Mijn tas hangt nog over één schouder en ik heb hem ondertussen zo vaak vastgepakt en weer losgelaten dat het leer warm begint te worden onder mijn vingers. Van Weelden zit achter zijn bureau alsof ik er niet ben. Alsof ik niet speciaal na het laatste uur naar hem toe ben gekomen. Alsof hij me niet zelf had laten weten dat hij me wilde spreken.
Hij kijkt naar zijn scherm. Tikt nog wat. Schuift een papier opzij. En laat me staan.
Ik weet niet hoe lang ik hier inmiddels ben. Waarschijnlijk nog geen vijf minuten. Zo voelt het in ieder geval niet. Het voelt langer. Veel langer. Mijn maag zit strak en ik merk dat ik mijn gewicht van mijn ene been op het andere verplaats, waarna ik mezelf er meteen weer op betrap. Niet bewegen. Gewoon normaal doen.
Maar normaal doen lukt me niet echt. Niet hier. Niet na vandaag.
Zijn kantoor is stil op het zachte gezoem van zijn computer na. Buiten op de gang hoor ik ergens een deur dichtvallen. Iemand lacht in de verte. Gewone geluiden van een school die langzaam leegloopt na een lange dag. Hierbinnen lijkt alles juist stiller te worden.
Alsof hij daar bewust op wacht. Hij kijkt uiteindelijk op.
Niet vriendelijk. Ook niet boos zoals ik had verwacht. Dat zou misschien nog makkelijker zijn geweest. Nee, hij kijkt me gewoon aan. Rustig. Onderzoekend. Alsof hij precies weet waarom ik nerveus ben en vooral benieuwd is hoe lang ik het volhoud voordat ik iets zeg.
Ik probeer zijn blik vast te houden. Dat lukt misschien drie seconden. Dan kijk ik naar zijn bureau. Moet ik daar weer onder gaan zitten? Stiekem hoop ik het.
Stom.
Mijn hart klopt harder dan het zou moeten. Alsof ik iets verschrikkelijks heb gedaan. Dat heb ik ook, al voelt het niet meer zo. Alsof ik hier sta om op mijn kop te krijgen. En misschien is dat ook precies waarom ik hier ben. Maar niet voor dat feit.
Vanmorgen begon eigenlijk al vreemd. Of nee. Dat is niet helemaal waar. Vanmorgen begon juist veel te goed.
Mijn telefoon had tijdens de les getrild. Een mail. Van Weelden.
Ik had hem pas geopend toen de leerlingen zelfstandig aan het werk waren. Nog voordat ik de eerste zin goed had gelezen, wist ik al dat het niet zomaar een berichtje was. Hij schreef over discipline. Over afspraken. Over het feit dat ik hem nergens van op de hoogte hield. Over rapportage.
Toen wist ik nog niet precies wat hij daarmee bedoelde. Of misschien wist ik het ergens diep vanbinnen wel. Ik wilde het alleen nog niet weten.
'Anna.'
Ik kijk meteen op. Van Weelden zit iets verder naar voren dan net. Zijn handen liggen rustig op elkaar op het bureau.
'Ja?'
Hij kijkt me nog een moment aan. Dan trekt er iets van een glimlach over zijn gezicht. Geen warme glimlach. Eerder eentje die duidelijk maakt dat hij al een tijdje op dit moment heeft gewacht.
'Dus,' zegt hij uiteindelijk. Mijn maag trekt samen.
'Gaan we vandaag nog ergens verslag van krijgen?'
Van Weelden zegt eerst niets.
Hij blijft gewoon naar me kijken, terwijl ik nog steeds voor zijn bureau sta en inmiddels allang weet dat ik beter mijn mond kan houden. Het heeft geen zin om zelf met excuses te beginnen. Geen zin om uit te leggen waarom ik hem niets had laten weten. Als hij iets wil horen, vraagt hij het wel. En als hij iets niet vraagt, kan ik maar beter niet zelf gaan invullen.
Zijn blik glijdt langzaam over me heen, niet opzichtig, maar ook niet alsof hij probeert te verbergen dat hij kijkt. Daarna leunt hij iets naar achteren in zijn stoel.
'Je bent vanmorgen alweer bezig geweest? En vorige week niets?'
Mijn hart slaat een keer hard over. Ik zeg niets.
Natuurlijk weet hij het. Of misschien weet hij niet precies wat ik gedaan heb. Dat maakt eigenlijk niet eens uit. Hij weet genoeg. Blijkbaar heeft hij door dat ik weer met mijn beloningen ben begonnen, terwijl ik hem daar niets over heb verteld.
