Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Keith
Datum: 14-01-2026 | Cijfer: 9.7 | Gelezen: 1033
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 33 minuten | Lezers Online: 5
Trefwoord(en): Fietsen,
Fietsen...
Zondag begon lekker luxe! Ik werd gewekt met een heus ontbijt-op-bed. Koffie, een gekookt eitje, beschuitjes en geroosterde boterhammen. “Goedemorgen mevrouw Peters… Kom eens overeind. Lekker eten.” Ik rekte me uit en ging zitten. “Oei… Lang geleden dat ik op deze manier werd gewekt…” Ik gaf Frank een zoen. “Mag je vaker doen!”

Frank lachte ondeugend. “Oh ja? Als we dan afspreken dat jij minder vaak de strenge mevrouw uit gaat hangen?” Ik protesteerde. “Die heb jij nog helemaal niet ontmoet, Frankieboy! Anders zou je niet zo makkelijk gaan zitten!” Hij keek gespeeld somber. “Dat zal ik vanavond toch niet. Na een fietstocht met jou?” Ik lachte hem uit. “Nounou… Is het zó slecht gesteld met je conditie? Dat tochtjes van vorige week zondag, die 70 kilometer, voelde ik maandag niet meer, hoor. Watje.” Hij bromde: “Maar jij hebt een extra motor op je fiets, dame. Ik moet alles zelf doen.” “Klopt. Maar jouw fiets is een stuk lichter dan die van mij, vriend.” Frank had een racefiets. “Nou, we zien wel. Ondertussen zit ik je al weer af te katten en dat is niet zo leuk voor iemand die zo vroeg is opgestaan om een lekker ontbijtje voor me te maken.. Sorry.” “En zó vroeg is het nou ook weer niet, Gon. Het is half negen.”

Ik keek op mijn horloge, wat op het nachtkastje lag. “Verhip… Ja, geen gordijnen waar de zon doorheen piept. Nou ja, half negen is voor een zondag een prima tijd om op te staan.” Frank knikte. “Ja. Nu lekker eten, dan je nette kleren aan en dan zijn we nog nét op tijd voor de kerk.” “Kerk?” “Ja, die is hier niet zover hoor. Bij de pannenkoeken rechtdoor en na tweehonderd meter linksaf. Een mooi kerkje.” Hij knipoogde. “Uiterst geschikt als trouwlocatie.”

Ik schoot in de lach en proestte bijna mijn koffie over het bed heen. Frank keek vragend. “Nounou, daar hoef je toch niet zo van te schrikken? Volgens mij hadden we het onderwerp ‘trouwen’ vrij recent nog besproken, toch? Ik kan me ten minste vaag herinneren dat jij, op één fraaie knie gezeten, me vroeg of ik me je wilde trouwen. Of was dat een nachtmerrie?” Ik gromde. “Niks geen nachtmerrie! En jouw antwoord ook niet, vriend. Je zei nogal enthousiast ‘Já!’ Nee, ik herinnerde me plotseling waar ik vorige week zondag op de fiets over zat te filosoferen…

Ik reed in de Betuwe, bij Kesteren, en kwam daar een stel kerkgangers tegen. Een stel van een jaar of veertig, hij in stemmig pak, zij in een nette en vooral niet te korte jurk of rok, twee meisjes van basisschoolleeftijd er bij, uiteraard nette rokjes aan…” Frank onderbrak me. “Dát stel ik dan wel weer op prijs…” “Smeerlap. En ik dacht aan een liedje van Rob de Nijs. ‘Malle Babbe’. Waarin hij zingt over een hoer die er naar verlangt ooit óók als bruid in een kerk te staan. ‘Met linten aan m’n rok’. Maar waarin hij ook en passant een sneer geeft aan de zogenaamd vrome kerkganger die ’s avonds bij haar aan zijn erotische trekken komt en ’s Zondags ‘...stijf als een houten plank’ in de kerk zit en ‘z’n zuinige cent in het zakje doet, bang voor de duvel en bang voor zijn wijf’.

En aan zo’n man dacht ik, totdat die meneer me vriendelijk waarschuwde dat ik bijna m’n fietspomp verloor. En toen ik het ding weer netjes in de fietstas had opgeborgen heb ik hen bedankt, ze een fijne zondag en gezegende kerkgang toegewenst. Ze bedankten vriendelijk en die meisjes zwaaiden lief naar die fietsende mevrouw… Toen dacht ik wat milder over dat soort strenge kerkgangers.”

