Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Keith
Datum: 02-06-2026 | Cijfer: 9.5 | Gelezen: 964
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 47 minuten | Lezers Online: 13
Vervolg op: Mini - 408
Eenmaal weer boven maakte ik thee. Koffie genoeg gehad vanochtend. Joline zette haar laptop opzij en we kletsten even over de week die zou komen. Het avondschema zat weer redelijk vol: maandagavond Brecht hier, dinsdagavond loopgroep, woensdagavond even nog niks, donderdagavond bugelles en vrijdagavond dansles… Joline d’r scriptie die voor 31 December klaar moest zijn, met de laatste op- en aanmerkingen van haar promotor er in verwerkt…
Joline zuchtte eens diep. “Ik ken lui met een minder vol sociaal leven, Kees!” “Niet piepen, meissie. Die deadline heb je jezelf opgelegd, omdat je samen met Mar en Lot wilde promoveren. Dus maandag, woensdag en donderdagavond kun je je lekker verdiepen in de cijfertjes. En de week daarna ook. En de week daarna is het maandag en dinsdag Kerst, woensdag en donderdag is je echtgenoot de hort op om stoere dingen te doen bij het CIMICbataljon… Die laatste twee dagen kun je prima gebruiken om de spreekwoordelijke puntjes op de i of een andere willekeurige letter te zetten. En dan kun je het geheel die vrijdag inleveren bij professor van Weenen.”
Ze keek me nadenkend aan. “En jij gelooft dat, wanneer Mar en Lot hier zijn, er veel over de edele kunst van de cijfertjes gesproken wordt?” Haar nadenkende trek werd bij de laatste woorden vervangen door een ondeugend glimlachje. Toch knikte ik en ik kuste haar even. “Ja. Ik ken jou langer dan vandaag, mevrouw Jonkman. En ik ken die twee andere meiden ook wel een beetje.” Ze wees omlaag en stak vijf vingers op. “Hoorde ik daar ‘meiden’, Kees Jonkman? Vijf keer.” Mopperend plofte ik op de grond. “Blond krengetje…” Ze lachte me uit en zette een voet op mijn rug terwijl ik me opdrukte. “Ik zat het je even moeilijk maken…” Ik keek opzij en onder haar rok. “Mooi uitzicht, mevrouw… Zo kan ik me wel vijfentwintig keer opdrukken…” Ze snoof en trok haar voet terug, dus verder dan negen kwam ik niet. “Luilak”, was haar reactie. “Tja, als jij de motivatie weghaalt, ga ik me echt niet verder uitsloven, hoor. Maar ik meende wat ik zei: Jullie liggen die twee dagen echt niet 24/7 in bed te rollebollen.” Ze keek me aan. “Jij kent mij best wel goed ondertussen. En ja, we zullen echt wel een tijdje met onze scripties bezig zijn.” Ze knipoogde. “Maar waarschijnlijk is het vroeg ‘bedtijd’ voor deze serieuze studentes.”
“Ik zal er met Fred over van gedachten wisselen, schat. Als we samen in zo’n fijn Defensie-stapelbedje liggen. Liefst hij onder en ik boven, want me 110 kilo Fred vlak boven me, slaap ik niet zo lekker. Je weet nooit of het bed niet in elkaar dondert als hij zich een keertje omdraait.”
“Je laat het uit je hersens, Kees! Jij gaat Fred geen, ik herhaal: géén deelgenoot maken van de plannen van Lot, Mar en mij gedurende die twee dagen. Ik waarschuw je!” Ik knipoogde. “Sorry schat. Ik zat je even te sarren…” “Dat doe je maar in je eigen tijd, rotzakje van me. En nu wil ik een hapje eten. En daarna een stukje wandelen. Gewoon even frisse buitenlucht happen; anders voel ik me alsof ik een werkdag van jou achter de kiezen heb: gewoon de hele dag op je kont zitten. En Mocca moet er ook uit.”

De hond lag opgerold in zijn mand, maar reageerde meteen op zijn naam: hij kwam overeind, rekte zich uit, trippelde naar ons toe en legde zijn kop op de knie van Joline. “Slijmbal”, bromde ik. Joline bekeek Mocca nauwkeurig. “Hij is behoorlijk gegroeid sinds hij hier is, Kees. Toen hij bij ons kwam waren zijn poten nog te dik in verhouding tot zijn lichaam, dat is nu mooi in evenwicht. Ik denk dat dit de volwassen Mocca is, qua gewicht en afmetingen.” Ik bekeek de hond ook nauwkeurig: Ja, Mocca was inderdaad een stukje gegroeid de afgelopen maanden. Niet zozeer in hoogte, maar wel in breedte. Er stond nu een best wel forse hond voor je en geen slanke puber. En Mocca was een stuk sterker geworden, dat merkten we als we hem uitlieten en hij de lijn ging trekken: dat deed bijna pijn aan je polsen.

Ik maakte een paar tosti’s klaar en Joline gaf Mocca zijn brokken. Na het eten stond ze op. “Ik doe even een broek en een trui aan, Kees.” Joline verdween in de slaapkamer en ik kroelde even met Mocca.. Ging op de grond zitten en dat vatte de hond op als uitdaging om te spelen. Hij klom op schoot, ik kreeg een lebber over mij gezicht en Mocca duwde zich tegen me aan. “Jaja… Moet er weer geaaid worden, gek beest?” Ik kroelde de hond onder zijn kin en in zijn hals en dat werd wel op prijs gesteld. De hond ontspande, ging op zijn rug tussen mijn benen liggen, de kop op mijn schoot. Een laag brommetje was hoorbaar, ten teken dat hij de aandacht wel op prijs stelde. En zijn staart zwaaide langzaam heen en weer, de ogen gingen half dicht.