'En toch heb ik niets van je gehoord.'
Ik slik. Daar komt het woord weer. Verslag. Dat was de afspraak. Maar ik was het gewoon vergeten door alles wat er gebeurd was.
Ik kijk hem aan, maar vind nergens in zijn gezicht een aanwijzing dat hij nog iets gaat uitleggen. Hij wacht gewoon. Alsof het antwoord op een vraag allang duidelijk is en ik de enige ben die nog moet besluiten of ik doe alsof ik het niet begrijp.
Maar ik begrijp het wel. Fuck. Ik ken hem inmiddels goed genoeg.
Hij gaat niet zeggen wat ik moet doen. Niet stap voor stap. Niet nu hij weet dat ik zelf allang snap wat hij bedoelt. Hij wil juist zien of ik het zelf doe. Of ik zelf die conclusie trek.
Mijn blik gaat heel even door het kantoor. De muur. Meer heb ik eigenlijk niet nodig.
Ik voel zijn ogen in mijn rug wanneer ik ernaartoe loop. Mijn benen voelen zwaarder dan net, terwijl ik tegelijk merk dat mijn lichaam al reageert op het moment voordat er überhaupt iets gebeurt. Alsof het begrijpen van zijn bedoeling genoeg is geweest.
Bij de muur draai ik me om. Hij zit nog steeds achter zijn bureau. Kijkt. Wacht.
Ik laat mezelf langzaam zakken tot ik op de grond zit. Mijn rug tegen de muur. Mijn handen naast me op de vloer. Even kijk ik nog naar hem, alsof ik mezelf één laatste kans geef om te vragen of ik het wel goed begrepen heb.
Maar dat doe ik niet. Ik weet het. Dus open ik mijn mond. En wacht. Geen woorden. Geen uitleg. Geen vraag.
Alleen ik, tegen de muur, terwijl Van Weelden langzaam een grijns over zijn gezicht krijgt. Pas dan komt hij overeind.
Wanneer hij overeind komt, merk ik dat ik niet meteen anders begin dan die ochtend. Dat besef komt pas terwijl ik al bezig ben.
Wat ongeduldig sjort hij z'n broek los en wipt zijn erectie naar buiten alsof het al de hele dag op mij wachtte. Langer dus al. Ik hoef hem niet te vertellen wat ik gedaan heb. Juist niet. Nooit. Ik moet het gewoon laten zien. Dus pak ik zijn harde schacht vast en doe ik precies dat. Precies zoals ik vanmorgen bij Mo begonnen was.
En bij Mo had ik de tijd genomen. Misschien omdat ik wist dat Jayden er niet was. Misschien omdat er voor het eerst geen twee anderen naast hem stonden te wachten. Maar vooral omdat ik zelf had bepaald hoe het zou beginnen. Mijn handen eerst. Kijken hoe hij reageerde. De spanning rustig laten oplopen. Niet meteen doen wat hij verwachtte, maar hem laten voelen dat ik degene was die besloot wanneer het volgende gebeurde.
En zonder dat ik daar bewust over heb nagedacht, begin ik hier precies hetzelfde.
Mijn handen zoeken eerst hun weg. Rustig. Bijna onderzoekend. Ik kijk omhoog naar zijn gezicht en let op iedere kleine verandering die ik daar zie. Zijn blik. Zijn ademhaling. De manier waarop hij naar beneden kijkt. Het geeft me iets vertrouwds terug. Iets wat ik die ochtend ook had gevoeld.
Controle. Of in ieder geval het idee daarvan.
Ik neem mijn tijd. Niet omdat ik denk dat Van Weelden daar geduldig op zit te wachten, maar omdat dit inmiddels blijkbaar mijn manier is geworden. Zo begin ik. Eerst voelen. Eerst kijken. Eerst ontdekken hoe iemand reageert op wat ik doe. Zijn zachte voorhuid en zijn harde schacht daaronder. De hitte. Ik neem het allemaal in mij op. En kort vraag ik me af hoe dit gegaan zou zijn als Jayden er wel bij was geweest. Had ik hem dan twee keer moeten laten zien wat ik gedaan had, of...
Van Weelden kreunt wat ongeduldig terwijl ik mijn handen soepel heen en weer laat gaan, zoals vanmorgen. Pas daarna in mijn mond. Heel even probeer ik mezelf wijs te maken dat dit daardoor anders is.
Dat vanmorgen iets van mij en Mo was geweest. Dat ik daar zelf voor had gekozen en dat ik hier nu alleen maar zit omdat Van Weelden verwacht dat ik verslag doe. Twee verschillende situaties. Twee verschillende mannen. Twee verschillende pikken. Twee totaal verschillende redenen.
