Door: Meester Patrick
Datum: 16-04-2026 | Cijfer: 8.7 | Gelezen: 1732
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 5 minuten | Lezers Online: 14
Trefwoord(en): Broer, Met Familie, Stiekem, Young Adult, Zus,
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 5 minuten | Lezers Online: 14
Trefwoord(en): Broer, Met Familie, Stiekem, Young Adult, Zus,
Vervolg op: De Begrafenis En Mijn Zus - 1
Dit is deel twee van mijn samenwerking met Schrijvertje1234.
Dit deel komt van haar hand. Het is aan te raden om eerst deel 1 te lezen aangezien dit het vervolg is.
Die knipoog was als een lucifer in een benzineplas. In één klap was de jarenlange afstand tussen ons verdwenen. Alsof de tijd nooit had bestaan. Ingrid keek me nog een paar seconden langer aan.
De koffietafel liep langzaam ten einde. De meeste familieleden hadden al afscheid genomen of stonden nog wat na te praten bij de garderobe. Ingrid en ik waren als laatsten overgebleven in de kleine lounge naast de zaal. We zaten tegenover elkaar in twee lage fauteuils, een tafeltje met twee halflege glazen water ertussen. Niemand lette meer op ons.
We zeiden lange tijd niets. Dat hoefde ook niet.
Af en toe keken we elkaar aan, en in die blikken lag alles wat we nooit hardop hadden uitgesproken. De jaren vielen weg, niet met woorden, maar met een stil, wederzijds weten. We wisten allebei precies waar de ander aan dacht. Aan die lange autorit. Aan de camping. Aan de avonden dat de tent waarin wij met zijn tweeën sliepen dicht was en de wereld even alleen van ons leek. Aan hoe dicht we ‘s nachts tegen elkaar aan lagen, handen bij elkaar in de onderbroek. Aan hoe we daarna uit elkaar waren gegroeid, alsof we onszelf hadden wijsgemaakt dat het alleen maar een fase was geweest.
Ingrid zat rustig, haar handen losjes in haar schoot. Haar zwarte jurk viel netjes over haar knieën. Ze had haar schoenen uitgeschopt onder de tafel, een klein, bijna intiem detail. Haar blik was kalm, maar er lag een diepte in die alleen iemand kon zien die haar al zo lang kende.
Ze nam een klein slokje water en zette het glas terug.
“Het is gek,” zei ze zacht, bijna tegen zichzelf. “Hoe sommige dingen nooit echt verdwijnen. Ze liggen gewoon te wachten tot je er weer even naar kijkt.”
Ik knikte langzaam. Meer was niet nodig.
Ze keek even naar buiten, waar de schemering al begon in te vallen.
“Ik blijf nog een paar dagen hier in de buurt. Hotel Parkview. Kamer 312. Morgen en overmorgen ook. Ik heb tegen de anderen gezegd dat er nog wat administratie rond Ferdinand is die ik wil afhandelen. Dat klinkt geloofwaardig genoeg.”
Haar vingers speelden heel licht met de steel van haar glas. Geen druk in haar stem, geen uitnodiging die te duidelijk was. Alleen een feit, en de ruimte die ze openliet.
“Ik denk dat ik straks gelijk door naar het hotel ga. Geen familie meer, geen verplichtingen.” Ze keek me weer aan, lang en rustig. “Als je zin hebt om nog even na te praten… over van alles en niets… dan ben je welkom. Gewoon. Zonder agenda.”
Er viel weer een stilte. Een prettige stilte deze keer. Alsof de lucht tussen ons dikker werd, warmer, zonder dat er iets concreets gebeurde.
Ik voelde hoe mijn hart wat dieper sloeg. Niet van spanning, maar van herkenning. Van het besef dat we allebei precies wisten dat de deur na al die jaren nog op een kier stond.
Ingrid stond op. Ze schoof haar voeten weer in haar schoenen, trok haar jasje recht en pakte haar tas. Voordat ze wegliep, bleef ze nog even naast mijn stoel staan. Ze legde heel kort haar hand op mijn schouder – een aanraking die nauwelijks druk uitoefende, maar die toch bleef hangen.
“Tot straks misschien,” zei ze zacht. Haar stem was bijna een fluistering. “Of niet. Beide is goed.”
Ze liep weg zonder om te kijken. Haar hakken klonken rustig en regelmatig over de vloer. Ik bleef nog even zitten, met het zachte bonzen in mijn borst.
Ik nam afscheid van de laatste paar mensen, zei dat ik moe was van de dag en dat ik naar huis ging. Niemand vond het vreemd. Niemand wist dat “huis” voor vanavond iets heel anders betekende.
In de auto, onderweg naar het hotel, reed ik langzaam. De tien minuten voelden als een lange, stille overgang. Ik dacht niet aan grote dingen. Niet aan wat er wel of niet zou gebeuren. Alleen aan hoe haar hand net op mijn schouder had gelegen. Aan hoe ze haar schoenen had uitgeschopt. Aan hoe we vroeger, zonder ooit iets te hoeven zeggen, al wisten wat de ander voelde.
Hotel Parkview doemde op in de schemering. Ik parkeerde, bleef nog even zitten en keek naar de verlichte ramen. Kamer 312 lag ergens op de derde verdieping, dat wist ik.