Tot Joline weer binnenkwam en spottend zei:”Zo, Mocca… Ben je bekeerd tot de herenliefde? Aai ik je niet zo lekker als Kees? Kom heren. Eruit. Genoeg geluierd. Frisse buitenlucht snuiven.” Ze pakte het tuigje van Hulphond. “Mocca… Dress!” Gehoorzaam stak Mocca zijn kop door het tuig en Joline maakte het vast. “Goed zo, Mocca.” De riem ging ook om en we trokken onze jassen aan. Buiten was het best fris. “Waar wil je gaan lopen, Jolien?” Ze wees. “Cooperparcours en dan een stukje verder het bos in. Kan Mocca ook even los rennen.” Even later liepen we over het Cooperparcours en waar dat een scherpe bocht maakte liepen we nu rechtdoor, het bosje in wat er achter lag. Mocca had bij het uitlaatveld gepoept en geplast, dus hoefden we niet bang te zijn dat hij een grote boodschap ergens op het pad achter zou laten.
In het bos maakte Joline de lijn los en zei: “Mocca… Release!” Roefff… Een bruine flits schoot er vandoor, op weg naar een spannend geurtje of een interessante tak. Even later kwam een meneer ons tegemoet met een nogal vervaarlijk uitziende herdershond aan de riem. Mocca vond dat wel interessant en ging een kijkje nemen.
“Ehhh… mevrouw, meneer: Houdt u uw hond even bij u? Hector vindt het minder fijn als hij vast zit en de andere hond los loopt…” De man waarschuwde.
“Dan maakt u uw hond toch ook even los, als u dat wilt? Kunnen ze even dollen…”Joline liet haar ‘lieve lachje’ weer even zien en zoals alle kerels ging de man, zij het aarzelend, overstag.
“Oké, als u dat verantwoord vindt… Hector kan nogal nukkig zijn.” Hij maakte de riem los. Mocca stond te wachten, op vijf meter afstand. Toen de herdershond los was, nam hij een sprong naar Mocca toe, blaffend. Maar zijn staart zwaaide heen en weer in de lucht. Beide honden begonnen te stoeien. Hector was een stuk forser van Mocca, maar Mocca was sneller. Ze renden door het bos om ons heen.
De man keek met verwondering. “Zooo… Dat is andere koek! Normaal is Hector niet zo stoeierig met andere honden, maar die Lab van jullie vindt hij blijkbaar wel aardig.”
Hij stak een hand uit. “Hallo, ik ben Erwin.” Wij stelden ons ook voor en tijdens het handen schudden kwam Hector blaffend op ons af. “Sorry. Mijn hond is nogal beschermend naar zijn roedel. Niet van schrikken.”
Joline ging op haar hurken zitten en liet de herder aan zich ruiken. Een aai volgde en even later ging de hond rustig zitten en liet zich aanhalen. Ze keek op. “Als ik een vent aai, is hij meestal snel rustig, Erwin…” En meteen snauwde ze: “Kees: Kop dicht!”
Ik grinnikte, Erwin ook. Ook ik ging door de knieën en de herdershond kwam ook op mij af. Van dichtbij zag het beest er behoorlijk indrukwekkend uit. Hij was een stuk groter en breder dan de hond van Rob en Tony, Bengel. Ik liet de hond aan m’n hand ruiken en voelde even later een lange tong over mijn handen. Mocca vond er wat van: die duwde zich tussen Joline en Hector in, alsof hij wilde zeggen: ‘Hé, dit zijn mijn mensen!’ Even liet Hector zich aanhalen, toen zei Erwin: “Hector, hier.”
De hond gehoorzaamde meteen en ging rechts naast hem zitten. “Ik loop weer eens verder. Leuk dat er mensen zijn die niét bang zijn voor een grote herdershond!” Joline zei: “Mijn ouders hebben ook een herder: Bengel. Kan ook indrukwekkend doen, maar als je ‘m wat aandacht geeft, is ze net een vent: dan doet ze alles voor je.”
Ik keek Erwin aan. “En daar ben ik mee getrouwd, sukkel die ik ben…” Erwin lachte. “Ja, je ziet er ook heel zielig uit. Ik heb medelijden met je. Fijne middag!”
Joline riep. “Mocca… Side!” En ook Mocca liet zien dat hij opgeleid was: hij rende naar Joline toe en ging netjes naast haar zitten. “Goed zo… Brave hond!”

We liepen verder en ik zei: “Jij bent niet bang uitgevallen, Jolien… Weinig mensen zouden bij zo’n hond gaan zitten.” Ze haalde haar schouders op. “Ik had al gezien dat vriend Erwin zijn hond goed onder appél had, Kees. Prima dier. Maar ik zou niet graag bij hem inbreken… Dan heb je een probleem met hele scherpe tanden.” Ik knikte. “Dat denk ik ook wel. Hector zou zijn roedel wel verdedigen. En zijn bak met brokken ook wel.”
De kop van Mocca ging meteen omhoog na het woord ‘brokken’ en we schoten in de lach. “Vuilnisbakkie…” zei Joline richting Mocca en gaf hem een beloningsbrokje, wat meteen verdween. Zo liepen we nog een halfuurtje door, al slingerend door het kleine stukje bos tot Joline het cooperparcours weer op liep. “Kom, we gaan naar huis. Lang genoeg in de kou gelopen. Maar het was wel lekker om even een frisse neus te halen.”
Thuisgekomen dook Joline weer in haar boeken en even later hoorde ik haar handen op het toetsenbord van haar laptop. Ik wist dat ik haar nu niet moest storen, dus ging ik ook even aan het werk; rustig de stand van zaken in de diverse ziekenhuizen doornemen en de bespreking voor morgen voorbereiden.

