Door: Leen
Datum: 23-03-2026 | Cijfer: 8.2 | Gelezen: 1134
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 10 minuten | Lezers Online: 9
Trefwoord(en): Dagboek, Gebruikt, Pijn, Verkracht,
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 10 minuten | Lezers Online: 9
Trefwoord(en): Dagboek, Gebruikt, Pijn, Verkracht,
Vervolg op: Eenzaamheid

"Kristof," zeg ik. Mijn stem is vlak, zonder emotie. "We moeten praten. Ik... ik kan niet meer."
Hij staat op. Zijn stoel schuift met een hard geluid naar achteren. "Wat bedoel je? Wat is er gebeurd?"
"Het is niet dat ik verdrietig ben," begin ik. Ik zoek naar woorden die er eigenlijk niet zijn. "Het is erger. Ik ben... leeg." Ik kijk hem aan, maar ik voel hem niet. "Ik voel me zo ontzettend alleen. Zelfs als jij hier bent. Het is alsof er een dikke glazen wand tussen mij en de wereld staat. Ik zie jou wel, ik zie dat je leeft en dat je van me houdt, maar het komt niet bij me binnen. Niemand dringt meer tot me door."
Ik sla mijn armen strakker om mezelf heen. "Ik praat wel, en ik doe wel mee, maar vanbinnen is er niemand meer thuis. Het is stil in mijn hoofd, Kristof. Doodstil. Ik ben een lege huls geworden. Ik ben hier in deze kamer, maar ik voel me alsof ik op een onbewoond eiland zit waar niemand me ooit kan vinden."
Hij loopt om zijn bureau heen. Hij komt naar me toe, maar ik doe een stap achteruit. Ik steek mijn hand op. Blijf weg. Raak me niet aan. Ik ben besmettelijk. "Nee," zeg ik dwingend. "Luister naar me. Alsjeblieft, luister gewoon even naar mij. Ik ben het niet waard te leven. Mijn kaars is gedoofd."
De tranen beginnen te lopen, niet hysterisch, maar als een continue stroom. "Ik ben kapot. Ik kan niet meer gelijmd worden. De scherven zijn te klein, te scherp. Ik ben moe van het vechten tegen de herinnering. Ik ben moe van het haten van mijn eigen lichaam. Ik ben moe van het zijn van een last." Ik kijk hem eindelijk aan, dwars door de leegte heen. "Je verdient dit niet. Je verdient een vrouw die lacht zonder dat het pijn doet. Een vrouw die 's ochtends opstaat zonder eerst te moeten checken of de kust veilig is. Ik hou zoveel van je... zoveel dat ik je wil verlossen van mij. Laat me los. Laat me gaan."
Het is eruit. De donkerste waarheid. De overtuiging dat mijn dood een cadeau aan hem zou zijn. Kristof staat stil. Zijn gezicht is bleek. Hij ziet de ernst. Hij hoort de ondertoon van het "Absolute Nulpunt" in mijn stem. "Verlossen?" vraagt hij zacht. Zijn stem trilt van ingehouden emotie. "Denk je echt dat dat is wat je doet?" "Ik ben een blok aan je been," snik ik. "Ik ben dood gewicht. Niemand zal het merken als ik er niet meer ben. De wereld draait door. Jij zult verdrietig zijn, even, maar daarna... daarna ben je vrij. Vrij van de drama's, vrij van de paniekaanvallen, vrij van de vrouw die niet eens haar eigen naam kan onthouden."
Hij zet de laatste stap en negeert mijn opgeheven hand. Hij pakt me vast. Niet zachtjes, maar stevig. Hij grijpt mijn schouders en dwingt me om hem aan te kijken. "Luister naar me, Leen. En luister goed." Zijn ogen boren zich in de mijne. "Jij bepaalt niet wat goed voor mij is. Dat bepaal ik. En ik kies voor jou. Met al je bagage, met al je leegte, met al je donkere nachten. Ik ben niet 'gevangen' door jou. Ik ben hier omdat ik nergens anders wil zijn."
"Maar ik ben op," huil ik. "De brandstof is op. Ik ben niets." "Dan draag ik je," zegt hij. "Dan ben ik de brandstof. Zolang als het nodig is. Je hoeft nu niet te kunnen. Je hoeft niet te vechten. Je hoeft alleen maar te blijven ademen." Hij trekt me tegen zich aan. Mijn verzet breekt. Ik stort in tegen zijn borstkas, mijn benen geven het op, en hij vangt mijn volle gewicht op. "Je bent geen last," fluistert hij sussend. "Je bent mijn leven. Haal dat nooit, maar dan ook nooit, door elkaar."
