
Beneden kraakt de derde plank. Siegers voetstappen, herkenbaar als haar eigen ademhaling.
Ze zet de kwast in de emmer terpentijn, draait zich niet om wanneer de trap kraakt onder zijn gewicht. De deur van haar atelier staat op een kier, genoeg om zijn silhouet te vangen tegen het zwakke licht van de gang.
"Je werkt nog," zegt hij. Geen vraag.
Feline trekt haar schouders naar achteren, voelt de stof van haar jurk over haar huid glijden — dezelfde jurk die Aartjan omhoog had geduwd, zijn vingers die de plooien verfrommelden als oude brieven. "Ik kon niet slapen."
Sieger komt dichterbij, zijn geur vooruitlopend op zijn lichaam: koffiebonen, het hout van de bar, het wasmiddel dat hij al twintig jaar gebruikt. Vertrouwd als de littekens op haar eigen handen. Hij legt zijn handen op haar schouders, duim en wijsvinger die de spieren masseren waar Aartjans tanden nog uren geleden hadden gebeten.
"Je trilt," zegt hij.
Feline pakt haar kwast weer, laat de haren door de sepia glijden. "Het is koud. Het raam staat op een kier."
Sieger kijkt naar het beslagen glas, waarachter de regen de Noordzee vervangt door grijs geruis. "Ik kan het sluiten."
"Nee." Te snel. Ze hoort het zelf, corrigeert: "De lucht is goed voor de verf. Lijnzaadolie droogt beter met vocht."
Hij knikt, altijd bereid haar rituelen te accepteren. Dat is Sieger — de man die haar atelier nooit binnenkomt zonder kloppen, die haar doeken nooit omdraait, die de brieven in de verborgen lade onder de vloerdelen nooit heeft gevonden. De man die haar vertrouwt, volledig.
"Morgen," zegt hij, en zijn stem verandert, wordt voorzichtig als iemand die een dier benadert, "morgen open ik vroeg. De leverancier komt om zeven uur."
Feline knikt, laat de kwast over het doek dwalen. Aartjans oog, denkt ze. Het linkse, met het litteken boven zijn wenkbrauw dat hij had opgelopen in Lissabon, die nacht dat ze samen door steegjes renden.
"Ik dacht," zegt Sieger, en hij wrijft over zijn nek, een gebaar dat ze kent van twijfel, "ik dacht dat jij misschien naar de stad wilde. Winkelen. Een dag voor jezelf, terwijl ik hier ben."
De kwast stopt. Een druppel valt, verpest de vorm van een wang die nog geen wang is.
Feline draait zich om. Siegers gezicht is half in de schaduw, half in het amber dat door de ganglamp valt. Zijn ogen — grijsgroen, de kleur van de Waddenzee bij eb — kijken naar haar met dezelfde onvoorwaardelijkheid waarmee hij twintig jaar geleden naar haar keek, toen ze hem vertelde over Aartjan, over waarom ze moest vluchten, over de man die te heftig was, te veel, te alles wilde.
"Naar de stad," herhaalt ze.
"Je hebt het druk gehad. Met schilderen, met..." Hij gebaart vaag naar het doek, naar de sepia die nu niets is en alles belooft. "Met alles. Je verdient een rustige dag."
Feline zet de kwast neer. Haar handen zijn bevuild van verf, van Aartjans geur die nog in haar poriën zit, van de schuld die ze nog niet heeft leren dragen. Ze stapt naar hem toe, voelt haar jurk over haar dijen glijden — dezelfde jurk, realiseert ze nu, dezelfde die ze droeg toen Aartjan haar tegen de schildersezel duwde.
"Dat zou fijn zijn," zegt ze, en haar stem klinkt ver weg, alsof iemand anders spreekt. "Winkelen. Even weg."
Sieger glimlacht, dat zachte trekken van zijn mondhoeken dat haar twintig jaar geleden had overgehaald om te blijven, om te kiezen voor veilig boven vuur. "Goed. Dan zie ik je vanavond. Of morgen, als je laat blijft om te schilderen."