Na oud en nieuw zou de verbouwing van het metaalbedrijf van ‘Tante Truus’ beginnen. Gerben zou daar een oogje in het zeil houden en de ploeg van meneer van Meel zou de klus gaan uitvoeren. Prima… van Meel was een vakman die zijn club op de juiste manier kon motiveren. Daar had Gerben weinig werk aan, laat die lui maar schuiven! Ik wilde wél even bij de opstart zijn, ook om van Meel weer eens te spreken. Mooie vent… Ook moest ik zelf met een klein projectje beginnen, wat vorige week binnen was gekomen: renovatie van de elektrische installatie van het Nederlands Vestingmuseum in de Vesting Naarden. Daar moest ik sowieso heen voor een eerste intake en kennismaking. De elektrische installatie daar was gerenoveerd in de jaren ’70 en toe aan vervanging. Toen ik een jaar of 15 was, was ik er ooit een keertje geweest: heel veel onderaardse gangen, kamertjes en andere ruimten, een kanon wat afgeschoten werd, mooi uitzicht over de gracht rondom de stad… Leuk om daar weer eens terug te komen!
Ik bestudeerde tekeningen en foto’s: alle leidingwerk was ‘extern’ gemonteerd, oftewel niet weggewerkt in de muren. En dat wilde men wél; het Fort moest niet ontsierd worden door leidingen. Gaandeweg kreeg ik mijn twijfels of dat wel verstandig was. Het Fort, en met name de lagere verdiepingen, had te maken met veel water en een vochtige, zure grond. Als je dan alle leidingen achter de muren zou willen wegwerken, had je binnen tien jaar wéér ellende. Bovendien werden de kosten recht evenredig hoger… Ik bekeek op Internet wat foto’s. Leidingwerk in buizen, hetzij links of rechts aan de bovenzijde van de gangen en kelders, hetzij in het midden om de spotjes, die de tentoongestelde items uitlichtten, te voorzien van voeding. Prima oplossing. Werk het leidingwerk weg in buizen, schilder die in dezelfde crème kleur die het plafond had, en het was esthetisch verantwoord. Je zou zelfs kunnen overwegen om een ander type buizen te gebruiken: platter en halfrond, zodat ze nog minder opvielen… Maar de elektra en eventuele andere leidingen wegwerken in de muren… Nee, geen goed plan. Wacht eens… Ma had daar waarschijnlijk veel meer ervaring mee dan ik!
“Schat, ik ga even overleggen met een collega over een projectje…”
Joline keek op en trok een wenkbrauw op. “Op zondag? Kees, ben je wel goed bij je hoofd? Doe eens normaal en laat mensen op zondag met rust, ben jij gek…”
Ik grinnikte. “Die collega mag jij aanspreken met ‘Ma’, liefje.” Ze zuchtte. “Oh, je wilt je gewoon beklagen bij je mammie hoe zwaar je het hier hebt? Dan is het maar goed dat telefoontjes binnen Nederland gratis in ons abonnement zijn. Zal wel een lang gesprek worden, denk ik.” Haar ogen lachten. “Doe Ma de groeten!”
Ik belde naar Amersfoort met de telefoon op speaker.
Pa nam op. “Jonkman…”
“En hier nóg een Jonkman, dependance Veldhoven. Hoi Pa.” “Hé Kees! Kom je klagen over je echtgenote? Dan moet je vooral niet bij mij zijn, kerel.”
Joline gniffelde en riep: “Dank je wel, Pa!”
“Graag gedaan, mooie schoondochter. Is die zoon van me een beetje lief voor je?” “Over het algemeen wel, hoor…” Ze giebelde en vervolgde: “…maar enkele bijzonderheden houden we graag voor onszelf.”
Pa lachte. “Snap ik. Maar: waarom bellen jullie?”
“Ik wilde graag me Ma even van gedachten wisselen over een bouwkundig probleempje, Pa. Is ze in de buurt?”
“Momentje, Kees…”
Even later hoorde ik: “Hoi Kees. Vertel het eens jongen.”
“Hallo Ma. Sorry dat ik je op zondag hiermee overval, maar ik zat wat dingen voor volgende week voor te bereiden en nu heb ik eens jouw advies nodig.” “Op zondag? Dat is dubbel tarief, zoontje.”
Ik grinnikte. “Als ik weer eens in Amersfoort kom, zal ik twee keer koffie zetten, oké? Of één keer een bakje naar het recept van Rob Junior.”
“Gétver, Kees. Wil je me een maagzweer bezorgen? Ik ga liever gewoon dood. Wat wil je weten?”
Kort schetste ik het probleem en eindigde met: “…En wat denk jij ervan, Ma? DT is gevraagd om dit uit te werken en het lijkt me een leuke klus, maar ik heb ernstige twijfels over het wegwerken in de muren.”
Even was het stil. “Ik ook, Kees. Niet alleen vanwege de kosten en of je dat ouwe metselwerk ooit weer netjes kan maken… Er zijn in Nederland maar een paar bedrijven die dat goed kunnen en die zijn stervensduur. Maar ook vanwege de PH-waarde in de grond daar. Weliswaar is de Vesting Naarden op een zandbank gebouwd, maar die zandbank ligt midden in moerasgrond. Veen. Nat. En zo zuur als een pot augurken. Weet je nog dat ik een jaar of zes terug gevraagd was om een kleine restauratie te tekenen in de Grote Kerk in Naarden? Toen kwamen we daar ook al achter. Uiteindelijk resulteerde dat in een stel dubbel gegalvaniseerde stalen balken onder de grond, zodat de restauratie het in ieder geval 50 jaar zou uithouden. Als je gewoon goed geconserveerd staal in de grond zou stoppen en er kracht op zou zetten, is het na tien jaar doorgerot. Die grond is daar zo zuur als een stel Hervormde diakenen in acute geldnood. En die uitspraak is niet van mij, maar van een bodemonderzoeker die we erbij haalden.”
Ik grinnikte. “Mooie beeldspraak, Ma. En toepasselijk ook. Kortom: jij zegt: niet proberen weg te werken achter baksteen, dus.”