Frank knikte. “Ik begrijp het, na al die verhalen uit Terschuur. En ja, in onze kerk in Heelsum, waar ik ben opgegroeid, waren ook een paar best wel orthodoxe kerkgangers. Maar over het algemeen… ‘gewone’ mensen. Met hun twijfels, hun verlangens. En die er niet mee zaten om, ook op zondag, op de fiets te klimmen en een stuk te gaan fietsen in de mooie natuur. En laat ik vooral niet vergeten: mijn vader moest op zondag ook regelmatig werken.”

Ik knikte. “Gien ook, als er weer ergens storing in een systeem was. Zij nam de meeste storingsdiensten op zondag voor haar rekening, toen wij eenmaal oud genoeg waren. “De collega’s hebben allemaal jongere kinderen”, zei ze op een gegeven moment. “Jullie kunnen op jezelf passen; als je kinderen hebt die nog op de basisschool zitten, moet je samen met je kinderen leuke dingen doen.” Frank keek onschuldig. “Ja. En jullie deden die ‘leuke dingen’ na je veertiende wel met elkaar…”

Mijn ogen schoten vuur. “Rótzak!” Hij schoot in de lach. “Háp…” Ik sputterde: “En jou heb ik een aanzoek gedaan? Ik denk dat ik dat maar weer intrek. Met je vuile opmerkingen, verdorie…” Hij knuffelde me even. “Ik heb gisteren een goeie stoomcursus ‘smerige opmerkingen maken’ gehad, schat. Volgens mij ben ik geslaagd. Maarre… Die linten aan je rok? Wil je in de kerk trouwen?”

Ik keek twijfelend. “Wij zijn niet opgevoed met geloof, Frank. Bovendien: áls religie ter sprake kwam: we woonden in Born. Niet helemaal Zuid-Limburg, maar over het algemeen wel een Katholieke omgeving. En laat dat nou nét de kerk zijn waar wij geen fijne gedachten bij hadden… Priesters die dingen deden bij jonge jongens, of meisjes. En dan plotseling ‘overgeplaatst’ werden, zodat alles met de mantel der liefde toegedekt kon worden. En ze in hun nieuwe plaats weer vrolijk verder konden gaan… Nee, niet mijn soort van geloof. En van wierook moet ik enorm niezen.”

Ik keek hem aan. “Frank, áls ik voor de kerk trouw, wil ik er ook achter staan. En niet omdat ik het fotoalbum helemaal compleet en volmaakt wil hebben. En wat grinnik je nou?” Hij grijnsde weer eens. “Je hebt leuke woordspelingen, Gon. ‘Als ik voor de kerk trouw, wil ik er ook achter staan…’ Wil wil je nou? Er voor of er achter? Wees eens duidelijk…” Ik zuchtte. “Je begrijpt best wat ik bedoel, Frank Veenstra.”

Hij gaf me een lange zoen. “Ja, ik begrijp je prima. En je standpunt waardeer ik enorm. Geen schijnheilig gedoe voor het mooie plaatje. Ook als dat het plaatje van het best wel pittoreske kerkje in Schaarsbergen is.” Ik knikte. Rustig aten we verder. Een beetje kletsen, soms een stilte… Het voelde prima. En met het ontbijt op kleedden we ons aan: spijkerbroek, bloes, gewone schoenen… “Thuis kleed ik me wel in fietskleren om, Frank.” Hij keek belangstellend. “En hoe ziet dat er uit? Een kort wielrenrokje, panty, naaldhakken en een blouse met diep decolleté? Lekker hoor…” Ik mopperde: “Een kort wielrenrokje? Heb je Leontien van Moorsel wel eens in een kort rokje op de fiets zien zitten? Ik niet hoor. Mijn fietstenue is met dit weer: trainingspak en gymschoenen. En als ik het een beetje warm krijg: onder die trainingsbroek zit een wielrenbroek met pijpjes tot halverwege mijn, op dat moment wat minder charmante, bovenbenen en de mouwen van mijn trainingsjasje gaan omhoog tot de ellebogen. En vooruit: de rits van het jasje gaat iets verder naar beneden. Voor de ventilatie, zeg maar.”

