De ochtend sluipt op kousenvoeten de slaapkamer binnen. Nog voordat Leen haar ogen opent, is ze zich bewust van het gewicht van Thomas’ arm over haar middel en de langzame, diepe cadans waarmee zijn borstkas tegen haar naakte schouderblad op en neer gaat. In de kamer hangt de verstilde, bedompte geur van de afgelopen nacht: de geur van seks. Leen blijft minutenlang doodstil liggen. Ze durft zich bijna niet te verroeren, uit angst dat deze warme, zachte cocon uiteenspat zodra ze beweegt. Haar hele lichaam voelt aangenaam zwaar en lichtjes beurs aan, alsof elke spiervezel na een jarenlange verkramping eindelijk tot op het bot is losgemaakt. Waar er de afgelopen maanden bij het ontwaken altijd direct een grauwe steen van eenzaamheid en paniek op haar maag lag, stroomt er nu een trage, tintelende gloed vanuit haar borstkas naar haar vingertoppen.
Ze draait haar hoofd heel voorzichtig om naar hem te kijken. Een plotselinge, bijna duizelingwekkende golf van verliefdheid trekt door haar borst. Ze brengt haar hand omhoog en laat haar vingertoppen heel licht over de warme huid van zijn sleutelbeen glijden, precies op de plek waar ze vannacht zijn hart zo wild heeft voelen bonzen. Door die kleine aanraking verandert zijn ademhaling. Zonder zijn ogen te openen, sluit Thomas zijn grote hand vaster om haar heup en trekt hij haar met een diep, schor geluid dichter tegen zijn warme lichaam aan. Hij begraaft zijn gezicht in haar haren en drukt een trage, slaperige kus op haar schouder. "Je bent al wakker," mompelt hij met een stem die nog helemaal rauw en zwaar is van de slaap.
Leen glimlacht. Ze legt haar hand tegen zijn stoppelige wang. "Al eventjes. Ik lag naar je te kijken." Thomas opent langzaam zijn donkere ogen. Er verschijnt een trage, intieme glimlach om zijn mondhoeken terwijl zijn blik over haar gezicht glijdt. Hij strijkt met zijn duim over haar onderlip en trekt haar hoofd dan zachtjes naar zich toe. Hun lippen raken elkaar in een lange ochtendkus. Er zit geen haast meer in, alleen de diepe, vanzelfsprekende tederheid van twee mensen die elkaar de hele nacht hebben vastgehouden en nog steeds geen genoeg hebben van elkaars nabijheid.
Wanneer ze de kus verbreken, blijft haar voorhoofd tegen het zijne rusten. Haar hart klopt zo vol en krachtig dat de ruimte om hen heen bijna te klein voelt om al dat gevoel te bevatten. Het gaat zo snel, en het voelt zo overweldigend echt, dat ze de plotselinge behoefte voelt om even de frisse zeelucht in te ademen en alles wat er vannacht in haar is opengebroken in stilte te laten bezinken. "Blijf nog maar even slapen," fluistert Leen zacht, terwijl ze met haar vingers door zijn warrige haren strijkt. "Het is nog vroeg. Ik loop even een stukje langs het water om mijn hoofd leeg te maken, en dan kruip ik zo weer tegen je aan."
Thomas kijkt haar met halfgesloten, slaperige ogen aan. Zijn hand glijdt nog één keer liefkozend van haar schouder over haar blote rug naar haar heup. "Niet te lang wegblijven," bromt hij zacht, waarna hij nog een kus op haar pols drukt en met een diepe, tevreden zucht weer wegzakt in het kussen.
Leen glijdt behoedzaam onder het laken vandaan. Ze raapt haar spijkerbroek en haar katoenen shirt van de vloer, trekt ze aan en sluipt op blote voeten naar buiten. Zodra ze het houten terras afloopt en het smalle zandpad door de begroeide duinen volgt, ruikt ze de zee. De ochtendlucht is nog fris en ongerept, vol van de geur van nat zand en zilte nevel. Bij de waterlijn blijft ze even staan. Kleine, schuimende golfjes spoelen koel over haar blote voeten en enkels. Ze sluit haar ogen en slaat haar armen om zichzelf heen, alsof ze de warmte van Thomas’ huid nog in haar vezels wil vasthouden. Voor het eerst in jaren voelt ze zich niet meer een toeschouwer van haar eigen leven. Ze leeft, ze voelt en ze heeft zelf gekozen.
Wanneer ze haar ogen weer opent en langs de kustlijn kijkt, ziet ze heel in de verte de gigantische witte betontorens van Resort El Dorado boven de palmen uitsteken. Ze draait haar rug naar het complex toe en wandelt rustig de andere kant op, langs het stille, verlaten stuk openbaar strand waar de kromme kokospalmen tot vlak bij het water groeien. Na een kwartiertje lopen doemt tussen het struikgewas het verweerde golfplaten dakje op van de kleine strandbar, waar ze een aantal dagen terug met Arthur een koffie heeft gedronken.