Hij buigt naar haar toe, en zij tilt haar gezicht, een choreografie van twee decennia. Zijn lippen zijn droog, warm, de kus van een man die weet dat hij wordt verwacht en toch nooit haast maakt. Feline sluit haar ogen, proeft koffie en vertrouwdheid, en denkt aan Aartjans mond die rook naar tabak en verre havens, aan zijn tanden die haar onderlip hadden gevangen en niet wilden loslaten.
"Tot later," fluistert Sieger tegen haar voorhoofd.
"Tot later," antwoordt ze, en haar stem breekt niet.
Ze luistert naar zijn voetstappen die de trap af dalen, naar het gedempte geluid van de deur beneden die opent en sluit, naar het moment waarop het café zijn ochtendritme aanneemt — het ruisen van de espressomachine, het gekletter van glazen, Siegers stem die een klant begroet met de precieze toon die hij altijd gebruikt: vriendelijk, maar niet vertrouwelijk.
Feline staat alleen in haar atelier. Het doek staart terug, sepia op wit, een abstractie van wat zou kunnen zijn.
Ze loopt naar het raam, veegt met haar mouw door de condens. Beneden, op de kade, ziet ze Sieger bezig bij de deur van het café, zijn rug recht, zijn bewegingen efficiënt. Een vrouw met een hond passeert, ze groet hem, en hij knikt, die glimlach weer, die glimlach die Feline ooit had doen denken dat veiligheid genoeg was.
De regen is minder geworden, een motregen die meer voelt als een adem dan als water. Feline draait zich om, kijkt naar haar atelier — de verfblikken, de omgekeerde doeken, de verborgen lade waar brieven liggen die nooit zijn verstuurd, brieven aan Aartjan die ze twintig jaar geleden heeft geschreven en nooit heeft verzonden.
Ze trekt haar jurk recht, voelt waar de stof nog vochtig is van haar eigen opwinding, van wat Aartjan met zijn vingers had gedaan terwijl ze stond te trillen tegen het hout.
Dan daalt ze de trap af, niet naar de stad, niet naar winkels en normale dingen, maar naar de kade, naar de richting waar de oude visrokerij staat, waar Aartjan op haar wacht in een kamer die ruikt naar roet en zout en onafgemaakte verhalen.
De oude visrokerij ligt aan het einde van de haven, waar de kade overgaat in houten steigers die rotten onder het gewicht van meeuwen en de vergeten tijd. Het gebouw is een bakstenen rechthoek, zwart van decennia roet, met ramen die nooit zijn schoongemaakt sinds de laatste haring werd gerookt. Boven, waar vroeger de arbeiders sliepen tussen de shiften, brandt een licht — een enkel raam, geel en vastberaden tegen de grijze ochtend.
Feline staat eronder, kijkt omhoog. Haar hart bonkt op een manier die ze was vergeten, een ritme dat haar lichaam herkent ook al wil haar verstand het ontkennen. Vijftien jaar. Vijftien jaar heeft ze dit gevoed met brieven die nooit zijn verstuurd, met schilderijen die ze heeft vernietigd, met nachten waarin ze naast Sieger lag en dacht aan een man die te veel was, te heftig, te alles omvattend, te wild voor een normaal leven.
De deur zit niet op slot. Ze weet niet of dat opzet is of nalatigheid, of Aartjan verwacht dat ze komt of gewoon niet gelooft in sloten. De trap kraakt onder haar voeten, een echo van haar eigen atelier, en de geur wordt intenser — roet, ja, en zout, maar ook tabak, leer, iets muskachtigs dat haar mond doet wateren.
Boven is één deur. Die staat open.