Frank grinnikte. “Jij gaat het warm krijgen vandaag, dame.” Ik trok een nuffig gezicht. “Nee hoor. Dan zet ik gewoon de trapondersteuning op maximaal. Jij als een dolle pompen op die fiets van je en ik glij als een prinsesje zo moeiteloos over ’s heren wegen.” “We gaan het zien, mevrouw Peters… we gaan het zien. En nu: klaar met aankleden? Ik hang die fietsendrager op de trekhaak, laad mijn fiets er op en dan rijden we richting Renkum.” Zo gezegd, zo gedaan en een half uurtje later reden we Renkum binnen. Frank haalde zijn racefiets van de fietsendrager en zette hem in de achtertuin neer. Ik liep ondertussen naar boven en kleedde me om. Bidon met water vullen, fietsnavigatie mee…

“Waar gaan we heen, Frank?” Hij grijnsde langzaam en ik keek verontrust. “Jij lacht wel heel gemeen, vriend Veenstra! Vertel op, wat heb jij voor smerige plannen?” Hij zei maar één woord. “Posbank.”

Kák…Uitgerekend het gebied waar ik gezwóren had nooit meer te gaan fietsen. Vorige zomer was ik daar geweest en was bijna van de weg gefietst door wielrenners, lui op speedpedelecs en tot overmaat van ramp: fatbikes. Het was prima fietsweer geweest, dus loeidruk daar. En dat zei ik dus ook tegen Frank. “Gaan we niet doen. Ik ken makkelijker manieren om van de weg afgedrukt te worden. Véél te druk daar.” Hij keek verongelijkt. “Nee Frank. Vorig jaar heb ik daar één keer gefietst en ben vier keer bijna van de weg gerost. Op de Posbank kom ik alleen nog maar in een hele stevige auto met een dikke, stalen bullbar voorop. Zo’n ding waarmee Mariëlle rijdt. En iedereen die mij denkt in de weg te kunnen rijden, krijgt een tikkie van me. Voor de duidelijkheid: met die bullbar, niet via de telefoon.”

Hij zuchtte. “Oké, jij je zin. Posbank: no go. Waar dan wél?” Ik dacht even na. “Beek bij Nijmegen. De Waalbrug over, dan linksaf langs Ubbergen en bij Beek omhoog langs… hoe heet dat verzorgingstehuis ook alweer? Kalorama. Dan bovenlangs richting Wyler rijden, iets drinken bij, jawel: pannenkoekenrestaurant ‘De Duivelsberg’, vervolgens doorrijden naar Wyler, dáár rechtsaf naar Groesbeek en via de Zevenheuvelenweg terug naar Nijmegen. En daar kunnen we kiezen uit vier bruggen: wederom de oude Waalbrug, de spoorbrug waar ze een fietspad naast hebben gelegd, de brug ‘De Oversteek’ of we rijden door naar Ewijk, steken daar de Waal over en via Andelst, Zetten en Randwijk richting Rijn. En daar kunnen weer kiezen: óf via het fietspad langs de A50 de Rijn over, óf met de veerpont tussen Randwijk en Wageningen óf het fietspontje bij Parenco. En eenmaal thuis ga ik lekker met de pootjes omhoog op de bank liggen en moet jij je fiets nog op de drager zetten en terugrijden naar Schaarsbergen. Al met al ook iets meer dan 70 kilometer met een paar leuke hellinkjes.”

Hij keek verbluft. “Hoe…” “Omdat ik dat rondje, ook vorig jaar al eens gefietst heb, bikkel van me. En dat was ten eerste mooi en ten twee een prima afstand. En de koffie met appelgebak was ook van goeie kwaliteit…” Hij zuchtte. “En ik had een rondje Posbank in gedachten… Rustig erheen rijden, een paar klimmetjes pakken en dan weer soepel terug. 45 kilometer. Jij maakt er meteen het dubbele van.” “Hoho… Twee keer vijfenveertig is negentig. Geen zeventig. Niet overdrijven.” Hij zuchtte. “Oké… Het wordt Nijmegen en zo.” Ik keek gemeen. “Prima. Scheelt me veel knoppenbonken op die navigatie; volgens mij stond dat rondje nog in het geheugen…” Ik pakte het ding en JA! “We kunnen, schat.”

