Door: Keith
Datum: 21-05-2026 | Cijfer: 9.8 | Gelezen: 907
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 48 minuten | Lezers Online: 8
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 48 minuten | Lezers Online: 8
Vervolg op: Mini - 407
Een half uurtje later was het eten klaar en tijdens het eten vertelde Joline het verhaal van ons eerste gezamenlijke bezoek aan de wapenwinkel. En na een paar lachbuien zei Gerben nadenkend: “Sjonge… Er is nog hoop voor de wereld, hoor ik net. Joline Jonkman die haar naam in één adem uitspreekt samen met de gedenkwaardige woorden ‘domme blonde Bimbo’. Dat had ik nooit gedacht, Kees!” Ik schudde mijn hoofd. “Wil jij me niet bij dit soort gevaarlijke uitspreken betrekken, vriend? Ik heb net even heerlijk mogen dutten met mijn hoofd op schoot van mijn lieve vrouw; ik wens dat vaker te kunnen doen. Als ik nu met een stekelige opmerking mee ga in jouw conversatie, is die kans voor de eerste komende twintig jaar verkeken!” “Als je dat maar weet, Kees!” Joline keek strijdlustig, draaide zich naar Gerben en snauwde: “Het was mijn eigen tekst, meneer van Wiers. Ik mag dat. Als iemand anders dat doet…” Hij greep naar zijn oor en Joline knikte. “Precies!”
Na het dessert ruimden we de tafel af, Joline gaf Mocca zijn eten en daarna zetten Lot en Gerben koffie. “Geef mij maar een strak bakje, Lot. Ik moet zo dadelijk nog rijden. Even later stond de koffie voor ons. “Alstublieft meneer Jonkman. Een bakje koffie á la Rob Boogers. Sterkte met uw maagwand.” Lot klonk spottend. “Dat lijkt me stug, Lot. Jullie fijne porselein zou meteen barsten na zo’n bakje á la Rob.” “Daarom krijg jij je koffie in een ordinaire aardewerk mok, meneer. Ons fijne Chinese porselein wensen wij niet bloot te stellen aan die hoeveelheid geconcentreerde cafeïne.” Ze klonk nuffig.
Na de koffie maakten Joline en ik ons gereed om te vertrekken. Rogier keek me aan. “Dank je wel, Kees. Voor je lessen. Ik heb wat spierpijn, maar weet waarvoor ik het doe. Vanaf nu is dit huis nog veiliger.” Ik wees op Joline. “Hé, Jo deed ook mee, hoor!” Hij gniffelde. “Jo bedank ik wel op een andere manier…” Hij omhelsde haar en knuffelde haar even, gevolgd door Gerben. En ik kreeg knuffels van Lot en Mar. Daarna vlogen de zussen Joline om haar hals. Die keek ondeugend.
“Meiden… De twee dagen na 2e kerstdag zijn Kees en Fred ‘stoere dingen’ aan het doen. Een schietwedstrijd bij Defensie. Komen jullie twee dan naar Veldhoven? Die twee kerels mag je thuis laten.” Ze knipoogde naar Rogier en Gerben. Lot keek Mar aan en vervolgens naar Gerben en Rogier. “Mogen wij dat, jongens?” Gerben knikte. “Natuurlijk meiden. Jullie zijn geen bezit van ons, weet je nog? Als jullie een lekkere ‘meidenavond’ willen: gewoon doen. Rogier en ik vermaken ons wel met een tree pils.” En Rogier vulde aan: “We fantaseren natuurlijk wél hoe de meisjes hun avond door gaan brengen… Geniet ervan, schatjes.”
Toen we even later wegreden stonden Lot en Rogier én Mar en Gerben innig gearmd op de oprit te zwaaien. “Nou, die hebben vanavond wat te evalueren, denk ik”, zei Joline. “Het zou zo maar eens gezellig kunnen worden op de slaapkamers in huize Boogman.” Ik knikte. “Ja. En dat is prima.” Joline kantelde haar stoel iets en zette de stoelverwarming iets hoger. “Ik ga nog even een tukje doen, Kees. Jij hebt net al je powernapje gehad.” “Prima, schat. Ik vermaak me wel met dit stukje techniek hier.”
Cruise control aan, ingesteld op 115 km/uur, een mooie playlist van Queen ingesteld… Rustig kon ik de A15 en na Deil de A2 afrijden. Af en toe naar links om een vrachtwagen in te halen, soms werd ik ingehaald, maar hoefde de cruise control nauwelijks te onderbreken. Een uur later waren we thuis. Ik liet Mocca nog even uit, Joline maakte een slap bakje koffie en met koffie in de hand zaten we de dag te evalueren. Prima dagje geweest, zonder meer. Alleen toen we het over Staphorst hadden, zei Joline: “Ik ga daar niet meer heen, Kees. Ten eerste is het een takke-eind rijden, maar die knul probeerde ons gewoon een loer te draaien. In feite hadden we gewoon weg moeten gaan nadat hij begon over die verzegeling en koop-verplichting.” Ik keek moeilijk. “En dan, schat? Dan hadden we voor joker dat takke-eind gereden. Ja, ik was ook pissed-off toen hij met die koopverplichting op de proppen kwam, maar… Nou ja, jouw vriendje heeft het uiteindelijk wél netjes opgelost.”
“Mijn vriendje? Je bedoelt die oudere verkoper? Kijk uit wat je zegt, Kees Jonkman…” Ik gniffelde. “Maar: je hebt wellicht gelijk, Jolien. We gaan bij de schietvereniging wel eens informeren waar men positieve ervaringen heeft. Want Staphorst heeft het een beetje verbruid, ook bij mij.” Joline antwoordde met: “Goed plan, dat informeren op de schietclub. Te weinig gedaan. En nu heel iets anders: moet jij nog blazen? Oefenen voor morgen? Nu kan het nog, het is nu vijf over negen.” Ik schudde mijn hoofd. “Morgen hoef ik niet zo veel te doen. Een paar liederen begeleiden, de rest doet Brecht. Die improviseert er wel op los, denk ik. Doet ze prima.”
Joline knikte. “Ja. Een enorm talent. Het zou niets verwonderen als we over een jaar of tien haar naam met hele grote letters ergens in een muziekblad zien staan.” “Ja. Tenzij dat ze weer eens tegen een verkeerde knul aanloopt; dan is ze weer vier weken niet te genieten en stormt ze van de orgelgalerij naar beneden, om vervolgens ene Jonkman bijna van de sokken te lopen.” Joline giechelde. “Dat komt dan goed uit, Kees. Je loopt toch al vaak naast je schoenen; als Brecht je dan ook nog van je sokken loopt, sta je ten minste weer met beide blote poten op de grond. Wel eens goed voor jou.” Een plagend zoentje volgde, maar ik keek haar even aan.
“Schat… Vind je dat? Loop ik weer teveel naast m’n schoenen?” Joline keek nadenkend. “Nee. Nu veel minder dan vorig jaar rond deze tijd. Toen was je af en toe écht arrogant. Nu ben je weer veel meer terug in je rol als ‘primus interparis’, de eerste onder de gelijken. Zeker binnen de Piraten. Ik heb af en toe met Gerben of Rogier wel een babbeltje, knul. En die zijn beiden zonder meer heel positief over jouw manier van aansturen. Rogier vatte het vorige week even samen: ‘Kees laat de ideeën uit de groep komen, laat iedereen zijn licht er over schijnen en pikt de verbeteringen er feilloos uit. Geeft iedereen de credits die hij verdient en gaat gelukkig niet zelf met de eer strijken. Want als ik ergens niét tegen kan is het dat wel.’ En Gerben denkt er ongeveer net zo over. Dus kort samengevat: Je bent goed bezig, Opperpiraat.” Een iets langere zoen volgde. “Dank je wel, schat. Voor zowel je zoen als die complimenten.”
Ze snoof. “Die complimenten kwamen van Rogier en Gerben. Ik hoop van harte dat ze jou niet op de manier gaan zoenen zoals ik net, want dan hebben de heren wat uit te leggen. Aan mij, maar ook aan Lot en Mar. En wie weet: ook wel aan jou.” “Zeker weten. Het zijn prima kerels, maar zelfs zij kunnen mij niet bekeren tot de herenliefde, schat.” We lachten samen. “Hun meisjes kunnen mij wél doen verlangen naar…” Joline zweeg en werd wat rood. Ik kuste haar. “Dat mag, schat. Ik weet wie het zijn: schatten van meiden en ondertussen hele mooie vrouwen. Als zij het zien zitten om twee dagen met het mooiste meisje van Veldhoven te willen vrijen en kletsen: ik geef ze geen ongelijk. En ik weet dat jij er ook van geniet. Ik kruip wel weer met Fred in een tentje en wat Rogier en Gerben samen doen… Die komen er ook wel uit, denk ik.”
“Jij weer met Fred in zo’n tentje? En hij dan weer hele zaak bij elkaar brommen als hij ‘die vervloekte mitrailleur’ in z’n slaapzak moet proppen? Dat zal wel wat commotie bij het CIMIC-bataljon geven, denk ik…” Ik grinnikte. “Dan weten ze daar ook eens welke vocabulaire Fred gebruikt… Nee, ik denk dat we netjes in gebouwen slapen, schat. En niet op de hei. Misschien wel in onze slaapzakken, maar de wapens liggen dan netjes in een wapenkamer achter een nogal degelijk slot en een beveiligingscode. Scheelt Fred waarschijnlijk heel wat keren opdrukken…” Joline giechelde. “Jammer dat Mariëtte nog niet in beeld was toen jullie samen op de Oirschotse Hei sliepen…” “Mariëtte? Die was in die tijd… Ik denk nét elf of twaalf jaar, denk ik. Nog niet iemand om echt serieus te nemen.” “Dat weet je niet, Kees. Maar goed… Heb je je koffie op? Als je toch niet meer hoeft te blazen: maak je bugel in orde voor morgen. Dan kruip ik nog even onder de douche door en vervolgens in bed. En omdat je vandaag redelijk braaf was én netjes gereden hebt: je mag naast me komen liggen.” “Daar zeg ik nooit nee tegen, lieve mevrouw Jonkman…” Ik kuste haar langzaam, tot ze me weg duwde. “Húp! Aan het werk jij. Je bugel poetsen en je rondje lopen. Daarna jij ook even douchen; ik wil een schone en lekker ruikende vent naast me.”
Oké… Ik keek de bugel even na: een klein likje vet op de ventielen, het goede mondstuk er op, de muziek in de koffer erbij en die in de hal zetten. Deuren en ramen dicht, gas uit, geen spul op tafel waar Mocca zich aan zou kunnen vergrijpen… Klaar. Joline was nog in de badkamer bezig. Ik kleedde me uit, gooide de gedragen spullen in de wasmand en liep de badkamer in, waar Joline zich nét afdroogde. “Schat, je ziet er weer heerlijk uit…” Ze lachte tevreden.
“Als jij dat zo zegt… Dank je wel, Kees.” Een snelle zoen volgde, toen sprong ik onder de douche. Inzepen, afspoelen, kouwe plens. Brrr… Joline stond al klaar met een grote handdoek. “Ik hoorde je grommen, Kees, dus ik wist dat je jezelf weer eens met koud water aan het martelen was.” Ze roste me af. “Dank je wel, schat. Als je vanavond nog ‘bewegingen als getrouwd zijnde’ van mij verwacht: ik ga je teleurstellen. Ik denk dat ik binnen een minuut onder zeil ben.” Ze keek teleurgesteld. “Wat jammer nou… Ik had me ingesteld op een lange, erotische nacht waarbij we de torenklok half zes hoorden slaan…” “Bluffert. Jij ligt ook in no time te maffen, meisje.” Ze knikte. “Ja. Maar wel tegen de rug van een hele lekkere majoor aan. Zonder slaapzak er tussen. Dat kan Fred niet zeggen!”
