Door: Laura.xxx
Datum: 27-02-2026 | Cijfer: 9.9 | Gelezen: 398
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 38 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Dwang, Gangbang, Gevangen,
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 38 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Dwang, Gangbang, Gevangen,
Vervolg op: Magisch Doolhof - 15
Hoi ik ben laura 18 jaar.
Ik denk dat dit helaas het laatste deel is van de serie.
Of jullie moeten meer verhalen willen lezen over deze fantasie wereld. Dan hoor ik het graag.
Dit deel gaat over de strijd tegen de duistere kasteelheer.
Ik had het zelf niet zo van tevoren bedacht, en niet verwacht dat deze fantasie mij op zou winden maar al schrijvend is het deze kant opgegaan.
Als je niet tegen dwang kan kun je dit verhaal misschien beter niet lezen.
Ik word wakker van een hoorn die blaast – laag en langgerekt, alsof de zee zelf ademhaalt en brult. Het geluid trilt door mijn borst en door mijn botten. Het is tijd.
Saga ligt naast me, nog diep in slaap. De dubbele dildo is ’s nachts uit ons geglipt en ligt ergens op het bed, glanzend in het schemerdonker. Ik kijk naar haar – haar gezicht is ontspannen, haar lippen een beetje geopend, haar haren uitgespreid over het kussen als een donkere halo. Mijn hart knijpt samen. Ik wil nog niet weg. Ik wil bij haar blijven, haar vasthouden, haar warmte voelen, haar lippen proeven. Nog even in rust en zonder zorgen. Nog even doen alsof de wereld buiten deze hut niet bestaat.
Ik blijf nog een paar minuten liggen, mijn hand ligt op haar borst, ik voel haar hartslag. Dan zucht ik, kus haar voorhoofd, haar wang, haar mondhoek. Ze zucht in haar slaap, glimlacht even en draait zich om. Ik sta op, trek het stalen rokje aan en de schouderstukken. Ze zijn mooi, elegant en licht – als lelybladeren van metaal – maar ze voelen ook zwaar. Niet door het gewicht, maar door wat ze betekenen. Dit is geen kostuum meer. Dit is een harnas. Dit is oorlog.
Ik ga naar buiten. De bubbels gloeien nog in het schemerdonker, de lucht is koel en zilt. Ik kijk naar de opkomende zon – een enorme oranje bol die langzaam boven de horizon klimt en het water in vuur verandert. Ik bekijk de schoonheid van de bubbels: het zachte schijnsel van het koraal, de wuivende palmbomen, de kleine watervalletjes die van de barrières naar beneden kletteren, de lachende kinderen die nog niet begrijpen wat er gaat gebeuren, de geliefden die elkaar vasthouden alsof ze elkaar nooit meer los willen laten. Al het moois waarvan ik eerst het bestaan niet kende. Straks ga ik daarvoor ten strijde.
Ik hoor een tweede hoorn galmen – scherper, dringender. Het wordt tijd.
Dan voel ik de armen van Saga om me heen. Haar schelpenketting – dezelfde als de mijne die ze laag op haar heupen draagt– tintelt tegen mijn huid. Ze drukt zich tegen me aan, haar borsten warm tegen mijn rug, haar kin op mijn schouder. “Kom alsjeblieft terug,” fluistert ze, haar stem breekt. “Het maakt niet uit hoe. Als je maar bij me terugkomt.”
Ik draai me om. Onze ogen vinden elkaar. Ik knik, kan geen woord uitbrengen. We kussen – diep, langzaam, onze tongen dansen een laatste keer, vol liefde, vol angst, vol belofte. Geen seks vandaag. Het zit er niet in. Alleen dit: elkaars warmte, elkaars adem, elkaars hartslag. Een derde hoorn schalt – hard en onontkoombaar. Ik sla mijn vleugels uit, kus haar nog een keer – kort, maar intens – en vlieg op.
Ik vlieg door de bubbels, zwem door het water naar het strand. Als ik uit het water kom, sla ik mijn vleugels uit en vlieg naar het kamp. Mijn vleugels veranderen naar hun strijdform – groter, scherper, glanzend en messcherp. Mijn huid straalt, goud en fel, de energie knettert om me heen. Ik vlieg over het kamp, over de strijders die door het doolhof marcheren. Ik hoor een oorverdovend gejuich van onder komen – “Laura! Lichtbrenger! Elf van hoop!” – en dan breekt de strijd aan.
We vechten door het doolhof heen richting de mooie weide waar het kasteel staat. Het is chaos – duistere wezens, wachters en soldaten van de kasteelheer vallen ons aan. Ik schiet vuurballen, lichtstralen en ijsstaken naar vijanden, probeer strijders te redden die worden aangevallen of op brute wijze worden genomen. De strijd is intens, donker, vol brute geweld en wanhoop. Ik zie een vliegend meisje met vleugels als de mijne, dat wordt vastgepakt door een duister wezen. Het houdt haar bij haar vleugels vast, trekt aan haar haren en duwt zijn dubbele erectie tegen haar lipjes aan terwijl een wachter zin erectie in haar mond stopt en haar vleugels wil afsnijden. Ik duik omlaag als een havik, mijn vleugels snijden door de lucht met een hoog, zingend geluid. Ik vlieg langs het wezen en snij het met mijn vleugels doormidden – het bloed spat op en het lichaam valt in twee perfecte helften uit elkaar. Ik draai, snij de wachter die haar vleugels wil afhakken ook doormidden. Het meisje kijkt me aan, ogen groot van schok en dankbaarheid. “Dank je,” hijgt ze. Ik knik en vlieg door.
Verderop zie ik een jonge jongen die net oud genoeg is om te vechten wordt overmeesterd door twee wachters. Een houdt hem vast, de ander rukt zijn speet uit zijn hand en duwt zijn erectie tegen de jongen’s kontje aan, grijnzend wreed. Ik ben net op tijd – ik schiet een ijsstaak door de borst van de wachter die wil penetreren. De andere wachter draait zich om, maar ik snij hem doormidden met mijn vleugels. De jongen valt op zijn knieën, huilend van opluchting maar Ik kan hem niet troosten, er is geen tijd.
Maar soms ben ik te laat. Ik zie een centaur die wordt omringd door duistere wezens – ze houden haar vast, klimmen over haar heen en duwen erecties in haar mond, haar poesje, haar kontje tegelijk. Ze schreeuwt en worstelt, maar ze zijn te sterk. Ik duik omlaag, snij er twee doormidden, schiet vuurballen naar de anderen, maar het zijn er te veel. een van hen komt brullend klaar in haar, zijn zaad druipt over haar huid. Ik bevrijd haar, maar haar ogen zijn leeg en gebroken. Ik kan helaas niet iedereen redden. Het doet pijn, diep in mijn borst – elke mislukking voelt als een messteek.
Verder in het doolhof zie ik een groepje vliegende meisjes en meermeisjes die worden overvallen door wachters. Een wachter duwt een meermeisje tegen de grond, rukt haar schelpenketting af en duwt zijn pik hard in haar poesje terwijl ze schreeuwt en worstelt. Een ander wachter houdt een vliegend meisje vast, zijn handen om haar keel, zijn erectie diep in haar kontje duwend terwijl hij gromt: “Hou je stil, of ik breek je vleugels.” ze neuken hard, snel en komen lachend klaar. ik schreeuw en schiet lichtstralen door hun borsten, laat ze in as veranderen. De vrouwen vallen huilend in elkaars armen, maar ik vlieg door – er zijn er meer.
In een donkere hoek van het doolhof zie ik een brute scène: een duister wezen met tentakels houdt een jonge strijder vast – een jongen met hoorns, een faun – en duwt tentakels in zijn mond, zijn kontje, wikkelt zich om zijn pik en knijpt hard. De jongen gorgelt en worstelt met tranen over zijn gezicht. Ik duik omlaag, snij de tentakels door met mijn vleugels en laat het wezen in stukken vallen. De jongen hoest, spuugt en kijkt me aan met gebroken ogen. Ik help hem opstaan, maar hij is getekend. ik kan hem niet helen, alleen bevrijden.
Verderop zit een groepje meisjes en jongens, vastgeketend met ketens om hun nek, voorovergebogen worden ze geneukt door wachters. Ze schreeuwen en worstelen, maar de ketens zijn te sterk. Een wachter ramt hard in een meisje’s poesje, een andere dwingt een jongen te pijpen terwijl hij hem anaal neemt. “Overgeven of dood,” gromt de wachter, “pijp me vrijwillig en ga mee, of ik snij je keel door.” Ik duik omlaag, schiet ijsstaken door twee wachters, snij een derde doormidden met mijn vleugels en maak een pad vrij voor onze strijders om ze te bevrijden. een meisje en jongen die net op tijd loskomen huilen en vluchten weg. Er zijn anderen maar ze zijn te ver weg, er zijn te veel wachters – ik ben te laat. Een wachter komt klaar in een jongen, spuit diep in hem terwijl hij lacht, en snijdt zijn keel door als de jongen weigert mee te gaan. Het bloed spuit op, het lichaam valt neer. Mijn maag draait om, maar ik vlieg door – de pijn drijft me harder.
