Door: Jefferson
Datum: 23-05-2026 | Cijfer: 9 | Gelezen: 281
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 69 minuten | Lezers Online: 7
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 69 minuten | Lezers Online: 7
Vervolg op: Anna Onderwijst - 8: De Nieuwe Orde
Ontmaskerd
Beste lezer,
Dank voor het wachten op H9 — het vervolg heeft wat langer op zich laten wachten dan gepland. Niet omdat ik geen ideeën had, maar juist omdat ik meerdere richtingen voor ogen had en ik niet zomaar iets wilde kiezen alleen om snel verder te gaan. Op een gegeven moment voelde het alsof dit hoofdstuk echt goed moest zitten, niet alleen qua inhoud, maar ook qua sfeer, spanning en ontwikkeling van Anna zelf. Daarom heb ik er uiteindelijk meer tijd in gestoken dan eerst de bedoeling was.
Het verhaal is daarmee trouwens nog zeker niet klaar. Integendeel eigenlijk. Alleen merk ik wel dat de keuzes die hierna volgen belangrijker worden voor de toon van het geheel, dus ik wil daar niet te gehaast doorheen gaan. Ik neem liever iets langer de tijd dan dat het verhaal straks zijn eigen sfeer of geloofwaardigheid verliest.
Verder wil ik gewoon zeggen dat ik het oprecht leuk vind hoeveel reacties deze reeks heeft gekregen. De hoeveelheid berichten, theorieën, feedback en enthousiasme rondom Anna had ik eerlijk gezegd van tevoren niet helemaal verwacht, dus bedankt daarvoor. Dat motiveert enorm om hier serieus tijd in te blijven steken.
En ik ben eigenlijk ook wel benieuwd naar jullie eigen ervaringen of herinneringen aan school vroeger. Niet eens alleen de clichéverhalen, maar juist die situaties waarbij iemand nét iets te populair was, nét iets te verleidelijk, of gewoon bekendstond als de geile lerares of het sletje van de klas waar iedereen verhalen over had. Ik lees dat soort reacties altijd met veel interesse terug. En wie weet levert het nog mooie inspiratie op.
Groet en veel leesplezier,
Jefferson
Ik houd mijn adem in terwijl ik naar het melkglas van de deur staar, alsof ik daarmee kan voorkomen dat hij werkelijk binnenkomt. Toch blijf ik luisteren naar iedere beweging op de gang, naar het zachte schuiven van schoenen over de vloer en het rustige, beheerste ritme van voetstappen die niet gehaast klinken, maar juist kalm en zelfverzekerd, alsof degene aan de andere kant nergens over twijfelt. Nog voordat ik zijn silhouet echt goed herken, weet ik al wie het is. De brede schouders achter het matte glas verraden hem direct en ergens hoop ik nog heel even dat ik het mis heb, dat mijn hoofd me voor de gek houdt, maar diep vanbinnen weet ik allang dat dat niet zo is.
Langzaam beweegt de klink naar beneden en meteen voel ik mijn hartslag omhoogschieten, zo abrupt dat het bijna pijn doet in mijn borstkas. Toch blijft de deur dicht. Natuurlijk blijft die dicht; ik heb hem zelf op slot gedraaid, nog geen paar minuten geleden, omdat ik dacht dat een afgesloten kantoor hetzelfde was als veiligheid. Alsof een sleutel ineens kon uitwissen wat hier net gebeurd is. Alleen brandt het licht nog steeds fel boven mijn bureau en verraadt dat zonder moeite dat er nog iemand binnen is. Wie anders zou op dit tijdstip achter een afgesloten deur zitten in een verder leeg schoolgebouw?
Hij zegt niets. Hij klopt niet, noemt mijn naam niet en probeert ook niet meteen binnen te komen. Juist dat zwijgen maakt het erger, omdat ik daardoor niet meer weet wat hij precies denkt of hoeveel hij eigenlijk al weet. Misschien vermoedt hij alleen iets. Misschien is dit toeval en staat hij hier om iets heel anders. Maar hoe langer het stil blijft aan de andere kant van de deur, hoe moeilijker het wordt om mezelf nog wijs te maken dat dit gewoon een misverstand kan zijn.
Ik merk pas dat ik achteruit ben gelopen wanneer mijn schouderbladen de spiegel achter me raken. Het nieuwe blouseje hangt nog steeds verkrampt in mijn hand terwijl het oude half van mijn armen glijdt, verfrommeld en vergeten in de paniek van het moment. De koude spiegel trekt me heel even uit de roes waarin ik nog zat, uit de warmte van mijn lichaam en de opwinding die een paar minuten geleden nog alles overstemde. Nu voelt diezelfde warmte ineens gevaarlijk, alsof mijn lichaam me verraden heeft nog voordat ik zelf iets kon verbergen.
Ik durf niet in de spiegel te kijken. Niet omdat ik bang ben voor mijn eigen spiegelbeeld, maar omdat ik bang ben voor wat ik daarin zal herkennen. Nog geen paar uur geleden liep ik door dezelfde gangen alsof alles normaal was, alsof ik nog steeds gewoon een docent was die toetsen uitdeelde, cijfers invoerde en orde hield in een rumoerige klas. Nu sta ik half aangekleed in mijn afgesloten kantoor, met iemand anders nog zichtbaar op mijn huid, wachtend op een rector die onmogelijk niet begrijpt dat hier iets gebeurd is wat nooit had mogen gebeuren.
Dan hoor ik sleutels.
Alleen dat geluid al jaagt een schok door mijn lichaam. Het zachte rinkelen van metaal klinkt onnatuurlijk hard in de stilte van het gebouw, gevolgd door het rustige draaien van een sleutel in het slot. Niet gehaast, niet agressief, maar beheerst, alsof hij ervan uitgaat dat deze deur uiteindelijk toch wel voor hem opengaat. Mijn ademhaling wordt steeds oppervlakkiger terwijl ik probeer iets te bedenken dat dit nog kleiner kan maken, iets onschuldigs, een verklaring of een halve waarheid waarmee ik het terug kan brengen tot iets wat nog uit te leggen valt. Maar mijn hoofd blijft leeg. Er bestaat geen excuus groot genoeg om geloofwaardig te maken wat hier net gebeurd is, en ergens weet ik dat ik daar inmiddels ook te laat mee ben.
Dus blijf ik staan waar ik sta, half bloot en roerloos, terwijl de stof van mijn bh ongemakkelijk strak tegen mijn huid drukt en ineens alles wat ik vanmorgen bewust aantrok aanvoelt als bewijs. Van dichtbij ruikt het kantoor nog steeds naar droge whiteboardstiften, papier en schoonmaakmiddel, dezelfde geur als iedere andere schooldag, en juist dat maakt het onwerkelijker. Op mijn bureau liggen toetsen die nog nagekeken moeten worden en een rode pen die scheef over een stapel papier is gerold, alsof dit nog steeds gewoon een normale donderdagmiddag is.