En natuurlijk zit hij er. Arthur leunt op exact dezelfde afgebladderde houten stoel tegen de scheve steunpaal, zijn versleten leren slippers in het mulle zand en een slap wit plastic bekertje in zijn hand. Naast zijn stoel staat een oude, verschoten canvas reistas op de planken. Het lijkt bijna alsof hij sinds hun nachtelijke gesprek op de tennisbaan geen spier heeft bewogen. Wanneer Leen het opstapje oploopt, schuift Arthur zijn getinte bril een stukje naar beneden op zijn neus. Hij neemt haar enkele seconden zwijgend op — haar loshangende, nog warrige haren, de blos op haar wangen en de lichte, bijna zwevende tred waarmee ze beweegt.
Meteen trekt hij een gezicht van diepe, theatrale afschuw. "Mijn god," zegt hij kurkdroog. "Moet ik soms een extra zonnebril opzetten? Je geeft bijna licht, vrouw. En dat om zeven uur ’s ochtends. Heb een beetje medelijden met een man op zijn nuchtere maag."
Leen schiet in de lach en laat zich op de lege houten stoel tegenover hem zakken. "Goedemorgen, Arthur."
"Er is helemaal niets goeds aan deze morgen," bromt hij, al tikt hij meteen met twee vingers op het tafelblad richting de slaperige Mexicaan achter het toonbankje. Een minuut later schuift hij een tweede plastic bekertje met dampende koffie over het verweerde tafeltje naar haar toe.
Hij leunt achterover, kruist zijn armen over zijn vale polo en vernauwt zijn ogen achter zijn brillenglazen. "Kijk nou toch naar jezelf. Toen ik je drie dagen geleden zag, liep je rond met de gezichtsuitdrukking van een gijzelaar die haar eigen losgeld moest betalen. En nu zit je hier te stralen als een kerstboom. Laat me raden: jij hebt het bed gedeeld met die schipper." Een diepe, warme blos kruipt vanuit Leens hals omhoog naar haar wangen. Ze vouwt haar beide handen om het warme plastic bekertje en kijkt hem bijna betrapt, maar met glanzende ogen aan. Arthur slaakt een luid, dramatisch gekreun en wrijft met zijn vlakke hand over zijn gezicht. "O, genade. Ik wist het. Een verliefde vrouw aan mijn ontbijttafel. Ik krijg hier ter plekke maagzuur van, Leen."
"Het is gewoon heel fijn bij hem, Arthur," zegt ze zacht. Terwijl ze het uitspreekt, voelt ze opnieuw Thomas’ hand op haar heup en de rustige slag van zijn hart onder haar wang. "Ik weet dat we elkaar nog maar net kennen. Alleen... bij hem hoef ik niet op mijn tenen te lopen. Ik hoef me niet kleiner of vrolijker voor te doen dan ik ben. Het is voor het eerst in tien jaar helemaal stil en rustig in mijn hoofd."
Arthur zucht diep en schudt meewarig zijn hoofd, alsof hij naar een kind kijkt dat net heeft besloten om vuurwerk in haar broekzak te steken. "Ja, ja," zegt hij op gedempte toon. "Zo begint die rotzooi altijd. In de eerste week is het allemaal grote passie, kusjes geven en urenlang zwijgend in elkaars ogen staren. Je denkt dat je het wiel opnieuw hebt uitgevonden. En voor je het weet koop je samen een labrador, open je een gezamenlijke spaarrekening en sta je op een druilerige zaterdagmiddag krijsend ruzie te maken op de parkeerplaats van de IKEA over een boekenkast die niet in de achterbak past."
Leen glimlacht en schudt haar hoofd. "Jij bent echt onverbeterlijk cynisch."
"Ik ben een doorgewinterde realist," verbetert hij haar rustig. "De meeste mensen zijn gewoon als de dood om helemaal alleen op de bank te zitten. Dus ruilen ze de ene gevangenis in allerijl in voor de volgende en plakken er het etiket 'grote liefde' op. Geloof mij maar, Leen: alleen zijn is een stuk leuker. Niemand die zeurt dat je de dop op de tandpasta vergeet, niemand die van je eist dat je op zondagmiddag naar haar schoonmoeder gaat, en bovenal niemand die er op een dag met een ander vandoor gaat." Hij neemt een slok van zijn bittere koffie en knikt dan met zijn kin in de richting van de verre kustlijn, waar de witte torens van het resort schitteren in de klimmende zon. "Over gevangenissen gesproken," vervolgt hij. "Hoe heb je in vredesnaam vrijaf gekregen van generaal Kathleen? Heb je een vervalst doktersbriefje onder haar deur geschoven?"