Hij schudde het hoofd. “Je bent diep in je hart een streng, rossig krengetje, Gonnie Peeters. Met je ‘een lekker stukje fietsen’. Verdorie.” “Een paar lui bij De Weever zullen het na woensdag vast me je eens zijn, Frank. En die hebben nog mazzel: ze hoeven niet met Gon Peters te fietsen. En nu: overeind en naar buiten!” Ik sloot af en even later fietsten we richting Oosterbeek. Onderlangs kasteel Doorwerth en even later Westerbouwing. Ik wilde doorrijden naar Arnhem om daar de Rijn over te steken, maar Frank wees me op het Drielse Veer. Daar staken we Rijn over om via Driel, Elst en Lent uiteindelijk de Waalbrug bij Nijmegen over te steken.

En na de brug naar rechts, om via het Hunnerpark weer onder de brug door te gaan, de weg evenwijdig aan de N325 volgend. Die was redelijk rustig en we konden lekker doortrappen. Mijn snelheidsmeter wees onveranderd 28 aan; de navigatie had een minder optimistisch kijk op de snelheid: die liet 26,4 zien voordat de trapondersteuning aangaf dat ik het zelf maar mocht gaan doen. Nou ja, prima; die ondersteuning stond tot nu toe in de lichtste stand: een heel licht duwtje in de rug. En Frank pompte lekker door, had geen last, dus we kletsten lekker wat af onderweg. Bij Ubbergen moesten we via een loopbrug de N325 over en gingen we in de bebouwde kom verder richting Beek.

Ik reed nu voorop, Frank er achter. Té druk en te smal om naast elkaar te rijden. Ik moest opletten; bij een T-splitsing moesten we rechtsaf, voor een groot wit huis langs… Gon, muts dat je bent! Je hebt een levensgrote bewegende kaart voor je toet! Even later stond ‘Kleve’ naar rechts aangegeven, evenals ‘Groesbeek’. Mooi… Nu moest de trapondersteuning harder gaan werken, wist ik: dit weggetje ging steil omhoog! Ik wenkte dat Frank me moest passeren. “Geef jij nu het tempo maar aan. Bovenaan, op de T-splitsing linksaf richting Groesbeek.” Hij knikte, schakelde terug en verdorie! Hij zette er behoorlijk de sokken in! De trapondersteuning ging bij mij op ‘Sport’ en ik kon hem niet bijhouden! Helling op en nóg reed de rotzak sneller dan ik. Zonder trapondersteuning.

Ik zette een tandje bij, maar even later zei de fiets: ‘Als jij zo hard helling op wil is dat prima, maar reken even niet op mij!’ en de trapondersteuning viel uit. En meteen kakte mijn snelheid in van 28 kilometer per uur naar 15. Terugschakelen… en weer vaart maken, Gon! Alleen nu niet sneller dan 26! En Frank, de rotzak, was al uit het zicht verdwenen… Tot zover de hoffelijkheid van meneer Veenstra, verdorie. Enfin, ik was allang blij met de elektromotor, dat scheelde in ieder geval nogal wat zweet. Want zelfs nu zweette ik al! Eenmaal boven stond Frank doodkalm op de kruising te wachten, een brede lach op zijn gezicht. “Ik had gedacht dat je me wel voorbij zou komen stuiven, schatje.” Ik bromde: "Pestkop. Je betaalt je eigen kop koffie met appeltaart maar.” Ik wees. “Deze weg rechtdoor blijven rijden. Voorbij park ‘Tivoli’ rij ik weer voorop, dan is het niet ver meer naar de afslag richting koffie.”

En bij die afslag moesten we wachten, want het was druk met rechtdoorgaand verkeer. Logisch; een paar kilometer verderop zat een tankstation met ‘Duitse’ benzineprijzen. Maar eenmaal op de gravelweg naar het restaurant werd het rustiger. Ook deze weg ging redelijk omhoog, maar omdat mijn fiets stevige banden had, kon ik nu makkelijker fietsen dan Frank op z’n racebandjes. Een halverwege stapte hij af. “” Geen zin in een lekke band, Gon. Dit is me iets te link.”

