
Bij iedere beweging die ik maak om te sturen of het koppelingspedaal in te trappen, schuurt mijn blote huid onwennig tegen de rugleuning en de zitting. Er zit geen enkel laagje kleding tussen mij en de autostoel; ik voel de naden tegen mijn volle dijen, mijn kont en mijn schouderbladen. In het kuiltje van mijn hals tikt het hangertje van mijn zilveren kettinkje op het ritme van de bochten zacht tegen mijn huid. Bij elke oneffenheid in de weg bewegen mijn blote borsten mee, een voortdurende herinnering aan hoe schaamteloos ik hier achter het stuur zit.
Na een tiental kilometer zonder een andere ziel op de weg zijn tegengekomen, ebt mijn ongemak langzaam weg. De duisternis buiten voelt als een beschuttende deken en ik begin voorzichtig te wennen aan de deining van de wagen en het ritme van de bergweg.
Op de passagiersstoel heeft Kristof echter heel andere plannen. Hij draait zich een kwartslag naar me toe en legt zijn warme hand zonder waarschuwing net boven mijn blote knie. Ik schrik op. “Kristof, nee, nu niet,” mompel ik, terwijl ik naar de bocht voor me kijk en met mijn rechterhand zijn hand van mijn been duw. “Ik moet op de weg letten.” Hij trekt zich niets van mijn protest aan. Met een zachte lach legt hij zijn hand gewoon weer terug op mijn bovenbeen, dit keer een paar centimeter hoger. Met zijn duim strijkt hij langzaam in kleine cirkels over de zachte binnenkant van mijn dij, terwijl hij zijn vingers millimeter voor millimeter verder naar boven laat glijden. “Ik doe toch niks?” zegt hij op een onschuldige toon, al verraadt de schalkse blik waarmee hij me aankijkt het tegendeel.
“Je leidt me af!” Ik grijp zijn pols vast en haal zijn hand van mijn been af, maar nog geen drie tellen later voel ik zijn vingertoppen alweer halverwege mijn been, gevaarlijk dicht bij mijn schoot. Opnieuw duw ik zijn hand kordaat weg, en opnieuw keert hij terug. Bij de volgende haarspeldbocht heb ik mijn beide handen nodig om te sturen, terug te schakelen en de wagen op de weg te houden. Kristof maakt hier schaamteloos gebruik van. Zijn hand glijdt nog een stukje hoger over mijn dij, tot zijn vingertoppen tegen de plooi van mijn lies rusten. Mijn adem stokt een tel in mijn keel en ik trap het gaspedaal bij het uitkomen van de bocht iets te diep in. “Zie je nu wat je doet?” sis ik. “Stop hiermee, ik meen het!”
“Je rijdt anders prima,” merkt hij droogjes op, waarna hij zijn hand zonder enige gêne op mijn blote heup laat landen en met zijn vingertoppen langzaam over mijn buik en bovenbeen naar beneden wandelt. Terwijl ik tegen pruttel en zucht dat hij zich moet gedragen, trekt er een hete golf door mijn onderbuik. De waarheid is dat ik van elke aanraking geniet. Ik ervaar het als een zinderend kat-en-muisspel. Hoe meer weerwerk ik hem bied, hoe driester hij wordt. Mijn hele lichaam tintelt van de opwinding onder zijn plagende vingers.
Net wanneer ik zijn hand voor de zoveelste keer wegduw en een bocht naar links instuur, flitsen er twee felle lichtbundels op in mijn binnenspiegel. Een auto achter ons, die veel sneller door de bergen jaagt dan wij en in hoog tempo dichterbij komt. Het speelse gevoel is in één klap verdwenen; paniek slaat me om het hart. Opeens ben ik me weer pijnlijk bewust van mijn blote lichaam. Voor mijn gevoel zit ik vol in het zicht en kan de bestuurder achter ons door de achterruit zo bij ons naar binnen kijken. Ik duw het gaspedaal dieper in. De motor brult op en ik stuur de Fiat veel te gehaast de volgende bocht in, vastbesloten om de achterligger op afstand te houden.
