Door: Leen
Datum: 14-01-2026 | Cijfer: 9.9 | Gelezen: 121
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Bos, Fantasy, Frankrijk, Tijdreizen,
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Bos, Fantasy, Frankrijk, Tijdreizen,
De Grot Van De Goden
Jumièges, 13 januari 2015
WOLF, SIMONE, LUCAS en MARIANNE
De oude Land Rover kreunt en steunt alsof het de wagen zelf pijn heeft. De motor brult in een lage versnelling terwijl de banden wanhopig zoeken naar grip in de modderige sporen die al jaren niet meer zijn gebruikt. Takken slaan als zwepen tegen de zijkant van de auto, een onophoudelijk, agressief ritme dat de inzittenden doet krimpen.
Binnen in de cabine heerst een gespannen, klamme stilte. De verwarming blaast alleen maar lauwe, vochtige lucht naar binnen, waardoor de ruiten steeds opnieuw beslaan. Wolf zit voorin, zijn lichaam strak gespannen. Hij veegt met zijn mouw een kijkgat in de voorruit en tuurt de duisternis in. Het is pas laat in de middag, maar onder het dichtgeweven bladerdak van het Bos van Brotonne is het al schemerig. De eeuwenoude eiken en beuken staan hier zo dicht op elkaar dat ze een tunnel vormen, een groene keel die hen langzaam opslokt.
"We rijden nu al twee uur stapvoets," zegt Wolf, zijn stem schor. "Weet je zeker dat we goed zitten?" Lucas omklemt het stuur met beide handen, zijn knokkels zijn wit. Hij stuurt de logge wagen behendig om een diepe kuil heen, maar kan niet voorkomen dat de achterkant wegglijdt. "Volgens de kaart van mijn opa wel," gromt hij, zonder zijn blik van het modderspoor af te wenden. "We moeten de oude houtvestersroute volgen tot de Oude Eik."
"Ben je hier ooit zelf geweest?" vraagt Wolf. Hij kijkt opzij naar Lucas, die zweetdruppels op zijn voorhoofd heeft staan ondanks de kilte. Lucas aarzelt even voordat hij antwoordt. "Nee. Niemand komt hier, Wolf. De lokale jagers mijden dit stuk van het bos. Ze zeggen dat kompassen hier op hol slaan en honden weigeren het spoor te volgen. Ik weet ongeveer waar het moet zijn, op basis van de coördinaten in het boekje, maar het terrein..." Hij schudt zijn hoofd. "De kaart is vijftig jaar oud. Het bos verandert."
Achterin houdt Marianne de hand van haar oude vriendin stevig vast. Simone deinst mee op het ruwe ritme van de auto, haar ogen gesloten, haar hoofd lichtjes wiegend. Ze prevelt zachtjes in zichzelf, onverstaanbare woorden die verloren gaan in het geraas van de motor en de donder die boven de boomtoppen rolt.
"Het voelt hier... oud," fluistert Marianne, en ze trekt haar jas dichter om zich heen, alsof de kou van binnenuit komt. "Alsof we bekeken worden." Simone schrikt op. Haar ogen schieten open en ze grijpt de hoofdsteun van Wolfs stoel vast met een kracht die je niet van haar broze handen zou verwachten. "Ze luisteren," sist ze, haar stem hees maar angstaanjagend helder. "Marleen zei het al. De bomen hier zijn niet van hout alleen. Ze zijn de wachters." Wolf kijkt naar buiten, de duisternis in. Wat hij eerst aanzag voor grillige schaduwen, krijgt nu een andere vorm. In het zwakke, zwiepende schijnsel van de koplampen lijken de stammen inderdaad niet op gewone bomen. Ze zijn vreemd verdraaid, alsof ze in een eeuwige kramp zijn gestold. De bast is niet bruin, maar grauw en bedekt met dikke, druipende lagen mos die als lange baarden naar beneden hangen.
Het zijn de wortels die Wolf het meest verontrusten. Ze kronkelen niet zomaar over de grond; ze lijken over het pad te kruipen als verstenen slangen, alsof ze proberen de wielen van de Land Rover te grijpen en hen de aarde in te trekken. Elke tak die tegen het raam slaat, voelt niet meer als toeval, maar als een bewuste poging hen te stoppen. "Rij door," fluistert Simone dwingend. "Kijk ze niet aan."