De glimlach op Leens gezicht sterft langzaam weg. De lichte, bruisende euforie in haar borst maakt plaats voor een zwaar, weemoedig gevoel. Ze staart naar haar koffie en draait het slappe bekertje langzaam tussen haar vingers. "Ik ben gisterochtend bij hen weggegaan," zegt ze stil.
"Weggegaan?" Arthur trekt zijn wenkbrauwen hoog op. "Als in: muiterij?"
"Het liep de avond ervoor volledig uit de hand," vertelt Leen. Haar stem klinkt gedempt. "Maria had een vreselijke allergische reactie gekregen door een kleimasker in de spa. Haar hele gezicht zat onder de brandblaren. Kathleen gebruikte Maria’s pijn alleen maar om een gratis suite met een butler af te persen bij de manager, en ze verwachtten dat ik in het donker bij Maria bleef waken terwijl zij gingen feesten. Toen ik de volgende ochtend met brandzalf bij Maria wilde kijken, snauwde Kathleen me af dat ik alles verpestte."
Leen slikt even en kijkt op naar het kabbelende water van de branding. "Ik heb toen aan jouw woorden op die scheidsrechtersstoel gedacht, Arthur. Ik heb mijn tas gepakt en ik ben de deur uit gelopen. Ze hebben me gisteren de hele dag gestalkt met berichten en gemiste oproepen, tot ik mijn telefoon op 'niet storen' heb gezet."
Het blijft even stil. "Kijk eens aan," zegt Arthur zacht, met een onverholen toon van goedkeuring. "Het schaap heeft tanden gekregen."
"Ik voel me er helemaal niet triomfantelijk over, Arthur," bekent Leen eerlijk. Er welt een dikke brok op in haar keel die ze met moeite wegslikt. "Echt niet. Ik ken hen al tien jaar. We hebben samen lief en leed gedeeld, dacht ik. Toen mijn huwelijk met Kristof klapte en mijn hele wereld instortte, klampte ik me zo vast aan deze reis. Ik had zo gehoopt dat we hier samen zouden plezier maken of dat ik even bij hen kon uithuilen en dat ze er dan voor me zouden zijn. Ik vind het verschrikkelijk pijnlijk om te moeten beseffen dat het allemaal één grote schijnvertoning was. Ik had het zo graag anders gezien."
Arthur zet zijn bekertje op tafel. Hij ziet de oprechte rouw in haar ogen en laat zijn spot voor het eerst die ochtend helemaal varen. Zijn gezicht wordt zacht en ernstig. "Natuurlijk had je dat liever anders gezien," zegt hij rustig. "En dat het pijn doet, bewijst alleen maar dat jouw hart wél op de juiste plek zit, Leen. Maar je kunt geen vriendschap in je eentje in leven houden. Vrouwen zoals Kathleen zoeken geen vriendin; ze zoeken publiek en personeel. Zolang jij jezelf klein hield, braaf knikte en de scherven opveegde, hoefden zij niet in de spiegel te kijken naar hun eigen mislukte, lege levens."
Hij leunt een stukje over de tafel naar haar toe. "Je hebt tien jaar lang geprobeerd de vrede te bewaren ten koste van jezelf," vervolgt hij. "Het is hartstikke zuur dat zo'n ballon dan met een knal uit elkaar spat, maar je had geen enkele andere keus. Als je in die suite was gebleven, hadden ze elk stukje leven uit je gezogen." Leen haalt diep adem. De nuchtere waarheid van zijn woorden werkt als een balsem op de rauwe plek in haar borst. Ze knikt langzaam.
Arthur leunt weer achterover, kijkt naar zijn oude canvas reistas naast zijn stoel en steekt zijn hand er in. Hij diept een oud, beduimeld paperback boekje op en schuift het naar haar toe. De kaft is zacht geworden en bij de hoeken omgekruld door de zeelucht. "Hier," zegt hij, terwijl hij zijn gebruikelijke, onverschillige toon weer oppakt. "Mijn vlucht terug naar Europa vertrekt vanmiddag, en ik heb dit ding toch al drie keer gelezen. Beschouw het maar als leesvoer voor als de hormonen straks weer zijn uitgewerkt."
Leen legt haar hand op de zachte, verweerde kaft van het boekje. Terwijl ze naar Arthur kijkt — naar zijn vale polo en zijn ironische grijnsje — valt er plotseling een vreemd soort kwartje in haar hoofd. De afgelopen dagen keek ze naar hem op alsof hij de enige verstandige mens in dit gekkenhuis was. Zijn cynisme was de reddingsboei geweest die haar uit haar verlamming had getrokken. En nu ze hier zelf herboren tegenover hem zit, met de warmte van de afgelopen nacht nog op haar huid, ziet ze plotseling wat er werkelijk achter zijn superieure spot schuilgaat.