Naast me is het plagen voorbij. Kristof komt overeind en legt zijn hand rustig maar kordaat op mijn onderarm. “Rustig schatje...” zegt hij op een kalme, dringende toon. “Niet te roekeloos gaan rijden. Bega geen ongelukken.” Ik haal mijn voet iets van het gas, maar blijf in de binnenspiegel kijken, waar de felle lampen nu vlak achter ons opduiken. “Hij kleeft aan onze achterbumper! Hij ziet me!!!” Kristof laat mijn arm niet los en geeft een geruststellend kneepje. “Hij ziet helemaal niks,” sust hij. “Het is pikkedonker. Voor hem zijn wij gewoon een set rode achterlichten.”
“Dat zeg jij!” bijt ik hem gespannen toe, terwijl het zweet me in mijn handpalmen uitbreekt. Zijn kalmte werkt me op mijn zenuwen. Elke keer de weg iets omhoog loopt, schijnen die koplampen achter ons recht door de achterruit naar binnen, langs de hoofdsteunen over het plafond. Voor mijn gevoel kan die onbekende chauffeur bij elke bocht zo langs mijn nek en mijn ontblote schouders kijken. “Waarom haalt die kerel ons niet gewoon in?!”
“Omdat het een kronkelweg is, Leen. Inhalen is hier onmogelijk,” antwoordt Kristof bedaard. “Gewoon je eigen tempo rijden. Er is niets aan de hand.” Ik heb amper de tijd om zijn woorden te laten bezinken, want na de volgende heuvelrug doemen de contouren van een klein Toscaans dorpje op. Even later rijden we tussen de eerste huizen onder een rij straatlantaarns door. Het oranje schijnsel valt door de voorruit en de zijramen naar binnen en zet het hele interieur van de auto in het volle licht. Ik krimp ineen. De beschutting van de nacht is weg; ik voel me zo weerloos en bekeken alsof ik als een goudvis in een glazen bokaal op het dorpsplein word tentoongesteld. Met een bonzend hart laat ik me zo diep mogelijk onderuitzakken in mijn stoel, tot ik nog maar net over de rand van het stuur naar de weg voor me kan kijken.
Gespannen speur ik de stoepen af, bang voor een voetganger, maar het dorpje ligt er verlaten bij. De luiken voor de gevels zijn bijna allemaal dicht. Toch voelt de dorpsstraat eindeloos lang. Bij elke straatlantaarn waar we onderdoor rijden, glijdt er een nieuwe golf van geeloranje licht over de motorkap naar binnen, recht over mijn blote borsten, mijn buik en mijn dijen. Terwijl ik verkrampt en achter het stuur weggedoken zit, werp ik een venijnige blik opzij. Kristof zit er op zijn dooie gemak bij en kijkt met een geamuseerde glimlach naar mijn wanhopige poging om mezelf onzichtbaar te maken.
“Zit niet zo naar me te staren,” sis ik tussen mijn tanden door, zonder mijn hoofd te draaien. “Kijk liever of die kerel achter ons naar binnen zit te gluren!” Kristof werpt een kalme blik in zijn zijspiegel en kijkt me dan weer lachend aan. “Die man zit gewoon te wachten tot hij door kan rijden, Leen. Als je nog een centimeter dieper onderuitzakt, kom je niet eens meer met je neus boven het stuur uit.”
“Jij hebt makkelijk praten,” fluister ik nijdig terug, terwijl mijn blote onderrug door het klamme angstzweet tegen de zitting plakt. “Als er nu iemand uit een zijstraat komt of uit een raam kijkt, zien ze me zo zitten!” “Er kijkt niemand uit het raam om middernacht,” zegt hij droogjes, al zie ik aan de pretlichtjes in zijn ogen dat hij volop geniet van mijn ongemak.
In mijn spiegel zie ik hoe de wagen achter ons zijn richtingaanwijzer aanzet. De koplampen zwenken weg en verdwijnen in een smalle zijstraat. Even later laten we het dorp achter ons en sluit het donker weer om ons heen. Een diepe zucht van verlichting ontsnapt me, maar mijn opgekropte schrik slaat meteen om in felle ergernis. “Dit was echt een kutidee,” val ik tegen Kristof uit, terwijl mijn wangen nog nagloeien van de spanning. “Dat ik hier ooit mee heb ingestemd! Ik zit me dood te schamen.”
“Niemand heeft je ertoe gedwongen, Leen.” Kristof observeert me met een geamuseerde blik. “Toen je bij de stadspoort liet weten dat je het een belachelijk idee vond, heb ik het meteen laten rusten.”
“Ik had geen keus! Als ik het niet had gedaan, had je de hele rit flauw liggen doen. En dat wilde ik koste wat het kost vermijden.”