Aartjan zit op het bed, een smal ding met een ijzeren frame en een matras dat betere tijden heeft gekend. Hij draagt nog steeds zijn zwarte T-shirt, zijn leren jack hangt over de rug van een stoel. Zijn handen rusten op zijn knieën, de zilveren ring vangt het licht. Hij kijkt niet verrast op wanneer ze verschijnt.
"Ik wist dat je zou komen," zegt hij.
Feline blijft in de deuropening staan. De kamer is klein, smaller dan haar atelier, met een wastafel in de hoek en een raam dat uitkijkt op de haven waar ze net vandaan kwam. Ze ziet de spiegel van het café, een glimp van Sieger die binnen beweegt, en draait zich weg.
"Hoe wist je dat?"
Aartjan staat op. Hij is groter dan ze zich herinnerde, of misschien is zij kleiner geworden, meer ingetrokken in de jaren van veiligheid. Zijn schouders vullen de kamer, zijn stoppels glinsteren grijs in het licht van het enkele peertje boven het bed.
"Omdat je altijd komt," zegt hij. "Omdat je nooit bent weggegaan, niet echt. Je bent hier gebleven, in dit stadje, in dat café, in dat leven — maar je bent nooit weggegaan van mij."
Feline stapt naar binnen. De deur valt achter haar dicht, niet helemaal, een kier van licht die snijdt door de duisternis van de kamer. Ze voelt de vloer onder haar voeten, oneffen planken die schuren tegen haar schoenen.
"Ik ben getrouwd," zegt ze.
"Ik weet wie met wie je bent getrouwd." Aartjan komt dichterbij, zijn bewegingen langzaam, bedachtzaam, als een kat die weet dat de muis niet kan ontsnappen. "Sieger Altena. Café De Aanleg. Een goede man, zeggen ze. Betrouwbaar. Veilig."
Het woord hangt tussen hen in, als een beschuldiging.
Feline tilt haar kin. "Hij is goed voor me."
"Ik weet wat hij voor je is." Aartjan staat nu voor haar, zo dicht dat ze de warmte van zijn lichaam voelt, de trilling van zijn ademhaling. "Hij is wat je koos toen je niet durfde te kiezen voor wat je wilde."
Ze wil antwoorden, wil verdedigen, wil uitleggen dat veiligheid ook liefde is, dat twintig jaar niet niets zijn, dat Sieger —
Maar dan raakt hij haar aan.
Zijn handen, ruw en eeltig, omvatten haar gezicht. Zijn duim glijdt over haar kaaklijn, volgt een pad dat hij vijftien jaar geleden al had gememoriseerd. Zijn ogen, donker en onverbiddelijk, houden de hare vast.
"Ik wil je," zegt ze.
De woorden komen eruit voor ze ze kan tegenhouden, voor ze kan filteren of verpakken. Ze vallen tussen hen, rauw en waar, en Feline voelt hoe haar knieën bijna bezwijken onder de opluchting van eindelijk, eindelijk de waarheid te spreken.
Aartjans mond vindt de hare.
Het is geen kus zoals Sieger kust — niet voorzichtig, niet uit gewoonte, niet de herhaling van een ritueel dat twintig jaar geleden begon. Dit is herkenning, dit is honger, dit is twee lichamen die elkaar onmiddellijk herinneren ook al zijn ze veranderd. Zijn tanden vinden haar onderlip, bijten zacht, hard genoeg om te weten dat het morgen een blauwe plek zal zijn. Zijn tong dringt binnen, niet vragend, maar eisend, en Feline voelt hoe haar lichaam reageert met een intensiteit die haar schaamteloos maakt.
Ze valt tegen hem aan, haar handen grijpen zijn T-shirt, de stof die strak trekt over zijn brede schouders. Ze ruikt hem — tabak, zee, iets scherps dat ze niet kan plaatsen maar dat haar doet denken aan havens bij nacht, aan steden waar ze nooit is geweest maar waar hij wel is geweest, altijd zoekend, altijd reizend, altijd haar achtervolgend in de verhalen die ze over hem hoorde.