Maar dat is het allang niet meer.
En het ergste is misschien nog wel dat ik niet eens zeker weet of ik banger ben voor wat hij straks gaat zeggen, of voor het feit dat een deel van mij nog steeds hoopt dat hij binnenkomt.
Ik weet niet waar ik moet kijken wanneer hij uiteindelijk binnenstapt. Toch blijven mijn ogen steeds weer bij hem hangen, alsof mijn lichaam instinctief begrijpt dat wegkijken het alleen maar schuldiger zou maken. Zijn blik vindt de mijne vrijwel direct en houdt die moeiteloos vast, zonder haast, zonder zichtbare schrik en vooral zonder de boosheid waar ik me onderweg naartoe al op had voorbereid. Juist dat maakt me nerveuzer dan wanneer hij meteen tegen me was uitgevaren. Er zit iets verontrustends in de kalmte waarmee hij mijn kantoor binnenloopt en de deur daarna rustig achter zich sluit, alsof hij hier niet onverwacht binnenvalt maar simpelweg arriveert op een plek waar hij al langer naartoe onderweg was.
Hij trekt met bedachtzame precisie zijn jasje recht, laat zijn blik kort door het kantoor glijden en blijft daarna vlak voor me staan, dichtbij genoeg om me bewust te maken van iedere ademhaling die ik neem. De ruimte tussen ons voelt plotseling veel kleiner dan een paar seconden geleden. Achter mijn rug voel ik nog steeds de spiegel en de koude muur daaronder, terwijl mijn vingers langzaam verslappen van de spanning. Zonder dat ik het echt merk, glijden beide blousejes uit mijn handen en vallen geruisloos op de vloer. Mijn ademhaling klinkt te luid in de stilte van het kantoor en mijn borst beweegt onrustig op en neer, terwijl ik hem alleen maar aankijk zonder te weten wat ik met mijn handen, mijn lichaam of zelfs mijn gezicht moet doen.
Ik voel me ineens pijnlijk zichtbaar. Niet eens alleen door het feit dat ik half aangekleed tegenover hem sta, maar doordat alles wat ik de afgelopen weken zorgvuldig verborgen probeerde te houden nu in één moment tastbaar lijkt geworden. De veel te strakke bh die vanmorgen nog voelde als een bewuste keuze, voelt nu eerder als bewijs, net als het glanzende spoor dat nog steeds zichtbaar is op mijn huid. Nog geen uur geleden wist ik mezelf wijs te maken dat ik alles onder controle had, dat ik ondanks alles nog kon terugkeren naar een normaal leven zodra de school leeg was en de deur van mijn kantoor dichtging. Nu voelt dat ineens belachelijk naïef.
Toch zegt hij nog steeds niets. Zijn ogen blijven rustig over me heen glijden, niet gehaast en niet schaamteloos gretig, maar aandachtig genoeg om me steeds bewuster te maken van hoe ik eruit moet zien. Zijn blik blijft af en toe iets te lang hangen zonder dat ik precies kan bepalen waarop, waardoor ik mezelf automatisch probeer kleiner te maken terwijl dat allang niet meer lukt. Misschien beeld ik het me in, misschien zoek ik overal betekenis achter omdat ik bang ben, maar juist doordat hij zo weinig zegt begin ik alles zelf voor hem in te vullen.
Wanneer hij uiteindelijk mijn naam uitspreekt, klinkt die onverwacht laag en beheerst, alsof hij mij eerst de tijd heeft gegeven om volledig in paniek te raken voordat hij besluit iets te zeggen. Mijn ogen schieten kort weg naar zijn overhemd, naar zijn handen, naar alles behalve zijn gezicht, maar zijn stem trekt me meteen terug.
‘Ik wil dat je even niks zegt,’ zegt hij rustig, bijna vriendelijk, en juist daardoor voelt het niet als een verzoek.
‘I-ik kan het uitleggen,’ flap ik er meteen uit, veel sneller dan ik wil, terwijl ik mezelf al hoor struikelen over de paniek in mijn stem.
Hij onderbreekt me vrijwel direct. Niet luid, maar scherp genoeg om mijn maag samen te laten trekken.
‘Nee,’ zegt hij terwijl hij een kleine stap dichterbij zet. ‘Ik wil juist dat je nu even helemaal niks zegt. Is dat duidelijk?’
Ik probeer nog iets te antwoorden, al weet ik zelf niet eens meer wat precies, maar zodra hij opnieuw mijn naam zegt, nu rustiger en lager dan daarvoor, blijft alles in mijn keel steken. Meer hoeft hij blijkbaar niet te doen. De stilte die daarna tussen ons hangt, voelt zwaarder dan welke dreiging dan ook, waardoor ik uiteindelijk alleen langzaam knik terwijl mijn ogen beginnen te prikken van de spanning.
Pas daarna haalt hij langzaam een opgevouwen briefje uit de binnenzak van zijn jasje. Mijn aandacht blijft er onmiddellijk aan hangen nog voordat hij het helemaal heeft opengevouwen. Het papier ziet er onschuldig uit, bijna kinderlijk zelfs, maar de schok die door mijn lichaam trekt zodra ik het herken, maakt meteen duidelijk wat het is. Dylan had alles opgeschreven. Niet alleen de cijfers, maar ook de afspraken, de regels en de beloningen waarvan ik mezelf steeds had wijsgemaakt dat ze tijdelijk waren, uitzonderingen, iets wat vanzelf weer zou verdwijnen zolang niemand het hardop benoemde.
Hij houdt het briefje niet beschuldigend omhoog. Dat maakt het misschien nog erger. Hij kijkt ernaar alsof hij iets probeert te begrijpen dat hem tegelijkertijd choqueert en fascineert.
‘Dit komt me niet echt over als een gewone spiekbrief,’ zegt hij uiteindelijk terwijl zijn blik kort omhooggaat naar mij. ‘Wil jij me vertellen waar ik precies naar kijk?’
Ik blijf stil omdat ik simpelweg niet weet welke versie van de waarheid nog het minste kwaad zou doen. Mijn handen zoeken opnieuw steun achter me tegen de muur terwijl hij dichterbij komt en met zijn vinger langzaam over het papier glijdt.
‘Behaald cijfer,’ leest hij hardop, waarna zijn blik zakt naar de volgende woorden. ‘En daarachter staat dan “de beloning”.’
Hij zegt het niet spottend, eerder nadenkend, alsof hij het systeem probeert te reconstrueren terwijl hij tegelijkertijd probeert te bepalen hoeveel ervan echt is en hoeveel fantasie.
Dat maakt het erger.
Want zolang hij twijfelt, bestaat er misschien nog een uitweg.
‘Aftrekken… en laten aftrekken,’ leest hij vervolgens trager voor, alsof hij bewust proeft hoe absurd die woorden klinken binnen de muren van een schoolgebouw.