“Laat me niet lachen, toen je in de auto zat, kon je letterlijk niet wachten om alles uit te trekken.”
“Ik wilde het gewoon achter de rug hebben!”
“Achter de rug? Je trok die kleren haast in stukken van je lijf!”
“Omdat jij daar zo ongeduldig naar mij zat te kijken!”
“Niet liegen, schat. Jij zat me de hele tijd uit te dagen.”
“Je haalt je dingen in je hoofd,” mompel ik gehaast, terwijl de warmte me weer naar de wangen vliegt.
“Echt niet,” vervolgt Kristof onverstoorbaar. Zijn ogen glunderen.
Ik slik een keer en voel hoe ik mijn greep op het lederen stuurwiel verstrak. Elk woord dat hij uitspreekt slaat de spijker op de kop. De macht die ik voelde op die donkere parkeerplaats, toen ik zijn bluf counterde en hem met de mond vol tanden liet staan door me bloot te geven, gaf me een roes die nog steeds door mijn bloed zindert.
“Je verbeeldt je dingen,” houd ik koppig vol.
“Weet je wat?” gaat hij rustig verder, en hij duwt zich iets omhoog om met één hand achter zich naar de achterbank te reiken. “Als je er echt zoveel spijt van hebt, zetten we de auto nu aan de kant. Dan geef ik je je kleedje, trek je alles weer aan en rijden we braaf verder naar Siena.” Hij laat een korte, veelbetekenende stilte vallen. “Maar dan geef je toe dat je wel een grote mond hebt, maar eigenlijk niks durft. Zeg het maar: zal ik je kleedje pakken?”
Hij laat het niet bij woorden. Ik hoor het lichte geritsel van stof achter mijn rug en een tel later haalt hij zijn hand weer naar voren. Tussen zijn vingers houdt hij mijn marineblauwe kleedje vast, met mijn kanten slipje er nog half in verstrengeld. Hij legt het pontificaal op mijn schoot neer; het fijne kanten randje kietelt bij de volgende bocht tegen mijn blote dijbeen. Met zijn kin wijst hij door de voorruit naar een verharde vluchtstrook langs de bosrand, een paar honderd meter verderop. “Kijk eens aan, daar heb je een mooie inham tussen de bomen,” zegt hij kalm. “Zet de auto daar maar aan de kant, Leen. Dan kan je je kleedje weer aantrekken en hoeft geen enkele Italiaan nog een glimp van je op te vangen.”
Ik knik, trap de rem in en stuur de Fiat het donkere grind op. Ik kijk Kristof strak aan, waarna mijn blik naar het kleedje op mijn schoot glijdt. De keuze is aan mij.
“Kom op, trek maar aan,” daagt hij me zachtjes uit. “Ik wil ten slotte niet dat je dit tegen je zin doet.”
Ik klem mijn handen stevig om het stuur. Wat een slimme zet van hem. De doortrapte zak. Hij doet alsof ik de keuze heb, maar hij weet dondersgoed dat mijn trots en eigenwijsheid het nooit toelaten om nu toe te geven. “Vergeet het maar,” bijt ik hem toe. “Dat plezier gun ik je niet.”
Ik geef gas en stuur de auto met een ruk weer het asfalt op. Naast me laat Kristof een zacht, tevreden lachje horen. Met een trage beweging pakt hij mijn kleedje en mijn slipje van mijn schoot en gooit ze terug op de achterbank, buiten mijn handbereik.
“Dat dacht ik al,” merkt hij droogjes op.
Nog voor ik kan reageren, duikt er uit de tegenoverliggende bocht een tegenligger op. Twee felle, witte lichtbundels schijnen recht door onze voorruit en vullen de cabine met een verblindend schijnsel. Met een schok sla ik mijn rechterarm kruislings voor mijn blote borsten. Een tel later is de wagen ons al voorbij. Naast me schiet Kristof zacht in de lach. “Niet nodig...” zegt hij plagerig. “Heb jij gezien wie er net in die andere wagen zat?”
In de war door zijn plotse vraag leg ik mijn hand terug op het stuur. “Huh? Nee... hoe kan ik dat nu zien? Ik werd verblind door die koplampen!”
“Precies,” zegt hij geamuseerd. “Zij zien van ons hetzelfde: twee felle lichten. Niemand ziet wie er achter het stuur zit.”