“Nee. Want ook die baksteen is verzuurd. En dat zal voor het Fort zeer zeker het geval zijn, omdat die stenen zo’n 450 jaar oud zijn. Oké, misschien na Napoleon, toen het Fort gemoderniseerd werd, zijn er wellicht delen opnieuw gebouwd, maar dan nog praat je over stenen die 200 jaar oud zijn. Ga jij daar op projectbezoek?”
“Da’s wel de bedoeling, Ma. Deze week, daarom zit ik dat nu even voor te bereiden.”
Ze bromde. “Hier een advies van je lieve Ma: Neem je accuboormachine mee en een paar goeie bitjes. En draai eens een schroef uit zo’n ouwe bakstenen muur. Dan heb je twee kansen: óf de schroef breekt gewoon af, óf, als de schroef wel uit de muur komt, is hij kats verroest. Zelfs gegalvaniseerde RVS- schroeven. Echt, dat moet men niet willen, Kees. Verstop dat leidingwerk niet achter de stenen, daar krijgt men gillend spijt van.”
“Dank je wel, Ma. Dan moet ik iets verzinnen zodat het leidingwerk wél goed bereikbaar blijft, maar toch esthetisch verantwoord is weggewerkt… Heb ik weer.”
“Ik geef je even aan Pa. Die heeft meegeluisterd en zit nu ook op een oplossing te broeden… Hier is hij.”
“Kees? Jij wilt de handel netjes wegwerken? Ik stuur je zo meteen een paar plaatjes van een soort kabelgoot. Dat lijkt metselwerk, maar het is 3D geprinte kunststof met steenmotief. Je krijgt ook een linkje naar de website van het bedrijf wat het spul maakt. Een startup, twee jaar terug begonnen en zeer veelbelovend. Die lui kunnen alle leidingen bijna onzichtbaar wegwerken op welke steensoort en welk metselverband dan ook. En het mooie is: je kunt er voor onderhoud gewoon bij omdat het een ‘kliksysteem’ is.”
“Hmmm… dat ga ik eens bekijken, Pa. Wellicht dat jullie erbij ga betrekken: Ma als bouwkundig expert, jou in jouw expertise.” Ik grinnikte. “Kan ik jullie eens als ‘onderaannemers’ behandelen…”
Er kwam nogal wat commentaar vanuit Amersfoort en na nog een paar minuten kletsen hing ik op. En keek ik in een paar onderzoekende blauwe ogen.

“Mijn lieve schoonouders als onderaannemers behandelen, Kees Jonkman? En ze financieel uitmelken? Laat ik ’t niet merken!” “Het uitmelken laat ik wel aan jou over, schoonheid. Ben jij veel beter in. Maar of dat financieel is…” De blik ging over in ‘ijzig’. “Jouw lieve Pa Karel uitmelken, Kees? Wat heb jij gesnoven? Ben je helemaal gek geworden?”
Ik ging naast haar zitten. “Liefje… Toen jij de eerste foto’s van mijn Pa onder ogen kreeg, meende ik iets op te vangen wat neerkwam op: ‘Als je mij kunt garanderen dat jij er over 30 jaar óók zo uit ziet, teken ik vandaag nog bij het kruisje’, weet je nog?” Joline bromde: “Ja, dat herinner ik me nog wel. Maar ik zei er niets bij over ‘uitmelken’, Kees Jonkman! En al helemaal niet over de manier waarop!” Ik knuffelde haar. “Goed zo. Dan zijn we het daarover eens. Ik ga de website van dat bedrijfje eens bekijken. En als ze inderdaad net zo veelbelovend zijn als Pa roept, ga ik ze eens bellen. Morgen.”
Ik liep naar de studeerkamer. Wilde de foto’s van hun werk op een goed, groot beeldscherm bekijken, niet op het schermpje van de laptop. Na wat muisklikken kwam ik op de website terecht. Ik zag foto’s van grachtenpanden, van kastelen, zelfs een foto van de mergelgroeven in Limburg: overal had men foto’s gemaakt van de leidingen voor en na het ‘wegwerken’. En het zag er indrukwekkend uit. Het concept was simpel: men inventariseerde de ondergrond, maakte een aantal gipsmallen ervan, scande die driedimensionaal in en met behulp van een 3D-printer werden er een soort kappen van gemaakt. En die dingen werden op kleur geprint! Tegen de muur of het plafond zelf kwam een bijna standaard kabelgoot, dáár werden de leidingen in aangebracht en vervolgens ging de 3D-geprinte kap er overheen. Die werd qua kleur nog een beetje bewerkt en daarna zag je vrijwel niet dat daar kabels liepen. Briljant! Het bedrijf zat in Ammerzoden.
Ik bekeek het adres even in Google Earth: een klein bedrijfspand naast een handboogvereniging. Konden ze hun afdekkappen meteen op sterkte testen… Ik grinnikte. Voordat ik naar Naarden ging, eerst binnen DT vragen of iemand ervaring had met het bedrijf. En er zelf naar toe gaan om een poolshoogte te nemen. Pa was er lovend over geweest, maar liever zelf ook een mening vormen. En daarmee gewapend, als het me beviel wat ik zag, naar Naarden. Het stukje ‘meerwaarde’ meenemen, waar DT ondertussen om bekend stond…

Tevreden liep ik weer de huiskamer in en Joline keek op. “Volgens mij is jouw zoektocht goed verlopen, Kees. Je hebt ten minste weer die ‘ik denk dat ik goed bezig ben geweest’ - trek op je gezicht.” Ik knikte. “Ja. Dat bedrijfje ziet er veelbelovend uit. Ga ik morgen eens langs, nog voordat ik naar Naarden ga. Even kijken wat ze te bieden hebben en informeren naar de kosten. En als ik naar Naarden ga, de mening van Ma meenemen.” Joline dacht na. “Waarom neem je Chantal zelf niet mee, Kees? Die kan die lui beter overtuigen dan jij, want jij moet dan haar kennis overdragen uit de tweede hand. Da’s niet zo praktisch.” Ik dacht even na. “Misschien wel een goed idee! En nog gezellig ook.” Ik gnifffelde. “Kan ik, net als die week toen ik met een waardeloos rapport thuiskwam, weer eens samenwerken met Ma. Gezellig.”