Ik voel onmiddellijk hoe mijn maag zich samentrekt.
Hij kijkt me opnieuw aan, deze keer langer dan daarvoor, en even lijkt het alsof hij wacht tot ik hem tegenspreek. Alsof hij me nog één kans geeft om te lachen, om te zeggen dat Dylan een gestoorde fantasie had verzonnen of dat dit een misplaatste grap is.
Maar ik zeg niets.
En juist dat zwijgen verraadt me.
Hij humt zachtjes terwijl hij verder leest en zet daarna langzaam nog een stap dichterbij.
‘Dus dit werkte echt?’ vraagt hij uiteindelijk, nog steeds op die rustige toon waar ik onmogelijk grip op krijg. ‘Die jongens haalden betere cijfers… en jij deed dit daadwerkelijk?’
Ik wil meteen ontkennen. Dat voel ik aan alles. Toch blijft mijn mond half open hangen zonder dat er geluid uitkomt, omdat ik ineens besef dat hij het misschien helemaal niet zeker weet. Misschien had hij alleen vermoedens. Misschien probeerde hij alleen mijn reactie te lezen.
Maar het is al te laat.
Aan de manier waarop hij naar me kijkt, zie ik dat hij mijn stilte inmiddels allang als antwoord heeft genomen.
En precies op dat moment begrijp ik pas echt hoe diep ik mezelf zojuist verraden heb.
Van Weelden blijft een paar seconden naar het briefje kijken zonder iets te zeggen. Niet lang genoeg om overdreven te worden, maar wel lang genoeg om mij het gevoel te geven dat iedere seconde iets erger maakt. Zijn ogen bewegen langzaam over de regels alsof hij probeert te begrijpen waar hij precies naar kijkt. Af en toe fronst hij licht, alsof bepaalde woorden niet passen bij wat hij dacht dat hij wist over Dylan, over mij, over deze school.
Ik blijf ondertussen tegen de muur staan, half aangekleed, met mijn armen ongemakkelijk langs mijn lichaam terwijl ik probeer in te schatten hoeveel hij nu echt begrijpt. Misschien ziet hij alleen een bizarre fantasie van Dylan. Misschien denkt hij dat het een grap is. Misschien denkt hij nog steeds dat ik hier slachtoffer van ben. Maar telkens wanneer zijn blik kort van het papier naar mij verschuift, voelt het alsof ik mezelf verder verraad zonder ook maar iets te zeggen.
‘Die cijfers vielen me al op,’ zegt hij uiteindelijk langzaam, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Daarna kijkt hij opnieuw naar het briefje. ‘Vooral Dylan ineens. Dat sloeg nergens op.’
Zijn toon blijft rustig, maar niet meer zo zeker als eerst. Alsof hij tijdens het praten pas conclusies probeert te vormen in plaats van ze al klaar te hebben liggen. Hij loopt een paar passen door het kantoor, stopt bij mijn bureau en kijkt naar de stapel toetsen die daar nog ligt. De gewone schoolspullen maken het alleen maar vreemder. Alsof twee totaal verschillende werkelijkheden hier door elkaar zijn gaan lopen.
‘Ik dacht eerst gewoon aan spieken,’ zegt hij dan. ‘Dat gebeurt vaker. Maar toen lag dit ineens tussen zijn spullen.’
Hij heft het briefje iets omhoog tussen twee vingers, bijna voorzichtig.
‘En eerlijk gezegd weet ik nog steeds niet precies waar ik naar kijk.’
Mijn hart slaat meteen harder bij die woorden.
Nog steeds niet precies.
Dus hij weet het echt niet zeker.
Die gedachte geeft heel even lucht, maar tegelijk maakt het me misselijk omdat ik besef hoe dicht ik er net tegenaan zat om alles zelf in te vullen. Misschien doe ik dat nog steeds.
Hij kijkt opnieuw naar me, maar dit keer niet meteen. Zijn blik blijft eerst hangen op mijn schouder, op mijn losse blouse die half op de grond ligt, daarna pas op mijn gezicht. Zodra hij merkt dat ik dat zie, kijkt hij kort weg en schraapt hij zacht zijn keel, alsof hij zichzelf erop betrapt dat hij te lang bleef kijken.
‘Anna…’ begint hij dan aarzelend. Voor het eerst klinkt hij minder beheerst. ‘Dit is serieus. Begrijp je dat?’
Ik knik meteen.
Te snel misschien.
Hij ademt langzaam uit en zet zijn hand in zijn zij terwijl hij weer door het kantoor kijkt, alsof hij probeert afstand te nemen van wat hier voor hem staat. Maar dat lukt hem duidelijk niet helemaal. Zijn ogen komen steeds terug naar mij, ondanks zichzelf bijna.
‘Dylan wordt geschorst vanwege spieken alleen al,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Dus als hier meer achter zit dan dat…’
Hij maakt de zin niet af.
Dat hoeft ook niet.
Mijn maag trekt zich samen terwijl ik automatisch zelf begin aan te vullen wat hij niet zegt. Schorsing. Onderzoek. Gesprekken. Collega’s. Ouders. Nieuws dat rondgaat in de docentenkamer. Alles tegelijk.
En toch merk ik ondertussen ook iets anders.
Hij loopt niet weg.
Hij belt niemand.
Hij kijkt me niet aan alsof hij me al veroordeeld heeft.
Integendeel zelfs; hoe langer hij blijft, hoe meer zijn verwarring lijkt te verschuiven naar iets anders dat hij zelf ook nog niet helemaal begrijpt. Zijn blik blijft afdwalen, zijn stem zakt soms iets weg midden in een zin en telkens wanneer het stilvalt tussen ons in, voel ik hoe zwaar die stilte wordt.
Ik begin mezelf ondertussen wanhopig gerust te praten.
Als hij écht alleen boos was geweest, was hij allang weggegaan.
Als hij me direct had willen aangeven, had hij hier niet zo gestaan.
Misschien probeert hij alleen te begrijpen wat hier gebeurd is.
Misschien kan ik dit nog sturen voordat het volledig misgaat.
Mijn ogen glijden kort naar het briefje in zijn hand. Daarna weer naar hem. Ik zie hoe hij zijn grip iets verstevigt zodra hij merkt dat ik ernaar kijk.
‘Die woorden daar…’ zegt hij langzaam terwijl hij opnieuw naar het papier kijkt. ‘Dat zijn geen normale afspraken meer.’
Hij lacht kort, ongemakkelijk bijna, maar meteen daarna verdwijnt die lach weer. ‘Ik bedoel… dit kan natuurlijk niet.’
Toch blijft hij staan.
En juist dat maakt het verwarrend.
Want alles aan hem zegt dat hij dit fout vindt, maar niets aan hem zegt dat hij weg wil.