Ik schoot in de lach. “In die tijd was ik nog korporaal en Fred soldaat der eerste klasse, schat. Hij heeft nog nooit met een majoor samen in een tentje geslapen. Maar ik zal het hem eens voorstellen…” Joline schoof in bed en zei: “Jaja… En daarna mag hij zich gedurende een uur opdrukken, zeker? Vanwege al zijn vloeken en verwensingen?” Ik kroop naast haar in bed. “Dat zou zo maar eens kunnen schat. Maar als je het niet zeker weet: Ik kan zo’n tentje wel eens opzetten op het losloopveld. Dan kun je ‘aan den lijve ervaren’ wat het is om met Fred samen in aparte slaapzakken in zo’n tentje te liggen.” Ze kwam overeind en keek me furieus aan.
“En jij denkt dat Jolientje Jonkman dat gaat doen? En jij ’s morgens op een walgelijk vroeg tijdstip ons wakker maken met Mocca? Ben je wel goed bij je hoofd?” “Nee, ik heb niet gezegd dat ik koffie op bed zou brengen, schatje. En al zeker geen mocca. Hooguit een nette espresso.” Ze plofte weer neer. “Met jou is ook geen normaal gesprek mogelijk, Kees Jonkman. Slapen jij!” “Zeker freule. Welterusten freule…” Ik boog me over haar heen en kuste haar. “Lekker slapen, freule…” “Jij ook, gekke vent…” Ik hoofde geen ontspannings-oefeningen te doen; binnen de minuut was ik vertrokken…
Zondagochtend was het routine: Wakker worden, aankleden, eten en richting kerk. Om 09:30 liepen we naar binnen. Nog geen Brecht. Wél Greet en Anita. De laatste zei: “Wij gaan beneden zitten, Kees. Greet hoort het wel als er iets fout gaat en evalueert dat na de dienst wel even met je.” Ze keek plagend. “Waarom wel met mij en hoor ik de naam van Brecht niet?” Greet bromde: “Dat is bij haar wat moeilijker. Als ik iets hoor wat ogenschijnlijk niet klopt, zegt juffrouw Solinge glashard: ‘Dat was een stukje improvisatie, Greet.’ En ze kijkt er serieus bij.” Joline keek me aan. “Dat moet jij dan ook maar proberen, Kees.”
Greet keek nu plagend. “Kees en improviseren? Hij speelt nog steeds braaf de nootjes, Jolien. Oké, nu wat beter dan vorig jaar om deze tijd, maar…” Ik keek dreigend en ze dook weg. Ik keek op m’n horloge: tien over half tien. De eerste kerkgangers zaten al. “Ik ga alvast naar boven, lui. Als juffrouw Soline niet heel rap opschiet, zul jij aan de bak moeten, Greet. Dan kun je niet soepel op de kerkbank hand in hand met je liefje zitten.” Greet, Anita en Joline liepen mee de trap op naar de orgelgalerij. “Ik kom ook wel boven zitten, Kees. Kunnen we in ieder geval tijdens de preek hand in hand zitten.” Antita keek ondeugend. “Hé mevrouw Zondervan…" zei Greet, "dat was tot voor kort mijn voorrecht!” Ze maakte een spottend geluidje. “Jaja… En dat moet ik geloven? Richard heeft vol zicht op die orgelgalerij hoor! Als hij dat zou zien, zou hij er onmiddellijk een opmerking over maken in zijn preek.”
Drie minuten later roffelden er schoenen op de trap en kwam Brecht hijgend boven. “Sorry, Kees… Lekke band halverwege… Ik kon kiezen: óf terug naar huis lopen en m’n vader vragen of hij me bracht óf de fiets ergens naarzetten, op slot draaien en verder lopen. Het zou weinig in tijd gescheeld hebben. Dus ik ben maar gaan lopen.” “Goeie smoes, Brecht… En de brug was zeker ook open, de spoorbomen dicht? Zeg nou maar gewoon dat je je verslapen hebt.” Ze griste haar muziek uit haar tas en zei zachtjes: “Als ik mij verslapen had, zou ik een hele goeie reden gehad hebben, Greet. Maar dat hoor je straks wel.” Greet keek argwanend. “Nou, ik ben benieuwd… Wij gaan wel weer beneden zitten. Ga je ook mee, Joline?” Die knikte. “Maak er weer wat moois van, allebei.” Ze knipoogde.
Brecht keek op haar horloge, trok een aantal registers uit en begon te spelen. Een fantasie op het intochtslied, zoals gewoonlijk met alleen het ‘kale’ liedboek voor haar neus, dus het liedboek waar de gemeente uit zong: alleen de sopraanpartij en de tekst. Maar Brecht maakte er weer een muzikaal feestje van… Totdat de kerkenraad binnenkwam, het lampje bij het orgel begon te branden ten teken dat ze moest stoppen. En dat deed ze dan ook: zonder de muziek meteen af te kappen, maakte ze een mooi slot aan.
De ouderling die de mededelingen ging doen keek naar het orgel. “Dank je wel Brecht. Gemeente goedemorgen…” Een gemompeld ‘goedemorgen’ kwam retour uit de kerkbanken en de mededelingen volgden: over vergaderingen die deze week zouden plaatsvinden, de aankondiging van het huwelijk van Greet en Anita, waar de collectes voor bestemd waren… en tot slot welk intochtslied er gezongen zou gaan worden. “… Maar dat heeft u zojuist al kunnen horen. We wensen u een gezegende dienst.” Richard kwam naar voren, kreeg zijn handdruk en Brecht zette in. Ik hoefde nu niet te spelen, dus ik kon ook meezingen.
En staand keek ik de kerk in: Greet, Anita en Joline stonden naast elkaar, één bank er voor de gezusters Boogman samen met Gerben en Rogier… Fijn dat die er ook weer waren! Ik hoefde maar drie liederen te begeleiden, en dat waren liederen die ik kende. Wel eens prettig om niet te hoeven ‘presteren’. Ik kon de dienst dan ook beter geconcentreerd volgen dan normaal. Zelfs tijdens de preek dwaalde ik niet af. Richard hield het dan ook redelijk simpel; hij ging niet diep in op allerlei theologische zaken, maar bleef actueel. De tekst ging over de reis van Abraham naar het beloofde land. Hoe hij op goed vertrouwen die kant uit ging, al zijn familie, z’n roots achterlatend. En vervolgens refereerde Richard aan verhuizingen in de moderne tijd.
“Tenslotte gemeente…” Brecht kwam overeind. “…binnen Nederland is dat niet zo’n probleem. We hebben overal telefoon, Internet en als de nood écht aan de man is, springen we in de auto of op de trein en gaan we elders heen. Zelfs al emigreer je naar Canada of Australië: als je wilt kun je met een paar muisklikken verbonden zijn met je familie of je oude, vertrouwde kerk hier in Eindhoven en de dienst volgen via ’Kerkdienst gemist punt nl’. In de tijd van Abraham was dat even anders. Vanuit Ur der Chaldeeën je spullen pakken, opladen en westwaarts lopen zonder te weten waar je terecht zou komen… Er over nadenkend vond ik het nogal een onderneming. Zoals u wellicht weet komen wij uit Groningen. Ik ben daar opgegroeid, heb in Kampen gestudeerd en mijn vorige gemeente was Steenwijk. Wij hadden nog nooit ten zuiden van de IJssel gewoond. En toen ik hier beroepen werd, heb ik lang en hevig met mijn vrouw en kinderen er over gesproken of we wel naar Eindhoven zouden gaan. En uiteindelijk zijn we gegaan. En niet ‘zomaar’, maar in vertrouwen dat we niet alleen zouden gaan. Dát, gemeente, dat vertrouwen wens ik u toe als u eens voor een keuze in uw leven staat. Amen.”
Tijd voor het stukje ‘meditatieve muziek’ na de preek. Brecht had één A4tje met notenbalken voor zich. Het thema was een lied uit het liedboek: ‘Ga met God en hij zal met je zijn’. Ze speelde het lied één keer: met een simpele begeleiding, daarna fantaseerde ze op het thema, om uiteindelijk uit te monden in een driestemmige canon die langzaam wegstierf. Ik stond met open mond te kijken en te luisteren. Meteen daarna werd er weer gezongen en moest ik ook meespelen, maar in gedachten was ik nog bij die canon. Ik moest écht moeite doen om me te concentreren op het lied wat ik speelde, iets wat me nog maar zelden was overkomen.
En aan het einde van de dienst, vlak voor de zegen, fluisterde Brecht, terwijl ze het liedboek voor m’n neus hield: “Jij zet zo dadelijk dit lied in.” Het lied was: ‘Zomaar te gaan met een stok in de hand’, een lied wat de reis van Abraham naar het beloofde land beschreef. “Unisono, dus in je eentje. Ik brei er wel wat omheen. Gewoon drie coupletten doorspelen, één maat rust tussen de coupletten en je verder niks van mij aantrekken. Oké?” Ik knikte. Na de zegen kreeg Richard een hand van de ouderling van dienst en liep met de rest van de kerkenraad richting deur; ik zette in. Richard was halverwege, stopte even en stak zijn duim naar me op.
En meteen daarna begon Brecht om het thema heen te fantaseren. Ik moest me keihard aan de noten vasthouden, anders zou ik de draad kwijtraken… Toen ik het lied voor de derde keer speelde gebaarde Brecht dat ik moest afronden; na de laatste noot van het couplet zweeg de bugel dan ook. En het orgel speelde nog even door, steeds zachter tot uiteindelijk maar één register open stond: de roerfluit 4’: een licht, zacht register. En in mijn verbeelding zag ik de karavaan van Abraham over een heuvelkam in de verte uit het zicht verdwijnen. De laatste tonen die Brecht speelde was de beginregel van het lied. En tijdens het spelen daarvan zette ze het orgel uit; de noten werden zachter en met een zachte ‘piéééép’ verdween de laatste lucht uit de pijpen.
Ik keek Brecht aan. “Jij luistert wel héél goed naar de preek, Brecht.” Ze lachte zachtjes. “Ik heb Richard gisteren gebeld om te vragen naar zijn kernpunt uit de preek. En dat was ‘Vertrouwen, waar je ook heen gaat’. Nou, dan was de keuze voor dit lied om mee de kerk uit te gaan niet zo moeilijk…” Haar lach veranderde een beetje. “En ik kon jou eens op de proef stellen. Volgens Greet hield jij je altijd bijzonder stevig aan de nootjes vast; dat wilde ik wel eens testen. Nou, ze had gelijk, Kees.” Ik zuchtte. “Het is dat ik je tot nu toe best een aardige meid vond, Brecht én dat ik orgelminnend Nederland niet wil beroven van een aanstormend talent, maar anders had ik je kop en kont gepakt en over de balustrade gesmeten. Nog een keer zo’n opmerking en het gaat gebeuren. Opruimen hier, anders krijgen we van Greet op ons donder, daarna koffie.”
Eenmaal beneden gaven we Richard een hand en hij zei: “Dank jullie wel voor het stuk na de dienst. Dat was een schot in de roos, Kees.” Ik wees naar Brecht. “Háár verdienste. Ik moest alleen maar dom het lied spelen; zij fantaseerde de hele wereld er omheen.” Hij keek Brecht aan. “Weet je dat deze gemeente bijzonder gezegend is met jullie als begeleiding? Jullie luisteren en vertalen de bijbeltekst of mijn preek in muziek. Overigens net als onze houseband.” Brecht wees naar Greet, die iets verderop stond te praten met een ander gemeentelid.
“Richard: dat is er ingehamerd door Greet. Oók bij de houseband: lees wat er gezongen gaat worden. Informeer naar het thema van de dienst en ‘speel daar op in’. Letterlijk. Dat heb ik gisteren gedaan; jij liet dat lied over Abraham niét zingen, dus kon ik daar, samen met Kees, wat leuks van maken.” Richard knikte. “Dat is gelukt, Brecht. En Kees. Dank je wel.” We liepen naar Gerard, die bezig was met de koffie. “Aha, twee harde muzikale werkers… Koffie of thee?” “Koffie alsjeblieft, Gerard… Even bijkomen van de muzikale fratsen van die mevrouw hier naast me.”