"STOP!" brult Wolf plotseling. Lucas stampt instinctief op de rem. De zware auto glijdt door in de blubber, de wielen blokkeren, en met een misselijkmakende slip komt het gevaarte tot stilstand, de neus net langs een diepe geul. "Wat is er?" hijgt Lucas, zijn hartslag is zichtbaar in zijn hals. "De weg," zegt Wolf, wijzend naar de modderpoel voor hen. "Hij houdt op. Er is niets meer." Voor hen ligt een ondoordringbare muur van kreupelhout en omgevallen stammen. Een enorme beuk, zo dik als de auto zelf, ligt dwars over wat ooit een pad moet zijn geweest. De stam is half weggerot en overwoekerd door varens die bijna licht lijken te geven in de schemering. "Dit klopt niet," zegt Lucas. Hij slaat met zijn vlakke hand op het stuur. "De kaart zei dat het pad doorliep tot aan de rand van de vallei."
"Je kaart is waardeloos," bijt Wolf hem toe. De spanning in de kleine cabine stijgt tot een kookpunt. "We zitten vast in een moeras, Lucas. Weet je überhaupt wel waar we zijn?" "De bron moet daar ergens liggen," verdedigt Lucas zich, maar zijn stem slaat over. Hij wijst vaag naar het oosten, waar het bos nog dichter en donkerder lijkt. "De coördinaten... de helling van het terrein..." "Hoe zeker weet je dat?" vraagt Marianne met trillende stem. "Het wordt donker. Als we hier verdwalen..." "Ik weet het niet honderd procent zeker, oké?" snauwt Lucas terug, de angst in zijn ogen nu duidelijk zichtbaar. "Maar we kunnen niet terug. Keren is onmogelijk op dit pad." Wolf kijkt naar buiten. De stilte die volgt op het afzetten van de motor is zwaar en drukkend. Geen vogels. Geen krekels. Alleen het suizen van de wind in de toppen, als een diepe ademhaling van het woud zelf. "We gaan lopen," beslist Wolf. "We hebben geen keus."
Ze stappen uit in de storm. De overgang is als een fysieke klap. De kou is hier indringender dan bij de rivier; het is een vochtige, klamme kilte die direct door hun kleren heen snijdt en in hun botten gaat zitten. De grond onder hun voeten is zompig, een mengsel van rottende bladeren en modder die naar verval ruikt. Maar het is de lucht die Wolfs aandacht trekt. Het voelt alsof de atmosfeer onder hoogspanning staat.
Wolf loopt om de auto heen en opent het portier voor Simone. Ze stapt uit, haar bewegingen stram maar vastberaden. Zodra haar voeten de grond raken, plant ze haar wandelstok met kracht in de aarde. "De storm hangt niet zomaar boven ons," zegt Simone zacht, terwijl zij naar de onzichtbare hemel staart. "Hij wacht op ons. De ontlading kan elk moment komen. Eén vonk is genoeg om dit hele bos in lichterlaaie te zetten."
De dreiging in haar stem hangt zwaar in de lucht, zwaarder dan de vochtige nevel die hen omringt. Lucas deinst onwillekeurig een stap terug, dichter naar de veilige massa van de Land Rover. Zijn ogen schieten van de donkere boomtoppen naar de ondoordringbare wildernis voor hen. "Misschien moeten we wachten," fluistert hij. "In de auto blijven tot het ergste voorbij is. Dit is zelfmoord."
De stilte die daarop volgt wordt niet verbroken door Wolf, maar door het tikken van de stok van Simone op een steen in de modder. Tik. Tik. Tik. "Wijs de weg," zegt ze. Haar stem is zacht, maar snijdt door de wind heen. Ze kijkt niet naar de lucht, niet naar de bliksemflitsen die nu in de verte de horizon oplichten. Ze kijkt alleen naar Lucas. In haar ogen ziet Wolf geen angst voor de storm, alleen een angstaanjagende, absolute berusting.
Lucas slikt. Hij kijkt naar Wolf voor steun, maar Wolfs gezicht staat strak. "Je hoorde haar," zegt Wolf. "Welke kant op?" Lucas haalt diep adem, pakt een oud militair kompas uit zijn zak en klapt het open. De naald tolt wild in het rond, alsof hij dronken is. "Dat dacht ik al," mompelt hij. Hij stopt het ding weg en wijst vaag de duisternis in. "De helling... Misschien daar," zegt hij, en de twijfel druipt van elk woord.
Ze vertrekken zonder hoop, gedreven door pure noodzaak. De wandeling is een gevecht. Elke meter moet worden veroverd op het bos. Er is geen pad. Ze moeten zich een weg banen door varens die tot hun middel reiken en natte zware bladeren die aan hun benen plakken. Minuten worden een kwartier. Een kwartier wordt een half uur. De kou vreet zich een weg naar binnen. Marianne struikelt en valt hard in de modder, snikkend van uitputting. Wolf helpt haar overeind, maar hij voelt zijn eigen krachten ook wegebben.
"We moeten terug," hijgt Lucas, die even stopt om op adem te komen tegen een boomstam. "Dit heeft geen zin. We lopen in cirkels. Ik herken deze boom." Wolf kijkt om zich heen. Elke boom lijkt op de vorige. De twijfel begint te knagen. Lucas had gelijk. Ze lopen blind. Ze zijn verdwaald in een groen vagevuur.