Ik stapte uit, sloot de auto af en liep naar de ingang.
Geen haast. Geen plan. Alleen dat ene onuitgesproken gevoel dat we allebei al jaren met ons meedroegen.
Dit deel komt van haar hand. Het is aan te raden om eerst deel 1 te lezen aangezien dit het vervolg is.
Die knipoog was als een lucifer in een benzineplas. In één klap was de jarenlange afstand tussen ons verdwenen. Alsof de tijd nooit had bestaan. Ingrid keek me nog een paar seconden langer aan.
De koffietafel liep langzaam ten einde. De meeste familieleden hadden al afscheid genomen of stonden nog wat na te praten bij de garderobe. Ingrid en ik waren als laatsten overgebleven in de kleine lounge naast de zaal. We zaten tegenover elkaar in twee lage fauteuils, een tafeltje met twee halflege glazen water ertussen. Niemand lette meer op ons.
We zeiden lange tijd niets. Dat hoefde ook niet.
Af en toe keken we elkaar aan, en in die blikken lag alles wat we nooit hardop hadden uitgesproken. De jaren vielen weg, niet met woorden, maar met een stil, wederzijds weten. We wisten allebei precies waar de ander aan dacht. Aan die lange autorit. Aan de camping. Aan de avonden dat de tent waarin wij met zijn tweeën sliepen dicht was en de wereld even alleen van ons leek. Aan hoe dicht we ‘s nachts tegen elkaar aan lagen, handen bij elkaar in de onderbroek. Aan hoe we daarna uit elkaar waren gegroeid, alsof we onszelf hadden wijsgemaakt dat het alleen maar een fase was geweest.
Ingrid zat rustig, haar handen losjes in haar schoot. Haar zwarte jurk viel netjes over haar knieën. Ze had haar schoenen uitgeschopt onder de tafel, een klein, bijna intiem detail. Haar blik was kalm, maar er lag een diepte in die alleen iemand kon zien die haar al zo lang kende.
Ze nam een klein slokje water en zette het glas terug.
“Het is gek,” zei ze zacht, bijna tegen zichzelf. “Hoe sommige dingen nooit echt verdwijnen. Ze liggen gewoon te wachten tot je er weer even naar kijkt.”
Ik knikte langzaam. Meer was niet nodig.
Ze keek even naar buiten, waar de schemering al begon in te vallen.
“Ik blijf nog een paar dagen hier in de buurt. Hotel Parkview. Kamer 312. Morgen en overmorgen ook. Ik heb tegen de anderen gezegd dat er nog wat administratie rond Ferdinand is die ik wil afhandelen. Dat klinkt geloofwaardig genoeg.”
Haar vingers speelden heel licht met de steel van haar glas. Geen druk in haar stem, geen uitnodiging die te duidelijk was. Alleen een feit, en de ruimte die ze openliet.
“Ik denk dat ik straks gelijk door naar het hotel ga. Geen familie meer, geen verplichtingen.” Ze keek me weer aan, lang en rustig. “Als je zin hebt om nog even na te praten… over van alles en niets… dan ben je welkom. Gewoon. Zonder agenda.”
Er viel weer een stilte. Een prettige stilte deze keer. Alsof de lucht tussen ons dikker werd, warmer, zonder dat er iets concreets gebeurde.
Ik voelde hoe mijn hart wat dieper sloeg. Niet van spanning, maar van herkenning. Van het besef dat we allebei precies wisten dat de deur na al die jaren nog op een kier stond.
Ingrid stond op. Ze schoof haar voeten weer in haar schoenen, trok haar jasje recht en pakte haar tas. Voordat ze wegliep, bleef ze nog even naast mijn stoel staan. Ze legde heel kort haar hand op mijn schouder – een aanraking die nauwelijks druk uitoefende, maar die toch bleef hangen.
“Tot straks misschien,” zei ze zacht. Haar stem was bijna een fluistering. “Of niet. Beide is goed.”
Ze liep weg zonder om te kijken. Haar hakken klonken rustig en regelmatig over de vloer. Ik bleef nog even zitten, met het zachte bonzen in mijn borst.
Ik nam afscheid van de laatste paar mensen, zei dat ik moe was van de dag en dat ik naar huis ging. Niemand vond het vreemd. Niemand wist dat “huis” voor vanavond iets heel anders betekende.
In de auto, onderweg naar het hotel, reed ik langzaam. De tien minuten voelden als een lange, stille overgang. Ik dacht niet aan grote dingen. Niet aan wat er wel of niet zou gebeuren. Alleen aan hoe haar hand net op mijn schouder had gelegen. Aan hoe ze haar schoenen had uitgeschopt. Aan hoe we vroeger, zonder ooit iets te hoeven zeggen, al wisten wat de ander voelde.
Hotel Parkview doemde op in de schemering. Ik parkeerde, bleef nog even zitten en keek naar de verlichte ramen. Kamer 312 lag ergens op de derde verdieping, dat wist ik.
Ik stapte uit, sloot de auto af en liep naar de ingang.
Geen haast. Geen plan. Alleen dat ene onuitgesproken gevoel dat we allebei al jaren met ons meedroegen.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