Ik sta daar, in zijn kantoor en ik voel me nog steeds leeg. Maar zijn armen vormen een muur waar ik niet doorheen kan vallen. Ik heb geprobeerd hem weg te duwen, ik heb geprobeerd afscheid te nemen, maar hij heeft de deur op slot gedraaid en de sleutel ingeslikt.
Ik ben nog niet gered. Maar ik ben niet meer alleen.
I’m past the edge of pain today
The soul I had has gone away
A hollow cage of rotting meat
A heart that’s just forgot to beat
The blackest glass inside my bone
I’m in a crowd, but all alone
The light is sharp, the hope is fake
I am the error, the mistake
Don't try to heal what’s broken through
There’s nothing left for you to do
Burn the map and burn the past
I want this breath to be my last
Unmake me...
Tear it all apart
Stop the beating of this heart
I want the void to eat the bone
Leave me silent... leave me prone
No memory, no trace, no name
Just blow the candle... end the game.
Delete.
Format.
Wipe the slate.
It hurts to be.
It hurts to be.
IT HURTS TO BE.
I yield to rot, I yield to rust
I want to crumble into dust
Throw me in the furnace fire
I have no hope, I have no desire
Don't mourn the waste, don't cry for me
Just close your eyes... and set me free.
Unmake me...
Tear it all apart
Stop the beating of this heart
Collapse...
Nothing...
Let me go.
Ik kijk naar hem terwijl hij slaapt. Ik zie de rust in zijn gezicht, de man die mij uit de hel heeft getrokken, de man die de scherven opruimt zonder te klagen. En ik weet wat ik zou moeten voelen. Ik zou overspoeld moeten worden door warmte. Ik zou op mijn knieën moeten vallen van dankbaarheid. Ik zou hem wakker moeten maken om te zeggen: "Dankjewel dat je mijn leven hebt gered."
Maar ik voel niets. Of nee, dat is niet waar. Ik voel een koude, zware steen in mijn maag. Ik voel de duisternis die aan mijn enkels trekt. Ik voel de drang om te verdwijnen. En daaroverheen komt de schuld. Ik wil hem dankbaar zijn, maar mijn emotionele bandbreedte is opgebruikt door de pijn. Er is geen ruimte voor licht. Het is alsof ik in een brandend huis sta en iemand geeft me een prachtig boeket bloemen. Ik zie dat de bloemen mooi zijn, ik weet dat het gebaar lief is, maar ik ben te druk bezig met niet verbranden om ze aan te pakken. Dat maakt me geen slecht mens. Dat maakt me iemand die in
"Ik wil hem niet lastig vallen." Dat is mijn mantra. Ik ben bang dat mijn duisternis besmettelijk is. Ik ben bang dat als ik hem nu wakker maak en zeg hoe diep ik zit, ik de laatste beetje glans uit zijn leven zuig. Ik zie mezelf als een zwart gat dat alles opslokt wat hij probeert te bouwen. Ik wil hem sparen. Dus zwijg ik. En in dat zwijgen word ik alleen maar eenzamer, en wordt de afstand tussen ons groter.
Trouwens, hoe leg je uit dat je van iemand houdt, maar dat je tegelijkertijd dood wilt? Die twee waarheden lijken niet samen te kunnen gaan in één hoofd. Het voelt als verraad. "Als ik echt van hem hield, zou zijn liefde genoeg zijn om me hieruit te trekken," fluistert de twijfel. Maar trauma trekt zich niets aan van liefde. Trauma is biologie. Mijn zenuwstelsel schreeuwt om een noodstop, en geen enkele knuffel kan die biologische sirene zomaar uitzetten.
Misschien is mijn dankbaarheid op dit moment niet dat ik straal. Misschien is mijn enige vorm van dankbaarheid vandaag: dat ik er nog ben. Dat ik hier lig, naast hem, en niet heb toegegeven aan de impuls om te verdwijnen. Dat ik de strijd nog één minuut langer volhoud. Ik kan hem nu geen vrolijkheid geven. Ik kan hem geen zorgeloosheid geven. Ik kan hem alleen mijn overleving geven. En ik moet erop vertrouwen — hoe moeilijk dat ook is — dat dat voor hem, voor nu, genoeg is.
Leen.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