Ik blijf hem aankijken terwijl de stilte tussen ons steeds zwaarder wordt. Hij zegt niets meer en juist daardoor begin ik alles zelf in te vullen. Als hij me echt meteen had willen aangeven, had hij allang iemand gebeld. Dan stond hij hier niet nog steeds. Dan keek hij niet zo naar me. Niet op die manier.
Mijn ademhaling wordt langzaam rustiger, al voel ik mijn hart nog steeds hard tegen mijn ribben slaan. Hij staat dichtbij genoeg dat ik de lichte geur van zijn aftershave ruik, vermengd met de droge lucht van het kantoor en het schoonmaakmiddel dat iedere avond door de gangen hangt. Normaal ruikt school veilig. Vertrouwd bijna. Nu voelt het alsof alles om ons heen stil is gevallen.
Zijn blik glijdt opnieuw kort naar het briefje in zijn hand.
Daarna weer naar mij.
Niet afkeurend.
Eerder alsof hij probeert te begrijpen hoe hij hier precies terechtgekomen is.
‘Ik snap gewoon niet…’ begint hij langzaam, voordat hij zichzelf onderbreekt. Zijn ogen blijven even hangen op mijn schouder, op de band van mijn bh die half scheef zit sinds ik mijn blouse uitgetrokken heb. Meteen kijkt hij weer weg, maar niet snel genoeg.
Hij had het zelf ook door.
Ik voel hoe mijn maag zich opnieuw samentrekt, alleen niet meer puur van angst. Dat maakt het juist erger. Want nu ik eenmaal gezien heb dat hij moeite heeft om níét te kijken, kan ik daar onmogelijk nog niet bewust van zijn.
‘Die gasten waren ineens compleet anders,’ zegt hij uiteindelijk terwijl hij zacht met zijn duim langs de rand van het briefje strijkt. ‘Rustiger. Gemotiveerder. Zelfs andere docenten begonnen erover.’
Hij lacht kort, ongemakkelijk bijna.
‘Ik dacht serieus even dat jij gewoon heel goed was in je werk.’
Ik weet niet waarom die opmerking harder binnenkomt dan alles daarvoor. Misschien omdat hij het bijna bewonderend zegt. Misschien omdat hij nog steeds niet klinkt alsof hij me al veroordeeld heeft.
Hij zet een kleine stap achteruit, alsof hij zichzelf eraan wil herinneren dat er afstand tussen ons hoort te zitten, maar zijn ogen blijven opnieuw aan me hangen voordat hij ze weer dwingt naar het bureau te verplaatsen.
‘Dit kan natuurlijk niet,’ zegt hij daarna opnieuw, zachter dit keer. Minder overtuigd bijna.
Ik knik meteen.
Natuurlijk kan dit niet.
Toch blijft hij hier.
Die gedachte blijft rondzingen in mijn hoofd terwijl ik hem aankijk. Als hij echt alleen geschokt was, was hij allang weggegaan. Als hij me alleen walgelijk vond, stond hij hier niet nog steeds met dat briefje in zijn hand alsof hij twijfelt wat hij ermee moet doen.
Misschien probeert hij alleen te begrijpen wat hier gebeurd is.
Misschien probeert hij zichzelf ook gerust te praten.
Mijn blik zakt kort naar zijn hand, nog steeds om het papier heen gevouwen, en ik hoor mezelf nadenken nog voordat ik besloten heb wat ik eigenlijk wil doen. Als ik hem nu laat schrikken of boos maak, ben ik alles kwijt. Mijn baan. Mijn leven hier. Alles wat nog overeind staat. Maar zolang hij blijft twijfelen, zolang hij blijft kijken in plaats van handelen, voelt het alsof er nog iets te redden valt.
Misschien kan ik dit nog sturen.
Misschien kan ik de controle terugpakken voordat hij besluit die van mij af te nemen.
Ik duw mezelf langzaam los van de spiegel achter me en zie onmiddellijk hoe zijn aandacht weer naar me terugschiet. Niet eens bewust waarschijnlijk. Dat maakt het alleen maar duidelijker.
‘Je begrijpt het verkeerd,’ hoor ik mezelf zacht zeggen.
Zijn wenkbrauwen trekken licht samen.
‘Verkeerd?’ vraagt hij langzaam.
Ik knik terwijl ik voorzichtig dichterbij stap, langzaam genoeg dat hij alle tijd heeft om afstand te nemen als hij dat wil.
Maar dat doet hij niet.
‘Dat briefje…’ begin ik terwijl ik kort naar het papier wijs. ‘Dat leest erger dan het was.’
Zelfs terwijl ik het zeg, weet ik dat het niet waar is. Of misschien half waar. Ik weet het zelf inmiddels niet eens meer.
Hij kijkt opnieuw naar het briefje en daarna naar mij.
‘Erger dan dit eruitziet?’ vraagt hij zacht.
Ik slik.
Mijn vingers raken heel even de rand van het papier aan terwijl hij het nog vasthoudt. Een klein contact maar, nauwelijks iets, en toch voelt het alsof de hele ruimte erop reageert. Zijn hand beweegt niet weg. Integendeel zelfs; ik zie hoe zijn ademhaling net iets dieper wordt voordat hij zichzelf weer stil probeert te krijgen.
‘Je denkt nu waarschijnlijk…’ begin ik voorzichtig, maar mijn stem sterft halverwege af zodra hij me aankijkt.
Te aandachtig.
Te dichtbij.
Alsof hij vergeten is dat hij eigenlijk boos zou moeten zijn.
‘Ik weet niet wat ik denk,’ zegt hij uiteindelijk eerlijker dan daarvoor. ‘Dat is juist het probleem.’
Die woorden blijven hangen tussen ons in.
En ergens, diep vanbinnen, voelt dat niet meer als een dreiging. Het voelt als ruimte.
Ik sta vlak voor hem en voel de warmte van zijn lichaam haast tegen het mijne drukken, terwijl hij geen stap achteruit doet en alleen maar blijft staan alsof hij wil zien hoe ver dit nog verder gaat. Zijn blik blijft op mij rusten, langzaam glijdend van mijn ogen naar mijn borsten, vervolgens naar het opgedroogde zaad en uiteindelijk naar het briefje dat nog altijd alles verraadt wat ik geprobeerd heb verborgen te houden. Begrijpt hij werkelijk niet wat hier gebeurt, of doet hij alsof zodat ik degene word die het hardop moet maken? Die gedachte blijft rondzingen in mijn hoofd terwijl de stilte tussen ons alleen maar zwaarder wordt.
