij ook.
''Ik dacht gewoon...'' mompelt ze dan, nog steeds verslagen. ''Ik ben het nooit vergeten. Jou niet. En alles wat ik voor je voelde. Ik dacht dat dat vanzelf wel over zou gaan. Maar het is nooit veranderd.'' Ze kijkt me aan. Ze huilt niet, maar de traanstrepen staan gegrift in haar wangen en haar make-up is uitgelopen. ''Het ging gewoon niet weg,'' voegt ze er moedeloos aan toe. ''En ik weet dat dat niet jouw schuld is. Maar...''
Maar zo voelt het wel.
Ik hoef het niet te zeggen. Zij ook niet.
''Ik wilde je juist sparen,'' noem ik het uiteindelijk.
''Daarom kapte ik het af. Die periode, dat weekend... er was zoveel gebeurd. Ik wilde jou daar niet in betrekken.'' Het klinkt nog steeds als een uitleg achteraf. Misschien is dat het ook. Misschien probeer ik er zelf nog steeds wijs uit te worden. Was dat ook de reden dat ik onze seks vergeten was? Of had ik het ergens diep vanbinnen gewoon opgeborgen omdat het niet paste bij het beeld dat ik van haar had?
''Het klinkt stom, maar ik dacht echt dat ik het juiste deed. Ik snap nu dat dat niet zo was,'' zeg ik zacht.
Ik hoor haar diep ademhalen.
''Ik had niet zo naïef moeten zijn,'' zegt ze alleen.
''Jawel,'' reageer ik meteen.
Ze kijkt op.
''Nee. Dat mag je niet zeggen. Niet hierover.''
Mijn stem klinkt harder dan bedoeld.
''Ik haat mezelf als ik dat van je heb afgepakt.''
De woorden zijn eruit voordat ik ze kan tegenhouden.
Want dat is wat me nu pas raakt. Ik wilde Eke bewaren zoals ze was. Ik hield vast aan herinneringen van vroeger, gebaseerd op feiten die blijkbaar onvolledig waren en herinneringen die ik deels vergeten was. Ik dacht dat ik haar beschermde, terwijl ik misschien juist iets had afgebroken wat voor haar echt was geweest.
Ze kijkt naar het vuur.
Ik ook.
Het hout kraakt zacht tussen ons in.
''Je hebt het niet afgepakt,'' zegt ze uiteindelijk.
Ik kijk op.
''Je bent gewoon weggegaan.''
Die komt harder binnen dan alles daarvoor.
Ze blijft staan. En even later sta ik naast haar. Stil en zwijgend. We kijken allebei naar het vuur, zoals zij dat al die tijd al doet. Het vuurtje is kleiner geworden en moet steeds vaker vechten om zichzelf in leven te houden. Af en toe schiet er nog een vonk omhoog, maar verder zakt het langzaam in elkaar. Bijna symbolisch.
"Wil je wat drinken?" vraag ik zacht.
De vraag voelt bijna komisch na alles wat er net tussen ons is gezegd. Zij lijkt dat ook te beseffen, want ze lacht. Niet hard, maar genoeg om iets van de spanning te breken. En ik weet eigenlijk meteen wat ik wil pakken. Want ik weet het weer.
Ze blijft staan en kijkt me met een opgeluchte glimlach na wanneer ik naar binnen loop. In de keuken zoek ik tussen flessen en kastjes. Ik kan het niet meteen vinden en begin zelfs even te twijfelen of ik het nog wel heb bewaard. Maar ergens achterin staat het nog. Een fles Armagnac. Een bijzondere. Ik wist zeker dat ik die nog ergens moest hebben.
Even later sta ik weer naast haar.
Ze ziet het glaasje. De bruine inhoud. Eerst begrijpt ze het niet helemaal, maar zodra ze het glas naar haar neus brengt en er instinctief aan ruikt, verschijnt die glimlach opnieuw.
"Jij durft," zegt ze.
Ik haal mijn schouders op.
Het was de Armagnac waar het toen mee begon, als ik het me nu goed herinner. We proefden wat. Daarna elkaar.
Ik zie Eke een klein slokje nemen. Ze nipt, zoals ik haar dat ooit heb geleerd. Dat blijkt ze niet verleerd te zijn. Ze sluit haar ogen, haalt diep adem en laat de smaak langzaam op zich inwerken, alsof ze niet alleen proeft wat er in het glas zit, maar ook alles wat eraan vastzit.
Even zie ik haar weer zoals toen.
Niet de vrouw van nu. Niet de moeder van twee kinderen. Gewoon Eke.
"De enige die ik drink," zegt ze zacht wanneer ze haar ogen weer opent.
Ze kijkt naar het glas voordat ze verdergaat.