"Ik wil je," zegt ze weer, tegen zijn mond, in zijn mond, alsof herhaling het waar maakt, alsof ze het genoeg moet zeggen om de schuld te verdragen.
Aartjan trekt haar jurk omhoog, zijn handen onder de stof, over haar dijen, omhoog, en omhoog. Zijn vingers vinden de rand van haar slipje, trekken, en Feline stapt eruit zonder te stoppen met kussen, zonder te stoppen met bijten, zonder te stoppen met willen.
Het bed kraakt wanneer hij haar erop duwt, niet zacht, niet voorzichtig. Het ijzeren frame slaat tegen de muur, een geluid dat door de kamer echoot en waarschijnlijk naar beneden dringt, naar de straat, naar de haven waar Sieger bezig is met zijn leverancier en zijn glazen en zijn veilige, voorspelbare ochtend.
Aartjan trekt zijn T-shirt uit. Zijn borst is breder dan ze zich herinnerde, donkerder, met littekens die ze niet kent — een lang streep over zijn ribben, een rond merk op zijn schouder. Hij ziet haar kijken, glimlacht, datzelfde arrogante trekken van zijn mond dat haar altijd had geïrriteerd en opgewonden.
"Marokko," zegt hij, wijzend naar de streep. "Een mes. Niets serieus."
"En dit?"
Het ronde merk. Hij buigt naar haar toe, zijn handen aan weerszijden van haar hoofd op het matras. "Dit was voor jou. Een brandmerk, bijna. Ik was dronken, in Istanbul. Ik wilde iets permanents, iets dat mij aan jou zou herinneren zodat ik je niet kon vergeten."
Feline sluit haar ogen. Zijn mond is op haar hals, zijn tanden op haar sleutelbeen, zijn handen die haar jurk verder omhoog trekken tot ze rond haar middel zit als een verkreukelde bloem. Ze voelt zijn vingers tussen haar benen, niet verkennend, niet voorzichtig — hij weet waar ze is, hij weet wat ze wil, hij kent haar lichaam beter dan zijzelf na twintig jaar van vergeten.
"Je bent nat," fluistert hij tegen haar oor, een constatering, geen compliment. "Je was altijd nat voor me. Altijd klaar. Altijd hongerig."
Feline kreunt, een geluid dat ze niet herkent als haar eigen stem — laag, rauw, een dierlijk iets dat uit haar keel komt zonder haar toestemming. Ze tilt haar heupen, ze eist meer, en Aartjan lacht, datzelfde lage geluid dat haar in Lissabon had doen trillen, in Barcelona, in die kleine kamer in Parijs waar ze dacht dat ze zou sterven van geluk.
Hij duwt een vinger in haar, dan twee, niet langzaam, niet tegemoetkomend. Ze voelt de stretch, de lichte pijn die direct overgaat in iets groters, iets dat haar buik doet samentrekken. Zijn duim vindt haar clitoris, cirkelt, en Feline grijpt het beddengoed, het oude katoen dat ruikt naar vreemde lichamen en verleden nachten.
"Kijk naar me," beveelt hij.
Ze opent haar ogen. Hij staat boven haar, zijn gezicht gespannen, zijn snor die trilt bij elke ademhaling. Zijn vingers bewegen in haar, tegen haar binnenwanden aan, een ritme dat hij bepaalt en dat zij volgt omdat ze niet anders kan, omdat dit is wat ze is, wat ze altijd is geweest met hem — volgzaam in haar honger, dominant in haar overgave.
"Je bent zo heet," zegt hij, en zijn stem is hees, gebroken. "Zo strak. Zo —"
Hij trekt zijn vingers terug, en Feline kreunt van verlies, van leegte, van de plotselinge afwezigheid van wat ze nodig heeft. Maar dan hoort ze zijn riem, zijn rits, het geritsel van stof die naar beneden valt. Ze kijkt, ze moet kijken, ze wil hem zien, en ziet hem — groter dan ze zich herinnerde, donkerder, met een ader die klopt langs de onderkant alsof het hart ergens anders zit.