Hij geeft me ruimte, misschien zonder het zelf door te hebben, maar die ruimte is er nu wel degelijk en ergens voelt het alsof hij wacht tot ik mezelf uit deze situatie probeer te redden. Alleen kan ik op dit moment nauwelijks nog helder nadenken en kom ik niet verder dan het gevoel dat ik hem moet helpen om het eindelijk te begrijpen. Mijn lippen trekken even samen terwijl ik mijn blik bewust langzaam over zijn borst laat glijden, langs de knoopjes van zijn overhemd en verder naar beneden, totdat mijn ogen blijven hangen bij zijn broek. Zelfs door de stof heen zie ik direct dat hij de controle grotendeels kwijt is geraakt sinds ik dichterbij ben komen staan, en juist dat besef maakt alles nog gevaarlijker dan het al was.
"Misschien..." begin ik zachtjes, bijna lispelend, terwijl mijn stem veel rustiger klinkt dan ik me werkelijk voel. "Misschien helpt het als ik het gewoon laat zien. Dan zult u merken dat het echt niet zo erg is." De verleiding die in mijn stem doorklinkt verrast zelfs mij, alsof ik degene ben die hier de situatie volledig beheerst en precies weet wat ze doet. Maar dat is niet waar. Dit voelt als alles of niets, alsof er geen weg terug meer bestaat zodra ik doorga. Mijn blik blijft naar beneden gericht en wanneer ik zie hoe de contouren achter zijn gulp subtiel bewegen, doet dat veel meer met me dan het op dit moment zou mogen doen. Een scherpe golf van opwinding trekt door me heen en ik haat hoe sterk ik daarop reageer. Ik ben zo slecht bezig. Ik weet het. Toch voelt het alsof ik mezelf al veel te ver heb verloren om nog terug te kunnen.
"Anna, uhm..." Voor het eerst zie ik iets wat bijna op schrik lijkt in zijn ogen, niet de zelfverzekerde rector die ik gewend ben, maar even gewoon een man die niet meer helemaal weet hoe hij moet reageren. Alleen blijft dat moment niet lang bestaan, want langzaam verandert zijn mond weer in die lichte grijns die inmiddels meer zegt dan woorden ooit zouden kunnen doen. Dat is het teken waar ik op wachtte. Ik kijk hem recht aan terwijl mijn ogen glanzen en ik mijn lippen langzaam bevochtig, waarna ik mijn hand voorzichtig op zijn gulp plaats en mijn vingers zich vormen rond wat ik daar direct voel. Hij is volledig erect. Zodra ik hem aanraak voel ik zijn lichaam zich aanspannen, alsof hij zichzelf probeert tegen te houden en tegelijkertijd steeds meer loslaat. Het verbaast me hoeveel ik door die stof heen al kan voelen, maar nog meer verbaast het me wat dat met mij doet, hoe het me alleen maar verder meesleept in deze diepe put waar ik inmiddels nauwelijks nog uit denk te kunnen klimmen.
Opnieuw zegt hij niets. Hij blijft alleen naar mijn ogen kijken terwijl mijn hand langzaam beweegt, op en neer over de duidelijke contouren onder mijn vingers. Zijn mond hangt iets open en zijn ademhaling wordt merkbaar zwaarder, maar hij houdt me niet tegen en juist dat geeft me eigenlijk al precies wat ik wil. "Zoiets moet u denken bij de tweede categorie. Dat ik het voor ze doe," fluister ik zacht in zijn oor, terwijl de woorden bijna verdwijnen in de spanning die tussen ons hangt. Niemand mag dit ooit weten, en toch geef ik hier tegelijkertijd toe dat dat lijstje helemaal geen fantasie was. Een zwaardere kreun ontsnapt hem voordat hij zichzelf nog kan tegenhouden en meteen voel ik hem harder worden, alsof de volledige realisatie van wat ik zeg hem nog verder over de rand duwt. "Halen ze lager, mogen ze het zelf doen," fluister ik er nog achteraan, waarna ik langzaam weer wat afstand neem en mijn hand van zijn kruis laat glijden. Hij liet het gebeuren. Ik krijg het gevoel dat hij straks ook wil dat dit stil blijft. En dat was mijn doel.
Hij zegt nog steeds niets. Zijn ogen zijn groter geworden en vertellen ondertussen alles wat hij niet uitspreekt, terwijl die bekende grijns opnieuw langzaam op zijn gezicht verschijnt. "Ik... begin het te begrijpen," zegt hij uiteindelijk, op een toon alsof we elkaar nu echt begrijpen en alsof dit gesprek ergens logisch is geworden. Alsof wat hier gebeurt op de een of andere manier acceptabel is. Even vraag ik me af of ik hier daadwerkelijk mee weg ga komen. Maar dan zie ik hoe hij zichzelf weer herpakt en opnieuw rechtop gaat staan, terug in de rol van degene die de controle hoort te hebben. Nu hij weet hoe ik hierin sta, lijkt hij die positie alleen maar steviger vast te grijpen. "Maar ik begrijp het nog niet helemaal... Misschien is het goed als je alles uitlegt," stelt hij vervolgens voor, en meteen voel ik opnieuw een schok van spanning door mijn lichaam trekken, omdat ik dondersgoed weet wat hij nu van mij verwacht.
Hij zegt bewust niets en legt het briefje vervolgens langzaam naast ons op het bureau neer, open en zichtbaar alsof hij er zeker van wil zijn dat het tussen ons in blijft liggen als stille herinnering aan alles wat hier zojuist is gebeurd. Daarna kijkt hij me alleen maar aan, rustig en bijna uitdagend, met een blik die overduidelijk maakt dat hij iets van mij verwacht en dat hij niet van plan is mij nog verder te helpen. Zijn handen verdwijnen in zijn zakken, nonchalant maar berekend, alsof hij zonder woorden duidelijk wil maken dat ik mezelf nu maar uit deze situatie moet zien te redden. Juist doordat hij zo stil blijft, valt mijn aandacht automatisch naar beneden, naar de duidelijke contouren van zijn stijve die door zijn broek heen zichtbaar zijn geworden. Meer hoeft hij niet te doen. Alleen al dat beeld zegt genoeg.
Ik twijfel even, al voelt het nauwelijks nog als echte twijfel maar eerder als een laatste zwakke poging van mijn verstand om nog ergens op de rem te trappen. Moet ik dit echt doen? Ga ik opnieuw dezelfde fout maken als met Dylan, alleen nu op een manier die nog veel verder gaat? Tegelijkertijd weet ik ook dat deze hele situatie juist door Dylan is ontstaan en dat ik mezelf inmiddels zo diep in deze puinhoop heb gewerkt dat een normale uitweg eigenlijk niet meer bestaat. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ik het niet volledig hoef uit te leggen, dat ik misschien nog ergens een grens kan houden en dat ik uiteindelijk nog steeds degene ben die bepaalt hoe ver dit gaat. Maar zelfs terwijl ik dat denk, geloof ik er al nauwelijks meer in.
