78.033 Gratis Sexverhalen
Klik hier voor meer...
A+ - a-

Lies - 2

Door: Hannymulder

Datum: 17-09-2026 | Cijfer: 9.1 | Gelezen: 1197
Lengte: Lang | Leestijd: 14 minuten | Lezers Online: 11
Trefwoord(en): Broer, Erotisch, Zus,

Vervolg op: Lies - 1: Het Raampje Boven De Deur

De Hitte Van Juli

voor deze verhalenserie moet je even geduld hebben. Dit is niet bedoeld als geschreven porno. Al wordt het later wel steeds erotischer

De trein rolt het station binnen met een schurend piepgeluid, remmen die knarsen op de rails, en hij staat bij de uitgang van de perrontrap, handen in zijn zakken, zijn vingers trommelen tegen de stof van zijn broek. Het is warm, juli-warm, de lucht plakt aan zijn huid en het zweet staat in zijn nek. Hij heeft zich vanmorgen geschoren, het scheermes over zijn kaak, maar tegen de middag was de schaduw van stoppels alweer terug. De deuren van de trein schuiven open, mensen stappen uit, en dan ziet hij haar.

Lies. Ze draagt een licht jasje, van oude spijkerstof, een tas over haar schouder. Ze kijkt over de hoofden heen, scant het perron, en als ze hem vindt breekt er iets open op haar gezicht. Ze steekt haar hand op. Hij steekt de zijne op. Ze loopt naar hem toe, en hij naar haar, en ze ontmoeten elkaar halverwege.

"Hoi," zegt ze.

"Hoi," zegt hij.

Ze staat voor hem. Dichtbij. De geur van trein en zomer en iets bloemigs dat hij niet kan plaatsen. Ze kijkt naar hem, neemt hem in zich op, en hij doet hetzelfde bij haar. Het is vreemd, dit moment, alsof ze allebei wachten op een instructie die niet komt. Hij bestudeert haar gezicht, de lijn van haar kaak, de manier waarop haar haren over haar schouder valt. Er is iets anders aan haar, iets wat hij niet direct kan benoemen, maar wat hem raakt als een vinger die over een oude wond strijkt. Ze is ouder. Ze is ongelofelijk mooi. Ze is hetzelfde en niet hetzelfde, en hij voelt de druk in zijn borstkas toenemen bij het besef dat hij niet weet wat hij moet zeggen.

"Fietsenstalling?" vraagt hij.

Ze knikt. "Fietsenstalling."

Ze lopen naast elkaar door de stationshal, langs de kiosk en de bloemenstal en de geur van verse baklava die uit een kraam drijft. Hun schouders raken elkaar bijna, maar niet helemaal. De afstand tussen hen is een levend ding, een kloof die meetbaar is in centimeters maar die weegt als iets veel groters. Hij ruikt haar parfum nu duidelijker, of is dat gewoon haar geur en wat zeep? Iets lichts en bloemigs, en hij vraagt zich af of zij hem ook ruikt, het zweet, de zeep, de zenuwen die door zijn lijf gieren. Hij wijst de richting, linksaf, de trap af, en ze dalen af naar de ondergrondse fietsenstalling waar zijn fiets tussen honderden andere staat, verankerd aan een rek met een roestig hangslot.

De stalling is koel en schemerig, de lucht er dik van beton en rubber en olie. Het geluid van hun voeten weergalmt tegen de muren. Hij bukt, draait de cijfercombinatie, rukt het slot los. De fiets klikt vrij. Hij trekt hem uit het rek, de ketting tikt tegen het frame, en hij houdt het zadel vast terwijl hij naar haar kijkt. "Stap maar achterop."

Ze lacht, een korte vraag. "Weet je het nog?"

"Wat?"

"Vroeger. Jij voorop, ik achterop. Door het dorp."

Hij zegt niets. Hij weet het nog. Hij weet het allemaal nog. Hij weet hoe haar handen toen om zijn middel lagen, haar vingers gevouwen op zijn buik, en hoe hij fietste alsof de wereld achter hen aan joeg. Hij weet hoe haar blote knieën tegen zijn dijen voelde als ze afremde. Hij weet hoe de geur van haar haar in de wind hem duizelig maakte, en hoe hij dat gevoel wegdrukte, diep weg, omdat hij er niet mee om kon gaan.

Ze zet haar tas voor zich op het bagagedrager, klemt hem tussen haar buik en zijn rug, en klimt achterop. Haar handen glijden om zijn middel. Haar vingers sluiten zich op zijn buik, net onder de rand van zijn shirt, en hij voelt de warmte van haar handpalmen door de stof. Het is een vertrouwd gebaar, een gebaar dat zijn lichaam herkent voordat zijn hoofd het kan verwerken. De druk van haar vingers, de nabijheid van haar lichaam, de manier waarop haar adem door zijn shirt heen zijn rug verwarmt. Hij pakt het stuur, zet af en ze rijden.