"Je pik is zo groot," fluistert ze, en de woorden komen eruit als een smeekbede, als een bekentenis. "Aartjan, je pik is —"
Hij onderbreekt haar met een kus, hard, zijn tong die haar mond vult terwijl hij zich positioneert tussen haar benen. Ze voelt hem daar, drukkend, nog niet binnendringend, alleen maar aanwezig, een belofte van wat er komen gaat.
"Je wilt dit," zegt hij tegen haar lippen. Geen vraag.
"Ik wil dit," bevestigt ze, en haar stem trilt, breekt, hervat. "Ik wil jou. Ik wil — ah —"
Hij duwt naar binnen.
Het is geen geleidelijke binnendringing, geen voorzichtige opbouw. Aartjan stoot, een keer, volledig, en Feline voelt hoe ze wordt gevuld, uitgerekt, opengereten in de meest letterlijke zin van het woord. Haar kreun is luid, ongefilterd, een geluid dat door de kamer slaat en tegen de roetige muren terugkaatst.
"Ah — ah —" Ze grijpt zijn schouders, haar nagels die in zijn huid graven, en hij lacht weer, dat lage, arrogante geluid, terwijl hij begint te bewegen.
Het bed kraakt, een metronoom van hun ritme. Aartjan stoot, keer op keer, niet snel nog, maar diep, volledig terugtrekkend en dan weer tot aan het einde, alsof hij wil dat ze elke centimeter voelt, alsof hij wil dat ze nooit meer vergeet hoe hij voelt, hoe dit voelt, hoe zij samen voelen.
Feline tilt haar heupen, ontmoet zijn stoten, haar benen om zijn middel geslagen. Ze voelt de stoppels van zijn kin tegen haar hals, zijn adem die heet is op haar huid, zijn handen die haar polsen grijpen en boven haar hoofd drukken tegen het matras, die haar gevangen houden, die haar verlangen bevestigen om genomen te worden door hem, en door hem alleen, door zijn dikke grote penis.
"Je kut is zo strak," hijgt hij tegen haar oor. "Zo heet. Zo — fuck — Feline, je bent —"
Hij stoot harder, en Feline kreunt, een langgerekt geluid dat begint als "ah" en eindigt als iets dat geen naam heeft. Ze voelt de opbouw, niet geleidelijk maar steil, een helling die ze beklimt zonder uit te kijken, zonder adem te halen.
"Harder," smeekt ze, en ze schaamt zich niet, kan zich niet schamen, niet met hem, niet nu. "Harder, Aartjan, alsjeblieft —"
Hij geeft haar wat ze vraagt. Zijn heupen slaan tegen de hare, een geluid van vlees op vlees dat de kamer vult wat zijn woorden niet meer kunnen. Het bed slaat tegen de muur, een bonkende cadans die synchroniseert met hun ademhaling, hun hartslagen, de druk die in haar buik opbouwt en opbouwt en opbouwt, tot ze het voelt, hem voelt, diep in haar.
Feline komt met een schreeuw die ze niet herkent, een hoog, scherp geluid dat uit haar keel schiet als een vogel die ontsnapt. Haar lichaam trekt samen, spasmen die door haar buik trekken, haar benen, haar vingertoppen. Ze voelt zichzelf pulseren om hem heen, voelt hoe hij stopt, stilhoudt, geniet van haar orgasme alsof het van hem is, alsof hij het heeft gecreëerd, wat waar is, wat altijd waar is geweest.
Maar hij is nog niet klaar.
Aartjan trekt zich terug, langzaam, en Feline kreunt van de leegte, van de plotselinge afwezigheid. Maar dan draait hij haar om, zijn handen op haar heupen, en trekt haar naar haar knieën. Haar gezicht drukt in het matras, dat ruikt naar stof en oud zweet en iets dat misschien zout is, misschien tranen.
