Danielle voelde hem aankomen zoals je onweer voelt — niet aan de lucht, maar aan je eigen huid. Een lage, constante spanning die nergens precies zat en overal tegelijk. Ze had geprobeerd te werken, had koffie gezet die ze niet opdronk, had twee keer hetzelfde artikel gelezen zonder een woord te begrijpen. Haar gedachten weigerden te gehoorzamen.
Ze dacht aan Chantal. Aan een vrouw die ze nooit had gezien maar die ze zich toch kon voorstellen — vaag, als een silhouet. Strak. Zelfverzekerd. Het type dat weet hoe ze een kamer binnenkomt.
En dan dacht ze aan Bart, en dat was vreemder.
Bart was niet haar type. Dat was het eerste wat ze had gedacht toen ze hem leerde kennen, en het was ook het eerste wat ze dacht als ze terugkeek op wat er was gebeurd. Hij was niet knap op de manier die haar normaal aansprak. Niet scherp of elegant. Hij had iets onafgemaakt over zich, iets wat ze aanvankelijk had afgedaan als oninteressant. En toch. Toch was er iets geweest — een trekking die ze niet had zien aankomen en die ze achteraf nog steeds niet goed kon plaatsen. Zijn handen. De manier waarop hij naar haar had gekeken zonder iets te vragen. De rust in hem, of misschien was het geen rust maar onverschilligheid, en had ze die twee dingen verward.
Ze wist het niet. Dat was het eerlijke antwoord: ze wist het niet.
Wat ze wel wist, was dat haar lichaam had gereageerd op een manier die haar hoofd niet had goedgekeurd. En dat Peter dat had geweten. En dat Peter het fijn had gevonden. Dat laatste was misschien het meest verwarrende van alles — niet wat zij had gedaan, maar hoe hij had gereageerd. De manier waarop hij haar had aangekeken toen ze het vertelde. Niet met pijn, maar met iets wat leek op verlangen. Alsof haar verhaal hem iets teruggaf wat hij niet wist dat hij miste.
Ze begreep het nog steeds niet. Maar ze had geleerd het niet te begrijpen, en toch door te gaan.
Peter was om half acht thuisgekomen.
Ze had hem horen binnenkomen en was niet opgestaan. Ze had gewacht, haar handen om een glas wijn dat ze nauwelijks had aangeraakt. Hij liep de kamer in en ze zag het meteen — niet aan zijn gezicht, maar aan de manier waarop hij bewoog. Iets was anders. Iets was losser, of juist strakker, ze kon het niet goed onderscheiden.
Ze rook hem voordat ze hem kuste. Een lichte, vreemde geur. Niet onprettig. Gewoon niet van hem.
Hij vertelde niet veel. Dat was ook niet nodig. Ze hoorde het in de pauzes, in de woorden die hij koos en de woorden die hij wegliet. Er was iets gebeurd. Niet alles, maar meer dan niets. En terwijl hij praatte, voelde ze de jaloezie opkomen als water dat door een kier sijpelt — langzaam, onvermijdelijk, kouder dan verwacht.
Maar eronder was iets anders. Dat verraderlijke andere, dat ze inmiddels kende maar nog steeds niet had leren accepteren.
Ze trok hem mee naar de slaapkamer.
Hij nam de tijd. Dat verraste haar. Ze had iets verwacht wat leek op wat zij zelf had gevoeld na Bart — die haast, die behoefte om iets te bewijzen of uit te wissen. Maar Peter was langzaam. Zijn handen bewogen over haar alsof hij haar opnieuw aan het leren was. Hij trok haar blouse omhoog en liet zijn lippen langs haar hals glijden, haar sleutelbeen, het zachte vlees van haar borst. Ze voelde hoe hij haar tepel in zijn mond nam en er langzaam aan zoog, en ze sloot haar ogen en liet de gedachte toe die ze overdag had weggedrukt.
Dat hij haar had aangeraakt. Chantal. Dat deze handen, die nu haar lichaam kenden als een vertrouwd landschap, eerder die dag ergens anders waren geweest.
De gedachte maakte haar onmiddellijk nat. Ze schaamde zich er een halve seconde voor, en toen niet meer.
Peter voelde het. Zijn vingers gleden tussen haar benen en hij bleef even stil, alsof hij verrast was — of misschien niet verrast, maar geraakt door de bevestiging. Hij bewoog langzaam, precies zoals hij wist dat ze het wilde, en ze hoorde zichzelf zacht kreunen in het donker van de slaapkamer. De jaloezie en de opwinding lagen over elkaar heen als twee vellen transparant papier. Samen maakten ze iets wat ze niet kon benoemen maar wel kon voelen — laag in haar buik, scherp en warm tegelijk.
Ze trok hem over zich heen. Toen hij in haar gleed, hield ze even haar adem in — niet van verrassing, maar van de intensiteit van het moment. Ze bewogen samen, en ze dacht aan Bart, niet aan Bart zelf maar aan het gevoel, aan de verwarring die ze had gevoeld toen haar lichaam iets wilde wat haar hoofd niet begreep. En ze vroeg zich af of Peter nu hetzelfde voelde. Of Chantal ergens in hem zat, zoals Bart ergens in haar zat. Of ze allebei tegelijk bij elkaar waren en ergens anders.
De gedachte joeg haar over de rand.
Ze groef haar vingers in zijn rug en liet zich gaan, harder dan ze had verwacht, met een geluid dat ze niet helemaal herkende als van zichzelf. Peter volgde kort daarna, zijn gezicht in haar hals, zijn adem warm en onregelmatig.
Ze bleven lang zo liggen. Later staarde ze naar het plafond terwijl hij sliep. Ze begreep het nog steeds niet — waarom Bart, waarom dit, waarom zij en Peter zo reageerden op iets wat de meeste mensen zou verscheuren. Maar ze had geleerd dat begrijpen misschien niet het doel was. Dat verlangen niet altijd logisch is, niet altijd netjes, niet altijd van het type dat je had verwacht.
Bart was niet haar type geweest.
En toch.
Ze draaide zich op haar zij en legde haar hand op Peters borst. Hij bewoog niet. Ze luisterde naar zijn ademhaling en dacht aan Chantal, aan Bart, aan zichzelf op een dinsdagavond drie maanden geleden toen dit allemaal nog ondenkbaar was.