Maar mijn lichaam trekt zich daar niets van aan. Dezelfde warmte kruipt door me heen. Dezelfde spanning in mijn buik. En wanneer ik omhoogkijk en zie dat hij me volledig doorheeft, maakt dat het alleen maar erger.
Ik zuig gretig en neem zijn eikel diep in m'n mond. Dit ging makkelijker dan bij Mo. En ook nu doe ik echt wel m'n best, en wil ik hem pijpen om te laten komen. Dat was het enige verschil. Bij Mo nam ik gas terug om hem te verkennen, te plezieren. Om later een harder orgasme van hem te mogen ontvangen. Maar in essentie maakte het dus niet uit wie er voor me stond met wat voor pik. Dat wist Van Weelden al een tijdje.
Fuck. Ik had gedacht dat ik die ochtend echt iets voor Mo had gedaan. Iets wat daar was gebleven, onder die trap, verborgen tussen mij en hem. Nu begon ik te begrijpen dat Van Weelden daar blijkbaar anders over dacht.
Wat ik die ochtend had gedaan, was voor hem niet zomaar iets dat ik voor Mo had gedaan. Het was iets waar ik hem die middag over kwam rapporteren. Op deze manier. Niet de afspraak die stond, maar wel die het was geworden. Dus zoog ik door.
En terwijl ik nog probeer vast te houden aan mijn eigen tempo, merk ik al dat hij daar heel andere ideeën over heeft.
En terwijl ik nog probeer vast te houden aan mijn eigen tempo, merk ik al dat hij daar heel andere ideeën over heeft.
Het begint met zijn hand. Eerst voel ik hem alleen tegen mijn achterhoofd, zwaar en warm, zijn vingers die zich zonder haast tussen mijn haren leggen. Niet hard. Nog niet. Maar ook niet vragend. Hij legt zijn hand daar neer alsof hij allang weet dat ik begrijp wat dat betekent.
Ik kijk omhoog. Hij kijkt terug. En dan beweegt hij.
Mijn eigen ritme wordt onmiddellijk verstoord. Bij Mo had ik steeds zelf kunnen bepalen wanneer ik dichterbij kwam en wanneer ik weer iets terugging. Hier krijg ik daar ineens geen tijd meer voor. Ik moet me aanpassen aan zijn bewegingen, aan de manier waarop hij zijn heupen naar voren brengt en zijn eikel mijn mond instoot en weer teruggaat, terwijl zijn hand op mijn hoofd blijft liggen.
Niet zoals Mo deed. Bij Mo had ik het gevoel gehad dat hij wachtte op wat ik deed. Dat iedere reactie van hem volgde op iets wat ik zelf in gang zette. Hier gebeurt het andersom. Ik probeer nog even mijn eigen tempo vast te houden, maar ik loop al snel achter op hem.
Zijn hand sluit steviger. Mijn rug duwt zich verder tegen de muur wanneer ik mijn houding probeer aan te passen. Eén hand zoek ik automatisch naar zijn been, meer om mezelf in evenwicht te houden dan omdat ik nog weet wat ik ermee wilde doen. De andere blijft even hangen, maar ook die verliest langzaam zijn functie.
Hij briest wat meer. Ik moet gewoon m'n mond openhouden. Net als toen. Ik blijf naar hem kijken en voel zijn schacht sneller langs mijn lippen glijden, zijn eikel drukkend op m'n tong of tegen m'n gehemelte. Dat bepaalt hij. Ik ben niet meer bezig met wat ik hierna wil doen.
Ik probeer vooral bij te houden wat hij doet. Dat verschil dringt onverwacht hard tot me door.
Bij Mo wist ik steeds wat mijn volgende stap was geweest. Ik had tijd gehad om te kijken. Om te voelen. Om te besluiten dat ik nog even doorging of juist veranderde. Hier weet ik steeds pas wat er gebeurt wanneer het al gebeurt. Een beweging later. Een ademhaling te laat.
En vreemd genoeg maakt juist dat mijn hoofd leger. Ik hoef niet meer na te denken over hoe ik het moet doen. Niet meer te kijken of hij reageert zoals ik hoopte. Van Weelden heeft het overgenomen en mijn enige taak lijkt ineens te zijn om me aan te passen aan het tempo dat hij kiest.
Mijn vingers klemmen zich steviger vast. Ik probeer opnieuw omhoog te kijken, maar zijn hand bepaalt de stand van mijn hoofd. Niet met één plotselinge harde beweging, maar met een voortdurende druk die me duidelijk maakt dat hij geen behoefte heeft aan dezelfde rustige opbouw die ik hem net nog probeerde te geven.