Ik stapte ook af en we liepen de laatste driehonderd meter. Bij het restaurant was het druk, maar we konden nog een plaatsje op het terras bemachtigen. En even later, met een groot glas fris voor ons, zaten we even uit te hijgen. Ik deed m’n trainingsjasje uit; het T-shirt er onder was nogal vochtig. “Poeh… Best wel gezweet.” Frank boog zich voorover en zei zachtjes: “Zo’n sportbeha is toch maar een saai kledingstuk, Gon…” Mijn ogen fonkelden en ik zei even zacht: “En jij dacht dat ik zou gaan fietsen met sexy lingerie onder mijn trainingspak? Zo’n dun behaatje en een string? When hell freezes over, vriendje.” “Nou, dat lijkt me dan weer een prima recept voor een longontsteking. Geen goed plan.” Ik keek om me heen: er zaten meer fietsers op het terras en die hadden vrijwel allemaal wielrenbroeken aan, ook de dames. “Zo dadelijk, als we verder gaan, doe ik die trainingsbroek wel uit, schatje. Maar dan wel het verkeer blijven letten hé? Niet op mijn meer dan volmaakte benen!” Hij knipoogde. “Garantie tot aan het einde van het terras, Gon.”

Een kwartier later rekende ik af, ging nog even naar het toilet en vulde mijn bidon weer. Die was al half leeg. Trainingsbroek uit… Met het ding in de hand kwam ik in wielrenbroek terug bij Frank en die floot zachtjes. “Kom, volgende etappe, mooie vent. We liepen naar de fietsen. Wéér een stuk lopen naar de verharde weg en daar stapten we weer op. Achter elkaar, want het was nog steeds druk en de weg was niet al te breed; als het tegenliggers kwamen, moesten de auto’s op de ‘fietssuggestiestrook’ rijden. En daar reden wij dus ook, netjes achter elkaar. En voor sommige automobilisten duidelijk te langzaam; er werd op een gegeven moment ongeduldig geclaxonneerd achter ons.

Ja, denk je nou écht dat wij de berm induiken zodat jij door kan scheuren? Wat denk je zelf? De auto die toeterde reed ons na de tegenligger met hoge toeren voorbij en de knul achter het stuur stak nog even zijn middelvinger naar me op. Ja, dat zou je wel willen, kereltje… Maar: ‘karma is a bitch’, zeggen de Engelsen terecht. Een kilometer verder stond de auto met de neus in een greppel in de berm, tegen een boom. Stoom kwam onder de motorkap vandaan, dus in ieder geval een lekke radiator. De bestuurder, een knul van een hooguit twintig, kroop via het raam aan de bestuurderskant er uit. Ik remde om te kijken of alles oké was, maar Frank snauwde: “Doorfietsen!” Hij zou er wel een reden voor hebben… Een paar honderd meter verderop, vlak voor Wyler, sloegen we rechtsaf. En weer honderd meter verder was een kleine parkeerplaats. Daar stopten we even.

“Waarom moest ik doorfietsen, Frank?” Hij keek grimmig. “Meneertje is waarschijnlijk woest. Waarom hij in de berm terecht gekomen is, is me niet duidelijk, maar ik denk dat hij zijn opgelopen achterstand die wij natuurlijk veroorzaakt hebben, wilde inhalen. Tja, en als je een bocht te laat ziet… Enfin, hij zal wel voor even aan het verkeer onttrokken zijn; die auto doet niet zo veel meer. Radiator kaduuk, een voorwiel stond onder een nare hoek, half onder de auto gevouwen… Die is waarschijnlijk afgeschreven. En ik heb geen trek om onderwerp te zijn van zijn frustratie en woede. Hij bewoog nog, ik zag geen bloed, dus zo erg is het allemaal niet.” Ik twijfelde en dat zag hij. “Gon, die knul is op dit moment helemaal uit z’n bol. Alles en iedereen die hem benadert krijgt de wind van voren en met een beetje begint hij nog te meppen ook. Ik heb daar geen zin in. Ja, ik kan zo’n knul meestal wel de baas met judo, maar het was vandaag de bedoeling dat we een lekker stukje gingen fietsen. En niet gingen knokken.” Ik twijfelde nog steeds een beetje, maar… Verdorie, ik had ook geen zin om een mooie dag te laten verzieken door zo’n knulletje.