Gerard lachte. “En jij Brecht?” “Geef mij maar thee, Gerard. Even bijkomen van de bedreigingen van die meneer hier naast me.” Gerard keek vragend. “Bedreigingen? In onze kerk? Wat hoor ik nou, Kees?” “Tja, als mevrouw Solinge rotopmerkingen maakt over mijn muzikale handicaps… Ik heb alleen maar gezegd dat ik, als ze dat nog eens doet, haar over de balustrade heen smijt. Hoe ze op de vloer landt, mag ze zelf uitzoeken.”
“Dat laat je wel uit je hersens, meneer Jonkman!” De stem van Greet klonk vlak achter me, dreigend. “Wie moet dan dat mooie orgel bespelen op onze bruiloft?” Ik draaide me om. “Nou, dan zeg je toch tegen Anita: “Sorry schat, ik moet even aan het werk…” Lijkt me niet zo’n probleem. Je kunt ook vanaf het orgelbalkon ‘Ja, ik wil!’ zeggen, hoor. Je moet dan alleen wat harder praten.” Ze keek me dreigend aan en ook Anita, die er naast stond, had een bepaalde trek op haar gezicht.
Uiteindelijk zei Greet: “Hoofdofficieren… je hebt ze erbij, maar in de praktijk heb je er niks aan.” Joline stak aan arm door de mijne. “Mag ik het hartgrondig mee oneens zijn, Greet?” Driestemmig klonk een vastberaden ‘Nee!”: Brecht, Greet en Anita. Joline haalde haar schouders op. “Jammer voor jullie: in de praktijk heb je er best wel veel aan. Hij kookt prima, heeft een best leuk optrekje, op z’n tijd is hij lief voor me en om één af andere reden is zijn team ook nogal gek met ‘m, dus brengt hij een leuk salaris binnen. Dus sommige opmerkingen neem ik maar voor lief.” Een kusje besloot haar liefdesverklaring.
“Je vergeet het anatomische deel, schat. Voor Anita wellicht handig voor de beeldvorming.” Die keek smerig. “Laat maar, Jolien. We staan hier in de hal van een nette kerk.”
We grinnikten samen en genoten we van de koffie. Brecht zette haar kopje op het blad met afwas. “Zo. Deze jongedame gaat maar eens een stukje lopen en haar fiets ophalen. En thuis een band plakken, denk ik. Zucht…” Anita schudde haar hoofd. “Heb jij een ‘gewone’ fiets, Brecht? Niet zo’n fatbike of zo?” Brecht schudde haar hoofd. “Fatbike? Waar zie je me voor aan? Da’s iets voor jochies met teveel hormonen en te weinig spieren. Bovendien zijn die dingen veel te duur voor een arme studente als ik.” “Dan kruip je bij ons in de auto, pikken we je fiets op en brengen je wel thuis. Da’s maar een klein eindje om voor ons.” “Dat scheelt een half uur lopen, Anita… Dank je wel!”
Joline keek somber. “Kijk je uit, Brecht? Je moeder heeft je waarschijnlijk ooit gewaarschuwd om niet met vreemde mannen mee te gaan…” Verder kwam ze niet. “En nu wil jij haar waarschuwen om niet met ons mee te gaan, mevrouw Jonkman?” Greet klonk dreigend en vervolgde: “Wat wil je daarmee zeggen, blonde troela?” Joline keek onschuldig. “Niets hoor… Alleen maar een stukje bewustwording…” Brecht sloeg een arm om Greet heen. “Deze lieve mevrouw zit regelmatig samen met mij op één orgelbank. En daar heb ik niks op tegen. Dus stop met je verdachtmakingen, mevrouw Jonkman.” Greet en Anita lachten en ik keek Brecht aan. “Denk je aan morgenavond, mevrouw Solinge?” Ze knikte en Greet keek vragend. “Morgenavond?” Brecht knipoogde. “Niet jaloers worden, Greet, maar morgenavond ben ik bij Kees thuis.” “En Joline is erbij!” klonk het strijdlustig naast me. Anita schudde haar hoofd. “Ik heb je nog zó gewaarschuwd, Brecht. Niet met vreemde kerels meegaan en al helemaal niet bij hen thuis komen… Daar gaat je onschuld, schat.”
Anita deed de deuren van hun auto open en Brecht stapte in.
Toen het stelletje weg reed zei Joline: “Kom mooie toeteraar. Wij gaan ook naar huis.” “Jullie kunnen ook met ons meegaan, meneer en mevrouw Jonkman. Lijkt ons wel gezellig…” We draaiden ons om. Achter ons stonden Wim Brun, de zangpedagoog en een dame die zich voorstelde als Evie Brun. “Mijn echtgenote”, verklaarde Wim. We keken elkaar aan en knikten. “Doen we!” “Rij maar achter ons aan”, zei Wim. “En voor het geval je ons kwijt raakt: dit is ons adres.” Hij viste een visitekaartje uit zijn portefeuille. Een adres in Son. “Oké Wim, gaan we vinden.” We reden achter hem aan, totdat Joline zei: “Laat hem mar op eigen gelegenheid rijden, Kees. Meneer Brun negeert de maximaal toegestane snelheid nogal.” Dat klopte, want Wim reed nogal fors door. Hij wist wél feilloos waar de verkeerscamera’s hingen of stonden; daar reed hij plotseling braaf vijftig.
Plotseling begon Joline te ginnegappen en ik keek opzij. “Wat heb jij plotseling?” Ze gebaarde met het visitekaartje. “Ik begrijp nu waarom Greet en Wim elkaar wel mogen, Kees… Hij woont in de Potjesstraat.” Ik vloog bijna een berm in van het lachen; zonder nadenken had ik het adres met m’n stem opgegeven aan de navigatie-juffrouw van Volvo. “Soms ben jij totaal geschift, mevrouw Jonkman, ooit Boogers…” Joline knikte ijverig. “Klopt. En op zo’n moment heb ik ‘ja’ gezegd op je aanzoek, meneer. Had je prima uitgekiend, door me op dat moment te vragen.” “Mijn planningsvaardigheden zijn altijd uitstekend, mevrouw.” “Ja, dat merk ik regelmatig. Vooral in bed…” Weer een proestlach.
“Zullen we deze twijfelachtige discussie maar even stoppen, Kees? Zo dadelijk moeten we weer het voorbeeldige echtpaar uithangen. Hoeksteen van de samenleving en zo…” Zonder verdere grapjes reden we vanaf de A50 de N620 op, richting Son. Al snel sloegen we linksaf en reden een ruime villawijk in. Veel bomen, nogal ruime bungalows… En dat bleek al de Potjesstraat te zijn! “Zangpedagoog is blijkbaar een lucratief beroep, schat…” Joline keek hooghartig. “Weet ik niet. Maar wellicht heeft mevrouw Brun wel een goeie baan bij Philips of zo en brengt zij tachtig procent van het inkomen binnen.”
De auto van het echtpaar Brun stond voor een deur met het huisnummer wat op het kaartje stond. Prima… We stapten uit en Evie deed de deur open. “Welkom! Hang jullie jas maar op, hier brandt de kachel.” We liepen een ruime huiskamer in met uitzicht op een prachtig onderhouden tuin. “Mag ik even genieten van het uitzicht, Evie?” Ik liep naar de glazen deuren.
Prachtig gesnoeide coniferen, een grasveld wat er, ondanks het late seizoen, bij lag als een biljartlaken, diverse grote bloembakken met links en rechts nog een late Chrysant… “Ik kan dit, als zoon van een binnenhuisarchitect, wel waarderen, Wim!” “En ik, als dochter van iemand die elke zaterdag in zijn tuin staat te wroeten, ook wel”, klonk Joline’s stem. “Kost ook aardig wat tijd, mensen. Verkijk je er niet op. Ga zitten… Koffie?”
“Lekker, Wim…” Eenmaal met de koffie voor ons zei Evie: “Maar jullie wonen toch ook prachtig, Joline? Op… negen hoog, als de berichten juist zijn?” Die gniffelde. “Nogal. De eerste keer dat ik bij Kees binnenkwam, schrok ik wezenloos. Ik had gerekend op een ‘mannenflat’. Ik wist wat hij deed voor de kost: teamleider bij een ingenieursbureau, dus ik had me voorbereid op een nogal zakelijk ingerichte flat. Weinig planten, stoere foto’s aan de muur van projecten, maar de rest… Een mannenhuishouden, zeg maar. En ik kom een penthouse binnen met mooie planten in huis, plantenbakken op het terras, mooie foto’s aan de muren…” Ze giebelde. “En een hele mooie plantenbak aan het hoofdeinde van zijn bed.” Evie keek vragend en wat ontsteld.
“Misschien moet je maar even vertellen hoe wel elkaar exact ontmoet hebben, schat. Als jij meteen over mijn slaapkamer begint…” Ik keek gespeeld verwijtend. “Nou, daar ben ik vanaf nu ook wel benieuwd naar”, zei Wim. Beknopt vertelde Joline onze geschiedenis, vanaf onze eerste ontmoeting tot haar eerste bezoek aan mijn appartement. En ze besloot nogal cryptisch. “…nou, en toen heb ik mijn flatje in Ter Aar maar opgezegd, een week later verhuisd en ben ik maar gebleven. En exact een jaar nadat we elkaar voor het eerst zagen, zijn we getrouwd; op twee juni dit jaar.” “Da’s best snel…” merkte Evie op. “Wij hebben bijna 5 jaar verkering gehad voordat we trouwden.” En Wim vulde aan: “Dat klopt, maar we studeerden beiden, weet je nog? En twee keer een studiebeurs is nou niet bepaald een financieel goeie basis om te starten.”
Evie knikte. “Dat was de mening van onze wederzijdse ouders. Die waren het er roerend over eens: ‘Eerst allebei je studie afmaken en een baan. Daarna pas trouwen.’ En ze hadden gelijk. Hoewel wij dat in eerste instantie niét zo zagen…” Ze gniffelden allebei. “Een baan… Wat houdt ‘zangpedagoog’ in, Wim? Ja, de combinatie tussen kinderen en zingen begrijp ik, maar hoe ziet dat er in de praktijk uit? En wat is jouw expertise, Evie?” Wim wees op zijn vrouw. “Trap jij maar af, schat. Een langer verhaal.” Evie lachte. “Dank je wel. Ik ben afgestudeerd Biologe. Specialisme: tropische planten. Ik geef les in Wageningen en doe research in tropische plantenziekten. Ben veel te vinden in Hortus Botanicus. Wát??” Ze keek ons verwonderd aan. Ik zat te lachen en Joline giebelde mee. “Een van mijn zussen had een vriendje in de Hortus. De Amorphophallus titanum. Toen ze verkering kreeg met Joline’s broer, was de liefde voor de Reuzenaronkelk vrij snel over. Als we haar snel op de kast wilden hebben, hoefden we alleen maar te vragen: ‘Hé Melissa… Heb je een andere deodorant, of ben je weer naar je vriendje in Leiden geweest?’ Om meteen daarna dekking te zoeken, want dan kreeg je iets naar je hoofd of je werd hardhandig onderuit gehaald… Het rooie krengetje.”
Evie keek plotseling belangstellend. “Melissa…? Wacht even... Is die rode tweeling… Hoe heette die andere ook alweer?... Verdorie…” Joline giebelde. “Je bedoelt Clara?” Evie’s gezicht klaarde op. “Ja! Zijn dat jouw zussen, Kees?” Ik knikte. “Ja. ‘The Red Twins’ zijn mijn lieve, oh zo brave en bedachtzame zusjes. En om het plaatje compleet te maken: Ze hebben nogal stevige verkering met de broers van Joline.” “Mijn moeder noemde ons, toe we allemaal verkering hadden haar ‘sextet’”, vilde Joline aan. “Met een nogal stevige nadruk op de eerste lettergreep, iets wat wij natuurlijk nooit begrepen…” zei ik droogjes. Evie lachte. “Ik heb jouw zussen regelmatig college gegeven, Kees. En in het eerste jaar beide dames op mijn kantoor nogal hard op hun donder gegeven, omdat hun cijfers onder de maat waren.”