Hij kreunt. Ik voel hoe de spanning in mijn eigen lichaam daarop reageert en daar baal ik bijna van.
Dit was niet hetzelfde. Dat wist ik.
Dit was Van Weelden. Zijn kantoor. Zijn idee. Zijn manier om van mijn ochtend een verslag te maken waar ik nooit om had gevraagd.
En toch reageerde mijn lichaam alsof dat verschil er nauwelijks toe deed. Misschien zelfs erger.
Omdat hij me doorhad. Omdat ik niet hoefde uit te leggen wat ik die ochtend had gedaan. Omdat hij blijkbaar al lang wist wat voor soort meisje hier nu tegen zijn muur zat. En omdat hij, zonder dat ik er nog woorden aan vuil hoefde te maken, precies wist waarom ik hier was gaan zitten.
Ik had vanmorgen bij Mo gedacht dat ik degene was geweest die bepaalde hoe ver het ging. Ook daar valt over te discusiëeren. Hier voelde ik dat idee langzaam uit mijn handen glijden. En toen Van Weelden opnieuw bewoog, sneller dit keer, besefte ik dat ik mijn eigen ritme allang kwijt was.
En als ik denk dat het nog seconden gaat duren, worden we abrupt verstoord. Althans, dat denk ik. Er wordt op de deur geklopt, precies op een moment waarop mijn hele aandacht nog bij hem en bij het ritme van zijn bewegingen ligt. Van Weeldens grip wordt zwakker, alsof hij heel even zijn aandacht naar de deur verplaatst, maar zijn lul duwt hij juist dieper m'n mond in. Alsnog kan ik niet weg, niet nu, niet met mijn rug tegen de muur en zijn lichaam zo dicht voor me.
''Binnen,'' zegt hij rustig, en mijn ogen schieten open van schrik. Wat doet hij nu? Rayenne was al lang naar huis, en in een fractie van een seconde probeer ik te bedenken wie er dan nog op dit tijdstip iets in zijn kantoor te zoeken heeft. ''En o wee als je stopt,'' fluistert hij mij dreigend toe. Ik schrik er in die zin van, dat ik dat ook niet doe. Ik zuig op z'n eikel en m'n hoofd beweegt nog wat heen en weer, voor zover dat kan, terwijl ik tegelijk naar hem blijf kijken. Zijn tevreden grijns doet me dan alweer goed, alsof hij precies ziet dat ik ondanks mijn schrik nog steeds doe wat hij van me verwacht.
De deur gaat open. En daar stapt hij binnen. Met mijn jasje van vanmorgen, dat ik onmiddellijk herken en waardoor mijn maag opnieuw samenknijpt. ''Leg maar neer, Jorrel,'' zegt Van Weelden rustig en blijft mijn achterhoofd tegen de muur drukken met zijn lul, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat er iemand zijn kantoor binnenkomt terwijl ik hier zo zit. De klotsende geluiden zijn te horen, duidelijk genoeg dat er geen enkele mogelijkheid bestaat dat degene die net binnen is gekomen niet begrijpt wat er gebeurt.
Het was de conciërge. En nu had hij een naam. Hij ziet me. Hij ziet hem. Hij legt het jasje rustig over een stoel en kijkt nog even naar mij, zonder zichtbaar te schrikken of haastig zijn blik af te wenden. Me eerst recht aan, maar dan vallen zijn ogen op mijn mond, mijn natte lippen waar Van Weelden in blijft stoten, om vervolgens verder af te dwalen. Mijn decolleté natuurlijk, maar ook hoe ik mijn handen op mijn knieën heb, die wat gespreid staan, terwijl ik nergens heen kan en ondertussen alleen maar kan blijven zitten zoals ik hier terecht ben gekomen.
Hij zegt er niks over. Van Weelden ook niet. En ik? Ik kan niks zeggen. Ik kijk deze Jorrel aan terwijl ik nog een keer zuig op die lul, volledig bewust van het feit dat hij alles ziet en dat er niets meer verborgen is aan wat hier gebeurt. ''Goed zo, meisje...'' zegt Van Weelden dan duidelijk, niet voor mij, maar voor hem.
''Dat was het, Jorrel. Dank. Zie je morgen,'' praat Van Weelden alsof het zweet niet op z'n voorhoofd staat en zijn kloppende eikel niet naar m'n keel glijdt, terwijl ik alleen maar kan blijven kijken naar de conciërge en me afvragen waarom hij zo kalm blijft onder iets waar ik zelf inmiddels een miljoen vragen bij heb.