“Sorry Frank. Je hebt gelijk.” Een zoen bezegelde dat. Hij wees. “Kom dame. We stappen weer op. Jij mag weer voorop, want ook hier wil ik niet naast elkaar rijden.” We reden weer. En weer omhoog. Niet zo steil, wel mooie uitzichten. Bij het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek sloeg ik rechtsaf en even daarna reden we de ‘Zeven Heuvelenweg’. Berucht vanwege de Nijmeegse Vierdaagse: het ene moment loopt men helling op, een kilometer verder helling af. De pest voor je voeten, die al drie dagen een behoorlijke afstand hebben afgelegd. Op de fiets viel het allemaal nogal mee. Voordat we Nijmegen in fietsten stopten we nog even om de route te bespreken. Ik reed weer voorop, langs het centrum, naar het stationsplein. Daar reden we ‘De Snelbinder’ op, een fietspad wat naast de spoorlijn richting Arnhem over de Waal ging. Frank kende het niet; die keek z’n ogen uit. En terwijl we over de brug fietsten, kwam er een Intercity vanuit Arnhem over de brug; je voelde de trillingen!

Aan de noordkant moesten de fietsen even op de nek en gingen we de trap af naar de Oosterhoutse Dijk. Weer een stukje Vierdaagse-historie: Op dag 1 was dit het laatste stuk door de Betuwe. Voor velen een echte kuitenbijter. We reden de Oosterhoutse dijk verder, richting Slijk-Ewijk. Binnendoor naar Zetten, langs een grote recreatieplas. Met… een pannenkoekenrestaurant ernaast. Ik keek Frank aan en die knikte. “We blijven in stijl vandaag, schat. En meteen een sanitaire stop doen.” Zo gezegd, zo gedaan: even later waren we wat vloeistoffen kwijt, maar die werden snel aangevuld met voor elk twee grote glazen Icetea. Het eerste glas ging bij mij in één keer naar binnen, onder de afkeurende blik van Frank. “Had je net zo goed gewoon water kunnen drinken, Gon. Je hebt niks van die Icetea geproefd.” Ik knikte. “Klopt. Maar het voelt wel goed daarbinnen.” Ik wreef over mijn buik.

Frank boog zich voorover en zei zachtjes: “Oh, gaat het daarom? Dan weet ik nog wel iets wat beter voelt, schat. En gratis is…” Ik keek boos. “Smeerlap. Zulke voorstellen doen aan die onschuldige Gonnie Peters uit 5 VWO? Ga je schamen!” Een lachje gleed over zijn mondhoeken; hij zei niets. Na een kwartiertje stapten we weer op. “De laatste etappe, Frank!” Hij grinnikte. “Is er in Renkum ook een pannenkoekenrestaurant?” Ik snauwde: “Ja. Een hele dure. Moet je je leven lang betalen.” Hij sloeg een been over zijn fiets en zei langs zijn neus weg: “In natura zeker? Geeft wel een goed gevoel in je buik, schatje… Nou ja... negen maanden later misschien iets minder, maar goed, dat is jouw probleem.”

Ik stak mijn tong uit en we reden verder. Door Herveld, toen Zetten en vervolgens langs Indoornik richting Heteren. Voor Heteren de Rijndijk op snel daarna linksaf richting Rijn. Het fietserspontje lag gelukkig aan de zuidoever, we konden er zó op. Ik plofte op een bankje. “Even zitten hoor…”

De man die de kaartjes verkocht wees op mijn fiets. “Maar je hebt al een hele tijd gezeten, jongedame!” Ik zuchtte: “Dat klopt, maar je benen moeten dan wel aan het werk zijn, anders kom je nergens.” “Zo te zien hebben jullie vandaag al wat kilometers achter de rug.” Ik had m’n trainingsjasje wat open gedaan: mijn T-shirt was nat van het zweet. Frank knikte. “Ja. Mevrouw wilde vanuit Renkum even naar Wyler, achter Nijmegen fietsen. Met het excuus: ‘Het is daar zo mooi!’ Op sommige momenten had ik weinig aandacht voor de omgeving, moet ik zeggen.” De man knikte. “Snap ik. Als zij voor je reed zeker?” Frank lachte voluit. “U snapt het!” Ik keek gespeeld boos en snoof. “Kérels… Báh!”

Toen de pont aan de andere kant was, deed de man lachend het hek open. “Nou, succes met de laatste kilometers!” Ik zei: “Nog 1200 meter, dan zijn we thuis. En plof ik op de bank met m’n pootjes omhoog.” Hij knikte. “Sterkte dan maar. Wie kookt er vanavond?” Ik wees naar Frank. “Hij. En het zal me een biet zijn wát hij kookt, als het maar veel en vet is!” Frank protesteerde. “Hé! Wie kwam op dat onzalige idee om naar Nijmegen te fietsen? En wie heeft hier een fiets met trapondersteuning?” “Ik stapte op. “Als je niet opschiet, zal ik je een beetje trapondersteuning geven, meneer Veenstra! Húp, fietsen jij!”