Ik knikte. “Dat weet ik. En mijn ouders hebben dat ‘op hun donder geven’ nog eens dunnetjes overgedaan. En de dames te verstaan gegeven dat hun studie op plaats één kwam. Zo niet, dan mochten ze verder gaan studeren zónder de maandelijkse toelage van pa en ma Jonkman en overleven op de studiefinanciering uit Groningen. Daarna, en toen ze al hun vriendjes en potentiële vriendjes de deur hadden gewezen, gingen de cijfers in een logaritmische curve omhoog, heb ik begrepen.” Evie knikte. “Klopt. Die meiden zijn nu goed bezig; het kwartje is gevallen.”
Joline knikte. “Daar hebben mijn broertjes ook aan bijgedragen, Evie. Rob heeft verkering met Melissa. Rob werkt bij ons bedrijf, is teamleider van het nautisch team. Prima vent, maar als je er met de pet naar gooit, pakt hij een grote steeksleutel en gaat je daarmee te lijf. Hij is voormalig machinist op een containerschip. En mijn broer Ton werkt bij de Landmacht als plaatsvervangend compagniescommandant. Hij heeft verkering met Clara en hanteert de kreet ‘Niet goed is opnieuw!’ waarschijnlijk ook op zijn vriendinnetje.”
Zowel Wim als Evie moesten lachen. “Ik zie het even niet voor me…” zei Evie. “Die twee dames zijn niet op hun bekkie gevallen. Zelfs wij als docenten of hoogleraar worden af en toe door hen op ons nummer gezet. Ze zitten nu beiden in de studentenraad; ik heb begrepen dat het daar soms nogal pittig aan toe gaat.” Ik moest breed grijnzen. “Ik heb er beeld bij, Evie. Als je het niet eens bent met beide dames, wordt je door Claar nogal venijnig afgebekt en Mel gaat er met een of andere vuile rugbymove fysiek overheen. Been there, done that, got the T-shirt…” Ik keek nu zielig.
“En jij bent de broer van die twee?"vroeg Wim. "Een best verschil, zo te horen. Jij bent nogal… Hoe zeg ik dat netjes? Bescheiden, Kees. Niet op de voorgrond.” Joline lachte boven haar kopje. “Een citaat van meneer mijn echtgenoot: ‘Als Claar en Mel ergens binnenkomen, hebben ze onmiddellijk ieders aandacht. Als ik ergens binnenkom, kan ik doorgaan voor een pilaar: ja, hij is nuttig, maar valt niet op.’ Einde citaat. Ik ben het daar niet mee eens, maar goed…”
Zo kletsten we nog even door over Evie d’r werk, tot Joline vroeg: “En jij, Wim? Wat doet een ‘zangpedagoog’?” Hij zuchtte. “Soms een uiterst saai beroep. Ik heb mijn onderwijsacte. Geef les op een aantal middelbare scholen in de regio Eindhoven. Dat is het saaie deel. Een aantal leerlingen die échte belangstelling hebben in muziek, maar ook een aantal die ‘muziek’ als opvulling in hun pretpakket hebben zitten. Het leuke deel: ik geef ook les op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daar heb ik Wendy leren kennen en haar meegesleept naar een kerkdienst bij ons. Tja, en toen leerde ze de neef van Greet kennen… Een mooi stel, die twee. Een goede organist en een zangeres met een dijk van een sopraan.”
Joline en ik knikten. “Inderdaad,” zei Joline. “Wendy heeft ook op onze bruiloft gezongen. ‘You raise me up’. Prachtig!” Ik protesteerde. “Hoho dame… Ze heeft sámen met jou ‘You raise me up’ gezongen! En inderdaad: prachtig. Niet in het minst omdat jij mijn bruid was.” Een snel zoentje was mijn beloning. “Nou, dan weten jullie wat voor leerlingen ik af en toe onder mijn hoede heb… Dát is het mooiste deel van mijn beroep. De middelbare scholen: ach, het vult de gaatjes in de begroting, zal ik maar zeggen. Zo heeft elk vak waarschijnlijk zijn voors en tegens.” Evie vulde aan: “En Wim coacht ook onze ‘houseband’ in de kerk. Samen met Greet. En hij zit in de Commissie Eredienst. Ook samen met Greet.”
Ze keek nu ondeugend. “Het is maar goed dat Greet binnenkort met Anita gaat trouwen, anders had ik zo mijn bedenkingen gehad over die innige samenwerking…” Ik keek haar aan. “Evie, ik weet één ding zeker: er komt niemand tussen Greet en Anita. En zeker geen vent.” Ze keek terug. “Dat weet ik ook wel, Kees. Hoef je niet zo fel op te reageren. Greet en Anita zijn goede vrienden van ons; Wij zijn uitgenodigd op hun hele bruiloft, inclusief het feest. En daar zijn we best trots op. Want het zijn beiden kostbare mensen. En voor elkaar geschapen.” Ze aarzelde even en een bozige trek gleed over haar gezicht.
“Hoewel er mensen in de gemeente waren die het niet vonden kunnen. Twee lesbiennes die hun huwelijk kerkelijk willen laten inzegenen. Eén gezin heeft zich daarom losgemaakt van de gemeente. Uiterst kwalijk.” Joline humde instemmend en zei: “We weten het en zijn het met je eens. Maar nu het goede nieuws: sinds een paar weken hebben we Greet en Anita opgenomen in een speciale club. Een club bestaande uit het echtpaar wat nu bij jullie op bezoek is, Kees z’n lieftallige en bescheiden zusjes…” Evie moest lachen. “… en hun vriendjes, zijnde mijn stoere broers. Verder de dames Boogman en hun partners, het echtpaar waar wij samen mee getrouwd zijn, Fred en Wilma, onze vrienden Henry en Angelique én onze wederzijdse ouders. Die van mij en die van Kees. Een vriendenclub van nu 20 mensen die elkaar door dik en dun steunen én elkaar, als het even kan, gigantisch in de zeik nemen zodat er weer wat te lachen valt.
Toen we recent Sinterklaas vierden, de hele club in mijn ouderlijk huis, sliepen een aantal van de meiden op mijn ouwe slaapkamer. Greet en Anita waren daar ook bij. En we hebben toen hele goeie gesprekken gehad… tussen al het meidengegiebel door. Greet en Anita deden vrolijk mee… Heerlijk!” Wim keek nieuwsgierig. “En de heren dan? Waar sliepen die?” “Het gros van de heren sliep in de fitnessruimte onder het huis,” zei ik. “Op matjes of luchtbedden. En in tegenstelling tot die meiden rolden wij onze slaapspullen uit, kropen in de slaapzak, hebben misschien nog tien minuten liggen kletsen en toen viel ik in ieder geval in slaap. Gelukkig maar, want als mijn bud Fred in slaap valt…” Joline giechelde. “Een bosmaaier is er niks bij.”
Wim stak een duim op. “Mooi dat jullie Greet en Anita ook onder je hoede hebben genomen. Anita ken ik nog niet zo goed, maar Greet… Zelden zo’n mens ontmoet.” Ik knikte. “Klopt. Vorig jaar was ik op zoek naar een bugeldocent om mijn vaardigheden wat op te poetsen. Eén van de kandidaten was Greet. En binnen twee minuten hadden we, over de telefoon notabene, al een klik. Zij en ik zijn in dezelfde tijd in Bosnië op missie geweest; zij als genezerik, ik als infanterist. We hebben elkaar dáár nooit ontmoet, maar als je in hetzelfde gebied uit missie bent geweest… Het schept een band. En toen we een paar dagen later samen op de orgelgalerij zaten wist ik het: ‘Van deze dame wil ik les krijgen!’ En zo geschiedde…”
Joline vulde aan: “En ik was die avond mee; om te kijken of het goed zat. Mijn moeder heeft een mooie uitdrukking. Als zij het over ‘echte mensen’ heeft, bedoelt ze mensen die geen toneel spelen. Die zijn wie ze zijn en zichzelf niet verloochenen. Ik kon, toen we terug naar huis reden, tegen Kees zeggen dat Greet ‘een echt mens’ is.” Zowel Wim als Evie knikten. “Ja. En dat geldt voor Anita ook. En wij zijn dolblij voor hen dat ze over een paar weken gaan trouwen. Ze verdienen gelukkig te zijn.”
“Wij mogen een kleine bijdrage aan hun feestvreugde geven, Wim. Brecht speelt in de dienst op het orgel, ik op de bugel en Wendy en Joline zingen samen.” Ik grinnikte. “Hendrik, de neef van Greet was ook gevraagd om te spelen, maar die durfde niet. “Met half orgelminnend Nederland in de kerk? Ik kijk wel uit…” Wim schudde zijn hoofd. “Snap ik niet. Hendrik speelt bijzonder goed.” “Dat vind ik ook, en Greet ook, maar goed… aan de andere kant begrijp ik hem ook wel. Dus vroeg Greet of Brecht wilde spelen. Die zat er niet zo mee… Kun je nagaan: die meid zit nog niet eens op het conservatorium en speelt nu al de sterren van de hemel.”
Wim keek verwonderd. “Niét op het conservatorium? Wat doet ze dan?” “Ze is momenteel bezig met HBO-P. Om haar eigen woorden te citeren: ‘Alleen een inkomen uit de muziek is mij een té smalle basis om een bestaan op te bouwen. Ik wil wat achter de hand hebben. En een opleiding of later werken in personeelsland is leuk!’ Die dame is niet op haar achterhoofd gevallen…” Wim knikte. “Slimme meid! Maar dat wisten we al…” Zo kletsten we nog een tijdje verder, tot Joline op haar horloge keek. “Kom echtgenoot. We gaan eens op huis aan. Wim, Evie, het was leuk om nader met jullie kennis te maken! Kom gerust eens bij ons langs om Veldhoven van boven te bekijken.” Ze knikten, we namen afscheid en even later reden we weg.
“Ook leuke lui, Joline…” Ze humde bevestigend. “Ja. En ik was blij dat Wim niet verder ging over zanglessen. Ben ik nog niet aan toe, Kees.” “Ach schat… Wie weet als hij je hoort zingen op de bruiloft… Misschien komt hij dan wél naar je toe met de opmerking: ‘Wordt het niet eens tijd voor een paar zanglessen, Joline?’ Dan weet je meteen waar je…” Verder kwam ik niet. “Kees Jonkman! Je bent een enorme rotzak!” Ik keek even opzij, in twee boze blauwe ogen en knipoogde. Joline zuchtte. “Waarom kan ik niet kwaad blijven als jij zo naar me kijkt?” “Omdat je veel te goed bent voor deze wereld, schat. En al helemaal voor mij.” Weer een zucht. “Ja, dat zal het wel zijn. En omdat ik stiekem best wel geniet als jij op je bugel speelt. Klonk goed, vanmorgen.” Ik legde een hand op haar knie. “Dank je wel. Zo’n compliment… van het mooiste meisje van Veldhoven, daar kan ik de dag wel mee doorkomen.”
Eenmaal thuis visten we een paar boterhammen uit de trommel en aten een simpele lunch. Beker melk erbij, drie boterhammen en we konden er weer even tegen. Joline dook in haar scriptie, ik ging de berging in en keek het orgeltje na. Met een oude, zachte kwast maakte ik het ding stofvrij en ik knutselde een aanpasstuk tussen de luchtinlaat en de slang van de stofzuiger die in de berging stond. Met ducttape maakte ik het geheel luchtdicht. Toen zette ik de stofzuiger buiten en zette het ding op ‘blazen’. Toen de lucht die eruit kwam, redelijk stofvrij was haalde ik het ding weer naar binnen en sloot hem op het orgeltje aan.