De deur valt weer dicht en we zijn weer alleen, waardoor de stilte in het kantoor meteen terugkeert alsof Jorrel er nooit is geweest. Zijn grip verstevigt zich weer op m'n hoofd en ik voel hoe zijn hand opnieuw duidelijker bepaalt waar ik blijf en hoeveel ruimte ik nog heb om zelf te bewegen. ''Zie je wel dat je kan luisteren,'' zegt hij alleen, bijna achteloos, en daarna begint hij regelmatiger zijn lul m'n mond in te pompen, alsof de onderbreking hem alleen maar heeft bevestigd in wat hij me blijkbaar wilde laten begrijpen.
Ik heb duizend vragen, vooral over Jorrel, over wat hij precies heeft gezien en waarom hij daar zo rustig onder bleef, maar ik mag alleen maar luisteren en dus houd ik die vragen waar ze zitten. Ik weet het. Ik snap het. Dit was weer een truc om zijn macht te tonen, of in ieder geval zo voelt het voor mij, al weet ik nooit precies wat hij bedoelt en blijf ik telkens weer zoeken naar iets wat hij niet hardop zegt. Wel weet ik wat hij wil. Dit. Mijn lippen om zijn lul en zijn zaad wat kolkt in mijn mond.
''Godver, Anna...'' mompelt hij als hij me zowat de muur indrukt en dan hard klaarkomt. Mijn ogen blijven open en worden groot met elke lading die hij in m'n mond pompt, terwijl ik probeer te slikken en tegelijkertijd merk dat ik zijn bewegingen nauwelijks kan volgen. Hij stoot wild heen en weer, en het zaad klotst er aan de andere kant uit, zo op dat decolleté van mij, waardoor ik alleen maar kan hopen dat ik straks nog enigszins normaal de gang op kan. Gelukkig had ik m'n jasje weer.
Hij leunt boven me tegen de muur, zijn eikel nog op m'n tong drukkend, leeggespoten, terwijl zijn zaad over m'n kin onder de mondhoeken verder naar beneden kruipt en op mijn borst valt, ertussen kruipt en mijn lichaam in vuur en vlam zet. ''Je bent aardig vooruitgegaan,'' zegt hij dan opeens, bijna komisch, alsof hij zojuist een gewone beoordeling heeft gegeven in plaats van wat er net is gebeurd.
Hij trekt zich terug en ik kijk naar hem op en lach. Geen beleefd lachje, maar een oprecht lachje, trots en blij, omdat die opmerking me op een vreemde manier precies geeft wat ik op dat moment blijkbaar wil horen. ''Dank,'' zeg ik na te slikken, terwijl ik mezelf langzaam weer bij elkaar probeer te rapen.
En dan wil ik hem wel wat vragen, vooral omdat Jorrel nog steeds door mijn hoofd blijft spoken, maar hij loopt alweer weg en bij zijn bureau is zijn rits alweer dicht. Hij werkt alweer als ik trillend overeind kom en de muur achter me eindelijk loslaat. Dus stel ik geen vragen. Het is niet aan mij om te weten, maar om te luisteren en daarnaar te handelen. Zo moeilijk is dat niet...
Zoals ik vanmorgen naar school kwam, zo ga ik niet naar huis. Ik loop wat gehaast over het schoolplein naar de fietsenstalling en kom onderweg die conciërge tegen. Iemand die Mo kende, zei hij. Maar niet zoals Van Weelden hem kende, begrijp ik.
Een man van tegen de zestig, denk ik. Altijd vrolijk. Maar kende ze naam niet voor vandaag. Niet de mensen die ik normaal spreek. Hij knikt naar me als hij me passeert. Een rilling gaat door m'n lijf. Alsof er niks veranderd is. Alsof hij me niet net gezien had. Op mijn best, misschien wel, maar toch.
Ik loop door. Kijk even om. En zie hem dan al kijken. Uitgebreid. Niet zoals hij eerder deed. Ja, dit is veranderd. Hij weet iets. Maar wist hij het al? En als hij het weet, wie dan nog meer?
De frisse zin van deze ochtend was meteen verdwenen. Niet dat ik nu met tegenzin naar school zou komen. In tegendeel. Het voelt steeds meer of ik deel begin uit te maken van een mysterie. Een complot. Wie is Van Weelden? Wat doet hij allemaal wat ik niet weet? En wil ik dat wel weten? Want hij blijft er maar mee weg komen. En voorlopig wil ik dat ook.