Ik zie een vliegend meisje met maar één vleugel – de andere is afgesneden, bloed druipt eruit, ze hangt scheef in de lucht en worstelend om te vliegen terwijl een wachter haar vastgrijpt en zijn pik in haar ramt. Ik schiet een lichtstraal door zijn hoofd en laat hem exploderen, vang het meisje op met mijn magie, leg haar zacht neer bij een groepje strijders die haar helpen. Een centaur ligt op de grond, vol met pijlen, bloed druipt uit zijn flanken en wordt omsingeld door duistere wezens, die hem dwingen te bukken en hem anaal nemen terwijl ze lachen. Ik duik omlaag, schiet vuurballen, snij ze doormidden, maar de centaur zakt in elkaar – te veel pijlen, te veel bloed. Ik kan hem niet redden.
Het gevecht is hevig. Ik zie centauren die met hun hoeven trappen, reuzen die wachters oppakken en weggooien als poppen, vliegende meisjes die lichtstralen schieten, faunen die met speren steken. Overal hoor ik kreten en gekletter van wapens, gegrom van duistere wezens. Ik schiet ijsstaken door de borst van een wachter die een jonge jongen probeert te verkrachten, vuurballen die een groep soldaten die brandend weg rennen. Ik red een groepje kinderen dat in een hoekje is gedreven, til ze op met mijn magie en vlieg ze naar veiligheid.
Het grote gevecht breekt uit op de weide. Ik zie het van boven – honderden strijders tegen honderden wachters, reuzen die tegen enorme beesten vechten, licht en duisternis die tegen elkaar botsen. Maar ik blijf niet. Ik vlieg meteen door naar het kasteel.
Daar begint mijn eigen gevecht. Pijlen vliegen op me af – tientallen tegelijk. Ze ketsen af op mijn schouderstukken en rokje, of ik sla ze van me af met mijn vleugels. Ik duik door een raam, snij wachters doormidden, schiet lichtstralen door gangen en ijsstaken door muren.
Ik vecht door het kasteel heen. Mijn lichaam is besmeurd met bloed – donker en plakkerig, het druipt van mijn armen, mijn benen en mijn gezicht. Krassen lopen over mijn stalen rokje en schouderstukken, metaal dat kromgetrokken en gedeukt is maar nog steeds houdt. Mijn lange blonde haar plakt half rood en half goud aan mijn wangen, mijn nek en mijn borsten. Elke slag, elke beweging voelt zwaarder door de vermoeidheid en het gewicht van alles wat ik heb gezien, alles wat ik niet kon redden.
In mijn rechterhand houd ik een zwaard van licht. Ik wist niet eens dat het kon maar Het verscheen toen een groep wachters mij tegen de vloer aan duwden en aam mijn rokje trokken. Ik had het nodig en er was een flits van goud, een golf van warmte door mijn arm, en daar was het: een wit heet zwaard, lang genoeg om met twee handen te vechten, maar licht genoeg om met één te zwaaien. Het lemmet is doorschijnend goud, alsof het uit vloeibaar zonlicht is gegoten, met een pareerstang vol zilveren bloemen die lijkt te pulseren als een hartslag. De snede zingt als ik zwaai, snijdt door vlees, bot en duistere magie alsof het niets is. Het voelt als een verlengstuk van mezelf – warm, levend en boos.
De deur naar de troonzaal is dicht. Duistere magie pulseert eruit – zwart, kleverig en sterker dan de mijne. Ik probeer hem te openen met lichtstralen, ijsstaken, vuurballen maar niets werkt. De deur lacht me uit, trilt met zijn magie. Ik spring uit een raam, vlieg omhoog, cirkel om het kasteel heen. Mijn ogen vinden het gerepareerde glas-in-loodraam – hetzelfde raam waar ik ooit doorheen sprong om van hem te vluchten. Het is bijna passend dat ik hetzelfde glas breek om binnen te komen.
Ik schiet naar binnen als een bol van licht, mijn vleugels wijd en glas schittert om me heen als vallende sterren. Scherven regenen neer, tinkelen op de marmeren vloer en weerkaatsen het licht in duizend kleuren. Ik land in een hurk met mijn zwaard van licht in mijn hand en mijn haren wild om mijn gezicht.
De kasteelheer zit ontspannen op zijn troon van zwart marmer, met drakenkoppen als armleuningen. Hij is mooi. Prachtig. Te mooi. Zijn huid is bleek als maanlicht, zijn haar zwart als middernacht, zijn ogen diep violet met gouden spikkels. Zijn stem is betoverend – fluweel, honing, een lied dat je ziel streelt.
“Kijk aan,” zegt hij, en hij lacht geamuseerd. “Daar ben je weer.” Hij klapt sarcastisch in zijn handen – langzaam, en spottend. “Kom bij me, meisje. Het hoeft allemaal niet zo dramatisch te zijn, je maakte een vergissing en ik vergeef je. Kom bij me meisje en samen kunnen wij het doolhof herstellen.”
Zijn magie werkt. Mijn lichaam wil naar hem toe. mijn benen trillen, mijn heupen wiegen onwillekeurig, mijn poesje tintelt en wordt nat bij de gedachte aan zijn aanraking. Ik zie het voor me: ik op mijn knieën voor zijn troon, zijn pik in mijn mond, zijn handen in mijn haar, zijn zaad dat me vult, me zwanger maakt en me duistere wezens laat baren. Ik doe een stap naar hem toe. Dan een tweede mijn zwaard los tussen mijn vingers. Ik wil het los laten, en ik voel hoe ik een derde stap zet, mijn tepels hard worden en aangeraakt willen worden.
Maar dan voel ik de band met Saga. Een magische verbinding, dun als een draad maar sterker dan staal. Ik herinner me hoe ze me vasthield, hoe ze me kuste, hoe ze me liet voelen dat ik geliefd was. Ik herinner me haar lach, haar warmte en haar tranen van vanochtend. Bij de vierde stap kan ik mijn lichaam tegenhouden. Mijn voet blijft staan en mijn adem stokt.
“Nee,” zeg ik. Mijn stem klinkt lelijk in vergelijking met de zijne. rauw, menselijk, gebroken. “Nee. Treed af. Haal je troepen terug. Geef je over aan mij.”
De duistere heer lacht – koud en donker, als ijs dat breekt. “Okee. Wat jij wil.” Zijn magie schiet naar voren – zwart en kleverig, als een golf van nacht. Ik hef mijn zwaard van licht en blokkeer het. De energie kaatst af en slaat in de oostelijke vleugel van het kasteel. Muren exploderen, steen en glas vliegen door de lucht en brokstukken regenen neer op het slagveld buiten.
Op het slagveld kijkt een jonge strijdster omhoog. Ze ziet de oostelijke vleugel exploderen. torens vallen, glas spat als diamanten uiteen en steen brokkelt af als broodkorsten. Ze duikt weg, rolt over de grond terwijl brokstukken om haar heen inslaan. een stuk muur slaat slechs een meter naast haar in, een scherf kerft een bloedende lijn over haar bovenarm. Ze gilt, kruipt door, maar een gehandschoende vuist grijpt haar nekvel en drukt haar gezicht omlaag in het gruis.
Achter haar rukt de wachter haar heupen omhoog en zonder waarschuwing drukt hij zich in één brute stoot helemaal naar binnen. haar maagdenvlies scheurt en een felle, brandende pijn schiet door haar onderlijf. Ze schreeuwt gesmoord in de aarde en sparteld, terwijl hij meteen hard en ongenadig begint te neuken, elke stoot is een natte klap tegen haar billen.
Een tweede wachter grijpt haar haar, trekt haar hoofd ruw achterover en drukt zijn al druipende eikel tegen haar lippen en forceert hem in haar mond. Ze kokhalst direct als hij diep in haar keel stoot, haar neus drukt tegen zijn schaamhaar en tranen en speeksel lopen in dunne strengen omlaag. Hij neukt haar mond in korte, harde stoten en gromt, terwijl de man achter haar haar heupen blijft vastklemmen, steeds sneller ramt en diep in haar klaarkomt.
Plots spant de man in haar mond zich strak. Hij gromt laag, trekt zich half terug en spuit dikke stralen over haar tong en lippen. Ze hoest, verslikt zich, maar krijgt geen kans om te ademen.
Direct duiken twee andere wachters op haar. Eentje duwt zijn stijve diep in haar mond en de ander rukt haar benen verder uiteen en steekt zijn lid glanzend en kloppend in haar poesje. Hij neukt haar snel, diep, gromt, geeft nog drie harde stoten trekt zich terug en komt klaar – warme, kleverige stralen spatten over haar billen en onderrug, druipen langs haar dijen omlaag terwijl ze hijgend en snikkend probeert weg te kruipen. Op het moment dat de volgende wachter zijn nagels in haar heupen drukt klinkt een zwaar, dreunend galopperen.
Een enorme centaur stormt door de rook. Paardenbenen trappen gruis alle kanten op. Met één machtige arm grijpt hij haar rond haar middel, trekt haar los van de wachters alsof ze niets weegt. Schreeuwend en spartelend wordt ze de lucht in getild, haar billen en dijen nog glinsterend van het zaad en bloed, terwijl de wachters vloekend achteruit deinzen.