"Hier," zegt hij, en zijn hand slaat op haar bil, een klap die hard genoeg is om te branden. "Zo wil ik je. Zo heb ik je gemist."
Hij duwt weer naar binnen, van achteren, een andere hoek die haar adem doet stokken. Feline grijpt het beddengoed, haar vingers die wit worden van de kracht waarmee ze vasthoudt. Hij stoot, niet langzamer dan eerder, niet voorzichtiger — integendeel, alsof haar orgasme hem heeft aangewakkerd, alsof hij nu pas echt begint.
De storm die hij beloofde — ze voelt hem nu. Zijn handen op haar heupen, zijn vingers die in haar vlees graven, zijn stoten die steeds harder worden, steeds minder gecontroleerd. Hij hijgt, een geluid dat bijna een grom is, een dier dat zijn prooi heeft gevonden en niet van plan is te delen.
"Je voelt —" hijgt hij, en zijn stem is ruw, gebroken. "Fuck, Feline, je voelt —"
Hij stoot een laatste keer, diep, volledig, en blijft stil. Ze voelt hem pulseren, voelt de warmte die zich verspreidt, de vloeistof die uit haar loopt wanneer hij zich terugtrekt, langzaam, alsof hij niet wil gaan, alsof hij nooit wil gaan.
Ze blijven stil liggen, hij achter haar, zij op haar knieën, beiden hijgend, beiden zwetend, beiden wetend wat dit is en wat dit betekent en wat dit zal kosten.
Aartjan trekt haar omhoog, draait haar in zijn armen, laat haar neerzakken op het bed. Hij is nog steeds hard, merkt ze, of alweer hard, of misschien is hij nooit zacht geworden — met hem weet je het nooit, met hem is het altijd meer, altijd door, altijd verder.
Hij kust haar, zacht nu, een contrast met wat net gebeurde. Zijn handen strijken over haar rug, haar zij, haar borsten die nog steeds in haar jurk zitten, de stof is verfrommeld en vochtig.
"Ik moet gaan," zegt ze, en haar stem klinkt vreemd, alsof ze onder water spreekt.
"Ik weet het." Hij kust haar voorhoofd, haar wenkbrauwen, de plek waar haar hart onder haar huid klopt. "Maar je komt terug."
Het is geen vraag.
Feline staat op, zoekt haar slipje, trekt het aan met handen die nog trillen. Haar jurk valt terug op haar plaats, verfrommeld, verradend. Ze voelt hem nog in haar, zijn vocht dat tussen haar dijen zit, zijn geur die in haar poriën is getrokken.
Bij de deur draait ze zich om. Aartjan ligt nog op het bed, naakt, zijn lichaam een landschap van spieren en littekens en herinneringen die ze nog moet ontdekken.
"Dit is niet het einde," zegt hij.
Feline knikt, omdat ze niet kan spreken, omdat spreken zou betekenen dat ze het hardop zegt, dat ze het erkent, dat ze het werkelijkheid maakt.
Dan daalt ze de trap af, naar buiten, naar de haven die nu voller is dan eerder, naar het leven dat ze heeft gekozen en dat ze nu verraadt.
Café De Aanleg ruikt naar versgemalen koffie en het begin van de middag. Feline staat in de deuropening, haar hand op de klink, en ziet Sieger achter de bar. Hij draagt zijn gebruikelijke overhemd, de mouwen opgerold, zijn handen bezig met iets dat glinstert in het licht van de ramen.
Hij kijkt op, glimlacht, dezelfde glimlach die haar twintig jaar geleden had overgehaald om te blijven.
"Terug van winkelen?" vraagt hij.
Feline voelt de leugens op haar tong, proeft ze, slikt ze door. "Het was druk. En ik heb niets moois gevonden."