"Goed," zeg ik uiteindelijk rustig, al hoor ik aan mijn eigen stem dat er spanning onder zit die ik onmogelijk volledig kan verbergen. Onbewust kom ik even iets omhoog op mijn tenen en meteen voel ik hoe de beweging het gewicht van mijn borsten accentueert, waardoor zijn aandacht er direct naartoe getrokken wordt alsof hij daar helemaal niet tegen wil vechten. Ik slik hoorbaar voordat ik verder praat. "Haal je hoger, gebruik ik dit hier," zeg ik dan zacht, terwijl ik met één vinger naar mijn borsten wijs die nog steeds opgesloten zitten in die beha, met het opgedroogde zaad er nog altijd zichtbaar op. Zijn blik volgt mijn hand direct en langzaam verschijnt die grijns opnieuw op zijn gezicht. "Dat had Luc gehaald?" vraagt hij nieuwsgierig, op een toon die bijna luchtig klinkt terwijl de spanning tussen ons ondertussen verstikkend zwaar is geworden.
Tot mijn eigen verbazing moet ik lachen en meteen schaam ik me daar weer voor, omdat ik dondersgoed besef dat ik dit veel te leuk begin te vinden. "Nee, dat niet," antwoord ik snel, zonder verder in detail te willen treden. Ik wil hem niet nog meer geven dan nodig is. ten minste, dat houd ik mezelf voor. Hij schraapt langzaam zijn keel, alsof hij precies merkt dat ik bewust informatie achterhoud. "Dan ben ik bang dat ik het nog niet helemaal begrijp," zegt hij vervolgens rustig, bijna gespeeld onschuldig, terwijl hij me geen seconde uit het oog verliest. Daarna laat hij zijn woorden expres langzaam vallen. "Ik vond je aanpak van net duidelijker. Was altijd al meer van de praktijk." Alleen die opmerking is al genoeg om opnieuw een warme golf door mijn lichaam te voelen trekken.
Ik slik weer en aan alles voel ik dat hij uiteindelijk toch zijn zin gaat krijgen, simpelweg omdat hij precies weet hoe hij me onder druk moet zetten zonder ooit echt te duwen. Het frustrerende is dat ik nog steeds niet goed weet wie hij werkelijk is of wat hij precies wil bereiken. Hij had me allang weg kunnen sturen, had dit hele gesprek kunnen stoppen voordat het zo uit de hand liep, maar dat wilde hij duidelijk niet. Integendeel zelfs. Alles aan hem straalt uit dat hij me alleen maar dichterbij wilde hebben en misschien nog erger is het besef dat ik daar inmiddels zelf ook niets meer op tegen heb.
Er blijft alleen één probleem hangen in mijn hoofd. Ik heb nooit echt goed begrepen wat die derde categorie in de praktijk betekende. Bij cijfers tussen de 7,6 en de 8,2 hoorde de beloning mijn borsten te zijn, maar wat betekende dat precies? Gebruik van maken, dacht ik altijd. Dat voelde logisch, als een soort overtreffende trap na het aftrekken maar nog net vóór het pijpen. In mijn fantasieën over de jongens kwam dit eigenlijk nauwelijks voor, omdat ik ze daarin veel liever gewoon aftrok of direct afzoog, waarna ik mezelf nog verder liet gebruiken totdat ik volledig ondergespoten werd. Toch zet ik langzaam een stap dichterbij. Met beide handen schuif ik mijn haren naar achteren zodat mijn borsten nog voller zichtbaar worden, alsof ik mezelf onbewust presenteer zonder het hardop toe te geven.
Misschien ertussen, denk ik kort. Maar tegelijkertijd probeer ik mezelf wijs te maken dat ik niet helemaal all the way hoef te gaan. Net als met het aftrekken eerder. Misschien kan ik ook dit half doen zonder echt volledig over die grens heen te gaan.
Langzaam zak ik voor hem door mijn knieën en meteen voelt de lucht tussen ons nog heter dan daarvoor, alsof iedere centimeter die ik dichterbij kom de spanning verder opvoert. Hij blijft gewoon staan en kijkt op me neer terwijl de duidelijke bolling in zijn broek nu vlak voor mijn gezicht hangt. "Gefeliciteerd met uw 8," lispel ik zachtjes omhoog terwijl ik hem met grote, hongerige ogen aankijk, volledig meespelend in het spel dat allang geen spel meer voelt. In mijn ooghoeken zie ik zijn broek even tot leven komen na die woorden. Dat voelt zo goed. Dus ga ik verder. "En dan..." vervolg ik langzaam, waarna ik mijn volle buste voorzichtig omhoog duw tegen de harde bolling in zijn broek.
Direct voel ik de warmte van zijn lichaam door de stof heen, samen met de stevige hardheid die zich precies tegen de zachtheid van mijn rondingen aandrukt. Het contrast alleen al maakt me duizelig van opwinding. Gehurkt voor hem laat ik mijn borsten langzaam een paar keer tegen zijn erectie wrijven, rustig en expres langzaam, terwijl ik voel hoe hij nauwelijks nog stil kan blijven staan. "Dat is duidelijk?" vraag ik zachtjes, mijn stem verraderlijk opgewonden.
Alleen het idee al dat hij ooit ontbloot tussen mijn borsten zou liggen, maakt me oprecht natter dan ik zou willen toegeven. Is dat vreemd? De gedachte dat hij dan misschien over me heen zou klaarkomen, warm en ongecontroleerd, laat mijn fantasie direct verder doorslaan. Toch zegt hij nog steeds niets. Hij kijkt alleen maar naar me, zichtbaar genietend van wat ik doe, en vooral de hardheid die ik nog steeds duidelijk door zijn broek heen voel verraadt genoeg.
"Een stapje hoger gaat als volgt," zeg ik vervolgens, terwijl ik mezelf hoor praten alsof ik dit allemaal volledig onder controle heb. Langzaam zak ik nog iets verder naar beneden en terwijl ik hem blijf aankijken open ik mijn mond heel langzaam. Mijn tong steek ik ver uit voordat ik langs de contouren van zijn erectie lik, over zijn broek heen, langs de koele metalen rits die scherp afsteekt tegen de warmte daarachter. Daarna sluit ik mijn lippen voorzichtig rond de plek waar zijn eikel moet zitten, hoog tegen de band van zijn broek aan, alsof ik hem zelfs door de stof heen probeer te proeven. En ik wachtte dus niet af.
"Oh, god..." verzucht hij zachtjes en alleen dat geluid maakt me nog warmer. Met mijn neus glijd ik langzaam langs de lengte van zijn schacht naar beneden, waarna ik uiteindelijk stil voor hem blijf zitten en afwachtend naar hem opkijk.