De man van de pont keek ons met een brede glimlach na. Nou, die had straks thuis iets te vertellen…

Eenmaal thuis zette ik mijn fiets in de schuur. Frank zette zijn fiets meteen op de fietsendrager van zijn auto en ik pakte de accu van mijn fiets en zette die aan het elektrisch infuus. En maakte koffie. “Zo. Even een lekker bakje koffie en daarna gaat dit meisje douchen. Hard nodig.” De rits van mijn trainingsjasje ging nu helemaal open en Frank floot. Door het zweet scheen mijn witte T-shirt behoorlijk door en mijn tepels prikte duidelijk zichtbaar door het sportbehaatje en het T-shirt heen. “Die man op de pont had wel een mooi uitzicht, schatje.” Ik bromde: “Niks ervan. De rits van mijn jasje was toen nog half dicht, dus mijn tepels heeft hij niet kunnen bewonderen.” Ik zette koffie op tafel en plofte op de bank. Frank ging naast me zitten. “Nou, doe nu eens wat je wilde doen, Gon…” Ik keek hem vragend aan. “Met je pootjes omhoog op de bank zitten!”

Ik draaide me een halve slag om en legde mijn benen op de zijne. “Oh ja… Hmm, dat ligt best prima zo.” “Over tien minuten draaien we het om, oké? Dan ga ik met mijn pootjes omhoog op de jouwe liggen… En dat wisselen we de hele nacht af.” Ik schudde mijn hoofd. “Niks ervan Frank. Als we de koffie op hebben gaan we lekker douchen. Dan iets eten, en om acht uur verzoek ik je vriendelijk maar beslist om naar Schaarsbergen te vertrekken. Jij moet morgen weer vroeg op, ik moet Mariëlle op sleeptouw nemen en een dagje Terschuur voorbereiden.” Hij knikte. “Hoewel heel verstandig en zo is het jammer. Maar goed, ik denk dat we beiden niet helemaal in de fysieke toestand zijn dat we elkaar hevig gaan beminnen. Ik ten minste nog even niet.” Hij keek ondeugend. “Maar wellicht verandert dat wel als we samen onder de douche staan…” “Nou, maak me gek… Maar ik geloof er geen snars van.” Ik nam nog een slok koffie, maar genoot ondertussen wel van zijn handen die mijn benen streelden. “Dat doe je prima, schatje. Kan ik bijzonder op prijs stellen…”

Ik ook wel, mooie en sportieve vrouw. Jammer dat je geen nylons aan hebt en een kort rokje…” “Dat had je wel gewild hé? Zeventig kilometer lang naar mijn meer dan volmaakte benen kijken met een rokje wat af en toe opwaait? Vuns!” Hij kneep zachtjes in een bovenbeen, vlak onder het wielrenbroekje. “Nou, ‘af en toe’ zou wat weinig zijn… En tijdens de stops even aan je zadel ruiken…” Ik tilde mijn benen met een zwaai van de zijne af. “Je bent een vulgaire smeerlap, Frank Veenstra! Dit meisje gaat douchen!”

Ik stond snel op en het werd zwart voor mijn ogen. Ik zakte door mijn benen en Frank ving me op. “Hé! We gaan hier niet onderuit, mevrouw. Even rustig aan jij…” Hij zette me weer op de bank. “Niet te snel opstaan, Gon. Je hebt een aardige fysieke inspanning geleverd, je lichaam moet wel de kans hebben even bij te komen. Ik ga wel met je mee onder de douche. Stel dat je wéér onderuit gaat…” Ik kuste hem. “Dank voor het opvangen, Frank. Ja, ik ging even black-out, geloof ik. Maar ik wil nu écht douchen. Want ik ruik mezelf en daar word ik niet zo blij van.” We liepen naar boven, Frank achter me. “En nee, dat is niet alleen voor het mooie uitzicht, rare Rooie…” In de douche kleedden we ons uit. Douche aan… Samen stonden we onder de stralen. “Oei, dit is wel heel lekker, Frank.” We stonden dicht tegen elkaar aan; de straal was niet zo breed. “Zal ik jou eens lekker inzepen, meisje?” Frank voegde de daad bij het woord.