De blaasbalg vulde zich en ik controleerde of alle toetsen het deden bij beide registers. Alles functioneerde naar behoren. Mooi! Samen met Brecht morgen de puntjes op de i zetten; wie weet had zij nog tips om het ding nog mooier te maken; sommige delen van de kast waren dof. Kon ik straks wel een mailtje aan wagen… Na een uurtje ging ik weer naar boven. Het aanpasstuk liet ik op het orgeltje zitten, dat hadden we morgen wellicht nog nodig…
Na het dessert ruimden we de tafel af, Joline gaf Mocca zijn eten en daarna zetten Lot en Gerben koffie. “Geef mij maar een strak bakje, Lot. Ik moet zo dadelijk nog rijden. Even later stond de koffie voor ons. “Alstublieft meneer Jonkman. Een bakje koffie á la Rob Boogers. Sterkte met uw maagwand.” Lot klonk spottend. “Dat lijkt me stug, Lot. Jullie fijne porselein zou meteen barsten na zo’n bakje á la Rob.” “Daarom krijg jij je koffie in een ordinaire aardewerk mok, meneer. Ons fijne Chinese porselein wensen wij niet bloot te stellen aan die hoeveelheid geconcentreerde cafeïne.” Ze klonk nuffig.
Na de koffie maakten Joline en ik ons gereed om te vertrekken. Rogier keek me aan. “Dank je wel, Kees. Voor je lessen. Ik heb wat spierpijn, maar weet waarvoor ik het doe. Vanaf nu is dit huis nog veiliger.” Ik wees op Joline. “Hé, Jo deed ook mee, hoor!” Hij gniffelde. “Jo bedank ik wel op een andere manier…” Hij omhelsde haar en knuffelde haar even, gevolgd door Gerben. En ik kreeg knuffels van Lot en Mar. Daarna vlogen de zussen Joline om haar hals. Die keek ondeugend.
“Meiden… De twee dagen na 2e kerstdag zijn Kees en Fred ‘stoere dingen’ aan het doen. Een schietwedstrijd bij Defensie. Komen jullie twee dan naar Veldhoven? Die twee kerels mag je thuis laten.” Ze knipoogde naar Rogier en Gerben. Lot keek Mar aan en vervolgens naar Gerben en Rogier. “Mogen wij dat, jongens?” Gerben knikte. “Natuurlijk meiden. Jullie zijn geen bezit van ons, weet je nog? Als jullie een lekkere ‘meidenavond’ willen: gewoon doen. Rogier en ik vermaken ons wel met een tree pils.” En Rogier vulde aan: “We fantaseren natuurlijk wél hoe de meisjes hun avond door gaan brengen… Geniet ervan, schatjes.”
Toen we even later wegreden stonden Lot en Rogier én Mar en Gerben innig gearmd op de oprit te zwaaien. “Nou, die hebben vanavond wat te evalueren, denk ik”, zei Joline. “Het zou zo maar eens gezellig kunnen worden op de slaapkamers in huize Boogman.” Ik knikte. “Ja. En dat is prima.” Joline kantelde haar stoel iets en zette de stoelverwarming iets hoger. “Ik ga nog even een tukje doen, Kees. Jij hebt net al je powernapje gehad.” “Prima, schat. Ik vermaak me wel met dit stukje techniek hier.”
Cruise control aan, ingesteld op 115 km/uur, een mooie playlist van Queen ingesteld… Rustig kon ik de A15 en na Deil de A2 afrijden. Af en toe naar links om een vrachtwagen in te halen, soms werd ik ingehaald, maar hoefde de cruise control nauwelijks te onderbreken. Een uur later waren we thuis. Ik liet Mocca nog even uit, Joline maakte een slap bakje koffie en met koffie in de hand zaten we de dag te evalueren. Prima dagje geweest, zonder meer. Alleen toen we het over Staphorst hadden, zei Joline: “Ik ga daar niet meer heen, Kees. Ten eerste is het een takke-eind rijden, maar die knul probeerde ons gewoon een loer te draaien. In feite hadden we gewoon weg moeten gaan nadat hij begon over die verzegeling en koop-verplichting.” Ik keek moeilijk. “En dan, schat? Dan hadden we voor joker dat takke-eind gereden. Ja, ik was ook pissed-off toen hij met die koopverplichting op de proppen kwam, maar… Nou ja, jouw vriendje heeft het uiteindelijk wél netjes opgelost.”
“Mijn vriendje? Je bedoelt die oudere verkoper? Kijk uit wat je zegt, Kees Jonkman…” Ik gniffelde. “Maar: je hebt wellicht gelijk, Jolien. We gaan bij de schietvereniging wel eens informeren waar men positieve ervaringen heeft. Want Staphorst heeft het een beetje verbruid, ook bij mij.” Joline antwoordde met: “Goed plan, dat informeren op de schietclub. Te weinig gedaan. En nu heel iets anders: moet jij nog blazen? Oefenen voor morgen? Nu kan het nog, het is nu vijf over negen.” Ik schudde mijn hoofd. “Morgen hoef ik niet zo veel te doen. Een paar liederen begeleiden, de rest doet Brecht. Die improviseert er wel op los, denk ik. Doet ze prima.”
Joline knikte. “Ja. Een enorm talent. Het zou niets verwonderen als we over een jaar of tien haar naam met hele grote letters ergens in een muziekblad zien staan.” “Ja. Tenzij dat ze weer eens tegen een verkeerde knul aanloopt; dan is ze weer vier weken niet te genieten en stormt ze van de orgelgalerij naar beneden, om vervolgens ene Jonkman bijna van de sokken te lopen.” Joline giechelde. “Dat komt dan goed uit, Kees. Je loopt toch al vaak naast je schoenen; als Brecht je dan ook nog van je sokken loopt, sta je ten minste weer met beide blote poten op de grond. Wel eens goed voor jou.” Een plagend zoentje volgde, maar ik keek haar even aan.
“Schat… Vind je dat? Loop ik weer teveel naast m’n schoenen?” Joline keek nadenkend. “Nee. Nu veel minder dan vorig jaar rond deze tijd. Toen was je af en toe écht arrogant. Nu ben je weer veel meer terug in je rol als ‘primus interparis’, de eerste onder de gelijken. Zeker binnen de Piraten. Ik heb af en toe met Gerben of Rogier wel een babbeltje, knul. En die zijn beiden zonder meer heel positief over jouw manier van aansturen. Rogier vatte het vorige week even samen: ‘Kees laat de ideeën uit de groep komen, laat iedereen zijn licht er over schijnen en pikt de verbeteringen er feilloos uit. Geeft iedereen de credits die hij verdient en gaat gelukkig niet zelf met de eer strijken. Want als ik ergens niét tegen kan is het dat wel.’ En Gerben denkt er ongeveer net zo over. Dus kort samengevat: Je bent goed bezig, Opperpiraat.” Een iets langere zoen volgde. “Dank je wel, schat. Voor zowel je zoen als die complimenten.”
Ze snoof. “Die complimenten kwamen van Rogier en Gerben. Ik hoop van harte dat ze jou niet op de manier gaan zoenen zoals ik net, want dan hebben de heren wat uit te leggen. Aan mij, maar ook aan Lot en Mar. En wie weet: ook wel aan jou.” “Zeker weten. Het zijn prima kerels, maar zelfs zij kunnen mij niet bekeren tot de herenliefde, schat.” We lachten samen. “Hun meisjes kunnen mij wél doen verlangen naar…” Joline zweeg en werd wat rood. Ik kuste haar. “Dat mag, schat. Ik weet wie het zijn: schatten van meiden en ondertussen hele mooie vrouwen. Als zij het zien zitten om twee dagen met het mooiste meisje van Veldhoven te willen vrijen en kletsen: ik geef ze geen ongelijk. En ik weet dat jij er ook van geniet. Ik kruip wel weer met Fred in een tentje en wat Rogier en Gerben samen doen… Die komen er ook wel uit, denk ik.”
“Jij weer met Fred in zo’n tentje? En hij dan weer hele zaak bij elkaar brommen als hij ‘die vervloekte mitrailleur’ in z’n slaapzak moet proppen? Dat zal wel wat commotie bij het CIMIC-bataljon geven, denk ik…” Ik grinnikte. “Dan weten ze daar ook eens welke vocabulaire Fred gebruikt… Nee, ik denk dat we netjes in gebouwen slapen, schat. En niet op de hei. Misschien wel in onze slaapzakken, maar de wapens liggen dan netjes in een wapenkamer achter een nogal degelijk slot en een beveiligingscode. Scheelt Fred waarschijnlijk heel wat keren opdrukken…” Joline giechelde. “Jammer dat Mariëtte nog niet in beeld was toen jullie samen op de Oirschotse Hei sliepen…” “Mariëtte? Die was in die tijd… Ik denk nét elf of twaalf jaar, denk ik. Nog niet iemand om echt serieus te nemen.” “Dat weet je niet, Kees. Maar goed… Heb je je koffie op? Als je toch niet meer hoeft te blazen: maak je bugel in orde voor morgen. Dan kruip ik nog even onder de douche door en vervolgens in bed. En omdat je vandaag redelijk braaf was én netjes gereden hebt: je mag naast me komen liggen.” “Daar zeg ik nooit nee tegen, lieve mevrouw Jonkman…” Ik kuste haar langzaam, tot ze me weg duwde. “Húp! Aan het werk jij. Je bugel poetsen en je rondje lopen. Daarna jij ook even douchen; ik wil een schone en lekker ruikende vent naast me.”
Oké… Ik keek de bugel even na: een klein likje vet op de ventielen, het goede mondstuk er op, de muziek in de koffer erbij en die in de hal zetten. Deuren en ramen dicht, gas uit, geen spul op tafel waar Mocca zich aan zou kunnen vergrijpen… Klaar. Joline was nog in de badkamer bezig. Ik kleedde me uit, gooide de gedragen spullen in de wasmand en liep de badkamer in, waar Joline zich nét afdroogde. “Schat, je ziet er weer heerlijk uit…” Ze lachte tevreden.
“Als jij dat zo zegt… Dank je wel, Kees.” Een snelle zoen volgde, toen sprong ik onder de douche. Inzepen, afspoelen, kouwe plens. Brrr… Joline stond al klaar met een grote handdoek. “Ik hoorde je grommen, Kees, dus ik wist dat je jezelf weer eens met koud water aan het martelen was.” Ze roste me af. “Dank je wel, schat. Als je vanavond nog ‘bewegingen als getrouwd zijnde’ van mij verwacht: ik ga je teleurstellen. Ik denk dat ik binnen een minuut onder zeil ben.” Ze keek teleurgesteld. “Wat jammer nou… Ik had me ingesteld op een lange, erotische nacht waarbij we de torenklok half zes hoorden slaan…” “Bluffert. Jij ligt ook in no time te maffen, meisje.” Ze knikte. “Ja. Maar wel tegen de rug van een hele lekkere majoor aan. Zonder slaapzak er tussen. Dat kan Fred niet zeggen!”
Ik schoot in de lach. “In die tijd was ik nog korporaal en Fred soldaat der eerste klasse, schat. Hij heeft nog nooit met een majoor samen in een tentje geslapen. Maar ik zal het hem eens voorstellen…” Joline schoof in bed en zei: “Jaja… En daarna mag hij zich gedurende een uur opdrukken, zeker? Vanwege al zijn vloeken en verwensingen?” Ik kroop naast haar in bed. “Dat zou zo maar eens kunnen schat. Maar als je het niet zeker weet: Ik kan zo’n tentje wel eens opzetten op het losloopveld. Dan kun je ‘aan den lijve ervaren’ wat het is om met Fred samen in aparte slaapzakken in zo’n tentje te liggen.” Ze kwam overeind en keek me furieus aan.