"Elke avond," fluistert ze melancholisch.
Nog voordat ik iets kan zeggen, lacht ze alweer kort.
"Niet zo veel hoor."
Ze wil duidelijk voorkomen dat ik de verkeerde conclusie trek. Maar ik begrijp meteen wat ze bedoelt. Ze drinkt niet om dronken te worden. Ook niet om iets te vergeten. Juist het tegenovergestelde.
Ze drinkt om het te herinneren.
Het drankje van toen.
"Dan ben ik weer daar," zegt ze zacht terwijl haar blik opnieuw naar het vuur glijdt.
Ik kijk naar haar profiel terwijl ze dat zegt. Naar de rust die er ineens in haar gezicht ligt. Naar de herinnering waar ze zichzelf blijkbaar al die jaren steeds opnieuw naartoe heeft gebracht, terwijl ik niet eens wist dat ik een deel ervan was kwijtgeraakt.
Zelf neem ik niet eens een slok.
In plaats daarvan pak ik haar hand.
Pas wanneer haar vingers zich vanzelf om de mijne sluiten, kijkt ze op.
"Kan ik alles nog goedmaken?" vraag ik haar ernstig.
De woorden komen er rustiger uit dan ik me voel. De geur van de Armagnac hangt inmiddels tussen ons in en brengt ook mij steeds verder terug naar die avond. Naar haar. Naar ons. Naar de toonbank. Naar alles wat ik vergeten was en wat nu, stukje voor stukje, weer boven komt drijven.
En misschien ook naar iets anders.
Naar een gevoel dat ik toen niet durfde te benoemen en waar ik nu nog steeds geen naam aan durf te geven.
Liefde?
Ze laat niet veel later haar hoofd op mijn schouder rusten. Haar lichaam ontspant zich eindelijk een beetje, alsof ze voor het eerst die avond niets meer hoeft uit te leggen of te verdedigen.
"Er valt niks goed te maken," zucht ze.
Het verdriet van eerder lijkt ver weg. Niet verdwenen, maar op afstand gezet. Ze leeft nu in het moment. Voor het eerst vanavond echt. Wanneer ze naar me opkijkt, herken ik dezelfde blik als eerder die dag. Tevreden met wat ze ziet. Tevreden met waar ze is. Ik knijp nog even in haar hand, laat haar daarna los en leg diezelfde hand op haar onderrug. Ze is warm. Opvallend warm zelfs, terwijl het buiten langzaam kouder wordt en het vuur steeds verder inzakt.
"Ik heb de kinderen gewoon gedumpt om vreemd te gaan," zegt ze dan met een spottende lach over zichzelf.
Ze schudt haar hoofd terwijl ze het zegt, alsof ze haar eigen gedrag nauwelijks kan geloven. De roes van eerder is niet terug. Die heeft plaatsgemaakt voor realisatie. Voor besef. Tegelijkertijd laat ze zich nog iets meer tegen me aan zakken, alsof haar lichaam een ander verhaal vertelt dan haar woorden.
"Zal ik je thuisbrengen?" bied ik dan aan.
Het verrast haar zichtbaar. Misschien omdat ze iets anders had verwacht. Misschien omdat ik iets anders had verwacht. Ik probeer niet opnieuw te profiteren van de situatie. Niet opnieuw vooruit te lopen op wat er allemaal zou kunnen gebeuren. Alsof ik eindelijk een lesje geleerd heb.
"Ik wil niet per se weg," legt ze rustig uit.
Ze zegt het eerlijk. Zonder spelletjes. Zonder verborgen betekenis.
"Maar misschien beter," vul ik haar aan.
Ze knikt langzaam. Daarna lacht ze. Niet omdat het grappig is, maar omdat we allebei weten dat het waar is.
Ze wacht.
Gewoon op mij.
Dus draai ik me naar haar toe. Ik kijk haar aan, buig iets voorover en merk dat ze niet wijkt. Geen centimeter. Haar blik blijft op de mijne rusten terwijl ik haar langzaam en teder op de mond kus. Niet lang. Niet gehaast. Gewoon lang genoeg om elkaar even vast te houden. Lang genoeg zodat onze lippen nog een fractie van een seconde blijven plakken wanneer we weer loskomen.
"Had ik het maar onthouden," fluister ik zacht bij haar oor.
Ik voel haar reageren. Zie het niet eens, maar voel het.
"Want nu ik het weer weet, wil ik het ook. Jou nemen als toen..."
De woorden hangen even tussen ons in.
Ze bijt op haar lip. Haar blik wordt ondeugend. Nieuwsgierig ook. Alsof ze wil weten wat ik daarmee bedoel en hoe ver ik bereid ben te gaan.