De centaur draait zich om en verdwijnt in galop de chaos in, haar lichaam slap en rillend tegen zijn brede borst gedrukt.
Terug in de troonzaal staat de kasteelheer langzaam en elegant op van zijn troon. alsof dit allemaal een toneelstuk is waar hij de regisseur van is. Zijn zwarte zwaard glijdt uit de schede aan zijn zijde: een wapen dat lijkt te zijn gesmeed uit gecondenseerde nacht. Het lemmet is niet metaal, maar een levende schaduw met randen die het licht opslokken.
Hij valt als eerste aan met een snelle, elegante stoot naar mijn borst. Ik pareer met een opwaartse slag, ons zwaarden botsen. Er ontstaat een explosie van licht en schaduw: goud spat op, zwart slokt het op en vonken vliegen als vallende sterren. De schokgolf laat de ramen trillen en glas scheurt verder. Ik draai weg, mijn vleugels helpen me balans te houden, en haal uit naar zijn zij. Hij stapt achteruit en lacht. Het is een geluid als brekend ijs. Hij haalt uit met een neerwaartse slag die ik maar net opvang. Mijn armen trillen van de kracht, mijn voeten glijden een stukje over de marmeren vloer.
We cirkelen om elkaar heen. Hij is sneller dan ik dacht
zijn bewegingen zijn vloeiend, dansend, en elke slag draagt de kracht van eeuwen duisternis. Ik verdedig, pareer, duik weg en mijn zwaard zingt bij elke botsing. Ik haal uit naar zijn schouder, hij blokkeert, maar de impact laat zijn arm even trillen. Ik zie een opening, steek naar zijn borst. Hij draait opzij, het lemmet mist hem op een haar na en snijdt een lok van zijn zwarte haar af die op de grond dwarrelt als een veer van nacht.
Hij lacht weer, maar nu klinkt het scherper. “Je bent sterker geworden,” zegt hij, en zijn stem glijdt als zijde over mijn huid. “Maar nog steeds een kind.” Hij zwaait zijn zwaard in een wijde boog – ik spring achteruit, maar de schaduwrand raakt mijn schouderstuk. Metaal scheurt en een scherpe pijn schiet door mijn schouder. Bloed druppelt warm over mijn arm. Ik bijt op mijn tanden, draai, haal uit met een horizontale slag naar zijn keel. Hij pareert, maar ik voel dat hij harder moet werken. Mijn zwaard van licht brandt feller en drijft hem achteruit.
We botsen opnieuw, zwaard tegen zwaard, borst tegen borst. Zijn gezicht is vlak bij het mijne. Zijn ogen – violet met gouden spikkels – kijken dwars door me heen. “Je zou zo mooi zijn aan mijn zijde,” fluistert hij. Zijn vrije hand raakt mijn wang, een streling die elektrisch aanvoelt. Mijn lichaam reageert tegen mijn wil – mijn poesje trekt samen, mijn tepels worden hard, mijn adem stokt. Ik voel zijn magie weer – die zoete, verraderlijke belofte van overgave.
Maar ik denk aan Saga. Aan haar lach in de lagune, haar stem die smeekt: “Kom alsjeblieft terug.” Ik duw hem weg, mijn zwaard zwaait in een felle boog. Hij springt achteruit, maar ik raak zijn arm – een diepe snee, zwart bloed druppelt op de grond. Hij sist, zijn mooie gezicht vertrekt even van pijn.
Nu wordt hij serieus. Hij heft zijn zwaard met twee handen en de schaduw eromheen wordt dikker, langer. Hij stormt op me af met een reeks slagen die zo snel gaan dat ik ze nauwelijks kan volgen. Ik pareer, duik, rol weg, mijn vleugels helpen me draaien en ontwijken. Een slag raakt mijn rokje – het metaal scheurt en stukken vallen kletterend op de vloer. Nog een slag en mijn schouderstuk begeeft het, mijn schouder bloedt nu vrij. Ik hijg, mijn armen branden, maar ik blijf staan.
Ik haal uit met alles wat ik heb – een golf van licht schiet uit mijn zwaard, een straal die de hele zaal verlicht. Hij blokkeert met zijn zwarte lemmet, maar de kracht duwt hem achteruit, laat hem tegen een pilaar botsen. Steen brokkelt af. Hij lacht – nog steeds, altijd die lach –
“Je bent sterker dan ik dacht,” zegt hij. We kijken elkaar aan. Hij is mooi sexy maar gevaarlijk, ik ben bloederig en uitgeput, maar vastberaden.
“Dit eindigt hier,” zeg ik.
Hij lacht – alweer die lach, kippenvel trekt over mijn rug naar mijn nek. "We zullen zien,” zegt hij. Zijn stem is nog steeds fluweel, maar er zit nu een randje aan – iets scherps, iets hongerigs, alsof de duisternis zelf zelf spreekt.
Dan ziet hij de schelpenketting op mijn heupen, het is dezelfde als die van Saga, kalkwit met parelmoer en zilver, tintelend van de magie die we samen hebben gedeeld. Zijn gezicht vertrekt. Zijn mooie, perfecte gezicht wordt lelijk van woede en jaloezie. zijn lippen trekken zich terug in een grauw, zijn violette ogen vernauwen zich tot spleten en zijn wangen trekken strak over zijn jukbeenderen.
“Denk je nou echt dat je bij háár hoort?” sist hij, zijn stem is laag en giftig. “Je bent van mij. Ik ga je vastketenen en neuken tot je zoveel duistere wezens voor me hebt gebaard dat er niets meer van je over is.”
Hij heft zijn hand en Duistere magie schiet naar voren. zwart, kleverig, als een golf van nacht die alles opslokt, tentakels van schaduw die naar me grijpen, de lucht vult zich met een koud, misselijkmakend gevoel dat diep in mijn botten trekt. Ik hef mijn zwaard van licht en blokkeer het met een felle uitbarsting van goud. De energie kaatst af, slaat in de oostelijke vleugel van het kasteel. Muren exploderen met een donderend geraas, steen en glas vliegen door de lucht als een regen van messen. Brokstukken storten neer op het slagveld buiten, verpletteren duistere wezens. hun lichamen spatten open in een fontein van zwart bloed en gegil.
Op de weide ziet een jonge faun de explosie en blijft naar het kasteelstaren. Een wachter grijpt zijn kans en komt achter hem staan. De wachter grijpt zijn heupen en stoot zijn stijve in één harde stoot diep in zijn kontje. De faun schreeuwt het uit, zijn lichaam schokt, maar de wachter begint hard te stoten. diep en ruw, zonder genade. een meisje met vleugels rent naar hem toe om hem te redden. Maar een duister wezen grijpt haar bij haar haren, drukt haar met haar borsten op de grond en rukt met een nat scheurend geluid een vleugel van haar rug. Bloed spuit op. Het wezen duwt zijn erectie in één beweging in haar poesje, diep, ruw en scheurend. Ze schreeuwt, probeert zich te verzetten, haar handen klauwen in de modder, maar hij stoot harder, sneller. Hij komt brullend diep in haar klaar, warme stralen vullen haar terwijl ze snikt. Hij trekt zich terug, lacht, en ramt meteen in haar kontje voor een tweede ronde. Hij stoot op volle snelheid, hard en diep. Ze schreeuwt het uit, haar lichaam schokt, maar ze is te uitgeput om nog te vechten. Ze laat zich verslagen in de modder zakken, geeft zich over aan het duistere wezen dat diep in haar kontje zit. Naast haar ligt de faun met gebroken armen en een wachter die nog steeds in zijn kontje stoot, zijn gezicht vertrokken van pijn en vernedering.
Terug in de troonzaal rent de heer naar me toe. Hij haalt uit – zijn zwarte zwaard flitst, slaat mijn magische zwaard uit mijn handen. Het vliegt door de ruimte en verdwijnt in het puin met een kletterend geluid. Hij haalt nog een keer uit. ik blokkeer het met mijn vleugel en zijn zwaard ketst af tegen de harde veren en vonken vliegen in het rond. Ik schiet veren van mijn andere vleugel als als werpmessen naar hem toe, ze zijn scherp en glanzend, als pijlen van licht. Hij ontwijkt de meeste, maar een paar raken hem en snijden in zijn zij en benen, zwart bloed druppelt op de grond. Hij schreeuwt vol woede en pijn, schiet op mij af, grijpt een van mijn vleugels en draait. Ik hoor een knak en een scherpe, misselijkmakende pijn schiet door mijn lichaam. Mijn vleugel hangt scheef en bloed druipt van de basis. Hij gooit me door de lucht tegen een pilaar en ik val op de grond. Hij stormt op me af, slingert me tegen een andere pilaar, grijpt me bij mijn haar en tilt me eraan op. Twee schaduwarmen schieten uit zijn rug – zwart, kleverig, met klauwen – en knijpen gemeen in mijn borstjes. De pijn is intens en scherp, maar zijn magie maakt het bijna lekker – mijn tepels worden hard, mijn poesje trekt samen, mijn ogen rollen weg.
Zijn andere hand rukt de schelpenketting van mijn heupen af. Het breekt in stukjes en tinkellen op de marmeren vloer als vallende tranen.
Ik voel zijn magie als een levend ding door mijn aderen kruipen. Diep. Duister. Zo verleidelijk dat het pijn doet om er nog tegen te vechten.
