In de grauwe namiddag van een late herfst, toen de wind over de polders van het streng gelovige dorp Blauwveen joeg als de adem van een boze God die Zijn schepselen niet kon vergeven, begaf de zevenenzestigjarige pastoor Evert Jan van der Weide zich op weg naar het huis van de familie De Groot. Het dorp lag er stil bij, de kerktoren stak als een beschuldigende vinger omhoog tegen de laaghangende hemel, en in de huizen brandden de lampen vroeg, alsof het licht zelf een gebed was tegen de duisternis die altijd dreigde in te breken. Pastoor Van der Weide, een man met een lang, mager gezicht dat door de jaren was getekend als een oud missaal, droeg zijn zwarte soutane onder een zware wollen jas. Zijn stappen waren traag, bedachtzaam, alsof elke voetstap een zonde woog die hij nog niet had opgebiecht.
Hij kwam op bezoek bij de De Groots, zoals hij dat wel vaker deed in dit dorp waar de zeden streng waren en de zielen des te strenger bewaakt. Maar deze keer waren de ouders niet thuis. Zij waren, zo had de moeder hem in de biechtstoel toevertrouwd, naar een familielid in het naburige dorp, een bezoek dat de hele namiddag en avond in beslag zou nemen. Alleen Linda was er, de negentienjarige dochter, die nu hoogzwanger was van een jongen uit het dorp die men niet meer noemde. Een schande, fluisterden de vrouwen achter de vitrages, een zonde die de hele parochie besmeurde. Doch Linda droeg haar buik als een heilig reliek, volslank en blozend, haar lichaam dat eens slank en meisjesachtig was geweest nu gezwollen en rond, een vrucht die de Heer zelf had toegestaan ondanks de zonde.
De pastoor klopte aan. De deur ging open en daar stond zij, Linda, in een kort jurkje dat haar dijen bloot liet en zich spande over de immense bolling van haar buik. Het was een eenvoudig katoenen ding, lichtblauw met kleine bloemetjes, maar in de ogen van de oude man leek het een provocatie, een uitnodiging van het vlees dat de geest moest tarten. Haar borsten, zwaar en vol melk, drukten tegen de stof, en haar wangen waren rood van de warmte binnen of van iets anders, iets wat de pastoor niet meteen durfde te benoemen.
“Pastoor Van der Weide,” zei ze zacht, met die lichte, bijna zingende stem die hij al zo vaak had gehoord in de kerkbanken. “Kom binnen. Vader en moeder zijn er niet, maar ik kan u een kop thee aanbieden.”
Hij trad binnen in de kleine, keurig opgeruimde kamer, waar het rook naar boenwas en naar iets zoeters, naar vrouwelijk vlees en naar de melk die al in haar borsten opwelde. De kachel brandde zachtjes. Hij hing zijn jas op en ging zitten in de oude fauteuil bij het raam, terwijl zij thee zette. Zijn ogen konden niet los van haar. Hoe ze liep, met die zware, wiegende gang van een zwangere vrouw, haar blote benen die glansden in het lamplicht, de korte zoom van het jurkje die bij elke stap iets meer onthulde van haar dijen, die nu voller waren, zachter.
Toen ze de thee bracht, boog ze zich voorover. De pastoor rook haar geur: een mengeling van zeep, zweet en die diepe, aardse geur van zwangerschap. “Dank je, kind,” mompelde hij, en zijn hand, die oude, benige hand die zo vaak de hostie had geheven, raakte per ongeluk – of was het per ongeluk? – de zijkant van haar buik aan.
Linda glimlachte, een klein, geheimzinnig lachje. “U mag wel voelen, pastoor. Het beweegt vaak. Het is een levend wonder, nietwaar? Ondanks alles.”
Hij aarzelde. In zijn lange loopbaan had hij veel gehoord in de biechtstoel: zonden van het vlees, verlangens die de duivel in de harten plantte. Maar nu, hier, alleen met dit meisje dat nauwelijks meer een meisje was, voelde hij een warmte opstijgen die hij dacht te hebben begraven onder jaren van gebed en discipline. “Als je het toestaat,” zei hij, en zijn stem was schor, als van een man die lang niet heeft gesproken.