Maar ze krijgt die kans niet.
"Ik pak je jas," zeg ik abrupt.
Speels.
Plagend.
Ze begint meteen te lachen.
"Blij dat er niks is veranderd," zegt ze alleen.
Ik begrijp precies wat ze bedoelt. We weten nu eindelijk wat de ander al die jaren heeft gedacht. We weten wat er echt gebeurd is. We weten wat we voor elkaar hebben gevoeld. Maar dat betekent niet dat alles direct anders hoeft te zijn.
Dus kunnen we door.
Als vrienden.
Met gevoelens voor elkaar die vroeg of laat problemen gaan opleveren.
Dat besef is er bij ons allebei.
En vreemd genoeg lijkt dat voor dit moment genoeg.
In totale stilte lopen we over de paadjes van Ameland naar haar huis. Niet over de wegen, maar over de smalle paden die zich tussen de huizen, duinen en stukken groen door slingeren. We zeggen helemaal niks tegen elkaar. Af en toe vangen onze blikken elkaar wanneer er weer een mogelijkheid is om een kleine omweg te nemen, een extra stukje toe te voegen aan een wandeling die eigenlijk allang voorbij had kunnen zijn. Dan hoeven we niets af te spreken. We doen het gewoon.
We lopen zo langzaam dat het bijna belachelijk wordt. Haar schouder raakt af en toe de mijne. Nooit lang. Nooit bewust. Maar genoeg om me er telkens weer van bewust te maken dat ze naast me loopt. Soms kijkt ze op. Soms ik. Alsof geen van ons beiden echt wil dat deze wandeling eindigt.
Ze is nog mooier dan vroeger. Nog beter. Nog puurder nu ik dit allemaal weet. Alsof de ontbrekende stukken eindelijk op hun plek zijn gevallen en het beeld daardoor scherper is geworden in plaats van troebeler. Er hangt een soort opluchting om ons heen die ik eigenlijk niet goed kan plaatsen. Misschien omdat we na al die jaren eindelijk op dezelfde lijn zijn uitgekomen. Misschien omdat we nu allebei hetzelfde verleden kennen. Dezelfde herinneringen. Dezelfde waarheid. En misschien omdat die lijn vanaf hier niet meer alleen van mij of van haar is, maar van ons allebei.
Langzaam naderen we haar buurt, waar de huizen groter worden en de tuinen ruimer. Het is hier nog stiller dan in de rest van het dorp. Rustiger ook. Toch voelt het minder aangenaam. Hier leefde ze dan. Alleen. Door mij. Of in ieder geval deels door mij. Tegelijkertijd weet ik ook dat ze gelukkig is met haar kinderen. Daar twijfel ik geen seconde aan. Als ze over Jozua en Sylke praat, zie ik een andere Eke. Een lichtere Eke. Toch zou ik hier zelf niet willen wonen.
Op Ameland wel.
Dat gevoel wordt alleen maar sterker naarmate de avond vordert. Misschien vanwege Eke. Misschien vanwege alles wat ik hier heb meegemaakt. Misschien omdat dit eiland altijd iets van mij heeft gehouden wat ik nergens anders ben kwijtgeraakt.
Ze zucht diep wanneer we uiteindelijk voor haar deur stilstaan.
Niet opgelucht.
Eerder alsof ze beseft dat er opnieuw een einde nadert.
Ze haalt haar sleutel tevoorschijn, maar steekt hem niet in het slot. In plaats daarvan draait ze zich om en komt recht voor me staan. De afstand tussen ons is klein, maar ze kijkt me niet aan. Haar blik blijft op de grond gericht terwijl haar vingers onrustig met de sleutel spelen.
"Ik wil eigenlijk niet meer alleen zijn," zegt ze zacht.
De woorden klinken intiemer dan alles wat we onderweg niet tegen elkaar hebben gezegd.
Dan haalt ze diep adem.
"Als jij hier bent," voegt ze eraan toe.
De voorwaarde is duidelijk. De betekenis nog duidelijker.
Pas dan kijkt ze op.
"Kom je nog even binnen?" vraagt ze.
Haar ogen zoeken de mijne. Groot. Open. Vragend. Haar lippen drukt ze op elkaar alsof ze bang is voor het antwoord dat ik ga geven. Die jurk. Haar intenties. Ons verleden. Alles wat er vandaag is gebeurd. Het staat ineens allemaal tussen ons in. Tastbaar. Dichtbij. Gevaarlijk dichtbij.
En terwijl ik naar haar kijk, vraag ik me af of ik hier nu werkelijk opnieuw voor dezelfde keuze sta als eerder vandaag.
Of dat die keuze allang gemaakt is.
-
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10