"Gebruik het amulet, Wolf," sist Simone plotseling. Haar stem is veranderd. Het is niet meer de stem van een breekbare oude vrouw; het klinkt als dor hout dat breekt onder spanning, oud en dwingend. Wolf kijkt haar verbaasd aan. "Het amulet? Maar ik weet niet hoe..." "De sleutel past niet alleen op een slot, maar ook op de weg," onderbreekt ze hem fel. Ze wijst met haar stok naar zijn borst. "Het metaal herinnert zich wat jij vergeten bent. Gebruik het!"
Wolf tast naar zijn borst. Hij trekt het ijzeren amulet onder zijn shirt vandaan. Het voelt niet koud aan, zoals hij had verwacht, maar gloeiend heet. Het brandt in zijn handpalm. Hij sluit zijn ogen en klemt zijn vuist om het metaal. In de duisternis van zijn gedachten wellen woorden op. Woorden die hij nooit geleerd heeft, maar die plotseling op het puntje van zijn tong liggen alsof hij ze al eeuwen kent.
"Sator arepo tenet opera rotas," fluistert hij. De wind om hen heen valt plotseling stil, alsof het bos zijn adem inhoudt. Wolf opent zijn ogen en roept het luider, recht tegen de dreigende hemel in: "SATOR AREPO TENET OPERA ROTAS!"
KRAK-BOEM! De hemel antwoordt met bruut geweld. Een verblindende, violette bliksemschicht schiet omlaag, rechter en feller dan alles wat ze tot nu toe hebben gezien. Hij slaat met een oorverdovende knal in op een gigantische eik, nog geen vijftig meter verderop. Het geluid is fysiek, een dreun tegen hun borstkas die hen bijna omverblaast. De geur van ozon is verstikkend. Wolf slaat zijn arm voor zijn ogen tegen de rondvliegende houtsplinters.
Als hij weer kijkt, ziet hij de ravage. De eik, die er seconden geleden nog stond als een onneembare vesting, is dwars doormidden gespleten. De twee helften vallen krakend uit elkaar, zwartgeblakerd en rokend. Tussen de verkoolde resten is een opening ontstaan waar eerst een muur van hout was. De binnenkant van de boom smeult en vormt een perfecte pijl van vuur en rook.
"Daar!" schreeuwt Wolf boven de donder uit. Door de rokende spleet van de eik zien ze het ineens: de afgrond. Ze stonden er vlakbij, maar het kreupelhout had het zicht ontnomen. "De rand van de vallei," hijgt Lucas, bleek weggetrokken. "We liepen er recht op af." Ze haasten zich naar de gespleten boom. De hitte straalt er nog vanaf. Voorbij de boom valt de grond steil naar beneden. Beneden, zeker dertig meter dieper, ligt 'La Source Oubliée'. Het is precies zoals het vers beschreef. Een waterval stort zich vanuit de rotswand naar beneden, en valt in een volmaakt rond meer – een zinkgat dat eruitziet als een zwart oog.
Wolf haalt diep adem. "Naar beneden," zegt hij. "Snel. Voordat de storm verder trekt." De afdaling is een martelgang. Het smalle richelpad dat langs de wand van de kloof naar beneden slingert, is veranderd in een modderglijbaan. Wolf gaat voorop, elke stap testend. Achter hem komt Simone, die zich met trillende handen vastklampt aan uitstekende wortels en rotsblokken.
"Hou vol," roept Wolf boven het geraas van de waterval uit. Maar de natuur is genadeloos. Halverwege glijdt Marianne uit. Ze slaakt een gil en schuift meters naar beneden, haar nagels graven in de natte aarde. Lucas, die achter haar loopt, duikt naar voren en weet haar net bij haar jas te grijpen voordat ze over de rand van een steile uitloper verdwijnt. Ze blijven even hangen, hijgend, de modder in hun ogen en mond.
"Gaat het?" schreeuwt Lucas. Marianne knikt, haar gezicht is wit van schrik en besmeurd met zwarte aarde. Ze krabbelt overeind, haar benen trillen ongecontroleerd.
Ook Simone heeft het zwaar. Haar wandelstok biedt nauwelijks steun op de gladde stenen. Wolf moet haar meermaals opvangen als haar knieën dreigen te bezwijken. Ze hijgt zwaar, een reutelend geluid diep in haar borst, maar haar ogen blijven gefixeerd op het meer beneden. Ze weigert op te geven.
Het laatste stuk is het steilst. Ze moeten zich laten zakken aan een dikke klimopwortel. Wolf springt als eerste en vangt de anderen één voor één op. Ze landen in de zompige oevergrond, doorweekt, beurs en uitgeput.