Joline kneep haar ogen samen. “Volgens mij was die bewuste week voor jou wat minder ‘gezellig’, Kees Jonkman! Voor dag en dauw je bedje uit gesleurd worden, jezelf helemaal kapot sjouwen op een kouwe bouwplaats, ’s avonds gepest worden door Claar en Mel en om acht uur helemaal total loss in je bedje tuimelen… En aan het eind van die week twee dikke preken over jouw gebrek aan inzet op school in ontvangst nemen: eentje van Chantal en eentje van Karel.”
Ik keek sip. “Ja, da’s waar ook. Maar dat zal nu wel iets anders gaan, denk ik. Enfin: in het Fort regent het ten minste niet, dat scheelt alvast.” Joline dook weer in haar scriptie en ik zocht een boek uit de boekenkast op de slaapkamer. Geen Tom Clancy dit keer, maar het boek “Ondergang van de Bismarck”, geschreven door Freiherr von Müllenheim-Rechberg, de 4e Artillerieofficier van het Duitse slagschip.
Deze ‘Leutnant zur See’ was van de 130 overlevenden degene met de hoogste rang. Het was al een paar jaren terug dat ik het boek gelezen had en wéér werd ik getroffen door de grillen van Vrouwe Fortuna tijdens Operatie ‘Rheinübung’, de enige gevechtsactie van het slagschip. Op het ene moment stond zij pal aan de zijde van de Duitsers, om even later naadloos over te stappen naar de Engelsen…
Een opeenvolging van stom geluk, samenloop van omstandigheden, domme pech en stomme, menselijke, fouten die uiteindelijk resulteerde in een genadeloze beschieting van Bismarck door twee Engelse slagschepen, HMS Rodney en HMS King George V en een aantal kruisers. En uiteindelijk verdween het Duitse schip in de golven door een torpedotreffer van HMS Dorsetshire óf de springladingen die de Duitsers zelf in het schip af lieten gaan. Daar waren de geleerden het nog steeds niet over eens.
Van de ruim 2.200 man aan boord overleefden slechts zo’n 110 man het gevecht. 2.100 man gingen met het schip ten onder… Even later was ik diep in de geschiedenis verzonken.

Toen Joline met een klap haar laptop sloot was het bijna zes uur. “Kees… Zullen we eens een hapje eten? Ik begin trek te krijgen.” Ik rekte me uit. “Misschien wel een goed plan. Bij mij begint er ook wat te rammelen.” Ze lachte. “Dat hoorde ik al een tijdje. Maar jij was helemaal wég in je boek… Wat lees jij?” Ze keek naar de omslag. “Hmm… Bismarck? Dat was toch zo’n Pruisische Rijkskanselier? Die vent die al die Duitse staatjes tot één land wist te smeden?”
“Ja, ook. Maar dit boek gaat over het schip wat naar hem genoemd is, het Duitse slagschip Bismarck. Wat in Mei 1941, negen dagen nadat het schip voor het eerst de Duitse wateren verliet, voorgoed onder de golven verdween, zo’n 550 zeemijl west van Brest.” Joline humde. “Da’s een wel heel slechte investering geweest. Slechts negen dagen op zee en toen al gezonken?” “Zeg maar gerust ‘vernietig’. Aan puin geschoten, tot het schip van voor tot achter in lichterlaaie stond. Alle kanons buiten gevecht gesteld. Alles wat boven de waterlijn uitkwam één grote bende van verwrongen staal waar de bemanning een beetje dekking achter probeerde te vinden. 2.100 man dood, zo’n 110 overlevenden.” Joline huiverde. “110 overlevenden? Wát een slachtpartij moet dat geweest zijn…”
Ik knikte. “Ja. Maar de opdracht van het schip was om, samen met de kruiser Prinz Eugen, konvooien vanuit Amerika naar Engeland te vernietigen. Dát zou pas een slachtpartij geweest zijn: konvooien, met een escorte van een paar torpedojagers of korvetten, die aangevallen zouden worden door een Duits slagschip en een Duitse kruiser. Die op 10 kilometer afstand met gemak elk koopvaardijschip uit het water konden schieten, zonder dat het escorte er ook maar iets tegen zou kunnen doen. En alle goederen die zo’n konvooi vervoerde, zouden nooit in Engeland aankomen. Dát was de strategie van de Duitse marine: honger Engeland uit. Zorg dat er geen enkel stukje metaal, geen korrel graan, geen liter brandstof en geen enkele soldaat vanuit Amerika in Engeland aankomt. Dat zou Engeland op den duur uithongeren. En het was de Duitsers nog bijna gelukt ook; ze boorden meer Geallieerde schepen de grond in dan de Engelsen konden bouwen.
Totdat Amerika bij de oorlog betrokken werd en een Amerikaanse zakenman, ene Kayser, op het idee kwam om schepen net als auto’s te bouwen: bijna aan de lopende band. Dat werden de Liberty-schepen. Zo lelijk als de nacht, in feite een vrachtruim met een boeg ervoor en een kont er achter, een machinekamer er in en een brug erop, maar het kon vracht vervoeren. Hoe zo’n schip eruit zag, boeide op dat moment niemand.” Joline huiverde. “2.100 man op dat Duitse schip dood? Je zou bijna medelijden krijgen, Kees…” Ik keek grimmig. “Ja. Zeer zeker omdat het grootste deel van de bemanning piepjong was. 18, 19 jaar. Dienstplichtigen. Ze moésten wel.