“En jij denkt dat Jolientje Jonkman dat gaat doen? En jij ’s morgens op een walgelijk vroeg tijdstip ons wakker maken met Mocca? Ben je wel goed bij je hoofd?” “Nee, ik heb niet gezegd dat ik koffie op bed zou brengen, schatje. En al zeker geen mocca. Hooguit een nette espresso.” Ze plofte weer neer. “Met jou is ook geen normaal gesprek mogelijk, Kees Jonkman. Slapen jij!” “Zeker freule. Welterusten freule…” Ik boog me over haar heen en kuste haar. “Lekker slapen, freule…” “Jij ook, gekke vent…” Ik hoofde geen ontspannings-oefeningen te doen; binnen de minuut was ik vertrokken…
Zondagochtend was het routine: Wakker worden, aankleden, eten en richting kerk. Om 09:30 liepen we naar binnen. Nog geen Brecht. Wél Greet en Anita. De laatste zei: “Wij gaan beneden zitten, Kees. Greet hoort het wel als er iets fout gaat en evalueert dat na de dienst wel even met je.” Ze keek plagend. “Waarom wel met mij en hoor ik de naam van Brecht niet?” Greet bromde: “Dat is bij haar wat moeilijker. Als ik iets hoor wat ogenschijnlijk niet klopt, zegt juffrouw Solinge glashard: ‘Dat was een stukje improvisatie, Greet.’ En ze kijkt er serieus bij.” Joline keek me aan. “Dat moet jij dan ook maar proberen, Kees.”
Greet keek nu plagend. “Kees en improviseren? Hij speelt nog steeds braaf de nootjes, Jolien. Oké, nu wat beter dan vorig jaar om deze tijd, maar…” Ik keek dreigend en ze dook weg. Ik keek op m’n horloge: tien over half tien. De eerste kerkgangers zaten al. “Ik ga alvast naar boven, lui. Als juffrouw Soline niet heel rap opschiet, zul jij aan de bak moeten, Greet. Dan kun je niet soepel op de kerkbank hand in hand met je liefje zitten.” Greet, Anita en Joline liepen mee de trap op naar de orgelgalerij. “Ik kom ook wel boven zitten, Kees. Kunnen we in ieder geval tijdens de preek hand in hand zitten.” Antita keek ondeugend. “Hé mevrouw Zondervan…" zei Greet, "dat was tot voor kort mijn voorrecht!” Ze maakte een spottend geluidje. “Jaja… En dat moet ik geloven? Richard heeft vol zicht op die orgelgalerij hoor! Als hij dat zou zien, zou hij er onmiddellijk een opmerking over maken in zijn preek.”
Drie minuten later roffelden er schoenen op de trap en kwam Brecht hijgend boven. “Sorry, Kees… Lekke band halverwege… Ik kon kiezen: óf terug naar huis lopen en m’n vader vragen of hij me bracht óf de fiets ergens naarzetten, op slot draaien en verder lopen. Het zou weinig in tijd gescheeld hebben. Dus ik ben maar gaan lopen.” “Goeie smoes, Brecht… En de brug was zeker ook open, de spoorbomen dicht? Zeg nou maar gewoon dat je je verslapen hebt.” Ze griste haar muziek uit haar tas en zei zachtjes: “Als ik mij verslapen had, zou ik een hele goeie reden gehad hebben, Greet. Maar dat hoor je straks wel.” Greet keek argwanend. “Nou, ik ben benieuwd… Wij gaan wel weer beneden zitten. Ga je ook mee, Joline?” Die knikte. “Maak er weer wat moois van, allebei.” Ze knipoogde.
Brecht keek op haar horloge, trok een aantal registers uit en begon te spelen. Een fantasie op het intochtslied, zoals gewoonlijk met alleen het ‘kale’ liedboek voor haar neus, dus het liedboek waar de gemeente uit zong: alleen de sopraanpartij en de tekst. Maar Brecht maakte er weer een muzikaal feestje van… Totdat de kerkenraad binnenkwam, het lampje bij het orgel begon te branden ten teken dat ze moest stoppen. En dat deed ze dan ook: zonder de muziek meteen af te kappen, maakte ze een mooi slot aan.
De ouderling die de mededelingen ging doen keek naar het orgel. “Dank je wel Brecht. Gemeente goedemorgen…” Een gemompeld ‘goedemorgen’ kwam retour uit de kerkbanken en de mededelingen volgden: over vergaderingen die deze week zouden plaatsvinden, de aankondiging van het huwelijk van Greet en Anita, waar de collectes voor bestemd waren… en tot slot welk intochtslied er gezongen zou gaan worden. “… Maar dat heeft u zojuist al kunnen horen. We wensen u een gezegende dienst.” Richard kwam naar voren, kreeg zijn handdruk en Brecht zette in. Ik hoefde nu niet te spelen, dus ik kon ook meezingen.
En staand keek ik de kerk in: Greet, Anita en Joline stonden naast elkaar, één bank er voor de gezusters Boogman samen met Gerben en Rogier… Fijn dat die er ook weer waren! Ik hoefde maar drie liederen te begeleiden, en dat waren liederen die ik kende. Wel eens prettig om niet te hoeven ‘presteren’. Ik kon de dienst dan ook beter geconcentreerd volgen dan normaal. Zelfs tijdens de preek dwaalde ik niet af. Richard hield het dan ook redelijk simpel; hij ging niet diep in op allerlei theologische zaken, maar bleef actueel. De tekst ging over de reis van Abraham naar het beloofde land. Hoe hij op goed vertrouwen die kant uit ging, al zijn familie, z’n roots achterlatend. En vervolgens refereerde Richard aan verhuizingen in de moderne tijd.
“Tenslotte gemeente…” Brecht kwam overeind. “…binnen Nederland is dat niet zo’n probleem. We hebben overal telefoon, Internet en als de nood écht aan de man is, springen we in de auto of op de trein en gaan we elders heen. Zelfs al emigreer je naar Canada of Australië: als je wilt kun je met een paar muisklikken verbonden zijn met je familie of je oude, vertrouwde kerk hier in Eindhoven en de dienst volgen via ’Kerkdienst gemist punt nl’. In de tijd van Abraham was dat even anders. Vanuit Ur der Chaldeeën je spullen pakken, opladen en westwaarts lopen zonder te weten waar je terecht zou komen… Er over nadenkend vond ik het nogal een onderneming. Zoals u wellicht weet komen wij uit Groningen. Ik ben daar opgegroeid, heb in Kampen gestudeerd en mijn vorige gemeente was Steenwijk. Wij hadden nog nooit ten zuiden van de IJssel gewoond. En toen ik hier beroepen werd, heb ik lang en hevig met mijn vrouw en kinderen er over gesproken of we wel naar Eindhoven zouden gaan. En uiteindelijk zijn we gegaan. En niet ‘zomaar’, maar in vertrouwen dat we niet alleen zouden gaan. Dát, gemeente, dat vertrouwen wens ik u toe als u eens voor een keuze in uw leven staat. Amen.”
Tijd voor het stukje ‘meditatieve muziek’ na de preek. Brecht had één A4tje met notenbalken voor zich. Het thema was een lied uit het liedboek: ‘Ga met God en hij zal met je zijn’. Ze speelde het lied één keer: met een simpele begeleiding, daarna fantaseerde ze op het thema, om uiteindelijk uit te monden in een driestemmige canon die langzaam wegstierf. Ik stond met open mond te kijken en te luisteren. Meteen daarna werd er weer gezongen en moest ik ook meespelen, maar in gedachten was ik nog bij die canon. Ik moest écht moeite doen om me te concentreren op het lied wat ik speelde, iets wat me nog maar zelden was overkomen.
En aan het einde van de dienst, vlak voor de zegen, fluisterde Brecht, terwijl ze het liedboek voor m’n neus hield: “Jij zet zo dadelijk dit lied in.” Het lied was: ‘Zomaar te gaan met een stok in de hand’, een lied wat de reis van Abraham naar het beloofde land beschreef. “Unisono, dus in je eentje. Ik brei er wel wat omheen. Gewoon drie coupletten doorspelen, één maat rust tussen de coupletten en je verder niks van mij aantrekken. Oké?” Ik knikte. Na de zegen kreeg Richard een hand van de ouderling van dienst en liep met de rest van de kerkenraad richting deur; ik zette in. Richard was halverwege, stopte even en stak zijn duim naar me op.
En meteen daarna begon Brecht om het thema heen te fantaseren. Ik moest me keihard aan de noten vasthouden, anders zou ik de draad kwijtraken… Toen ik het lied voor de derde keer speelde gebaarde Brecht dat ik moest afronden; na de laatste noot van het couplet zweeg de bugel dan ook. En het orgel speelde nog even door, steeds zachter tot uiteindelijk maar één register open stond: de roerfluit 4’: een licht, zacht register. En in mijn verbeelding zag ik de karavaan van Abraham over een heuvelkam in de verte uit het zicht verdwijnen. De laatste tonen die Brecht speelde was de beginregel van het lied. En tijdens het spelen daarvan zette ze het orgel uit; de noten werden zachter en met een zachte ‘piéééép’ verdween de laatste lucht uit de pijpen.
Ik keek Brecht aan. “Jij luistert wel héél goed naar de preek, Brecht.” Ze lachte zachtjes. “Ik heb Richard gisteren gebeld om te vragen naar zijn kernpunt uit de preek. En dat was ‘Vertrouwen, waar je ook heen gaat’. Nou, dan was de keuze voor dit lied om mee de kerk uit te gaan niet zo moeilijk…” Haar lach veranderde een beetje. “En ik kon jou eens op de proef stellen. Volgens Greet hield jij je altijd bijzonder stevig aan de nootjes vast; dat wilde ik wel eens testen. Nou, ze had gelijk, Kees.” Ik zuchtte. “Het is dat ik je tot nu toe best een aardige meid vond, Brecht én dat ik orgelminnend Nederland niet wil beroven van een aanstormend talent, maar anders had ik je kop en kont gepakt en over de balustrade gesmeten. Nog een keer zo’n opmerking en het gaat gebeuren. Opruimen hier, anders krijgen we van Greet op ons donder, daarna koffie.”
Eenmaal beneden gaven we Richard een hand en hij zei: “Dank jullie wel voor het stuk na de dienst. Dat was een schot in de roos, Kees.” Ik wees naar Brecht. “Háár verdienste. Ik moest alleen maar dom het lied spelen; zij fantaseerde de hele wereld er omheen.” Hij keek Brecht aan. “Weet je dat deze gemeente bijzonder gezegend is met jullie als begeleiding? Jullie luisteren en vertalen de bijbeltekst of mijn preek in muziek. Overigens net als onze houseband.” Brecht wees naar Greet, die iets verderop stond te praten met een ander gemeentelid.
“Richard: dat is er ingehamerd door Greet. Oók bij de houseband: lees wat er gezongen gaat worden. Informeer naar het thema van de dienst en ‘speel daar op in’. Letterlijk. Dat heb ik gisteren gedaan; jij liet dat lied over Abraham niét zingen, dus kon ik daar, samen met Kees, wat leuks van maken.” Richard knikte. “Dat is gelukt, Brecht. En Kees. Dank je wel.” We liepen naar Gerard, die bezig was met de koffie. “Aha, twee harde muzikale werkers… Koffie of thee?” “Koffie alsjeblieft, Gerard… Even bijkomen van de muzikale fratsen van die mevrouw hier naast me.”
Gerard lachte. “En jij Brecht?” “Geef mij maar thee, Gerard. Even bijkomen van de bedreigingen van die meneer hier naast me.” Gerard keek vragend. “Bedreigingen? In onze kerk? Wat hoor ik nou, Kees?” “Tja, als mevrouw Solinge rotopmerkingen maakt over mijn muzikale handicaps… Ik heb alleen maar gezegd dat ik, als ze dat nog eens doet, haar over de balustrade heen smijt. Hoe ze op de vloer landt, mag ze zelf uitzoeken.”