Beneden in de kloof is de storm angstaanjagend. Opgesloten tussen de hoge rotswanden klinkt de donder niet als gerommel, maar als kanonschoten die continu worden afgevuurd. De lucht trilt van de energie. Elk haar op hun lichaam staat overeind. De regen valt hier niet, hij wordt door de wind in kolkende vlagen rondgesmeten, waardoor het zicht bijna nihil is. Het meer is zwart en onheilspellend. Het water klotst wild tegen de oevers, opgezweept door de wind. In het midden stort de waterval zich met geweld naar beneden, een wit gordijn dat verdwijnt in de duisternis.
"We zijn er," hijgt Lucas, terwijl hij het zweet en de regen van zijn voorhoofd veegt. Hij moet schreeuwen om boven het lawaai uit te komen. "Maar wat nu?” Wolf staart naar de waterval. Hij zoekt naar de 'zilveren boog' uit het lied, maar hij ziet alleen maar chaos. Het vers bonst door zijn hoofd. Zoek de boog die blind is voor het licht.
"De eik," zegt Simone plotseling, en ze wijst omhoog met haar stok. Boven hen, aan de rand van de afgrond waar ze vandaan kwamen, staat de gespleten eik nog steeds na te smeulen. Een laatste vonk valt naar beneden, een gloeiend puntje dat dooft in het water. Op dat moment scheurt de lucht opnieuw open. Een tweede bliksemschicht, nog feller dan de eerste, verlicht de kloof met een verblindend blauw-wit licht. De flits is zo intens dat hij dwars door het watergordijn van de waterval lijkt te branden.
En in die fractie van een seconde ziet Wolf het. Achter de waterval, verborgen door het vallende water en de eeuwige schaduw, is een structuur zichtbaar. Geen lichtboog, geen regenboog. Het is steen. Het felle licht onthult een perfecte, stenen boog die in de rotswand achter de waterval is uitgehouwen. Het is oud, ouder dan de abdij, ouder dan de Romeinse wegen. De stenen zijn glad en zwart, en de opening erachter is een gapend gat van absolute duisternis.
"Daar!" schreeuwt Wolf, wijzend naar het watergordijn. "Het is geen lichtverschijnsel. Het is een ingang! Achter het water!" "De boog die blind is voor het licht," fluistert Marianne, haar ogen wijd van angst en ontzag. "Hij is alleen zichtbaar als de bliksem er recht in schijnt." "Een grot," zegt Lucas, die met open mond naar het water staart. "Er zijn legendes over... oude smokkelroutes, dachten we. Maar dit..." Wolf aarzelt geen seconde. Hij waadt het water in. Het is ijskoud en reikt al snel tot zijn middel. Hij voelt de stroming aan zijn benen trekken, maar hij zet door.
Hij kijkt om. De anderen staan nog op de oever, rillend en onzeker. "Kom!" brult hij tegen de wind in. "We moeten erdoorheen! Allemaal!" Simone is de eerste die beweegt. Ze strompelt het water in, haar stok nutteloos in de modderige bodem. Lucas grijpt haar ene arm, Marianne de andere. Samen waden ze achter Wolf aan, vechtend tegen de stroming en de kou die hun adem afsnijdt.
Het watergordijn torent boven hen uit als een muur. Het geluid van het vallende water is oorverdovend. "Nu!" schreeuwt Wolf. Hij duikt door de waterval heen. De klap van het water op zijn schouders is zwaar, als een hamer, maar dan breekt hij erdoorheen. Hij landt op harde steen. Hij draait zich direct om en steekt zijn handen uit door het watergordijn. Hij grijpt de hand van Simone en trekt haar met een ruk naar binnen. Lucas en Marianne volgen, struikelend en hoestend.
Ze staan op een smalle, droge richel achter de waterval. Het geraas van het water is hier dof, als een verre trein. Voor hen, uitgehouwen in de levende rots, staat de boog. Er staan inscripties in de stenen, verweerd maar herkenbaar. Spiralen. Ogen. En boven de boog, in ruwe tekens: SPECU DEORUM. "De Grot van de Goden," vertaalt Wolf, terwijl hij het water uit zijn ogen veegt. Hij kijkt naar de groep. Ze zijn doorweekt, trillend van de kou en de adrenaline, maar ze zijn er. Samen.
Hij draait zich om naar de gapende zwarte muil van de grot. De lucht die eruit stroomt is niet koud en vochtig, zoals je zou verwachten, maar droog en ruikt naar rook en oud stof. Een tochtstroom die aanvoelt als een zucht uit het verleden. Wolf haalt diep adem, zet zijn zaklamp aan en schijnt de duisternis in. De lichtbundel verdwijnt in het niets. "Kom," zegt hij, zijn stem hol in de stenen ruimte. "We moeten dieper de grot in." Hij zet de eerste stap de duisternis in. Simone, Marianne en Lucas volgen hem, weg van de storm, de ingewanden van de aarde in.