Maar schat: dit schip had een paar dagen ervoor met een paar salvo’s uit de boordkanons HMS Hood uit het water geblazen. Ook een slagschip, het vlaggenschip van de Engelse vloot. Een treffer in een munitieopslag en het schip explodeerde. 1.400 man aan boord, slechts 3 overlevenden. En omdat dat natuurlijk een enorme klap in het gezicht van de Royal Navy was, dde Hood was hét gezicht en het vlaggeschip van de Royal Navy, én de Bismarck een enorme bedreiging voor de konvooien was, gaf Churchill op de opdracht: ‘Sink the Bismarck!’ En stuurde er vervolgens de halve Royal Navy op af…” Joline stond op. “Blij toe dat ik niet in die tijd leefde…” Een trek van afschuw gleed over haar gezicht.
“Daar mag je inderdaad blij om zijn, schat. Want in 1941 was het in Nederland ook wat minder gezellig. En het ergste moest toen nog komen.” Joline huiverde. “Inderdaad. Ik wat verhalen van oma Sietske gehoord. Hongerwinter… Lui die vanuit de Randstad naar Friesland en Groningen kwamen om eten te halen. En als ze terugkwamen in Amsterdam of Rotterdam werden de etenswaren door de moffen bij een controlepost gejat. Had men drie weken voor niets lopen zwoegen…” Ze keek nu kwaad en ik legde een hand op haar schouder.
“Jolien… Het heeft weinig nut om je daar nu nog kwaad om te maken. Degenen die dat flikten zijn bijna allemaal dood en de meeste Duitsers, Italianen en Japanners hebben hun lesje wel geleerd.” Ze humde. “Ja, de meesten wel. Maar er zijn nog steeds lui op de wereld die dezelfde modus operandi hanteren. ‘Ik kan alles maken, want ik heb geld.’ Of macht. Of spierkracht. Of een combinatie van die eigenschappen. Holtinge, de familie de Rooij, het echtpaar Bongers, Duyvestein en z’n louche vriendjes…” Ik knikte. “En die hebben wij stuk voor stuk op hun lazer gegeven, schat. Zitten nu achter tralies, waar ze horen. Nou ja, Duyvestein en z’n louche vriendjes nu even niet, maar reken maar dat die over niet al te lange tijd in de rechtszaal staan, schat. En daarna voor nogal lange tijd achter de deur verdwijnen. Ben ik stiekem best wel trots op.”
Ik moest even grinniken. “Want al die lui misten één nogal belangrijk aspect in hun jeugd…” Joline keek me vragend aan en ik vervolgde: “Een lange, blonde dame met felblauwe ogen die ze op hun tijd een enorme optater op hun oor gaf. Werkt redelijk helend.” Even keek ze me aan alsof ze kwaad zou worden, toen glimlachte ze. “Misschien heb je wel gelijk, Kees. Al die lui hebben de betekenis van het woordje ‘Nee!’ nooit goed begrepen. Dank je wel voor jouw lesje levenswijsheid.”

Ze trok mijn hoofd naar zich toe en kuste me zachtjes. “En nu, lekkere filosoof met je mooie kontje: we gaan eten maken. Daar begon dit gesprekje ten slotte mee.” We liepen de keuken in en een korte inventarisatie van ingrediënten waren we het er over eens dat er vanavond Bami op het menu stond. Met sateh, verder geen vlees in de bami. “Da’s onzin, Kees. Vier stokjes sateh is meer dan genoeg voor ons tweeën.” Een half uurtje later stond er een dampende pan bami op tafel en waren we lekker aan het smullen.
Toen ik Joline de sambal aanbood, trok ze een smerig gezicht. “Ik las dat de brandweer van Veldhoven het dit jaar nogal druk heeft gehad, Kees. Laat ik ze een ritje naar dit appartement besparen door vanavond jouw sambal even te laten staan. Geen zin dat zo’n brandweerman, hoe stoer ook, zijn spuit in m’n keel steekt.” Ze zag me kijken en snauwde: “Nee, niet dié spuit, meneertje! Dat zou zo’n spuitgast wel willen, de smeerlap…”
“Gaat zo één-twee-drie ook niet lukken, schat. Zo’n spuitgast heeft een nogal dikke onhandige brandbestendige overall aan. En ik weet niet of die dingen zijn voorzien van een gulp. Tegen de tijd dat hij z’n spuit paraat heeft, ben jij al lang en breed vertrokken.”
Ze bleef smerig kijken. “Soms hé…” Ik gniffelde. “Ga maar eens met Lot en Mar praten. Kun je lekker uithuilen wat voor smerige fantasieën jouw echtgenoot soms heeft. Of met tante Nadia, nu we het toch over sambal hebben.” Joline veerde op. “Nadia! Die hebben we al een tijdje niet gesproken… Straks haar eens bellen, Kees. Informeren hoe het met de liefde is.” Ik knikte. “Goed plan. Wie weet is haar Joost… Zo heette hij toch? …lid van de vrijwillige brandweer. Best handig met haar sambal-verslaving…” Ze keek me even sprakeloos aan, gierde toen van het lachen en verslikte zich. Met een paar keer hoesten vloog er een sliertje bami uit haar keel.
Ze dronk haar beker water in één keer leeg en zuchtte toen. “Wil je nu ophouden met je geintjes, Kees? Ik zit te eten. Geen zin om me om de drie happen te verslikken van het lachen. Idioot…” Ze knipoogde. Het dessert was een simpel waterijsje. Lekker na de toch wel pittige bami. Samen ruimde we de bar af en zetten het spul wat daarvoor in aanmerking kwam in de afwasmachine; de pannen gingen met de hand. Met dat achter de rug ging ik koffie maken en Joline pakte haar telefoon. “Nadia eens bellen…”
Even later hoorde: “Hoi Joline, met Nadia. Is er ergens paniek, dat je belt?”
“Nee hoor, niks aan de hand. Ook in Arkel is het rustig. Nou ja, rustig… Ik vraag het me af nu die nichtjes van jou daar samenwonen met twee Piraten, maar goed, da’s een ander verhaal. Maar wij hebben net een bordje Bami op en toen kwam jouw sambalverslaving ter sprake, dus vandaar dit telefoontje.” “Sambalverslaving… Met die sambal van Kees raak ik daar écht niet aan verslaafd hoor, ben jij gek. Ik heb m’n slokdarm te lief.”