De stad trekt voorbij. Grachten, gevels, fietspaden die glanzen van het asfalt dat zacht is geworden in de hitte.

Ze fietsen langs een markt waar de geur van verse vis en rijpe perziken zich mengt tot iets zoets en scherps. Haar handen om zijn middel. Haar kin, af en toe, tegen zijn schouder als ze naar iets kijkt. De warmte van haar lichaam tegen zijn rug. Hij voelt elke centimeter van haar aanraking door de stof van zijn shirt, alsof zijn zenuwen zijn aangescherpt, alle signalen versterkt, en hij moet zich concentreren op het fietsen, op het pad, op het verkeer, omdat zijn gedachten elders zijn. Bij haar handen. Bij haar adem. Bij de herinnering aan hoe het was, en de vraag hoe het had kunnen zijn.

Hij kijkt omhoog naar de gevels, naar de wolken die zich opstapelen boven de stad, naar de lucht die zwaar is van vocht. Hij hoort haar ademen achter zich. Hij denkt aan vroeger, aan Friesland, aan de jongen die hij was, en hij vraagt zich af of ze het voelt, de spanning die in zijn lijf zit, de hitte die niet van de zon komt. Hij denkt aan de jongen die door het ventilatieraampje keek, die haar wegduwde, die niets kon zeggen van alles wat hij voelde. Hij denkt aan de man die hij nu is, de man die zijn leven heeft geprobeerd op te ruimen, de scherven heeft geprobeerd te lijmen, en hij vraagt zich af of het genoeg is geweest. Of het ooit genoeg zal zijn.

Hij let niet op.

Hij let niet op het kruispunt, niet op het fietspad dat naar rechts buigt, niet op het geluid van een brommer die van rechts komt, een oude Tomos met een rammelende uitlaat. De bestuurder, een jongen met een pet en een sigaret tussen zijn lippen, toetert, maar hij hoort het te laat. Hij draait zijn hoofd, ziet de brommer, en dan is er de klap.

Metaal tegen metaal. De fiets schokt, slingert, zijn voet glijdt van de pedaal, en achter hem gilt Lies. Hij voelt haar handen van zijn middel glijden, voelt het gewicht verschuiven, en dan valt ze. Hij hoort haar rug de grond raken, een doffe klap die door zijn lijf snijdt, en hij springt van de fiets, laat het stuur los, en de fiets klettert op het asfalt.

"Lies!"

Ze ligt op haar rug, haar armen gespreid, haar jasje open, haar ogen wijd. Haar gezicht is bleek, haar mond wijd open van schrik. De brommerbestuurder is gestopt, staat naast zijn Tomos, de sigaret bungelt nog tussen zijn lippen. De tijd lijkt zich uit te rekken, elke seconde een minuut, en hij ziet haar daar liggen op het warme asfalt, haar haren uitgespreid als een halo, haar borst die snel op en neer gaat, en er gaat een schok van pure doodsangst door hem heen.

"Lies, gaat het?" Mijn stem trilt.

Hij knielt naast haar, zijn handen trillen, zijn vingers reiken naar haar schouder maar hij raakt haar niet aan, alsof hij bang is dat ze breekt als hij dat doet. Ze knippert, haalt adem, en dan komt ze overeind op haar ellebogen. Er zit stof op haar jasje, een veeg op haar wang, een kras op de rug van haar hand. Hij ziet het bloed opwellen in de kras, een dunne rode lijn, en hij voelt zijn maag samentrekken.

"Heb je pijn?"

Ze schudt haar hoofd. "Ik geloof het niet."

"Heb je je erg bezeerd? Je hoofd?"

"Nee, ik—" Ze draait haar schouders, test haar lijf. "Nee. Niks."

Hij staat op, draait zich naar de brommerbestuurder, steekt zijn hand op. "Sorry, man. Sorry. Dat was mijn schuld. Ik lette niet op."

De jongen met de pet trekt aan zijn sigaret, kijkt naar de fiets, kijkt naar Lies, kijkt naar hem. "Gaat het met haar?"

"Ja, ja, ik geloof van wel. Dank je. Het was mijn stomme schuld. Ik keek niet uit."

De jongen knikt, laat zijn sigaret vallen, drukt hem uit met zijn schoen, en rijdt weg. De brommer hoest, rammelt, en verdwijnt om de hoek. De straat is weer stil, op een vrouw die met een kinderwagen voorbijloopt en een man die zijn hond uitlaat na.

Hij bukt, pakt de fiets van de grond, zet hem op de standaard. Dan draait hij zich naar Lies, die nu staat, haar handen op haar jasje dat ze recht trekt. Hij ziet de vuile veeg op de stof, de lichtgrijze streep over de linkerborst, en hij veegt er met zijn hand overheen. Zijn vingers over haar jasje, over de plek waar het vuil zit, en hij voelt de warmte van haar lichaam eronder, de ronding van haar borst die hij niet bedoelt aan te raken maar die er is, vluchtig, een fractie van een seconde. Zijn vingers stoppen, blijven hangen, en hij trekt zijn hand terug alsof hij zich gebrand heeft.