WOLF, SIMONE, LUCAS en MARIANNE
De oude Land Rover kreunt en steunt alsof het de wagen zelf pijn heeft. De motor brult in een lage versnelling terwijl de banden wanhopig zoeken naar grip in de modderige sporen die al jaren niet meer zijn gebruikt. Takken slaan als zwepen tegen de zijkant van de auto, een onophoudelijk, agressief ritme dat de inzittenden doet krimpen.
Binnen in de cabine heerst een gespannen, klamme stilte. De verwarming blaast alleen maar lauwe, vochtige lucht naar binnen, waardoor de ruiten steeds opnieuw beslaan. Wolf zit voorin, zijn lichaam strak gespannen. Hij veegt met zijn mouw een kijkgat in de voorruit en tuurt de duisternis in. Het is pas laat in de middag, maar onder het dichtgeweven bladerdak van het Bos van Brotonne is het al schemerig. De eeuwenoude eiken en beuken staan hier zo dicht op elkaar dat ze een tunnel vormen, een groene keel die hen langzaam opslokt.
"We rijden nu al twee uur stapvoets," zegt Wolf, zijn stem schor. "Weet je zeker dat we goed zitten?" Lucas omklemt het stuur met beide handen, zijn knokkels zijn wit. Hij stuurt de logge wagen behendig om een diepe kuil heen, maar kan niet voorkomen dat de achterkant wegglijdt. "Volgens de kaart van mijn opa wel," gromt hij, zonder zijn blik van het modderspoor af te wenden. "We moeten de oude houtvestersroute volgen tot de Oude Eik."
"Ben je hier ooit zelf geweest?" vraagt Wolf. Hij kijkt opzij naar Lucas, die zweetdruppels op zijn voorhoofd heeft staan ondanks de kilte. Lucas aarzelt even voordat hij antwoordt. "Nee. Niemand komt hier, Wolf. De lokale jagers mijden dit stuk van het bos. Ze zeggen dat kompassen hier op hol slaan en honden weigeren het spoor te volgen. Ik weet ongeveer waar het moet zijn, op basis van de coördinaten in het boekje, maar het terrein..." Hij schudt zijn hoofd. "De kaart is vijftig jaar oud. Het bos verandert."
Achterin houdt Marianne de hand van haar oude vriendin stevig vast. Simone deinst mee op het ruwe ritme van de auto, haar ogen gesloten, haar hoofd lichtjes wiegend. Ze prevelt zachtjes in zichzelf, onverstaanbare woorden die verloren gaan in het geraas van de motor en de donder die boven de boomtoppen rolt.
"Het voelt hier... oud," fluistert Marianne, en ze trekt haar jas dichter om zich heen, alsof de kou van binnenuit komt. "Alsof we bekeken worden." Simone schrikt op. Haar ogen schieten open en ze grijpt de hoofdsteun van Wolfs stoel vast met een kracht die je niet van haar broze handen zou verwachten. "Ze luisteren," sist ze, haar stem hees maar angstaanjagend helder. "Marleen zei het al. De bomen hier zijn niet van hout alleen. Ze zijn de wachters." Wolf kijkt naar buiten, de duisternis in. Wat hij eerst aanzag voor grillige schaduwen, krijgt nu een andere vorm. In het zwakke, zwiepende schijnsel van de koplampen lijken de stammen inderdaad niet op gewone bomen. Ze zijn vreemd verdraaid, alsof ze in een eeuwige kramp zijn gestold. De bast is niet bruin, maar grauw en bedekt met dikke, druipende lagen mos die als lange baarden naar beneden hangen.
Het zijn de wortels die Wolf het meest verontrusten. Ze kronkelen niet zomaar over de grond; ze lijken over het pad te kruipen als verstenen slangen, alsof ze proberen de wielen van de Land Rover te grijpen en hen de aarde in te trekken. Elke tak die tegen het raam slaat, voelt niet meer als toeval, maar als een bewuste poging hen te stoppen. "Rij door," fluistert Simone dwingend. "Kijk ze niet aan."
"STOP!" brult Wolf plotseling. Lucas stampt instinctief op de rem. De zware auto glijdt door in de blubber, de wielen blokkeren, en met een misselijkmakende slip komt het gevaarte tot stilstand, de neus net langs een diepe geul. "Wat is er?" hijgt Lucas, zijn hartslag is zichtbaar in zijn hals. "De weg," zegt Wolf, wijzend naar de modderpoel voor hen. "Hij houdt op. Er is niets meer." Voor hen ligt een ondoordringbare muur van kreupelhout en omgevallen stammen. Een enorme beuk, zo dik als de auto zelf, ligt dwars over wat ooit een pad moet zijn geweest. De stam is half weggerot en overwoekerd door varens die bijna licht lijken te geven in de schemering. "Dit klopt niet," zegt Lucas. Hij slaat met zijn vlakke hand op het stuur. "De kaart zei dat het pad doorliep tot aan de rand van de vallei."