Ik moest m’n hand voor m’n mond houden om niet in de lach te schieten en ook Joline had het even moeilijk. Nadia kletste gelukkig door.
“Maar in Arnhem is het prima, Joline. Joost en ik raken een beetje gewend aan het feit dat we een relatie hebben. En soms is dat puzzelen; ik heb een drukke baan, hij ook, dus agenda’s op elkaar afstemmen is soms best gedoe.”
“We kennen het Nadia”, zei Joline droog. “En ik heb nieuws voor je: ook na je trouwdag blijft dat zo.”
Er klonk een giechel. “Nou, dan zie ik daar dan maar van af…”
We grinnikten. Ze vertelde wat dingen over haar relatie met Joost en ik besloot ook een duit in het zakje te doen. “Nadia… Jullie moeten samen maar eens naar Veldhoven komen. Dan kan ik m’n oude hobby weer eens oppakken.”
“Ouwe hobby? Vertel, Kees!”
“Nou, als mijn zusjes, die twee roodharige krengetjes, weer eens nieuwe vriendjes hadden, sleepten de dames die vriendjes ook af en toe mee naar Veldhoven om kennis te laten maken met hun grote broer. En daarna consulteerden ze mij hoe ik over die jongeman dacht. ‘Vleeskeuring’, noemden we dat. Kan ik met Joost ook doen, hoor.”
Nadia sputterde. “Zeg Kees, ben jij belazerd… Dat vlees is al gekeurd en daar is niks mis mee. Hoef jij niet meer te doen, hoor!”
“Oh, nou ja, dan niet… Het was maar een aanbod.”
Joline nam de telefoon weer over. “Let maar even niet op Kees, Nadia. Soms heeft z’n gekke buien. Dit is zo’n moment. Maar als jullie zin hebben: jullie zijn welkom hier!” “Lijkt me gezellig, Joline. We zijn ook al een paar keer in Arkel geweest; die ‘Piraten’ van Mar en Lot zijn ook prima kerels. Pech voor ze dat ze overdag onder het bewind van Kees moeten leven, maar ja, daar hebben ze zelf voor gekozen, de sukkels. Maar ik ben wél blij dat Mar en Lot niet in hun uppie in Arkel wonen. Dat zou ze wel ernstig kwetsbaar maken, mochten lui uit Groot Ammers het in hun kop halen om ze te bezoeken.”
“Geen paniek, Nadia. Niet alleen wonen daar nu twee mannetjesputters; de dames en heren in Arkel beschikken nu ook over twee nogal pittige luchtbuksen. We hebben die gisteren samen met hen gekocht en Kees heeft ze instructie gegeven. Iemand die daar ongenood binnen wil komen, heeft een probleem. En die dijk waar ze wonen heeft een uitstekende buurt-app; als jij daar ergens in probeert te breken, staat er aan de oost- en aan de westkant een voertuig dwars over de dijk. Je kunt geen kant op, behalve richting politiecel.”
Er klonk een hummetje. “Dat laatste wist ik al, van die buksen nog niet. Maarre… schieten de meiden ook?”
Ik boog me over de telefoon. “Ja. We hebben een kaartjes in de tuin geschoten en het ging best aardig, Nadia. Ik was redelijk tevreden.”
“Hmmm… Nóg een reden om weer eens naar Arkel te gaan. Eens kijken hoe mijn nichtjes schieten. Als je dat een jaar geleden tegen me gezegd had, had ik je keihard uitgelachen, Kees.”
“Ja, dat denk ik ook wel. Maarre… Hoe gaat het met jullie nieuwste medewerker, Jan van Ommeren? Kan hij al een beetje wennen om in oostelijke richting naar z’n werk te rijden?”
“Jan? Prima vent. Moest een beetje loskomen toen hij hier begon, maar nu… Hij zei een week geleden tegen me: ‘Nadia, ik ben hier dolgelukkig. Geen directeur die als een tiran op m’n vingers zit te kijken, geen ‘collega’s’ die op mijn baantje azen, niet elke dag in de file richting Amsterdam, maar lekker ontspannen naar Arnhem… Mijn vrouw is dolblij, want die heeft een compleet andere vent in huis!’ Dát zei hij. En juridisch is hij steengoed, Kees. Vult ons team prima aan met zijn ervaring in de zakelijke wereld.”
“Mooi! Doe hem de groeten van ons.”
“Zal ik doen… Wie weet belt hij je nog wel een keertje om zelf bij te kletsen, Kees.”
“Altijd goed...”

We kletsten nog even en maakten een afspraak dat we ‘ergens in de kerstvakantie’ naar Arnhem op bezoek zouden komen. Toen hingen we op. “Mooi dat het daar ook goed gaat, Kees. Ook Nadia verdient het om gelukkig te zijn.” “Ja. Mooi mens. En ik ben wel benieuwd naar haar Joost. Die moet wel van wanten weten, anders fietst Nadia over hem heen. De arme kerel.” Een plagend zoentje was mijn beloning. “Ja, dar weet jij natuurlijk alles van hé? Hoe het voelt als een vrouw over je heen fietst…” “Nou, je ze een leuk kort rokje aan heeft en mooie nylons…” Er klonk een minachtend hummetje in mijn nek. “Seksist. Kom, de koffie staat koud te worden. Die eerst eens opdrinken.”