Hij trekt harder aan mijn haar. Mijn hoofdhuid brandt, tranen springen in mijn ogen, maar tegelijkertijd trekt er een verraderlijke golf van hitte door mijn onderbuik. De pijn verandert van vorm. Wordt iets anders. Iets wat mijn dijen laat trillen en mijn rug doet hollen zonder dat ik het wil.
„Voel je het al?” gromt hij, zijn stem laag en ruw „Je lichaam liegt niet.”
Ik hap naar adem, probeer weg te draaien, maar de greep in mijn haar houdt me op mijn plek.
Hij lacht zacht, donker, triomfantelijk.
Dan voel ik zijn brede, hete eikel die tegen mijn lipjes duwt. Hij wrijft langzaam op en neer, smeert mijn eigen vocht over de eikel en plaagt me met kleine, ondiepe stootjes. Net genoeg om me gek te maken maar nooit genoeg om me te vullen. Mijn heupen bewegen onwillekeurig naar voren, zoeken meer, en ik haat mezelf ervoor.
„Zeg het,” beveelt hij.
Ik bijt op mijn lip tot ik bloed proef maar zeg niets.
Zijn hand laat mijn haar los – alleen maar om mijn keel vast te grijpen. Niet wurgent. Nog niet. Mijn adem stokt.
En dan, zonder waarschuwing, stoot hij in één keiharde, genadeloze beweging helemaal naar binnen.
De gil scheurt uit mijn keel voordat ik hem kan tegenhouden. Mijn lichaam spant zich aan en probeert hem eruit te duwen, maar hij is te groot, te diep, te snel. Hij geeft me geen seconde om te wennen. Trekt bijna helemaal terug, alleen om nog harder weer naar binnen te stoten. Elke stoot is een dreun die door mijn baarmoeder, ruggengraat, en schedel trekt. Ik sla wild om me heen, mijn nagels klauwen door lucht en in zijn onderarmen, maar het maakt hem alleen maar ruwer.
„Je kutje zuigt me zo lekker,” hijgt hij tegen mijn oor. „Je vecht met je armen, maar je kut vecht om me dieper te krijgen. Geef het op.”
Ik wil schreeuwen dat hij moet oprotten, maar er komt alleen maar een gebroken kreun uit. Mijn benen trillen ongecontroleerd, mijn tenen krullen, en elke keer dat hij tot aan de wortel in me stoot voel ik zijn ballen ritmisch tegen mijn billen kletsen.
Zijn magie pulseert nu synchroon met zijn stoten. Telkens als hij diep in me zit, trekt er een golf zwarte hitte door mijn geest. Beelden flitsen voorbij: ik op mijn knieën, ik met zijn zaad over mijn gezicht, ik smekend om meer. Ik probeer ze weg te duwen, maar ze voelen te echt. Te goed.
Hij leunt voorover en bijt met zijn tanden in mijn nek. Niet zacht. Hij bijt hard genoeg om bloed op te roepen. De pijn en de lust botsen en versmelten, en ineens komt er een soort snik uit mijn mond die verdacht veel op „alsjeblieft” klinkt.
Zijn stoten worden onregelmatiger, harder. Ik voel hem zwellen binnenin me, voel hoe hij dikker wordt, voel hoe mijn eigen lichaam begint te spannen, klaar om te breken.
„Kom voor me,” gromt hij. „Kom terwijl ik je volspuit, terwijl ik je breek.”
Ik wil het. Ik wil klaarkomen. Ik wil mij voor even weer goed voelen, heel even maar. Ik hoef alleen maar los te laten en ik zal me weer goed voelen. Ik voel mijn wil verslappen.
Zijn harde voelt heerlijk warm in mij en ik knijp me er omheen. Hij brult, duwt zichzelf zo diep mogelijk, en dan voel ik hete, dikke stralen die in me spuiten, keer op keer, overvloedig. zijn gezicht vertrekt van lust, en spuit zijn duistere zaad in me, heet en kleverig en ik voel een hevig orgasme aankomen.
"Kom bij me terug. Alsjeblieft kom bij me terug"
Ik zie saga. Haar mooie bruine huid, haar donkere lange haren, haar kleine borsjes, haar mooie heupen en haar lieve lag.
Mijn ogen worden groot, alles doet weer pijn en Ik geef me niet over. Ik schreeuw – rauw, wanhopig – en verzet me met alles wat ik nog heb. Mijn huid ontbrandt in licht en vuur – goud, fel en heet. De magie in me explodeert in een golf van licht die hem naar achteren duwt. Hij schrikt en zijn ogen worden groot. Ik zwaai met mijn goede vleugel en barst nog een keer uit en een explosie vult de zaal vult.
Het dak ontploft met een oorverdovende knal.
Dan zak door mijn benen.
Ik lig op de marmeren vloer. Alles draait. De wereld kantelt, kleuren vervagen tot grijs. Ik probeer te bewegen, maar mijn armen zijn te zwaar. Mijn zicht vertroebelt.
“Kom bij me terug,” hoor ik in de verte. Een stem die ik ken. Een stem die ik liefheb. Saga.
Dan wordt alles zwart.
Op het slagveld verandert veel.
Brokstukken van het dak vallen neer als een regen van vernietiging. Een groot stuk valt op een groep wachters die samen een centaur aan het neuken zijn. Ze lachen nog als de steen inslaat – botten kraken en lichamen spatten open, bloed en zaad mengen met stof en puin. De centaur, half bewusteloos, wordt bevrijd door het gewicht dat zijn belagers verplettert. Hij kruipt weg, bloedend, maar levend.
De duistere wezens schieten weg – hun gegrom verandert in een hoog, paniekerig gehuil. Ze verdwijnen in de schaduwen en lossen op als rook. De wachters kijken verbaasd om zich heen. hun ogen zijn leeg en hun handen trillen. Alsof ze plotseling wakker worden uit een droom die ze niet zelf droomden. Sommigen laten hun wapens vallen, anderen vallen op hun knieën en huilen zonder te weten waarom.
Het leger rukt nu snel op naar het kasteel. De generaal leidt de voorhoede. zijn zwaard hoog en zijn stem brult bevelen. Ze breken door de poort van de troonzaal. De generaal stapt als eerste binnen en verstijft.
Van de troonzaal is bijna niets meer over. De muren zijn ingestort, alleen vier restanten staan nog overeind als gebroken tanden. Het dak is weg en de hemel kijkt naar binnen. grijs en bewolkt, maar vrij. De ooit zo mooie pilaren zijn stompjes die op een marmeren vloer staan vol scheuren en bloed. In het midden lig ik. bewusteloos met een gebroken vleugel waar het bot uitsteekt in een plas bloed die zich vermengt met zwart slijk dat uit mijn poesje komt. Aan de vier restanten muur zitten vier delen van de duistere heer vastgepind en doorboord met glanzende scherpe veren en staken van ijs. Zijn hoofd ontbreekt en zijn enorme penis ligt nog steeds stijf maar verkoold bij de restanten van het enige raam in de ruimte – het raam waardoor ik naar binnen ben gevlogen.
De generaal staart. Dan brult hij bevelen. “Iedereen geheimhouding! Ze mag niet gezien worden zoals ze nu is!” Zijn mannen zweren plechtig. Ze tillen me voorzichtig op in een draagbaar van schilden en mantels en brengen me zo snel mogelijk en in het geheim naar de bubbels, naar de beste helers die het doolhof heeft.
De strijd eindigt de volgende dag pas. De wachters die bleven vechten worden gevangengenomen en alle gevangenen in het kasteel worden vrijgelaten. sommigen huilen van opluchting en anderen staren leeg voor zich uit, gebroken door wat ze hebben meegemaakt.
“Kom bij me terug.”
Ik hoor het weer van ver. Een stem die ik ken. Een stem die ik liefheb.
Ik wil het opgeven. Het spookt door mijn hoofd: de duistere heer is te sterk. Als ik wakker word, ben ik van hem.
(Ik weet nog niet dat ik hem in een laatste wanhoopsdaad heb verslagen.)
Maar ik hoor ook: “Kom bij me terug. Maakt niet uit hoe. Kom bij me terug.”
Een week later kom ik langzaam bij. Mijn ogen openen zich moeizaam. Boven me hangt het gezicht van Saga. haar ogen zijn rood van de tranen en slaapgebrek, maar stralen van liefde. Ze houdt mijn hand vast, haar vingers verstrengeld met de mijne. Naast me ligt een nieuwe schelpenketting. identiek aan de oude, en klaar om hem om te doen.
Mijn lichaam geneest langzaam. Mijn vleugel is gezet. nog steeds pijnlijk, maar heel. De wonden dichten, de blauwe plekken vervagen. Saga kijkt me verliefd aan en vertelt me dat we gewonnen hebben. Dat we vrij zijn. Ze legt een van mijn handen tegen haar onderbuik. “Je kan het nog niet zien,” fluistert ze, “maar ik voel het wel.” Ze is zwanger. De magische dildo heeft zijn werk gedaan.
Een maand later mag ik van de ziekenboeg af en Ik word juichend begroet. niet met “lichtbrenger” of “magische elf”, maar met “majesteit” en “koningin”.