"Je kaart is waardeloos," bijt Wolf hem toe. De spanning in de kleine cabine stijgt tot een kookpunt. "We zitten vast in een moeras, Lucas. Weet je überhaupt wel waar we zijn?" "De bron moet daar ergens liggen," verdedigt Lucas zich, maar zijn stem slaat over. Hij wijst vaag naar het oosten, waar het bos nog dichter en donkerder lijkt. "De coördinaten... de helling van het terrein..." "Hoe zeker weet je dat?" vraagt Marianne met trillende stem. "Het wordt donker. Als we hier verdwalen..." "Ik weet het niet honderd procent zeker, oké?" snauwt Lucas terug, de angst in zijn ogen nu duidelijk zichtbaar. "Maar we kunnen niet terug. Keren is onmogelijk op dit pad." Wolf kijkt naar buiten. De stilte die volgt op het afzetten van de motor is zwaar en drukkend. Geen vogels. Geen krekels. Alleen het suizen van de wind in de toppen, als een diepe ademhaling van het woud zelf. "We gaan lopen," beslist Wolf. "We hebben geen keus."
Ze stappen uit in de storm. De overgang is als een fysieke klap. De kou is hier indringender dan bij de rivier; het is een vochtige, klamme kilte die direct door hun kleren heen snijdt en in hun botten gaat zitten. De grond onder hun voeten is zompig, een mengsel van rottende bladeren en modder die naar verval ruikt. Maar het is de lucht die Wolfs aandacht trekt. Het voelt alsof de atmosfeer onder hoogspanning staat.
Wolf loopt om de auto heen en opent het portier voor Simone. Ze stapt uit, haar bewegingen stram maar vastberaden. Zodra haar voeten de grond raken, plant ze haar wandelstok met kracht in de aarde. "De storm hangt niet zomaar boven ons," zegt Simone zacht, terwijl zij naar de onzichtbare hemel staart. "Hij wacht op ons. De ontlading kan elk moment komen. Eén vonk is genoeg om dit hele bos in lichterlaaie te zetten."
De dreiging in haar stem hangt zwaar in de lucht, zwaarder dan de vochtige nevel die hen omringt. Lucas deinst onwillekeurig een stap terug, dichter naar de veilige massa van de Land Rover. Zijn ogen schieten van de donkere boomtoppen naar de ondoordringbare wildernis voor hen. "Misschien moeten we wachten," fluistert hij. "In de auto blijven tot het ergste voorbij is. Dit is zelfmoord."
De stilte die daarop volgt wordt niet verbroken door Wolf, maar door het tikken van de stok van Simone op een steen in de modder. Tik. Tik. Tik. "Wijs de weg," zegt ze. Haar stem is zacht, maar snijdt door de wind heen. Ze kijkt niet naar de lucht, niet naar de bliksemflitsen die nu in de verte de horizon oplichten. Ze kijkt alleen naar Lucas. In haar ogen ziet Wolf geen angst voor de storm, alleen een angstaanjagende, absolute berusting.
Lucas slikt. Hij kijkt naar Wolf voor steun, maar Wolfs gezicht staat strak. "Je hoorde haar," zegt Wolf. "Welke kant op?" Lucas haalt diep adem, pakt een oud militair kompas uit zijn zak en klapt het open. De naald tolt wild in het rond, alsof hij dronken is. "Dat dacht ik al," mompelt hij. Hij stopt het ding weg en wijst vaag de duisternis in. "De helling... Misschien daar," zegt hij, en de twijfel druipt van elk woord.
Ze vertrekken zonder hoop, gedreven door pure noodzaak. De wandeling is een gevecht. Elke meter moet worden veroverd op het bos. Er is geen pad. Ze moeten zich een weg banen door varens die tot hun middel reiken en natte zware bladeren die aan hun benen plakken. Minuten worden een kwartier. Een kwartier wordt een half uur. De kou vreet zich een weg naar binnen. Marianne struikelt en valt hard in de modder, snikkend van uitputting. Wolf helpt haar overeind, maar hij voelt zijn eigen krachten ook wegebben.
"We moeten terug," hijgt Lucas, die even stopt om op adem te komen tegen een boomstam. "Dit heeft geen zin. We lopen in cirkels. Ik herken deze boom." Wolf kijkt om zich heen. Elke boom lijkt op de vorige. De twijfel begint te knagen. Lucas had gelijk. Ze lopen blind. Ze zijn verdwaald in een groen vagevuur.