Na de koffie dook ik weer in m’n boek. Joline pakte ook een boek en het was, op wat zachte muziek na, rustig in huize Jonkman-Boogers. Totdat Mocca opstond en zijn neus nogal nadrukkelijk tegen mijn arm duwde. En even later een poot op mijn been legde. “Volgens mij wil ons bruine loedertje er uit, Joline. Dat ga ik even doen.” “Prima. En daarna gaan wij er in. Morgen weer aan de slag.” “Mocca! Get leash!” De hond sprintte naar de keuken om kwispelend met de riem in z’n bek naar me toe te komen. Ik lijnde hem aan, deed de hond het Hulphond-hesje aan, trok een jas aan en met een “Tot zo!” liep ik naar buiten, de galerij op. Eenmaal beneden eerst naar het uitlaatveld waar Mocca deed wat hij moest doen, toen nog even naar het losloopveld. Maar daar had meneer duidelijk niet zo’n lol: hij snuffelde wat in het rond, maar enig enthousiasme zat er niet in. Nou ja, hij had vanmiddag al kunnen rennen…
Ik lijnde de hond weer aan en we liepen richting huis, Mocca keurig aan een slappe riem naast me. En regelmatig ging die mooie bruine snoet omhoog en keek hij me aan. ‘Inchecken’, noemden ze dat. De hond moest kijken of degene die de lijn vast had, iets nodig had of lekker in z’n vel zat. Wat uiteraard gevolgd werd door een “Goed zo! Brave hond!” of een brokje. Adria was daar duidelijk in geweest: niet alle goeie gedrag moest gevolgd worden door een traktatie. Ook een vocale beloning of een aai is een beloning. Eenmaal weer binnen gaf ik Mocca de laatste brokjes van vandaag die uiteraard bliksemsnel verdwenen. Toen commandeerde ik hem naar z’n mand. Even een paar keer draaien, z’n dekentje opproppen en de hond ging liggen. Ik liep het bekende rondje door het huis.
Toen even naar buiten: de camera op de overloop checken. Op mijn telefoon zag ik dat er een vlek op de lens zat, dus ik poetste de camera even schoon. Zo, ook geregeld. Niet dat ik bang was dat er vannacht weer lui voor de deur zouden staan, maar toch… Ik deed de deur weer dicht. Alarm er op, bovenlichten dicht en vergrendeld, ramen dicht… Nou ja, als er een raam nog open had gestaan, hadden we het meteen gemerkt; het woei best wel buiten en hier, op de 9e verdieping woei het nog een tandje harder… Ik liep de slaapkamer in: geen Joline, maar uit de badkamer kwamen geluiden die overeen kwamen met haar elektrische tandenborstel. Ik gniffelde. Even plagen…
Ik stak mijn hoofd om de badkamerdeur heen. “Schat, als je zo nodig aan je trekken wil komen… Gewoon even geduld hebben en dan lig ik naast je. Spaart batterijen en zo…” Een washandje vloog tegen mijn hoofd en met het mond vol tandpasta en borstel mopperde ze iets waar ik de woorden ‘oversekste hork’ nog nét kon verstaan. De rest ging verloren in gebrom van de elektrische borstel. Ik trok me maar terug en kleedde me uit. Daarna ook de tanden poetsen, naast een mopperende blonde vrouw die haar haren kamde.
“Ik snap nog steeds niet ik met je getrouwd ben, Kees Jonkman. Af en toe ben je écht een enorm macho rotzakje.” Ik wiebelde met mijn billen. “Hierom, schatje. Weet je het weer?” Een pets op diezelfde billen was m’n beloning, gevolgd door een bits: “Oh ja… Maar wellicht was het makkelijker geweest als die billetjes op de plaats van je gezicht hadden gezeten. Had heel veel vrouw-onvriendelijke opmerkingen gescheeld.” “Jaja… En ik op m’n kop op de WC staan? Ik dacht het niet, mevrouw. Ik heet geen Adriaan, ben jij gek.”
“Adriaan?” Ze keek me vragend aan. “Ja. Adriaan. Van ‘Bassie en Adriaan’. Die kinderserie heb jij ook vast bekeken, toen je nog kleine Jolientje was. Bassie de clown en Adriaan de acrobaat.” “Oh ja… Soms zie ik ze nog wel eens voorbij komen op Net 5 of SBS-6 of zo. Met die Baron, met z’n ‘Drommels, drommels, drommels…’ Jeugdsentiment, Kees.” Ik knikte. “Maar goed: ik heet dus geen Adriaan; op m’n kop boven de WC hangen om te poepen kun je dus vergeten. Kom, mee in bed jij.” Eenmaal onder het dekbed trok ik Joline tegen me aan. “Hoi schatje… Heb je er weer zin in?” Twee blauwe ogen keken onderzoekend. “Waar in, Kees?” “Nou, om zo dadelijk lekker in slaap te vallen, tegen je ridder aan. Al dan niet vooraf gegaan door een potje vrijen…” De ogen gingen in de stand ‘Oppassen jij!’ en haar stem klonk koeltjes. “Slapen: ja. Een potje vrijen: nu even niet. Kost teveel slaaptijd, Kees. Ik ben best wel duf. En morgen moeten we weer aan de bak.” Ze gaf me een zoen. “Jij komt niks te kort, vriendje van me.”
Ik knuffelde haar. “Klopt en daar ben ik bijzonder blij mee, schat. Lekker slapen nu.” Een lange kus volgde, daarna kroop Joline tegen m’n rug aan. “Als ik over een half uurtje nog niet slaap, maak ik je wel wakker, Kees.” “Oké schat. Ik zie er naar uit.” Twee warme handen streelden mijn rug nog even, maar die vielen na een minuutje stil en Joline sliep. Ik draaide me voorzichtig om en bekeek haar nog even. Het nachtlampje verlichtte haar blonde haren een beetje; die lagen weer als een sluier om haar hoofd heen, om het kussen. Eén bijna blote schouder kwam boven het dekbed uit; die dekte ik toe. Wát een prachtvrouw… Ik ging liggen en ontspande me ook. En het duurde niet lang voordat ik ook wegzakte...
Hilde5
Hilde5 (28)
Hou jij van vrouwen die houden van aandacht, humor en ondeugende spanning?
🟢 Nu Online
Bekijk profiel →
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...