Ik kijk verward en verliefd naar Saga. Ze bloost, lacht een beetje verlegen, en zegt: “Er is nog wat uit te leggen.”
Ik denk dat dit helaas het laatste deel is van de serie.
Of jullie moeten meer verhalen willen lezen over deze fantasie wereld. Dan hoor ik het graag.
Dit deel gaat over de strijd tegen de duistere kasteelheer.
Ik had het zelf niet zo van tevoren bedacht, en niet verwacht dat deze fantasie mij op zou winden maar al schrijvend is het deze kant opgegaan.
Als je niet tegen dwang kan kun je dit verhaal misschien beter niet lezen.
Ik word wakker van een hoorn die blaast – laag en langgerekt, alsof de zee zelf ademhaalt en brult. Het geluid trilt door mijn borst en door mijn botten. Het is tijd.
Saga ligt naast me, nog diep in slaap. De dubbele dildo is ’s nachts uit ons geglipt en ligt ergens op het bed, glanzend in het schemerdonker. Ik kijk naar haar – haar gezicht is ontspannen, haar lippen een beetje geopend, haar haren uitgespreid over het kussen als een donkere halo. Mijn hart knijpt samen. Ik wil nog niet weg. Ik wil bij haar blijven, haar vasthouden, haar warmte voelen, haar lippen proeven. Nog even in rust en zonder zorgen. Nog even doen alsof de wereld buiten deze hut niet bestaat.
Ik blijf nog een paar minuten liggen, mijn hand ligt op haar borst, ik voel haar hartslag. Dan zucht ik, kus haar voorhoofd, haar wang, haar mondhoek. Ze zucht in haar slaap, glimlacht even en draait zich om. Ik sta op, trek het stalen rokje aan en de schouderstukken. Ze zijn mooi, elegant en licht – als lelybladeren van metaal – maar ze voelen ook zwaar. Niet door het gewicht, maar door wat ze betekenen. Dit is geen kostuum meer. Dit is een harnas. Dit is oorlog.
Ik ga naar buiten. De bubbels gloeien nog in het schemerdonker, de lucht is koel en zilt. Ik kijk naar de opkomende zon – een enorme oranje bol die langzaam boven de horizon klimt en het water in vuur verandert. Ik bekijk de schoonheid van de bubbels: het zachte schijnsel van het koraal, de wuivende palmbomen, de kleine watervalletjes die van de barrières naar beneden kletteren, de lachende kinderen die nog niet begrijpen wat er gaat gebeuren, de geliefden die elkaar vasthouden alsof ze elkaar nooit meer los willen laten. Al het moois waarvan ik eerst het bestaan niet kende. Straks ga ik daarvoor ten strijde.
Ik hoor een tweede hoorn galmen – scherper, dringender. Het wordt tijd.
Dan voel ik de armen van Saga om me heen. Haar schelpenketting – dezelfde als de mijne die ze laag op haar heupen draagt– tintelt tegen mijn huid. Ze drukt zich tegen me aan, haar borsten warm tegen mijn rug, haar kin op mijn schouder. “Kom alsjeblieft terug,” fluistert ze, haar stem breekt. “Het maakt niet uit hoe. Als je maar bij me terugkomt.”
Ik draai me om. Onze ogen vinden elkaar. Ik knik, kan geen woord uitbrengen. We kussen – diep, langzaam, onze tongen dansen een laatste keer, vol liefde, vol angst, vol belofte. Geen seks vandaag. Het zit er niet in. Alleen dit: elkaars warmte, elkaars adem, elkaars hartslag. Een derde hoorn schalt – hard en onontkoombaar. Ik sla mijn vleugels uit, kus haar nog een keer – kort, maar intens – en vlieg op.
Ik vlieg door de bubbels, zwem door het water naar het strand. Als ik uit het water kom, sla ik mijn vleugels uit en vlieg naar het kamp. Mijn vleugels veranderen naar hun strijdform – groter, scherper, glanzend en messcherp. Mijn huid straalt, goud en fel, de energie knettert om me heen. Ik vlieg over het kamp, over de strijders die door het doolhof marcheren. Ik hoor een oorverdovend gejuich van onder komen – “Laura! Lichtbrenger! Elf van hoop!” – en dan breekt de strijd aan.
We vechten door het doolhof heen richting de mooie weide waar het kasteel staat. Het is chaos – duistere wezens, wachters en soldaten van de kasteelheer vallen ons aan. Ik schiet vuurballen, lichtstralen en ijsstaken naar vijanden, probeer strijders te redden die worden aangevallen of op brute wijze worden genomen. De strijd is intens, donker, vol brute geweld en wanhoop. Ik zie een vliegend meisje met vleugels als de mijne, dat wordt vastgepakt door een duister wezen. Het houdt haar bij haar vleugels vast, trekt aan haar haren en duwt zijn dubbele erectie tegen haar lipjes aan terwijl een wachter zin erectie in haar mond stopt en haar vleugels wil afsnijden. Ik duik omlaag als een havik, mijn vleugels snijden door de lucht met een hoog, zingend geluid. Ik vlieg langs het wezen en snij het met mijn vleugels doormidden – het bloed spat op en het lichaam valt in twee perfecte helften uit elkaar. Ik draai, snij de wachter die haar vleugels wil afhakken ook doormidden. Het meisje kijkt me aan, ogen groot van schok en dankbaarheid. “Dank je,” hijgt ze. Ik knik en vlieg door.
Verderop zie ik een jonge jongen die net oud genoeg is om te vechten wordt overmeesterd door twee wachters. Een houdt hem vast, de ander rukt zijn speet uit zijn hand en duwt zijn erectie tegen de jongen’s kontje aan, grijnzend wreed. Ik ben net op tijd – ik schiet een ijsstaak door de borst van de wachter die wil penetreren. De andere wachter draait zich om, maar ik snij hem doormidden met mijn vleugels. De jongen valt op zijn knieën, huilend van opluchting maar Ik kan hem niet troosten, er is geen tijd.
Maar soms ben ik te laat. Ik zie een centaur die wordt omringd door duistere wezens – ze houden haar vast, klimmen over haar heen en duwen erecties in haar mond, haar poesje, haar kontje tegelijk. Ze schreeuwt en worstelt, maar ze zijn te sterk. Ik duik omlaag, snij er twee doormidden, schiet vuurballen naar de anderen, maar het zijn er te veel. een van hen komt brullend klaar in haar, zijn zaad druipt over haar huid. Ik bevrijd haar, maar haar ogen zijn leeg en gebroken. Ik kan helaas niet iedereen redden. Het doet pijn, diep in mijn borst – elke mislukking voelt als een messteek.
Verder in het doolhof zie ik een groepje vliegende meisjes en meermeisjes die worden overvallen door wachters. Een wachter duwt een meermeisje tegen de grond, rukt haar schelpenketting af en duwt zijn pik hard in haar poesje terwijl ze schreeuwt en worstelt. Een ander wachter houdt een vliegend meisje vast, zijn handen om haar keel, zijn erectie diep in haar kontje duwend terwijl hij gromt: “Hou je stil, of ik breek je vleugels.” ze neuken hard, snel en komen lachend klaar. ik schreeuw en schiet lichtstralen door hun borsten, laat ze in as veranderen. De vrouwen vallen huilend in elkaars armen, maar ik vlieg door – er zijn er meer.
In een donkere hoek van het doolhof zie ik een brute scène: een duister wezen met tentakels houdt een jonge strijder vast – een jongen met hoorns, een faun – en duwt tentakels in zijn mond, zijn kontje, wikkelt zich om zijn pik en knijpt hard. De jongen gorgelt en worstelt met tranen over zijn gezicht. Ik duik omlaag, snij de tentakels door met mijn vleugels en laat het wezen in stukken vallen. De jongen hoest, spuugt en kijkt me aan met gebroken ogen. Ik help hem opstaan, maar hij is getekend. ik kan hem niet helen, alleen bevrijden.
Verderop zit een groepje meisjes en jongens, vastgeketend met ketens om hun nek, voorovergebogen worden ze geneukt door wachters. Ze schreeuwen en worstelen, maar de ketens zijn te sterk. Een wachter ramt hard in een meisje’s poesje, een andere dwingt een jongen te pijpen terwijl hij hem anaal neemt. “Overgeven of dood,” gromt de wachter, “pijp me vrijwillig en ga mee, of ik snij je keel door.” Ik duik omlaag, schiet ijsstaken door twee wachters, snij een derde doormidden met mijn vleugels en maak een pad vrij voor onze strijders om ze te bevrijden. een meisje en jongen die net op tijd loskomen huilen en vluchten weg. Er zijn anderen maar ze zijn te ver weg, er zijn te veel wachters – ik ben te laat. Een wachter komt klaar in een jongen, spuit diep in hem terwijl hij lacht, en snijdt zijn keel door als de jongen weigert mee te gaan. Het bloed spuit op, het lichaam valt neer. Mijn maag draait om, maar ik vlieg door – de pijn drijft me harder.