“Dat laat je wel uit je hersens, meneer Jonkman!” De stem van Greet klonk vlak achter me, dreigend. “Wie moet dan dat mooie orgel bespelen op onze bruiloft?” Ik draaide me om. “Nou, dan zeg je toch tegen Anita: “Sorry schat, ik moet even aan het werk…” Lijkt me niet zo’n probleem. Je kunt ook vanaf het orgelbalkon ‘Ja, ik wil!’ zeggen, hoor. Je moet dan alleen wat harder praten.” Ze keek me dreigend aan en ook Anita, die er naast stond, had een bepaalde trek op haar gezicht.
Uiteindelijk zei Greet: “Hoofdofficieren… je hebt ze erbij, maar in de praktijk heb je er niks aan.” Joline stak aan arm door de mijne. “Mag ik het hartgrondig mee oneens zijn, Greet?” Driestemmig klonk een vastberaden ‘Nee!”: Brecht, Greet en Anita. Joline haalde haar schouders op. “Jammer voor jullie: in de praktijk heb je er best wel veel aan. Hij kookt prima, heeft een best leuk optrekje, op z’n tijd is hij lief voor me en om één af andere reden is zijn team ook nogal gek met ‘m, dus brengt hij een leuk salaris binnen. Dus sommige opmerkingen neem ik maar voor lief.” Een kusje besloot haar liefdesverklaring.
“Je vergeet het anatomische deel, schat. Voor Anita wellicht handig voor de beeldvorming.” Die keek smerig. “Laat maar, Jolien. We staan hier in de hal van een nette kerk.”
We grinnikten samen en genoten we van de koffie. Brecht zette haar kopje op het blad met afwas. “Zo. Deze jongedame gaat maar eens een stukje lopen en haar fiets ophalen. En thuis een band plakken, denk ik. Zucht…” Anita schudde haar hoofd. “Heb jij een ‘gewone’ fiets, Brecht? Niet zo’n fatbike of zo?” Brecht schudde haar hoofd. “Fatbike? Waar zie je me voor aan? Da’s iets voor jochies met teveel hormonen en te weinig spieren. Bovendien zijn die dingen veel te duur voor een arme studente als ik.” “Dan kruip je bij ons in de auto, pikken we je fiets op en brengen je wel thuis. Da’s maar een klein eindje om voor ons.” “Dat scheelt een half uur lopen, Anita… Dank je wel!”
Joline keek somber. “Kijk je uit, Brecht? Je moeder heeft je waarschijnlijk ooit gewaarschuwd om niet met vreemde mannen mee te gaan…” Verder kwam ze niet. “En nu wil jij haar waarschuwen om niet met ons mee te gaan, mevrouw Jonkman?” Greet klonk dreigend en vervolgde: “Wat wil je daarmee zeggen, blonde troela?” Joline keek onschuldig. “Niets hoor… Alleen maar een stukje bewustwording…” Brecht sloeg een arm om Greet heen. “Deze lieve mevrouw zit regelmatig samen met mij op één orgelbank. En daar heb ik niks op tegen. Dus stop met je verdachtmakingen, mevrouw Jonkman.” Greet en Anita lachten en ik keek Brecht aan. “Denk je aan morgenavond, mevrouw Solinge?” Ze knikte en Greet keek vragend. “Morgenavond?” Brecht knipoogde. “Niet jaloers worden, Greet, maar morgenavond ben ik bij Kees thuis.” “En Joline is erbij!” klonk het strijdlustig naast me. Anita schudde haar hoofd. “Ik heb je nog zó gewaarschuwd, Brecht. Niet met vreemde kerels meegaan en al helemaal niet bij hen thuis komen… Daar gaat je onschuld, schat.”
Anita deed de deuren van hun auto open en Brecht stapte in.
Toen het stelletje weg reed zei Joline: “Kom mooie toeteraar. Wij gaan ook naar huis.” “Jullie kunnen ook met ons meegaan, meneer en mevrouw Jonkman. Lijkt ons wel gezellig…” We draaiden ons om. Achter ons stonden Wim Brun, de zangpedagoog en een dame die zich voorstelde als Evie Brun. “Mijn echtgenote”, verklaarde Wim. We keken elkaar aan en knikten. “Doen we!” “Rij maar achter ons aan”, zei Wim. “En voor het geval je ons kwijt raakt: dit is ons adres.” Hij viste een visitekaartje uit zijn portefeuille. Een adres in Son. “Oké Wim, gaan we vinden.” We reden achter hem aan, totdat Joline zei: “Laat hem mar op eigen gelegenheid rijden, Kees. Meneer Brun negeert de maximaal toegestane snelheid nogal.” Dat klopte, want Wim reed nogal fors door. Hij wist wél feilloos waar de verkeerscamera’s hingen of stonden; daar reed hij plotseling braaf vijftig.
Plotseling begon Joline te ginnegappen en ik keek opzij. “Wat heb jij plotseling?” Ze gebaarde met het visitekaartje. “Ik begrijp nu waarom Greet en Wim elkaar wel mogen, Kees… Hij woont in de Potjesstraat.” Ik vloog bijna een berm in van het lachen; zonder nadenken had ik het adres met m’n stem opgegeven aan de navigatie-juffrouw van Volvo. “Soms ben jij totaal geschift, mevrouw Jonkman, ooit Boogers…” Joline knikte ijverig. “Klopt. En op zo’n moment heb ik ‘ja’ gezegd op je aanzoek, meneer. Had je prima uitgekiend, door me op dat moment te vragen.” “Mijn planningsvaardigheden zijn altijd uitstekend, mevrouw.” “Ja, dat merk ik regelmatig. Vooral in bed…” Weer een proestlach.
“Zullen we deze twijfelachtige discussie maar even stoppen, Kees? Zo dadelijk moeten we weer het voorbeeldige echtpaar uithangen. Hoeksteen van de samenleving en zo…” Zonder verdere grapjes reden we vanaf de A50 de N620 op, richting Son. Al snel sloegen we linksaf en reden een ruime villawijk in. Veel bomen, nogal ruime bungalows… En dat bleek al de Potjesstraat te zijn! “Zangpedagoog is blijkbaar een lucratief beroep, schat…” Joline keek hooghartig. “Weet ik niet. Maar wellicht heeft mevrouw Brun wel een goeie baan bij Philips of zo en brengt zij tachtig procent van het inkomen binnen.”
De auto van het echtpaar Brun stond voor een deur met het huisnummer wat op het kaartje stond. Prima… We stapten uit en Evie deed de deur open. “Welkom! Hang jullie jas maar op, hier brandt de kachel.” We liepen een ruime huiskamer in met uitzicht op een prachtig onderhouden tuin. “Mag ik even genieten van het uitzicht, Evie?” Ik liep naar de glazen deuren.
Prachtig gesnoeide coniferen, een grasveld wat er, ondanks het late seizoen, bij lag als een biljartlaken, diverse grote bloembakken met links en rechts nog een late Chrysant… “Ik kan dit, als zoon van een binnenhuisarchitect, wel waarderen, Wim!” “En ik, als dochter van iemand die elke zaterdag in zijn tuin staat te wroeten, ook wel”, klonk Joline’s stem. “Kost ook aardig wat tijd, mensen. Verkijk je er niet op. Ga zitten… Koffie?”
“Lekker, Wim…” Eenmaal met de koffie voor ons zei Evie: “Maar jullie wonen toch ook prachtig, Joline? Op… negen hoog, als de berichten juist zijn?” Die gniffelde. “Nogal. De eerste keer dat ik bij Kees binnenkwam, schrok ik wezenloos. Ik had gerekend op een ‘mannenflat’. Ik wist wat hij deed voor de kost: teamleider bij een ingenieursbureau, dus ik had me voorbereid op een nogal zakelijk ingerichte flat. Weinig planten, stoere foto’s aan de muur van projecten, maar de rest… Een mannenhuishouden, zeg maar. En ik kom een penthouse binnen met mooie planten in huis, plantenbakken op het terras, mooie foto’s aan de muren…” Ze giebelde. “En een hele mooie plantenbak aan het hoofdeinde van zijn bed.” Evie keek vragend en wat ontsteld.
“Misschien moet je maar even vertellen hoe wel elkaar exact ontmoet hebben, schat. Als jij meteen over mijn slaapkamer begint…” Ik keek gespeeld verwijtend. “Nou, daar ben ik vanaf nu ook wel benieuwd naar”, zei Wim. Beknopt vertelde Joline onze geschiedenis, vanaf onze eerste ontmoeting tot haar eerste bezoek aan mijn appartement. En ze besloot nogal cryptisch. “…nou, en toen heb ik mijn flatje in Ter Aar maar opgezegd, een week later verhuisd en ben ik maar gebleven. En exact een jaar nadat we elkaar voor het eerst zagen, zijn we getrouwd; op twee juni dit jaar.” “Da’s best snel…” merkte Evie op. “Wij hebben bijna 5 jaar verkering gehad voordat we trouwden.” En Wim vulde aan: “Dat klopt, maar we studeerden beiden, weet je nog? En twee keer een studiebeurs is nou niet bepaald een financieel goeie basis om te starten.”
Evie knikte. “Dat was de mening van onze wederzijdse ouders. Die waren het er roerend over eens: ‘Eerst allebei je studie afmaken en een baan. Daarna pas trouwen.’ En ze hadden gelijk. Hoewel wij dat in eerste instantie niét zo zagen…” Ze gniffelden allebei. “Een baan… Wat houdt ‘zangpedagoog’ in, Wim? Ja, de combinatie tussen kinderen en zingen begrijp ik, maar hoe ziet dat er in de praktijk uit? En wat is jouw expertise, Evie?” Wim wees op zijn vrouw. “Trap jij maar af, schat. Een langer verhaal.” Evie lachte. “Dank je wel. Ik ben afgestudeerd Biologe. Specialisme: tropische planten. Ik geef les in Wageningen en doe research in tropische plantenziekten. Ben veel te vinden in Hortus Botanicus. Wát??” Ze keek ons verwonderd aan. Ik zat te lachen en Joline giebelde mee. “Een van mijn zussen had een vriendje in de Hortus. De Amorphophallus titanum. Toen ze verkering kreeg met Joline’s broer, was de liefde voor de Reuzenaronkelk vrij snel over. Als we haar snel op de kast wilden hebben, hoefden we alleen maar te vragen: ‘Hé Melissa… Heb je een andere deodorant, of ben je weer naar je vriendje in Leiden geweest?’ Om meteen daarna dekking te zoeken, want dan kreeg je iets naar je hoofd of je werd hardhandig onderuit gehaald… Het rooie krengetje.”
Evie keek plotseling belangstellend. “Melissa…? Wacht even... Is die rode tweeling… Hoe heette die andere ook alweer?... Verdorie…” Joline giebelde. “Je bedoelt Clara?” Evie’s gezicht klaarde op. “Ja! Zijn dat jouw zussen, Kees?” Ik knikte. “Ja. ‘The Red Twins’ zijn mijn lieve, oh zo brave en bedachtzame zusjes. En om het plaatje compleet te maken: Ze hebben nogal stevige verkering met de broers van Joline.” “Mijn moeder noemde ons, toe we allemaal verkering hadden haar ‘sextet’”, vilde Joline aan. “Met een nogal stevige nadruk op de eerste lettergreep, iets wat wij natuurlijk nooit begrepen…” zei ik droogjes. Evie lachte. “Ik heb jouw zussen regelmatig college gegeven, Kees. En in het eerste jaar beide dames op mijn kantoor nogal hard op hun donder gegeven, omdat hun cijfers onder de maat waren.”