Hij pakte het krukje wat voor de wasbak stond. “Ga maar lekker zitten, meneer Veenstra, de docent Biologie van 5 VWO zal je wel eens even inzepen.” Ik stak een vinger in een mondhoek. “Maar… Mág dat wel, meneer?” “Niet zeuren. Ik ben docent Biologie en ik weet wat goed is voor je.” Hij waste mijn haren: heerlijk! Daarna conditioner er in… Zijn handen kroelden heerlijk over mijn hoofd en in mijn haren. “Lekker, schatje. Dit mag je vaker doen.” Toen waste hij me: shampoo in zijn handen die over mijn lichaam gleden. “Je mooie borsten en je poesje mag je zelf doen, Gon. Als ik die ga doen, lopen de zaken uit de hand.” Ik gaf hem een vlugge zoen. “Lief…” Daarna waste ik hem: Frank had kort, bruin haar, dus dat was snel voor elkaar. Toen zijn lichaam… “Jouw mooie pik laat ik ook even met rust, schat. Zelfde reden.” We knipoogden naar elkaar en hij waste zich tussen zijn benen. Kraan uit, afdrogen…

In de slaapkamer kleedden we ons aan. Ik trok een broek aan en Frank keek spijtig. “Nee schat. Nu geen kort frivool rokje en nylons; we eten een hapje en daarna ga jij naar Schaarsbergen. Dinsdagavond kom ik wel naar je toe en dan gaan we los, oké?” Hij knikte. “Je hebt gelijk. Maar het blijft jammer, schatje.” “Er komen nog veel meer gelegenheden, Frank Veenstra”, fluisterde ik in zijn oor. “Denk daar maar aan als je vanavond met je hoofd op het kussen ligt waar de geur van mijn parfum nog in hangt…” Hij grinnikte. “Jammer dat je wasjes van eergisteravond al in een emmertje sop liggen.” Ik moest ook lachen. “Wacht maar even.” Ik deed mijn lingerie-lade open, pakte er een stel panty’s uit en twee onderjurkjes. “Hier. Neem die maar mee. Voor eenzame momentjes.” Hij keek me aan. “Méén je dat?”

Ik knikte. “Ja. Als jij vanavond op bed ligt, mag je jezelf daarmee wel verwennen. En dan lekker in slaap vallen, schat.” Ik giebelde. “Maar: Dinsdagavond moeten ze wel weer schoon zijn!” “Hoe kan dat nou?” mopperde hij. “Dinsdagmiddag kom ik rond vier uur thuis, en dan als een malle dit spul wassen en drogen? Gaat me niet lukken, liefje.” “Tja… Dan zit er niks anders op dan het spul in Schaarsbergen te laten. Jammer voor je, joh.” Frank bromde: “Ik verzin er wel wat op. Maar nu eerst: eten. Ik heb trek.”

We besloten voor iets simpels: de airfryer ging aan en ik legde er vier kroketten in. En maakte sla, terwijl de kroketten warm werden. Een broodje om zo’n kroket heen en de magen werden lekker gevuld. ten slotte hadden we vandaag genoeg joules verbrand… Daarna knuffelden we nog even op de bank, toen werd het tijd voor Frank om te vertrekken. “Doe je kalm aan op de weg? We hebben vandaag gezien wat er kan gebeuren.” Hij knikte. “Ik rij naar Groningen, schat. Niet van Berg en Dal naar Wyler.”

Ik zuchtte. “Je snapt me best, macho.” Een lange zoen volgde nog, toen liep hij naar buiten, stapte in en reed weg. De luxaflex aan de overkant bewoog een beetje en ik gromde. Enfin, daar was ik over een paar weken van af. Ik sloot het huis af en ging naar boven. Even kijken of meneer de Hooghe op de uitkijk stond: nee dus.

Gordijnen dicht en uitkleden… Om half tien lag ik in bed nog even na te genieten van een mooi weekend. Zou ik me nog even verwennen? Nee Gon. Je slaapt toch wel. Morgen een drukke dag, overmorgen nóg drukker. En spannender, bij De Weever. En daarna weer naar Schaarsbergen… Lekker hoor…
Trefwoord(en): Fietsen, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Durf jij met oma te flirten?
Klik hier voor meer...