Ik zie een vliegend meisje met maar één vleugel – de andere is afgesneden, bloed druipt eruit, ze hangt scheef in de lucht en worstelend om te vliegen terwijl een wachter haar vastgrijpt en zijn pik in haar ramt. Ik schiet een lichtstraal door zijn hoofd en laat hem exploderen, vang het meisje op met mijn magie, leg haar zacht neer bij een groepje strijders die haar helpen. Een centaur ligt op de grond, vol met pijlen, bloed druipt uit zijn flanken en wordt omsingeld door duistere wezens, die hem dwingen te bukken en hem anaal nemen terwijl ze lachen. Ik duik omlaag, schiet vuurballen, snij ze doormidden, maar de centaur zakt in elkaar – te veel pijlen, te veel bloed. Ik kan hem niet redden.
Het gevecht is hevig. Ik zie centauren die met hun hoeven trappen, reuzen die wachters oppakken en weggooien als poppen, vliegende meisjes die lichtstralen schieten, faunen die met speren steken. Overal hoor ik kreten en gekletter van wapens, gegrom van duistere wezens. Ik schiet ijsstaken door de borst van een wachter die een jonge jongen probeert te verkrachten, vuurballen die een groep soldaten die brandend weg rennen. Ik red een groepje kinderen dat in een hoekje is gedreven, til ze op met mijn magie en vlieg ze naar veiligheid.
Het grote gevecht breekt uit op de weide. Ik zie het van boven – honderden strijders tegen honderden wachters, reuzen die tegen enorme beesten vechten, licht en duisternis die tegen elkaar botsen. Maar ik blijf niet. Ik vlieg meteen door naar het kasteel.
Daar begint mijn eigen gevecht. Pijlen vliegen op me af – tientallen tegelijk. Ze ketsen af op mijn schouderstukken en rokje, of ik sla ze van me af met mijn vleugels. Ik duik door een raam, snij wachters doormidden, schiet lichtstralen door gangen en ijsstaken door muren.
Ik vecht door het kasteel heen. Mijn lichaam is besmeurd met bloed – donker en plakkerig, het druipt van mijn armen, mijn benen en mijn gezicht. Krassen lopen over mijn stalen rokje en schouderstukken, metaal dat kromgetrokken en gedeukt is maar nog steeds houdt. Mijn lange blonde haar plakt half rood en half goud aan mijn wangen, mijn nek en mijn borsten. Elke slag, elke beweging voelt zwaarder door de vermoeidheid en het gewicht van alles wat ik heb gezien, alles wat ik niet kon redden.
In mijn rechterhand houd ik een zwaard van licht. Ik wist niet eens dat het kon maar Het verscheen toen een groep wachters mij tegen de vloer aan duwden en aam mijn rokje trokken. Ik had het nodig en er was een flits van goud, een golf van warmte door mijn arm, en daar was het: een wit heet zwaard, lang genoeg om met twee handen te vechten, maar licht genoeg om met één te zwaaien. Het lemmet is doorschijnend goud, alsof het uit vloeibaar zonlicht is gegoten, met een pareerstang vol zilveren bloemen die lijkt te pulseren als een hartslag. De snede zingt als ik zwaai, snijdt door vlees, bot en duistere magie alsof het niets is. Het voelt als een verlengstuk van mezelf – warm, levend en boos.
De deur naar de troonzaal is dicht. Duistere magie pulseert eruit – zwart, kleverig en sterker dan de mijne. Ik probeer hem te openen met lichtstralen, ijsstaken, vuurballen maar niets werkt. De deur lacht me uit, trilt met zijn magie. Ik spring uit een raam, vlieg omhoog, cirkel om het kasteel heen. Mijn ogen vinden het gerepareerde glas-in-loodraam – hetzelfde raam waar ik ooit doorheen sprong om van hem te vluchten. Het is bijna passend dat ik hetzelfde glas breek om binnen te komen.
Ik schiet naar binnen als een bol van licht, mijn vleugels wijd en glas schittert om me heen als vallende sterren. Scherven regenen neer, tinkelen op de marmeren vloer en weerkaatsen het licht in duizend kleuren. Ik land in een hurk met mijn zwaard van licht in mijn hand en mijn haren wild om mijn gezicht.
De kasteelheer zit ontspannen op zijn troon van zwart marmer, met drakenkoppen als armleuningen. Hij is mooi. Prachtig. Te mooi. Zijn huid is bleek als maanlicht, zijn haar zwart als middernacht, zijn ogen diep violet met gouden spikkels. Zijn stem is betoverend – fluweel, honing, een lied dat je ziel streelt.
“Kijk aan,” zegt hij, en hij lacht geamuseerd. “Daar ben je weer.” Hij klapt sarcastisch in zijn handen – langzaam, en spottend. “Kom bij me, meisje. Het hoeft allemaal niet zo dramatisch te zijn, je maakte een vergissing en ik vergeef je. Kom bij me meisje en samen kunnen wij het doolhof herstellen.”
Zijn magie werkt. Mijn lichaam wil naar hem toe. mijn benen trillen, mijn heupen wiegen onwillekeurig, mijn poesje tintelt en wordt nat bij de gedachte aan zijn aanraking. Ik zie het voor me: ik op mijn knieën voor zijn troon, zijn pik in mijn mond, zijn handen in mijn haar, zijn zaad dat me vult, me zwanger maakt en me duistere wezens laat baren. Ik doe een stap naar hem toe. Dan een tweede mijn zwaard los tussen mijn vingers. Ik wil het los laten, en ik voel hoe ik een derde stap zet, mijn tepels hard worden en aangeraakt willen worden.
Maar dan voel ik de band met Saga. Een magische verbinding, dun als een draad maar sterker dan staal. Ik herinner me hoe ze me vasthield, hoe ze me kuste, hoe ze me liet voelen dat ik geliefd was. Ik herinner me haar lach, haar warmte en haar tranen van vanochtend. Bij de vierde stap kan ik mijn lichaam tegenhouden. Mijn voet blijft staan en mijn adem stokt.
“Nee,” zeg ik. Mijn stem klinkt lelijk in vergelijking met de zijne. rauw, menselijk, gebroken. “Nee. Treed af. Haal je troepen terug. Geef je over aan mij.”
De duistere heer lacht – koud en donker, als ijs dat breekt. “Okee. Wat jij wil.” Zijn magie schiet naar voren – zwart en kleverig, als een golf van nacht. Ik hef mijn zwaard van licht en blokkeer het. De energie kaatst af en slaat in de oostelijke vleugel van het kasteel. Muren exploderen, steen en glas vliegen door de lucht en brokstukken regenen neer op het slagveld buiten.
Op het slagveld kijkt een jonge strijdster omhoog. Ze ziet de oostelijke vleugel exploderen. torens vallen, glas spat als diamanten uiteen en steen brokkelt af als broodkorsten. Ze duikt weg, rolt over de grond terwijl brokstukken om haar heen inslaan. een stuk muur slaat slechs een meter naast haar in, een scherf kerft een bloedende lijn over haar bovenarm. Ze gilt, kruipt door, maar een gehandschoende vuist grijpt haar nekvel en drukt haar gezicht omlaag in het gruis.
Achter haar rukt de wachter haar heupen omhoog en zonder waarschuwing drukt hij zich in één brute stoot helemaal naar binnen. haar maagdenvlies scheurt en een felle, brandende pijn schiet door haar onderlijf. Ze schreeuwt gesmoord in de aarde en sparteld, terwijl hij meteen hard en ongenadig begint te neuken, elke stoot is een natte klap tegen haar billen.
Een tweede wachter grijpt haar haar, trekt haar hoofd ruw achterover en drukt zijn al druipende eikel tegen haar lippen en forceert hem in haar mond. Ze kokhalst direct als hij diep in haar keel stoot, haar neus drukt tegen zijn schaamhaar en tranen en speeksel lopen in dunne strengen omlaag. Hij neukt haar mond in korte, harde stoten en gromt, terwijl de man achter haar haar heupen blijft vastklemmen, steeds sneller ramt en diep in haar klaarkomt.
Plots spant de man in haar mond zich strak. Hij gromt laag, trekt zich half terug en spuit dikke stralen over haar tong en lippen. Ze hoest, verslikt zich, maar krijgt geen kans om te ademen.
Direct duiken twee andere wachters op haar. Eentje duwt zijn stijve diep in haar mond en de ander rukt haar benen verder uiteen en steekt zijn lid glanzend en kloppend in haar poesje. Hij neukt haar snel, diep, gromt, geeft nog drie harde stoten trekt zich terug en komt klaar – warme, kleverige stralen spatten over haar billen en onderrug, druipen langs haar dijen omlaag terwijl ze hijgend en snikkend probeert weg te kruipen. Op het moment dat de volgende wachter zijn nagels in haar heupen drukt klinkt een zwaar, dreunend galopperen.
Een enorme centaur stormt door de rook. Paardenbenen trappen gruis alle kanten op. Met één machtige arm grijpt hij haar rond haar middel, trekt haar los van de wachters alsof ze niets weegt. Schreeuwend en spartelend wordt ze de lucht in getild, haar billen en dijen nog glinsterend van het zaad en bloed, terwijl de wachters vloekend achteruit deinzen.
De centaur draait zich om en verdwijnt in galop de chaos in, haar lichaam slap en rillend tegen zijn brede borst gedrukt.