Het besef dringt tot me door. Natuurlijk kijkt niemand voorbij die muur van licht. Mijn schuchterheid maakt heel even plaats voor rust.
“Zie je wel dat het allemaal wel meevalt?” zegt Kristof, terwijl hij me uitdagend aankijkt. “Deze uitdaging stelt helemaal niks voor.”
“Meen je dat?!” herhaal ik ongelovig, terwijl mijn hartslag nog in mijn oren bonst. “Ik zit poedelnaakt achter het stuur, Kristof! Hoezo stelt dat niks voor?”
“Omdat er geen mens naar binnen kan kijken zolang het binnenin donker is,” antwoordt hij bedaard. Maar dan zie ik die ondeugende glinstering in zijn ogen terugkeren. “Tenzij ik het plafondlampje aandoe natuurlijk,” voegt hij er droogjes aan toe, en in één beweging strekt hij zijn hand uit naar de schakelaar boven de achteruitkijkspiegel.
“Nee!” gil ik. Ik schiet met mijn rechterhand omhoog en grijp in blinde paniek naar zijn pols om zijn vingers bij het knopje weg te duwen. Mijn hart slaat op hol. Ik ben als de dood dat hij het echt doet; ik ken Kristof door en door en ik weet dat hem werkelijk niets tegenhoudt om dat lichtje aan te klikken om mijn bluf te testen. “Ben je helemaal gek geworden?! Blijf van dat knopje af!” roep ik, terwijl ik met mijn volle gewicht aan zijn uitgestrekte arm hang en met mijn linkerhand de Fiat op de weg houd.
Zijn vingertoppen zweven op amper een centimeter van de schakelaar. Verderop, op de volgende heuvelrug, zie ik tussen de bomen alweer het schijnsel van een nieuwe tegenligger opduiken. Als hij dat lampje nu aanklikt, verandert onze auto in een verlichte etalage midden in de nacht. “Waarom niet?” daagt hij me uit, terwijl hij zijn arm moeiteloos omhoog houdt. “Jij wilde toch doorgaan met de uitdaging? Laat dan maar eens zien hoe stoer je bent.”
“Kristof, ik zweer het je, waag het niet!” Mijn stem slaat bijna over. Ik klem mijn vingers om zijn pols en trek uit alle macht aan zijn arm, waardoor mijn blote borsten bij elke ruk meebewegen en de wagen een lichte slinger maakt over het asfalt. “Haal die hand weg, er komt een tegenligger aan!”
“Zeg eerst maar eens eerlijk waarom je je daarnet niet opnieuw aangekleed hebt,” eist hij met een brede grijns, terwijl het puntje van zijn wijsvinger al tegen de schakelaar tikt. “Was het omdat je van mijn gezeur af wilde zijn, of omdat je het stiekem veel te spannend vindt?”
“Omdat ik het verdom om voor jou te plooien, klootzak! En ja, het is spannend! Haal nu je hand weg voor die auto de bocht om komt!”
Hij houdt zijn arm nog een paar tellen treiterend onder het lampje, zichtbaar genietend van mijn felle verzet, voor hij lachend toegeeft en zijn hand weer laat zakken. Mijn borstkas gaat snel op en neer en mijn wangen gloeien. Ik pruttel nog na dat hij niet goed wijs is, maar diep vanbinnen giert er een heerlijke, roekeloze adrenaline door mijn lijf. Hoe harder ik tegenstribbel, hoe leuker dit spelletje wordt.
De weg strekt zich weer donker en verlaten voor ons uit richting Siena. Nu zijn handen weer bij het plafondlampje vandaan zijn, herpak ik mijzelf. Ik ga wat rechter in mijn stoel zitten, laat de ergste spanning uit mijn schouders vloeien en stuur de wagen een stuk meer ontspannen door de bochten. Ik heb de situatie eindelijk onder controle.
Naast me buigt Kristof zich een klein stukje naar me toe. Hij kijkt op het dashboard, wrijft peinzend over zijn kin en verbreekt de stilte. “Net wat ik dacht... we moeten zo dadelijk wel even tanken.” Met een schok kijk ik naar het dashboard, waar het wijzertje van de brandstofmeter in het midden staat, en draai dan mijn hoofd naar hem toe. “Wat?! Maar de tank is toch nog halfvol?!”
- - -
Meer info over deze dare? Beeldmateriaal? Schrijf je dan in voor de nieuwsbrief (zie mijn profielpagina)