"Gebruik het amulet, Wolf," sist Simone plotseling. Haar stem is veranderd. Het is niet meer de stem van een breekbare oude vrouw; het klinkt als dor hout dat breekt onder spanning, oud en dwingend. Wolf kijkt haar verbaasd aan. "Het amulet? Maar ik weet niet hoe..." "De sleutel past niet alleen op een slot, maar ook op de weg," onderbreekt ze hem fel. Ze wijst met haar stok naar zijn borst. "Het metaal herinnert zich wat jij vergeten bent. Gebruik het!"
Wolf tast naar zijn borst. Hij trekt het ijzeren amulet onder zijn shirt vandaan. Het voelt niet koud aan, zoals hij had verwacht, maar gloeiend heet. Het brandt in zijn handpalm. Hij sluit zijn ogen en klemt zijn vuist om het metaal. In de duisternis van zijn gedachten wellen woorden op. Woorden die hij nooit geleerd heeft, maar die plotseling op het puntje van zijn tong liggen alsof hij ze al eeuwen kent.
"Sator arepo tenet opera rotas," fluistert hij. De wind om hen heen valt plotseling stil, alsof het bos zijn adem inhoudt. Wolf opent zijn ogen en roept het luider, recht tegen de dreigende hemel in: "SATOR AREPO TENET OPERA ROTAS!"
KRAK-BOEM! De hemel antwoordt met bruut geweld. Een verblindende, violette bliksemschicht schiet omlaag, rechter en feller dan alles wat ze tot nu toe hebben gezien. Hij slaat met een oorverdovende knal in op een gigantische eik, nog geen vijftig meter verderop. Het geluid is fysiek, een dreun tegen hun borstkas die hen bijna omverblaast. De geur van ozon is verstikkend. Wolf slaat zijn arm voor zijn ogen tegen de rondvliegende houtsplinters.
Als hij weer kijkt, ziet hij de ravage. De eik, die er seconden geleden nog stond als een onneembare vesting, is dwars doormidden gespleten. De twee helften vallen krakend uit elkaar, zwartgeblakerd en rokend. Tussen de verkoolde resten is een opening ontstaan waar eerst een muur van hout was. De binnenkant van de boom smeult en vormt een perfecte pijl van vuur en rook.
"Daar!" schreeuwt Wolf boven de donder uit. Door de rokende spleet van de eik zien ze het ineens: de afgrond. Ze stonden er vlakbij, maar het kreupelhout had het zicht ontnomen. "De rand van de vallei," hijgt Lucas, bleek weggetrokken. "We liepen er recht op af." Ze haasten zich naar de gespleten boom. De hitte straalt er nog vanaf. Voorbij de boom valt de grond steil naar beneden. Beneden, zeker dertig meter dieper, ligt 'La Source Oubliée'. Het is precies zoals het vers beschreef. Een waterval stort zich vanuit de rotswand naar beneden, en valt in een volmaakt rond meer – een zinkgat dat eruitziet als een zwart oog.
Wolf haalt diep adem. "Naar beneden," zegt hij. "Snel. Voordat de storm verder trekt." De afdaling is een martelgang. Het smalle richelpad dat langs de wand van de kloof naar beneden slingert, is veranderd in een modderglijbaan. Wolf gaat voorop, elke stap testend. Achter hem komt Simone, die zich met trillende handen vastklampt aan uitstekende wortels en rotsblokken.
"Hou vol," roept Wolf boven het geraas van de waterval uit. Maar de natuur is genadeloos. Halverwege glijdt Marianne uit. Ze slaakt een gil en schuift meters naar beneden, haar nagels graven in de natte aarde. Lucas, die achter haar loopt, duikt naar voren en weet haar net bij haar jas te grijpen voordat ze over de rand van een steile uitloper verdwijnt. Ze blijven even hangen, hijgend, de modder in hun ogen en mond.
"Gaat het?" schreeuwt Lucas. Marianne knikt, haar gezicht is wit van schrik en besmeurd met zwarte aarde. Ze krabbelt overeind, haar benen trillen ongecontroleerd.
Ook Simone heeft het zwaar. Haar wandelstok biedt nauwelijks steun op de gladde stenen. Wolf moet haar meermaals opvangen als haar knieën dreigen te bezwijken. Ze hijgt zwaar, een reutelend geluid diep in haar borst, maar haar ogen blijven gefixeerd op het meer beneden. Ze weigert op te geven.
Het laatste stuk is het steilst. Ze moeten zich laten zakken aan een dikke klimopwortel. Wolf springt als eerste en vangt de anderen één voor één op. Ze landen in de zompige oevergrond, doorweekt, beurs en uitgeput.