"Heb je je ergens pijn gedaan? Je rug? Je arm?"

Ze lacht. Het is een vriendelijke lach, warm, zonder verwijt. "Niks. Echt. Ik ben gewoon geschrokken."

"God, Lies, het spijt me. Ik lette niet op. Ik was—"

"Ik weet het," zegt ze. "het is niet erg."

Ze kijkt hem aan. Ze kijkt hem aan op een manier die hij niet kan plaatsen, een blik die iets zoekt, iets vindt, iets concludeert. Ze steekt haar hand uit en veegt een pluk haar uit zijn gezicht, een gebaar dat zo natuurlijk komt dat het hem overvalt. Haar vingertoppen strijken langs zijn slaap, en hij voelt de aanraking als een zalfje, als iets dat zijn huid heelt en zijn pijn.

"Je bent inderdaad veranderd," zegt ze.

Hij knikt. "Ik probeer—"

"Nee," onderbreekt ze. "Je bent niet aan het proberen. Je bent echt veranderd. Je bent…". Ze wacht even en kijkt hem een beetje verlegen aan. “Je bent zo lief, zo attent”.

Haar stem is zacht, maar de woorden dragen gewicht. Ze kijkt hem diep in zijn ogen, en hij kijkt terug, en daar zijn ze, haar ogen, blauw, fris, open, als water dat door een sloot stroomt, als de lucht boven Friesland op een ochtend in augustus, als iets dat hij kent en niet kent tegelijk. Hij ziet de vlekjes in haar irissen, donkerder blauw bij de pupil, lichter naar de rand. Hij ziet zichzelf weerspiegeld in het vocht van haar ogen. Een man die op een straat staat naast een oude, beschadigde fiets, een man, verward, die niet weet wat hij moet doen met wat hij voelt.

En dan is het daar. Dat oude gevoel. Het komt niet langzaam, niet geleidelijk, niet als een golf die opbouwt. Het is er, ogenblikkelijk, als een hand die zich om zijn borst sluit en knijpt. De hitte die door zijn lijf schiet, de druk in zijn buik, de spanning in zijn vingers die nog steeds trillen, maar niet meer van de schrik. Het is het gevoel van vroeger, de jongen die door het ventilatieraampje keek, de jongen die haar wegduwde omdat hij niet wist hoe hij moest zeggen wat hij voelde, de jongen die jaloers was op alles en iedereen die haar aandacht had. Het is het gevoel dat hij probeerde te doden, dat hij probeerde weg te drukken, dat hij probeerde te overstemmen met alles wat hij sindsdien heeft gedaan. Maar het is er, levend, pulserend, alsof het nooit weg is geweest. Hij voelt het in de manier waarop zijn ogen op haar gezicht rusten, in de manier waarop zijn hand op haar schouder hangt, in de manier waarop zijn adem stokt als ze haar hoofd een fractie kantelt en hem aankijkt alsof ze wacht. Hij voelt het in zijn keel, in zijn maag, in de holte van zijn borstbeen waar iets klopt dat geen hartslag is. Het is verlangen en spijt en angst en hoop, samengeperst tot een vuist die hem van binnenuit wurgt.

Ze zegt niets. Hij zegt niets. De stad beweegt om hen heen, een fietser die belt, een auto die claxonneert, de kinderwagen die verderop de hoek om gaat, maar hier, op dit stuk asfalt naast een omgevallen fiets en een vuile veeg op haar jasje, staat de tijd even stil. Hij kijkt in haar ogen en zij kijkt in de zijne, en er is een moment waarop hij haar zou kunnen aanraken, haar gezicht zou kunnen vastpakken, haar naar zich toe zou kunnen trekken, maar hij doet het niet. Hij staat daar, zijn voeten vastgenageld aan het asfalt, zijn handen langs zijn zijden, en hij laat het moment passeren.

Hij blijft nog even in haar ogen kijken. Blauw. Fris. Open. En hij weet, met een zekerheid die hem misselijk maakt, dat hij niet veranderd is. Niet waar het haar betreft. Niet waar het dit betreft. Het oude gevoel zit in zijn botten, in zijn bloed, in de manier waarop zijn lichaam reageert op haar nabijheid, en geen enkele schone kamer, geen enkel gebaar van vriendelijkheid, geen enkele poging om een beter mens te worden heeft dat weggenomen. Het is er. Het is er altijd geweest. En het gaat nergens heen.
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Hannymulder
Brigitta
Brigitta (41)
Hou jij van vrouwen die houden van aandacht, humor en ondeugende spanning?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel

Nog niet uitgelezen?

Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 725 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net