Ze loopt naar hem toe, haar benen die nog zachtjes trillen, haar lichaam dat nog pulseert met wat Aartjan heeft gedaan. Ze ziet de vraag in zijn ogen, de lichte teleurstelling dat ze geen tas heeft, geen aankopen om te showen, geen bewijs van een normale dag.
Maar dan staat ze voor hem, en hij zet het glas neer, en ze valt hem om de nek.
Het is geen elegant gebaar, geen gracieuze omhelzing. Het is wanhoop, het is schuld, het is de behoefte om vast te houden aan wat ze heeft terwijl ze weet wat ze heeft weggegeven. Ze drukt haar gezicht in zijn nek, ruikt zijn geur — koffie, wasmiddel, veiligheid — en voelt hoe haar ogen branden.
"Feline?" Zijn handen komen omhoog, omvatten haar rug, haar schouders. "Wat is er?"
"Niets." Haar stem is gedempt, verstikt tegen zijn huid. "Ik ben gewoon — blij je te zien."
Hij houdt haar vast, geen vragen stellend, geen vraagtekens, alleen maar vastigheid van twintig jaar samenleven. Dat is Sieger, altijd Sieger, de man die wacht, die accepteert, die nooit vermoedt dat zijn vrouw nog uren geleden op haar knieën lag voor een ander, dat haar lichaam nog steeds trilt van een orgasme dat niet van hem was.
"Ik ook," zegt hij zacht. "Ik ook, liefste."
Ze blijven staan, in het midden van zijn café, terwijl klanten binnenkomen en weer weggaan, terwijl de middag overgaat in avond, terwijl Feline denkt aan Aartjans handen, aan zijn mond, aan de storm die hij in haar heeft losgemaakt en die nu, hier, in de armen van haar man, nog steeds niet is gaan liggen.
's Nachts, wanneer Sieger beneden het café sluit — het omkeren van de glazen, het stapelen van de stoelen, het gedempte gerommel van een dag die eindigt — klimt Feline de trap op naar haar atelier.
De sepia op het doek is droog, een abstractie van vormen die nog niets zijn. Ze staart ernaar, staart door het beslagen raam naar de zee die ze niet kan zien, en voelt iets omslaan in haar borstkas.
De inspiratie.
Het is er, plotseling, hevig, als een golf die uit het niets komt. Ze grijpt haar kwast, niet de fijne die ze voor details gebruikt, maar de grote, de ruwe, de kwast die ze reserveert voor passie en noodzaak.
Ze begint te schilderen.
Niet Aartjans gezicht, niet zijn schouders, niet het litteken boven zijn wenkbrauw. Ze schildert zijn handen, de ruwe, eeltige handen die haar pols hadden gegrepen, die onder haar jurk waren gegleden, die haar hadden gevangen en bevrijd tegelijk. Ze schildert ze groot, dominant, de vingers gespreid alsof ze iets grijpen, alsof ze iets vasthouden, alsof ze nooit meer zullen loslaten.
De verf vliegt, sepia en omber en een vleugje rood dat ze erbij mengt zonder te weten waarom. Het doek vult zich, de handen worden lichamen, de lichamen worden een landschap van huid en schaduw en licht dat alleen zij kan zien.
Ze schildert tot haar pols pijn doet, tot haar rug protesteert, tot de eerste lichtstrepen door het raam vallen en de regen eindelijk stopt. Ze schildert wetend dat Sieger boven zal komen, dat hij zal kloppen, dat ze het doek zal omdraaien voordat hij binnenkomt.
Ze schildert wetend dat ze terug zal gaan naar Aartjan, dat ze dit niet kan laten, dit niet wil laten, dit nooit heeft kunnen laten.
En wanneer ze eindelijk stopt, wanneer ze de kwast in de terpentijn zet en achteruitstapt om te zien wat ze heeft gemaakt, ziet ze het — niet alleen de handen, niet alleen het verlangen, maar het verhaal dat ze altijd al heeft willen schilderen.
Het onafgemaakte verhaal.
Het verhaal dat nu, eindelijk, begint.