Zij kwam dichterbij, ging voor hem staan tussen zijn knieën. Het jurkje schoof iets omhoog. Hij legde beide handen op de grote, strakke bolling van haar buik. Het was warm, levend. Onder zijn palmen voelde hij een trapje, een klein voetje of elleboogje dat zich roerde. Een zucht ontsnapte hem. “De Heer heeft wonderlijke wegen,” fluisterde hij, maar zijn gedachten waren elders. Hij streelde de ronding, langzaam, van boven naar beneden, tot waar het jurkje spande over haar venusheuvel. Linda’s ademhaling werd dieper. Haar handen rustten licht op zijn schouders.
“Het is zwaar, pastoor,” zei ze. “Soms voel ik me zo alleen met dit kind. De mensen kijken, ze oordelen. Maar u… u begrijpt het misschien.”
Zijn vingers gleden lager, onder de zoom van het jurkje. Haar huid was gloeiendheet. Hij voelde de zwelling van haar schaamlippen, al vochtig, al bereid. De pastoor sloot zijn ogen. In zijn hoofd klonken de psalmen, maar vermengd met het zachte gekreun dat nu uit Linda’s keel opsteeg. “Kind,” zei hij, “dit is de zonde. Dit is de val van de mens.”
Toch trok hij haar dichterbij. Zij liet zich op zijn schoot zakken, haar zware buik tegen zijn borst gedrukt. Het jurkje schoof helemaal omhoog. Onder de stof droeg ze niets. Haar poesje, gezwollen door de zwangerschap, drukte warm en nat tegen de stof van zijn soutane. Hij voelde hoe zijn lid, dat oude, lang verwaarloosde ding, hard werd, pijnlijk hard, als een beschuldiging van het vlees.
Met bevende vingers opende hij zijn soutane. Zijn grote snikkel sprong tevoorschijn, rood en dik, met aderen als rivieren op een oude landkaart. Linda keek ernaar, haar ogen groot maar niet geschrokken. “Hij is groot,” fluisterde ze. “Groter dan die van de jongen.”
Hij tilde haar een beetje op, zijn handen onder haar billen, die nu rond en vol waren. Langzaam liet hij haar zakken. De kop van zijn lid duwde tegen haar opening, gleed toen naar binnen in die warme, vochtige, zwangere schacht. Een diepe zucht ontsnapte beiden. Zij was nauw, ondanks de zwangerschap, of juist daardoor strakker, omklemmend. Hij voelde de wanden van haar poesje pulseren rond zijn snikkel, alsof haar lichaam hem verwelkomde als een verloren zoon.
Langzaam begon hij te stoten. Eerst voorzichtig, bang haar buik te bezeren, maar al snel harder, dieper. Linda kreunde, haar hoofd achterover, haar borsten deinend onder het jurkje. Haar melk lekte een beetje door de stof. De pastoor boog zich voorover en zoog door de stof heen aan een tepel, terwijl hij haar bleef neuken. Het geluid van vlees op vlees vulde de kleine kamer, vermengd met het tikken van de klok en het verre loeien van een koe in de wei.
“Vader… pastoor…” hijgde ze. “Vul me. Vul me helemaal.”
Hij voelde de climax naderen. Jaren van onthouding braken open. Met een diepe, bijna dierlijke grom duwde hij zijn grote snikkel zo ver mogelijk in haar zwangere poesje en spoot hij zijn zaad in lange, hete stralen naar binnen. Het leek eindeloos te duren: golf na golf van dik, warm zaad dat haar vulde, dat zich mengde met haar sappen, dat misschien wel – zo dacht hij in een laatste flits van waanzin – het kind in haar buik zou raken.
Hij bleef in haar zitten, zijn lid nog half hard, terwijl het zaad langzaam uit haar droop langs zijn ballen. Linda leunde tegen hem aan, haar buik tussen hen in, haar armen om zijn nek. Buiten viel de duisternis volledig. In het dorp brandden de lampen, en niemand wist wat zich hier had voltrokken.
De pastoor streelde haar rug en fluisterde: “Dit blijft tussen ons en God, kind. Want God ziet alles, maar soms… soms vergeeft Hij de zwakken.”
En zo eindigde de visite, in stilte en in zonde, terwijl de wind buiten bleef huilen over de polders van Blauwveen.