Alles in mijn lijf schreeuwt ondertussen om hem ook de andere twee beloningen te laten zien, alsof mijn lichaam inmiddels verder wil gaan dan mijn verstand nog kan bijhouden. Toch probeer ik mezelf vast te houden aan het idee dat mijn mond misschien genoeg zal zijn en dat hij daar uiteindelijk genoegen mee neemt. Dat bleef de veilige optie. De snelle optie. Maar terwijl hij me zwijgend blijft bekijken, zijn ogen langzaam over me heen laat glijden en die kleine grijns opnieuw op zijn lippen verschijnt, krijg ik steeds sterker het gevoel dat hij nog helemaal niet klaar is met wachten.
Hij kijkt me alleen maar aan en precies daardoor weet ik meteen waar hij op wacht, nog voordat hij iets zegt. Hij wil dat ik alles zelf invul, dat ik degene word die de stilte opvult en hardop maakt wat hier inmiddels allang tussen ons hangt. Dat besef kruipt langzaam onder mijn huid terwijl hij daar roerloos blijft staan, kalm en geduldig, alsof hij er volledig op vertrouwt dat ik uiteindelijk toch verder zal praten. Ik voel me steeds kleiner worden onder zijn blik, niet omdat hij dreigt of boos lijkt, maar juist doordat hij zo beheerst blijft. Het voelt alsof hij me allang doorheeft en nu alleen nog afwacht hoe ver ik bereid ben zelf te gaan.
"De rest is duidelijk, toch?" vraag ik hem uiteindelijk voorzichtig, meer omdat ik hoop dat hij genoegen neemt met wat hij al gezien heeft dan omdat ik werkelijk denk dat hij nu klaar is. Mijn stem klinkt zachter dan bedoeld en ik hoor de onzekerheid er zelf doorheen sijpelen. Ik ben bang dat als ik mezelf nog verder aanbied, hij me daarna niet zomaar meer laat gaan. Alsof er een punt bestaat waarna niets meer terug te draaien valt.
"De rest is duidelijk," antwoordt hij vervolgens gevaarlijk rustig, op een toon die meteen duidelijk maakt dat hij het waarschijnlijk over veel meer heeft dan alleen die twee overgebleven beloningen op dat lijstje. Er zit iets onder zijn woorden wat me direct opnieuw gespannen maakt, alsof hij langzaam controle over de situatie naar zich toe trekt zonder dat ik precies merk wanneer dat gebeurd is.
"En het werkt, niet?" gaat hij daarna verder, ineens bijna zakelijk van toon, alsof we een serieus gesprek voeren in plaats van dit. Ik zit nog steeds voor hem op mijn knieën. Zijn broek is zichtbaar vochtig van mijn mond en de harde spanning erachter drukt zo duidelijk tegen de stof dat ik moeite moet doen om er niet constant naar te kijken. Alleen dat beeld al maakt het lastig om normaal te blijven nadenken.
"Ze halen betere cijfers, toch?" vraagt hij rustig verder.
Ik slik langzaam voordat ik antwoord geef, omdat ik weet dat liegen nu zinloos is. Hij heeft inmiddels al genoeg gezien om de waarheid zelf in te vullen. "Begint te komen," geef ik uiteindelijk zacht toe, schuldbewust en bijna beschaamd. Meteen probeer ik mezelf weer wijs te maken dat ik nog nét niet volledig over iedere grens was gegaan. Dat ik het ergens nog onder controle had. Terwijl ik tegelijkertijd dondersgoed weet dat ik met alle vier die jongens eigenlijk allang veel te ver ben gegaan.
"Die negen van Dylan?" vraagt hij dan ineens.
Mijn hele lichaam verstijft direct. Natuurlijk weet ik wat hij bedoelt. Dylan had hoger gehaald dan de rest. De hoogste beloning. En die had hij ook gekregen zonder dat ik daar werkelijk over had getwijfeld.
"Je twijfelde niet?" vraagt hij vervolgens.
Maar het klinkt niet echt als een vraag. Meer als een constatering die hij allang zelf heeft beantwoord.
Ik twijfelde inderdaad niet aan zijn cijfer. Ik twijfelde ook niet aan de beloning die daarbij hoorde.
Voor het eerst sinds dit gesprek begon, durf ik hem niet meer recht aan te kijken. Mijn ogen blijven omlaag gericht terwijl de hitte in mijn gezicht steeds erger wordt.
"Geeft niet," zegt hij rustig, bijna geruststellend zelfs. "Motiveren kan werken. Denk dat de rest nu wel beter weet om niet vals te spelen," vervolgt hij daarna, alsof hij simpelweg een logische conclusie trekt.
Alsof hij alles al begrijpt.
Maar begrijpt hij het echt? Of probeert hij me juist steeds verder uit de tent te lokken zodat ik uiteindelijk zelf alles bevestig?
Hij staat daar nog steeds met zijn handen in zijn zakken, ontspannen alsof dit voor hem nauwelijks spanning oplevert. Over tenten gesproken: die van hem is ondertussen nog altijd onmogelijk te missen. De duidelijke bolling in zijn broek trekt mijn aandacht telkens opnieuw terug, hoe hard ik ook probeer me ergens anders op te focussen.
"En die andere twee jongens?" vraagt hij vervolgens, doelend op Mo en Jayden. "Denk je dat die de volgende keer wel een voldoende halen?"
Dus hij gaat ervan uit dat zij daarom al weg waren gebleven. Dat ze de vorige keer simpelweg geen voldoende haalden. Hun cijfers kan hij natuurlijk gewoon inzien zodra ik ze invoer. Uiteindelijk komt hij er dan alsnog achter hoe het echt zit. Toch houd ik het bewust vaag.
"Ja, wellicht," antwoord ik voorzichtig.
Hij knikt langzaam en laat een lage grom horen, nauwelijks hoorbaar maar toch duidelijk genoeg om me direct opnieuw warm te maken. Alsof hij het beeld van mij met die twee donkere, jongens zonder moeite voor zich ziet. Ik voel meteen hoe die afspraak van morgen ineens veel minder vanzelfsprekend begint te voelen. Ik moet voorzichtiger worden. Nu kom ik er misschien nog mee weg, zeker bij hem, maar dat betekent niet dat ik onaantastbaar ben.
"Maar goed," zegt hij uiteindelijk, alsof hij het gesprek langzaam wil afronden.
Hij kijkt even op zijn horloge en haalt daarna rustig adem. "Al laat," merkt hij op.
Mijn hart bonst ondertussen zo hard dat ik moeite heb om zijn blik vast te houden.
"Vind je het goed als we dit tussen ons houden?" stelt hij vervolgens voor, bijna alsof hij degene is die hier iets verkeerd heeft gedaan.
Ik doe mijn uiterste best om rustig te blijven kijken. Kom ik hier echt mee weg? Is het werkelijk mogelijk dat dit geen consequenties krijgt?
Bewust neem ik mijn tijd voordat ik langzaam knik, alsof ik degene ben die een moeilijke keuze moet maken. Alsof ik hier het slachtoffer ben en hij degene die begrip vraagt.
"Goed," zegt hij opnieuw.