Terug in de troonzaal staat de kasteelheer langzaam en elegant op van zijn troon. alsof dit allemaal een toneelstuk is waar hij de regisseur van is. Zijn zwarte zwaard glijdt uit de schede aan zijn zijde: een wapen dat lijkt te zijn gesmeed uit gecondenseerde nacht. Het lemmet is niet metaal, maar een levende schaduw met randen die het licht opslokken.
Hij valt als eerste aan met een snelle, elegante stoot naar mijn borst. Ik pareer met een opwaartse slag, ons zwaarden botsen. Er ontstaat een explosie van licht en schaduw: goud spat op, zwart slokt het op en vonken vliegen als vallende sterren. De schokgolf laat de ramen trillen en glas scheurt verder. Ik draai weg, mijn vleugels helpen me balans te houden, en haal uit naar zijn zij. Hij stapt achteruit en lacht. Het is een geluid als brekend ijs. Hij haalt uit met een neerwaartse slag die ik maar net opvang. Mijn armen trillen van de kracht, mijn voeten glijden een stukje over de marmeren vloer.
We cirkelen om elkaar heen. Hij is sneller dan ik dacht
zijn bewegingen zijn vloeiend, dansend, en elke slag draagt de kracht van eeuwen duisternis. Ik verdedig, pareer, duik weg en mijn zwaard zingt bij elke botsing. Ik haal uit naar zijn schouder, hij blokkeert, maar de impact laat zijn arm even trillen. Ik zie een opening, steek naar zijn borst. Hij draait opzij, het lemmet mist hem op een haar na en snijdt een lok van zijn zwarte haar af die op de grond dwarrelt als een veer van nacht.
Hij lacht weer, maar nu klinkt het scherper. “Je bent sterker geworden,” zegt hij, en zijn stem glijdt als zijde over mijn huid. “Maar nog steeds een kind.” Hij zwaait zijn zwaard in een wijde boog – ik spring achteruit, maar de schaduwrand raakt mijn schouderstuk. Metaal scheurt en een scherpe pijn schiet door mijn schouder. Bloed druppelt warm over mijn arm. Ik bijt op mijn tanden, draai, haal uit met een horizontale slag naar zijn keel. Hij pareert, maar ik voel dat hij harder moet werken. Mijn zwaard van licht brandt feller en drijft hem achteruit.
We botsen opnieuw, zwaard tegen zwaard, borst tegen borst. Zijn gezicht is vlak bij het mijne. Zijn ogen – violet met gouden spikkels – kijken dwars door me heen. “Je zou zo mooi zijn aan mijn zijde,” fluistert hij. Zijn vrije hand raakt mijn wang, een streling die elektrisch aanvoelt. Mijn lichaam reageert tegen mijn wil – mijn poesje trekt samen, mijn tepels worden hard, mijn adem stokt. Ik voel zijn magie weer – die zoete, verraderlijke belofte van overgave.
Maar ik denk aan Saga. Aan haar lach in de lagune, haar stem die smeekt: “Kom alsjeblieft terug.” Ik duw hem weg, mijn zwaard zwaait in een felle boog. Hij springt achteruit, maar ik raak zijn arm – een diepe snee, zwart bloed druppelt op de grond. Hij sist, zijn mooie gezicht vertrekt even van pijn.
Nu wordt hij serieus. Hij heft zijn zwaard met twee handen en de schaduw eromheen wordt dikker, langer. Hij stormt op me af met een reeks slagen die zo snel gaan dat ik ze nauwelijks kan volgen. Ik pareer, duik, rol weg, mijn vleugels helpen me draaien en ontwijken. Een slag raakt mijn rokje – het metaal scheurt en stukken vallen kletterend op de vloer. Nog een slag en mijn schouderstuk begeeft het, mijn schouder bloedt nu vrij. Ik hijg, mijn armen branden, maar ik blijf staan.
Ik haal uit met alles wat ik heb – een golf van licht schiet uit mijn zwaard, een straal die de hele zaal verlicht. Hij blokkeert met zijn zwarte lemmet, maar de kracht duwt hem achteruit, laat hem tegen een pilaar botsen. Steen brokkelt af. Hij lacht – nog steeds, altijd die lach –
“Je bent sterker dan ik dacht,” zegt hij. We kijken elkaar aan. Hij is mooi sexy maar gevaarlijk, ik ben bloederig en uitgeput, maar vastberaden.
“Dit eindigt hier,” zeg ik.
Hij lacht – alweer die lach, kippenvel trekt over mijn rug naar mijn nek. "We zullen zien,” zegt hij. Zijn stem is nog steeds fluweel, maar er zit nu een randje aan – iets scherps, iets hongerigs, alsof de duisternis zelf zelf spreekt.
Dan ziet hij de schelpenketting op mijn heupen, het is dezelfde als die van Saga, kalkwit met parelmoer en zilver, tintelend van de magie die we samen hebben gedeeld. Zijn gezicht vertrekt. Zijn mooie, perfecte gezicht wordt lelijk van woede en jaloezie. zijn lippen trekken zich terug in een grauw, zijn violette ogen vernauwen zich tot spleten en zijn wangen trekken strak over zijn jukbeenderen.
“Denk je nou echt dat je bij háár hoort?” sist hij, zijn stem is laag en giftig. “Je bent van mij. Ik ga je vastketenen en neuken tot je zoveel duistere wezens voor me hebt gebaard dat er niets meer van je over is.”
Hij heft zijn hand en Duistere magie schiet naar voren. zwart, kleverig, als een golf van nacht die alles opslokt, tentakels van schaduw die naar me grijpen, de lucht vult zich met een koud, misselijkmakend gevoel dat diep in mijn botten trekt. Ik hef mijn zwaard van licht en blokkeer het met een felle uitbarsting van goud. De energie kaatst af, slaat in de oostelijke vleugel van het kasteel. Muren exploderen met een donderend geraas, steen en glas vliegen door de lucht als een regen van messen. Brokstukken storten neer op het slagveld buiten, verpletteren duistere wezens. hun lichamen spatten open in een fontein van zwart bloed en gegil.
Op de weide ziet een jonge faun de explosie en blijft naar het kasteelstaren. Een wachter grijpt zijn kans en komt achter hem staan. De wachter grijpt zijn heupen en stoot zijn stijve in één harde stoot diep in zijn kontje. De faun schreeuwt het uit, zijn lichaam schokt, maar de wachter begint hard te stoten. diep en ruw, zonder genade. een meisje met vleugels rent naar hem toe om hem te redden. Maar een duister wezen grijpt haar bij haar haren, drukt haar met haar borsten op de grond en rukt met een nat scheurend geluid een vleugel van haar rug. Bloed spuit op. Het wezen duwt zijn erectie in één beweging in haar poesje, diep, ruw en scheurend. Ze schreeuwt, probeert zich te verzetten, haar handen klauwen in de modder, maar hij stoot harder, sneller. Hij komt brullend diep in haar klaar, warme stralen vullen haar terwijl ze snikt. Hij trekt zich terug, lacht, en ramt meteen in haar kontje voor een tweede ronde. Hij stoot op volle snelheid, hard en diep. Ze schreeuwt het uit, haar lichaam schokt, maar ze is te uitgeput om nog te vechten. Ze laat zich verslagen in de modder zakken, geeft zich over aan het duistere wezen dat diep in haar kontje zit. Naast haar ligt de faun met gebroken armen en een wachter die nog steeds in zijn kontje stoot, zijn gezicht vertrokken van pijn en vernedering.
Terug in de troonzaal rent de heer naar me toe. Hij haalt uit – zijn zwarte zwaard flitst, slaat mijn magische zwaard uit mijn handen. Het vliegt door de ruimte en verdwijnt in het puin met een kletterend geluid. Hij haalt nog een keer uit. ik blokkeer het met mijn vleugel en zijn zwaard ketst af tegen de harde veren en vonken vliegen in het rond. Ik schiet veren van mijn andere vleugel als als werpmessen naar hem toe, ze zijn scherp en glanzend, als pijlen van licht. Hij ontwijkt de meeste, maar een paar raken hem en snijden in zijn zij en benen, zwart bloed druppelt op de grond. Hij schreeuwt vol woede en pijn, schiet op mij af, grijpt een van mijn vleugels en draait. Ik hoor een knak en een scherpe, misselijkmakende pijn schiet door mijn lichaam. Mijn vleugel hangt scheef en bloed druipt van de basis. Hij gooit me door de lucht tegen een pilaar en ik val op de grond. Hij stormt op me af, slingert me tegen een andere pilaar, grijpt me bij mijn haar en tilt me eraan op. Twee schaduwarmen schieten uit zijn rug – zwart, kleverig, met klauwen – en knijpen gemeen in mijn borstjes. De pijn is intens en scherp, maar zijn magie maakt het bijna lekker – mijn tepels worden hard, mijn poesje trekt samen, mijn ogen rollen weg.
Zijn andere hand rukt de schelpenketting van mijn heupen af. Het breekt in stukjes en tinkellen op de marmeren vloer als vallende tranen.
Ik voel zijn magie als een levend ding door mijn aderen kruipen. Diep. Duister. Zo verleidelijk dat het pijn doet om er nog tegen te vechten.