Arthur is niet vrij. Door boven op een hoge scheidsrechtersstoel te gaan zitten en de hele wereld uit te lachen, heeft hij een ondoordringbaar fort om zichzelf heen gebouwd. Niemand kan hem ooit nog bedriegen zoals Kristof bij haar heeft gedaan; niemand kan hem ooit nog kleineren zoals Kathleen deed. Alleen betaalt hij daar de allerhoogste prijs voor: er ligt ook nooit meer iemand naast hem in het donker die zijn naam fluistert. Hij reist in zijn eentje van strand naar strand, gewapend met een boekje en een arsenaal aan sarcastische grappen, volkomen veilig maar intens eenzaam.
En Leen voelt tot in het diepst van haar ziel dat zij die weg weigert in te slaan. Ze is niet uit haar schuilkelder in Brussel gekropen om in het harnas van Arthur te gaan kruipen. "Je doet heel hard je best om te laten zien dat je overal boven staat, hè?" zegt Leen zacht. Haar blik is warm, helder en onverschrokken. "Alsof niets of niemand jou ooit nog kan raken." Arthur trekt één wenkbrauw op. Zijn vertrouwde schild schiet direct omhoog. "Nou, ik kan je verzekeren dat het een hoop gezeik scheelt, hoor."
"Dat geloof ik meteen," antwoordt Leen rustig, terwijl ze haar hand op zijn boekje laat rusten. "En je hebt me deze week gered, Arthur. Echt waar. Zonder jouw droge commentaar op het strand en bij die tennisbaan zat ik nu waarschijnlijk nog steeds met een knoop in mijn maag in die suite." Ze buigt zich een klein stukje naar voren en kijkt hem recht in de ogen. "Alleen wil ik niet zo worden als jij," zegt ze met een stille, krachtige overtuiging. "Ik ben lang bang geweest om pijn te lijden dat ik bijna vergeten was hoe het voelt om echt te leven. Als de prijs voor liefde is dat het ooit weer pijn kan doen... dan betaal ik die prijs. Ik neem die ruzie op de parkeerplaats van de IKEA er met heel mijn hart bij."
Het wordt plotseling doodstil. Alleen het ruisen van de branding vult de ruimte tussen hen in. Arthur verstart. De snedige, sarcastische opmerking die al op zijn lippen lag, sterft weg voordat hij hem kan uitspreken. Een paar lange seconden kijkt hij haar volkomen onbeschermd aan. Zonder zijn spottende grijns ziet Leen ineens de diepe, vermoeide groeven rond zijn mond en het oude, weggestopte verdriet achter zijn ogen. Hij ziet dat zijn leerling hem voorbij is gegroeid: zij durft de sprong te wagen waar hij al jaren geleden voor is teruggedeinsd.
Dan zakt de spanning uit Arthurs schouders. Er verschijnt een zeldzame, kleine en volkomen oprechte glimlach op zijn gezicht. "Touché," fluistert hij schor. "Dan ben jij een stuk dapperder dan ik, Leen." Hij pakt zijn plastic bekertje op, drinkt het laatste slokje lauwe koffie in één teug leeg en verfrommelt het bekertje in zijn vuist. Arthur staat op van zijn stoel en tilt zijn oude tas aan de riem op zijn schouder. Leen staat ook op.
Zonder iets te zeggen stapt Arthur op haar toe en slaat zijn armen kort en stevig om haar heen. Leen slaat haar armen warm om zijn nek, drukt zich even stevig tegen hem aan en voelt hoe zijn hand twee keer vriendschappelijk en bijna vaderlijk op haar rug klopt. "Goede reis naar huis straks, Arthur," zegt ze zacht wanneer ze elkaar loslaten. "En dankjewel. Voor alles."
"Het ga je goed, Leen," zegt hij, terwijl zijn oude, droge glimlach weer voorzichtig terugkeert. "Laat je niet meer op je kop zitten. En koop in godsnaam geen labrador, dat zijn werkelijk vreselijk domme beesten." Hij tikt even met twee vingers tegen het montuur van zijn bril, draait zich om en slentert met zijn handen in zijn zakken op zijn dooie gemak weg over het zandpad richting het resort.
Leen blijft nog een minuut lang staan en kijkt hem na tot hij tussen het groen van de palmen verdwijnt. Ze haalt diep adem. De zilte zeewind blaast door haar losse haren. Voor het eerst sinds lang weet ze precies waar ze naartoe wil. Met een lichte, snelle pas loopt ze het strand weer op, langs de schuimende vloedlijn terug naar het duinpad en de villa, verlangend om haar koude voeten weer tegen de warme benen van Thomas aan te leggen.