Beneden in de kloof is de storm angstaanjagend. Opgesloten tussen de hoge rotswanden klinkt de donder niet als gerommel, maar als kanonschoten die continu worden afgevuurd. De lucht trilt van de energie. Elk haar op hun lichaam staat overeind. De regen valt hier niet, hij wordt door de wind in kolkende vlagen rondgesmeten, waardoor het zicht bijna nihil is. Het meer is zwart en onheilspellend. Het water klotst wild tegen de oevers, opgezweept door de wind. In het midden stort de waterval zich met geweld naar beneden, een wit gordijn dat verdwijnt in de duisternis.
"We zijn er," hijgt Lucas, terwijl hij het zweet en de regen van zijn voorhoofd veegt. Hij moet schreeuwen om boven het lawaai uit te komen. "Maar wat nu?” Wolf staart naar de waterval. Hij zoekt naar de 'zilveren boog' uit het lied, maar hij ziet alleen maar chaos. Het vers bonst door zijn hoofd. Zoek de boog die blind is voor het licht.
"De eik," zegt Simone plotseling, en ze wijst omhoog met haar stok. Boven hen, aan de rand van de afgrond waar ze vandaan kwamen, staat de gespleten eik nog steeds na te smeulen. Een laatste vonk valt naar beneden, een gloeiend puntje dat dooft in het water. Op dat moment scheurt de lucht opnieuw open. Een tweede bliksemschicht, nog feller dan de eerste, verlicht de kloof met een verblindend blauw-wit licht. De flits is zo intens dat hij dwars door het watergordijn van de waterval lijkt te branden.
En in die fractie van een seconde ziet Wolf het. Achter de waterval, verborgen door het vallende water en de eeuwige schaduw, is een structuur zichtbaar. Geen lichtboog, geen regenboog. Het is steen. Het felle licht onthult een perfecte, stenen boog die in de rotswand achter de waterval is uitgehouwen. Het is oud, ouder dan de abdij, ouder dan de Romeinse wegen. De stenen zijn glad en zwart, en de opening erachter is een gapend gat van absolute duisternis.
"Daar!" schreeuwt Wolf, wijzend naar het watergordijn. "Het is geen lichtverschijnsel. Het is een ingang! Achter het water!" "De boog die blind is voor het licht," fluistert Marianne, haar ogen wijd van angst en ontzag. "Hij is alleen zichtbaar als de bliksem er recht in schijnt." "Een grot," zegt Lucas, die met open mond naar het water staart. "Er zijn legendes over... oude smokkelroutes, dachten we. Maar dit..." Wolf aarzelt geen seconde. Hij waadt het water in. Het is ijskoud en reikt al snel tot zijn middel. Hij voelt de stroming aan zijn benen trekken, maar hij zet door.
Hij kijkt om. De anderen staan nog op de oever, rillend en onzeker. "Kom!" brult hij tegen de wind in. "We moeten erdoorheen! Allemaal!" Simone is de eerste die beweegt. Ze strompelt het water in, haar stok nutteloos in de modderige bodem. Lucas grijpt haar ene arm, Marianne de andere. Samen waden ze achter Wolf aan, vechtend tegen de stroming en de kou die hun adem afsnijdt.
Het watergordijn torent boven hen uit als een muur. Het geluid van het vallende water is oorverdovend. "Nu!" schreeuwt Wolf. Hij duikt door de waterval heen. De klap van het water op zijn schouders is zwaar, als een hamer, maar dan breekt hij erdoorheen. Hij landt op harde steen. Hij draait zich direct om en steekt zijn handen uit door het watergordijn. Hij grijpt de hand van Simone en trekt haar met een ruk naar binnen. Lucas en Marianne volgen, struikelend en hoestend.
Ze staan op een smalle, droge richel achter de waterval. Het geraas van het water is hier dof, als een verre trein. Voor hen, uitgehouwen in de levende rots, staat de boog. Er staan inscripties in de stenen, verweerd maar herkenbaar. Spiralen. Ogen. En boven de boog, in ruwe tekens: SPECU DEORUM. "De Grot van de Goden," vertaalt Wolf, terwijl hij het water uit zijn ogen veegt. Hij kijkt naar de groep. Ze zijn doorweekt, trillend van de kou en de adrenaline, maar ze zijn er. Samen.
Hij draait zich om naar de gapende zwarte muil van de grot. De lucht die eruit stroomt is niet koud en vochtig, zoals je zou verwachten, maar droog en ruikt naar rook en oud stof. Een tochtstroom die aanvoelt als een zucht uit het verleden. Wolf haalt diep adem, zet zijn zaklamp aan en schijnt de duisternis in. De lichtbundel verdwijnt in het niets. "Kom," zegt hij, zijn stem hol in de stenen ruimte. "We moeten dieper de grot in." Hij zet de eerste stap de duisternis in. Simone, Marianne en Lucas volgen hem, weg van de storm, de ingewanden van de aarde in.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