Hij trekt harder aan mijn haar. Mijn hoofdhuid brandt, tranen springen in mijn ogen, maar tegelijkertijd trekt er een verraderlijke golf van hitte door mijn onderbuik. De pijn verandert van vorm. Wordt iets anders. Iets wat mijn dijen laat trillen en mijn rug doet hollen zonder dat ik het wil.
„Voel je het al?” gromt hij, zijn stem laag en ruw „Je lichaam liegt niet.”
Ik hap naar adem, probeer weg te draaien, maar de greep in mijn haar houdt me op mijn plek.
Hij lacht zacht, donker, triomfantelijk.
Dan voel ik zijn brede, hete eikel die tegen mijn lipjes duwt. Hij wrijft langzaam op en neer, smeert mijn eigen vocht over de eikel en plaagt me met kleine, ondiepe stootjes. Net genoeg om me gek te maken maar nooit genoeg om me te vullen. Mijn heupen bewegen onwillekeurig naar voren, zoeken meer, en ik haat mezelf ervoor.
„Zeg het,” beveelt hij.
Ik bijt op mijn lip tot ik bloed proef maar zeg niets.
Zijn hand laat mijn haar los – alleen maar om mijn keel vast te grijpen. Niet wurgent. Nog niet. Mijn adem stokt.
En dan, zonder waarschuwing, stoot hij in één keiharde, genadeloze beweging helemaal naar binnen.
De gil scheurt uit mijn keel voordat ik hem kan tegenhouden. Mijn lichaam spant zich aan en probeert hem eruit te duwen, maar hij is te groot, te diep, te snel. Hij geeft me geen seconde om te wennen. Trekt bijna helemaal terug, alleen om nog harder weer naar binnen te stoten. Elke stoot is een dreun die door mijn baarmoeder, ruggengraat, en schedel trekt. Ik sla wild om me heen, mijn nagels klauwen door lucht en in zijn onderarmen, maar het maakt hem alleen maar ruwer.
„Je kutje zuigt me zo lekker,” hijgt hij tegen mijn oor. „Je vecht met je armen, maar je kut vecht om me dieper te krijgen. Geef het op.”
Ik wil schreeuwen dat hij moet oprotten, maar er komt alleen maar een gebroken kreun uit. Mijn benen trillen ongecontroleerd, mijn tenen krullen, en elke keer dat hij tot aan de wortel in me stoot voel ik zijn ballen ritmisch tegen mijn billen kletsen.
Zijn magie pulseert nu synchroon met zijn stoten. Telkens als hij diep in me zit, trekt er een golf zwarte hitte door mijn geest. Beelden flitsen voorbij: ik op mijn knieën, ik met zijn zaad over mijn gezicht, ik smekend om meer. Ik probeer ze weg te duwen, maar ze voelen te echt. Te goed.
Hij leunt voorover en bijt met zijn tanden in mijn nek. Niet zacht. Hij bijt hard genoeg om bloed op te roepen. De pijn en de lust botsen en versmelten, en ineens komt er een soort snik uit mijn mond die verdacht veel op „alsjeblieft” klinkt.
Zijn stoten worden onregelmatiger, harder. Ik voel hem zwellen binnenin me, voel hoe hij dikker wordt, voel hoe mijn eigen lichaam begint te spannen, klaar om te breken.
„Kom voor me,” gromt hij. „Kom terwijl ik je volspuit, terwijl ik je breek.”
Ik wil het. Ik wil klaarkomen. Ik wil mij voor even weer goed voelen, heel even maar. Ik hoef alleen maar los te laten en ik zal me weer goed voelen. Ik voel mijn wil verslappen.
Zijn harde voelt heerlijk warm in mij en ik knijp me er omheen. Hij brult, duwt zichzelf zo diep mogelijk, en dan voel ik hete, dikke stralen die in me spuiten, keer op keer, overvloedig. zijn gezicht vertrekt van lust, en spuit zijn duistere zaad in me, heet en kleverig en ik voel een hevig orgasme aankomen.
"Kom bij me terug. Alsjeblieft kom bij me terug"
Ik zie saga. Haar mooie bruine huid, haar donkere lange haren, haar kleine borsjes, haar mooie heupen en haar lieve lag.
Mijn ogen worden groot, alles doet weer pijn en Ik geef me niet over. Ik schreeuw – rauw, wanhopig – en verzet me met alles wat ik nog heb. Mijn huid ontbrandt in licht en vuur – goud, fel en heet. De magie in me explodeert in een golf van licht die hem naar achteren duwt. Hij schrikt en zijn ogen worden groot. Ik zwaai met mijn goede vleugel en barst nog een keer uit en een explosie vult de zaal vult.
Het dak ontploft met een oorverdovende knal.
Dan zak door mijn benen.
Ik lig op de marmeren vloer. Alles draait. De wereld kantelt, kleuren vervagen tot grijs. Ik probeer te bewegen, maar mijn armen zijn te zwaar. Mijn zicht vertroebelt.
“Kom bij me terug,” hoor ik in de verte. Een stem die ik ken. Een stem die ik liefheb. Saga.
Dan wordt alles zwart.
Op het slagveld verandert veel.
Brokstukken van het dak vallen neer als een regen van vernietiging. Een groot stuk valt op een groep wachters die samen een centaur aan het neuken zijn. Ze lachen nog als de steen inslaat – botten kraken en lichamen spatten open, bloed en zaad mengen met stof en puin. De centaur, half bewusteloos, wordt bevrijd door het gewicht dat zijn belagers verplettert. Hij kruipt weg, bloedend, maar levend.
De duistere wezens schieten weg – hun gegrom verandert in een hoog, paniekerig gehuil. Ze verdwijnen in de schaduwen en lossen op als rook. De wachters kijken verbaasd om zich heen. hun ogen zijn leeg en hun handen trillen. Alsof ze plotseling wakker worden uit een droom die ze niet zelf droomden. Sommigen laten hun wapens vallen, anderen vallen op hun knieën en huilen zonder te weten waarom.
Het leger rukt nu snel op naar het kasteel. De generaal leidt de voorhoede. zijn zwaard hoog en zijn stem brult bevelen. Ze breken door de poort van de troonzaal. De generaal stapt als eerste binnen en verstijft.
Van de troonzaal is bijna niets meer over. De muren zijn ingestort, alleen vier restanten staan nog overeind als gebroken tanden. Het dak is weg en de hemel kijkt naar binnen. grijs en bewolkt, maar vrij. De ooit zo mooie pilaren zijn stompjes die op een marmeren vloer staan vol scheuren en bloed. In het midden lig ik. bewusteloos met een gebroken vleugel waar het bot uitsteekt in een plas bloed die zich vermengt met zwart slijk dat uit mijn poesje komt. Aan de vier restanten muur zitten vier delen van de duistere heer vastgepind en doorboord met glanzende scherpe veren en staken van ijs. Zijn hoofd ontbreekt en zijn enorme penis ligt nog steeds stijf maar verkoold bij de restanten van het enige raam in de ruimte – het raam waardoor ik naar binnen ben gevlogen.
De generaal staart. Dan brult hij bevelen. “Iedereen geheimhouding! Ze mag niet gezien worden zoals ze nu is!” Zijn mannen zweren plechtig. Ze tillen me voorzichtig op in een draagbaar van schilden en mantels en brengen me zo snel mogelijk en in het geheim naar de bubbels, naar de beste helers die het doolhof heeft.
De strijd eindigt de volgende dag pas. De wachters die bleven vechten worden gevangengenomen en alle gevangenen in het kasteel worden vrijgelaten. sommigen huilen van opluchting en anderen staren leeg voor zich uit, gebroken door wat ze hebben meegemaakt.
“Kom bij me terug.”
Ik hoor het weer van ver. Een stem die ik ken. Een stem die ik liefheb.
Ik wil het opgeven. Het spookt door mijn hoofd: de duistere heer is te sterk. Als ik wakker word, ben ik van hem.
(Ik weet nog niet dat ik hem in een laatste wanhoopsdaad heb verslagen.)
Maar ik hoor ook: “Kom bij me terug. Maakt niet uit hoe. Kom bij me terug.”
Een week later kom ik langzaam bij. Mijn ogen openen zich moeizaam. Boven me hangt het gezicht van Saga. haar ogen zijn rood van de tranen en slaapgebrek, maar stralen van liefde. Ze houdt mijn hand vast, haar vingers verstrengeld met de mijne. Naast me ligt een nieuwe schelpenketting. identiek aan de oude, en klaar om hem om te doen.
Mijn lichaam geneest langzaam. Mijn vleugel is gezet. nog steeds pijnlijk, maar heel. De wonden dichten, de blauwe plekken vervagen. Saga kijkt me verliefd aan en vertelt me dat we gewonnen hebben. Dat we vrij zijn. Ze legt een van mijn handen tegen haar onderbuik. “Je kan het nog niet zien,” fluistert ze, “maar ik voel het wel.” Ze is zwanger. De magische dildo heeft zijn werk gedaan.
Een maand later mag ik van de ziekenboeg af en Ik word juichend begroet. niet met “lichtbrenger” of “magische elf”, maar met “majesteit” en “koningin”.
Ik kijk verward en verliefd naar Saga. Ze bloost, lacht een beetje verlegen, en zegt: “Er is nog wat uit te leggen.”
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