Ik knikte. “Dat weet ik. En mijn ouders hebben dat ‘op hun donder geven’ nog eens dunnetjes overgedaan. En de dames te verstaan gegeven dat hun studie op plaats één kwam. Zo niet, dan mochten ze verder gaan studeren zónder de maandelijkse toelage van pa en ma Jonkman en overleven op de studiefinanciering uit Groningen. Daarna, en toen ze al hun vriendjes en potentiële vriendjes de deur hadden gewezen, gingen de cijfers in een logaritmische curve omhoog, heb ik begrepen.” Evie knikte. “Klopt. Die meiden zijn nu goed bezig; het kwartje is gevallen.”
Joline knikte. “Daar hebben mijn broertjes ook aan bijgedragen, Evie. Rob heeft verkering met Melissa. Rob werkt bij ons bedrijf, is teamleider van het nautisch team. Prima vent, maar als je er met de pet naar gooit, pakt hij een grote steeksleutel en gaat je daarmee te lijf. Hij is voormalig machinist op een containerschip. En mijn broer Ton werkt bij de Landmacht als plaatsvervangend compagniescommandant. Hij heeft verkering met Clara en hanteert de kreet ‘Niet goed is opnieuw!’ waarschijnlijk ook op zijn vriendinnetje.”
Zowel Wim als Evie moesten lachen. “Ik zie het even niet voor me…” zei Evie. “Die twee dames zijn niet op hun bekkie gevallen. Zelfs wij als docenten of hoogleraar worden af en toe door hen op ons nummer gezet. Ze zitten nu beiden in de studentenraad; ik heb begrepen dat het daar soms nogal pittig aan toe gaat.” Ik moest breed grijnzen. “Ik heb er beeld bij, Evie. Als je het niet eens bent met beide dames, wordt je door Claar nogal venijnig afgebekt en Mel gaat er met een of andere vuile rugbymove fysiek overheen. Been there, done that, got the T-shirt…” Ik keek nu zielig.
“En jij bent de broer van die twee?"vroeg Wim. "Een best verschil, zo te horen. Jij bent nogal… Hoe zeg ik dat netjes? Bescheiden, Kees. Niet op de voorgrond.” Joline lachte boven haar kopje. “Een citaat van meneer mijn echtgenoot: ‘Als Claar en Mel ergens binnenkomen, hebben ze onmiddellijk ieders aandacht. Als ik ergens binnenkom, kan ik doorgaan voor een pilaar: ja, hij is nuttig, maar valt niet op.’ Einde citaat. Ik ben het daar niet mee eens, maar goed…”
Zo kletsten we nog even door over Evie d’r werk, tot Joline vroeg: “En jij, Wim? Wat doet een ‘zangpedagoog’?” Hij zuchtte. “Soms een uiterst saai beroep. Ik heb mijn onderwijsacte. Geef les op een aantal middelbare scholen in de regio Eindhoven. Dat is het saaie deel. Een aantal leerlingen die échte belangstelling hebben in muziek, maar ook een aantal die ‘muziek’ als opvulling in hun pretpakket hebben zitten. Het leuke deel: ik geef ook les op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daar heb ik Wendy leren kennen en haar meegesleept naar een kerkdienst bij ons. Tja, en toen leerde ze de neef van Greet kennen… Een mooi stel, die twee. Een goede organist en een zangeres met een dijk van een sopraan.”
Joline en ik knikten. “Inderdaad,” zei Joline. “Wendy heeft ook op onze bruiloft gezongen. ‘You raise me up’. Prachtig!” Ik protesteerde. “Hoho dame… Ze heeft sámen met jou ‘You raise me up’ gezongen! En inderdaad: prachtig. Niet in het minst omdat jij mijn bruid was.” Een snel zoentje was mijn beloning. “Nou, dan weten jullie wat voor leerlingen ik af en toe onder mijn hoede heb… Dát is het mooiste deel van mijn beroep. De middelbare scholen: ach, het vult de gaatjes in de begroting, zal ik maar zeggen. Zo heeft elk vak waarschijnlijk zijn voors en tegens.” Evie vulde aan: “En Wim coacht ook onze ‘houseband’ in de kerk. Samen met Greet. En hij zit in de Commissie Eredienst. Ook samen met Greet.”
Ze keek nu ondeugend. “Het is maar goed dat Greet binnenkort met Anita gaat trouwen, anders had ik zo mijn bedenkingen gehad over die innige samenwerking…” Ik keek haar aan. “Evie, ik weet één ding zeker: er komt niemand tussen Greet en Anita. En zeker geen vent.” Ze keek terug. “Dat weet ik ook wel, Kees. Hoef je niet zo fel op te reageren. Greet en Anita zijn goede vrienden van ons; Wij zijn uitgenodigd op hun hele bruiloft, inclusief het feest. En daar zijn we best trots op. Want het zijn beiden kostbare mensen. En voor elkaar geschapen.” Ze aarzelde even en een bozige trek gleed over haar gezicht.
“Hoewel er mensen in de gemeente waren die het niet vonden kunnen. Twee lesbiennes die hun huwelijk kerkelijk willen laten inzegenen. Eén gezin heeft zich daarom losgemaakt van de gemeente. Uiterst kwalijk.” Joline humde instemmend en zei: “We weten het en zijn het met je eens. Maar nu het goede nieuws: sinds een paar weken hebben we Greet en Anita opgenomen in een speciale club. Een club bestaande uit het echtpaar wat nu bij jullie op bezoek is, Kees z’n lieftallige en bescheiden zusjes…” Evie moest lachen. “… en hun vriendjes, zijnde mijn stoere broers. Verder de dames Boogman en hun partners, het echtpaar waar wij samen mee getrouwd zijn, Fred en Wilma, onze vrienden Henry en Angelique én onze wederzijdse ouders. Die van mij en die van Kees. Een vriendenclub van nu 20 mensen die elkaar door dik en dun steunen én elkaar, als het even kan, gigantisch in de zeik nemen zodat er weer wat te lachen valt.
Toen we recent Sinterklaas vierden, de hele club in mijn ouderlijk huis, sliepen een aantal van de meiden op mijn ouwe slaapkamer. Greet en Anita waren daar ook bij. En we hebben toen hele goeie gesprekken gehad… tussen al het meidengegiebel door. Greet en Anita deden vrolijk mee… Heerlijk!” Wim keek nieuwsgierig. “En de heren dan? Waar sliepen die?” “Het gros van de heren sliep in de fitnessruimte onder het huis,” zei ik. “Op matjes of luchtbedden. En in tegenstelling tot die meiden rolden wij onze slaapspullen uit, kropen in de slaapzak, hebben misschien nog tien minuten liggen kletsen en toen viel ik in ieder geval in slaap. Gelukkig maar, want als mijn bud Fred in slaap valt…” Joline giechelde. “Een bosmaaier is er niks bij.”
Wim stak een duim op. “Mooi dat jullie Greet en Anita ook onder je hoede hebben genomen. Anita ken ik nog niet zo goed, maar Greet… Zelden zo’n mens ontmoet.” Ik knikte. “Klopt. Vorig jaar was ik op zoek naar een bugeldocent om mijn vaardigheden wat op te poetsen. Eén van de kandidaten was Greet. En binnen twee minuten hadden we, over de telefoon notabene, al een klik. Zij en ik zijn in dezelfde tijd in Bosnië op missie geweest; zij als genezerik, ik als infanterist. We hebben elkaar dáár nooit ontmoet, maar als je in hetzelfde gebied uit missie bent geweest… Het schept een band. En toen we een paar dagen later samen op de orgelgalerij zaten wist ik het: ‘Van deze dame wil ik les krijgen!’ En zo geschiedde…”
Joline vulde aan: “En ik was die avond mee; om te kijken of het goed zat. Mijn moeder heeft een mooie uitdrukking. Als zij het over ‘echte mensen’ heeft, bedoelt ze mensen die geen toneel spelen. Die zijn wie ze zijn en zichzelf niet verloochenen. Ik kon, toen we terug naar huis reden, tegen Kees zeggen dat Greet ‘een echt mens’ is.” Zowel Wim als Evie knikten. “Ja. En dat geldt voor Anita ook. En wij zijn dolblij voor hen dat ze over een paar weken gaan trouwen. Ze verdienen gelukkig te zijn.”
“Wij mogen een kleine bijdrage aan hun feestvreugde geven, Wim. Brecht speelt in de dienst op het orgel, ik op de bugel en Wendy en Joline zingen samen.” Ik grinnikte. “Hendrik, de neef van Greet was ook gevraagd om te spelen, maar die durfde niet. “Met half orgelminnend Nederland in de kerk? Ik kijk wel uit…” Wim schudde zijn hoofd. “Snap ik niet. Hendrik speelt bijzonder goed.” “Dat vind ik ook, en Greet ook, maar goed… aan de andere kant begrijp ik hem ook wel. Dus vroeg Greet of Brecht wilde spelen. Die zat er niet zo mee… Kun je nagaan: die meid zit nog niet eens op het conservatorium en speelt nu al de sterren van de hemel.”
Wim keek verwonderd. “Niét op het conservatorium? Wat doet ze dan?” “Ze is momenteel bezig met HBO-P. Om haar eigen woorden te citeren: ‘Alleen een inkomen uit de muziek is mij een té smalle basis om een bestaan op te bouwen. Ik wil wat achter de hand hebben. En een opleiding of later werken in personeelsland is leuk!’ Die dame is niet op haar achterhoofd gevallen…” Wim knikte. “Slimme meid! Maar dat wisten we al…” Zo kletsten we nog een tijdje verder, tot Joline op haar horloge keek. “Kom echtgenoot. We gaan eens op huis aan. Wim, Evie, het was leuk om nader met jullie kennis te maken! Kom gerust eens bij ons langs om Veldhoven van boven te bekijken.” Ze knikten, we namen afscheid en even later reden we weg.
“Ook leuke lui, Joline…” Ze humde bevestigend. “Ja. En ik was blij dat Wim niet verder ging over zanglessen. Ben ik nog niet aan toe, Kees.” “Ach schat… Wie weet als hij je hoort zingen op de bruiloft… Misschien komt hij dan wél naar je toe met de opmerking: ‘Wordt het niet eens tijd voor een paar zanglessen, Joline?’ Dan weet je meteen waar je…” Verder kwam ik niet. “Kees Jonkman! Je bent een enorme rotzak!” Ik keek even opzij, in twee boze blauwe ogen en knipoogde. Joline zuchtte. “Waarom kan ik niet kwaad blijven als jij zo naar me kijkt?” “Omdat je veel te goed bent voor deze wereld, schat. En al helemaal voor mij.” Weer een zucht. “Ja, dat zal het wel zijn. En omdat ik stiekem best wel geniet als jij op je bugel speelt. Klonk goed, vanmorgen.” Ik legde een hand op haar knie. “Dank je wel. Zo’n compliment… van het mooiste meisje van Veldhoven, daar kan ik de dag wel mee doorkomen.”
Eenmaal thuis visten we een paar boterhammen uit de trommel en aten een simpele lunch. Beker melk erbij, drie boterhammen en we konden er weer even tegen. Joline dook in haar scriptie, ik ging de berging in en keek het orgeltje na. Met een oude, zachte kwast maakte ik het ding stofvrij en ik knutselde een aanpasstuk tussen de luchtinlaat en de slang van de stofzuiger die in de berging stond. Met ducttape maakte ik het geheel luchtdicht. Toen zette ik de stofzuiger buiten en zette het ding op ‘blazen’. Toen de lucht die eruit kwam, redelijk stofvrij was haalde ik het ding weer naar binnen en sloot hem op het orgeltje aan.
De blaasbalg vulde zich en ik controleerde of alle toetsen het deden bij beide registers. Alles functioneerde naar behoren. Mooi! Samen met Brecht morgen de puntjes op de i zetten; wie weet had zij nog tips om het ding nog mooier te maken; sommige delen van de kast waren dof. Kon ik straks wel een mailtje aan wagen… Na een uurtje ging ik weer naar boven. Het aanpasstuk liet ik op het orgeltje zitten, dat hadden we morgen wellicht nog nodig…
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