Even denk ik werkelijk dat het voorbij is. Dat ik het gered heb. Dat dit bizarre gesprek somehow eindigt zonder verdere escalatie. Hij lijkt zich zelfs al om te draaien richting de deur.
"Uhm..." zegt hij dan plots alsnog, waardoor ik meteen weer opschrik.
Ik zit daar nog steeds op mijn knieën, vol ongeloof over het feit dat dit allemaal daadwerkelijk werkt. Dat hij hier net zo hard in meegaat als ik. Dat ik blijkbaar niet de enige ben die ergens fundamenteel verkeerd zit.
"Twee dingen wel," zegt hij vervolgens rustig.
Mijn adem stokt direct weer.
"Je gaat hier mee door. Je praat er met niemand over, beloont die jongens voor hun goede cijfers en zorgt dat ze slagen," zegt hij dan ineens veel serieuzer, bijna streng.
"Begrepen?"
Mijn ongeloof wordt alleen maar groter, maar tegelijk ga ik vrijwel meteen akkoord, alsof ik diep vanbinnen allang weet dat ik geen nee meer zou kunnen zeggen. Misschien wil ik dat ook helemaal niet meer.
"En ten tweede... ja, stom van me. Ik kan zo natuurlijk niet door school lopen," zegt hij daarna bijna luchtig, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat ik hem alsnog van zijn erectie afhelp.
Misschien is dat het inmiddels voor ons allebei ook geworden.
Terwijl hij weer langzaam naar me toeloopt, trekken zijn handen zijn gulp alvast open. Met een klein gebaar maakt hij duidelijk dat ik moet blijven zitten waar ik zit.
"Het zal niet lang duren," zegt hij kalm, terwijl hij vlak voor me blijft staan.
Ik schrik me wezenloos. Ondanks alles wat ik de laatste weken had zitten uitspoken, wilde dat niet zeggen dat ik dit zomaar zou doen, zomaar kon accepteren. En toch bleef ik zitten...
Het is ook geen vraag. Dat besef ik me goed. Dat maakt het eng. Maar ook... Opwindend. Ik ben nooit een sletje geweest. Nooit! Maar nu is dat alles wat hij ziet. Ik kan niet het ontkennen. Ik hou me rustig. Mijn vingers friemelen op mijn schoot. Ik recht mijn rug, borst naar voren. En laat het gewoon op me afkomen, in de wetenschap dat mijn slipje deze laatste seconden drie keer zo nat is geworden... Ontkennen heeft gewoon geen zin meer.
Ben ik dan geen slet? Nee, gek genoeg niet. Ook al staat dit haaks op wat ik de laatste weken gedaan had en vooral wat zich in mijn hoofd afspeelde. En daar ligt het probleem. Want hiervoor had ik wel eens seks gehad. Met een vriendje. Mijn partners kon ik letterlijk op twee vingers tellen, en dat was altijd eerder conventioneel en misschien wel saai en routine in plaats van echt opwindend. Vandaar dat dit alles me ook steeds zo blijft raken. Zo ook nu. Maar in zijn ogen, met wat hij denkt dat ik doe, en hoe ik me net had getoond, ben ik wel die jonge meid met zelfvertrouwen die gewoon op seks kickt. Althans, ik denk dat hij dat denkt.
En ik kom er nu achter dat mijn kunde, doen en laten nogal situatie gebonden was. Dit dacht ik te zijn: gevaarlijk, ervaren, verleidelijk, dominant, iemand die controle heeft via seksualiteit.
En bij Dylan en de jongens voelde ik: emotionele controle; kende hun reacties; wist ze dat zij onzeker waren; en draaide de spanning grotendeels om verbodenheid en macht. Het waren maar pubers. Die kwamen al klaar bij de gedachte aan mij.
Maar Van Weelden... Hij is: ouder, rustiger, zelfverzekerder, lichamelijk minder voorspelbaar, en niet onder de indruk op dezelfde manier als pubers.
En dat maakt mij plots heel: iemand die wijfelt, onzeker raakt, niet meer zeker weet wat ik moet doen, en merk dat mijn fantasieversie van mijzelfgroter was dan mijn echte ervaring.
En nu komt hij weer voor me staan. Rustig. Geduldig. Maar ik weet dat het snel moet. Hij opent alleen zijn gulp. De rest laat hij dicht. Met enige moeite wurmt hij z'n hand naar binnen, en dan... Dan trekt hij hem er zo uit. Ik deins iets terug. Moet wel. Wat ik voelde, zie ik nu. En er zit nog een knik in halverwege, alsof hij nog niet eens helemaal volledig erect is. Mijn ogen worden groot. Ik ruik hem. Ik zie hem. Weer een piemel, lang en zwaar. Zijn voorhuid losser om zijn eikel. Een imponerend ding. Maar wat vooral imponerend is, is zijn zelfvertrouwen. Zijn verwachtingen. Hij denkt dat ik dit kan. En ik bevries langzaam.
Maar dit is toch wat ik wilde? Ik besef het me net op tijd. Ik zet alles uit. M'n hand vindt z'n schacht. Warm, zacht voor iets wat hard is. Maar dat komt door de huid. Dikker dan ik gewend ben. Wat stroperig rol ik die naar achteren. En ik buig al naar voren en kom zijn kloppende, paarse eikel tegemoet met mijn volle lippen. Ik sluit m'n ogen. Open m'n mond. Ik moet moeite doen, maar neem hem volledig in m'n mond. De eerste kokhalsreflex kan ik wegdrukken. Maar vergeet daardoor bijna te bewegen. Mijn mond speekselt. En dan beweeg ik terug. En weer er overheen. Nu natter. Wat makkelijker. De schacht voel ik dikker worden in m'n hand. Ik neem hem nu minder diep in m'n mond. Maar dat was dus niet de bedoeling. Tranen schieten in m'n ogen als hij z'n hand op m'n achterhoofd legt, en zelf verder duwt. Verder dan zojuist. Snel trekt hij zich weer terug voordat ik kan kokhalzen, maar duwt hem ook weer net zo snel naar binnen. Hij neemt m'n mond. Het moet immers snel. En hij weet vast hoe dat moet. Zo dus. Ik open m'n mond zover als ik kan. Ik hoor het speeksel klotsen in m'n mond. Zijn eikel glijdt langs mijn gehemelte naar m'n keel. Maar hoe verder ik m'n mond open, hoe moeilijker het wordt. Voor mij dan. Hij briest. Ik hou m'n ogen dicht. Ik weet niet goed hoe ik me moet houden in dit moment. Maar kies ervoor het gewoon weer te ondergaan. Het duurt vast niet lang. Maar we komen erachter dat het toch te lang duurt. Want als hij even wat langer zijn eikel tegen m'n keel drukt, hou ik het niet meer. Ik stik. Ik kokhals. Ik duw hem van me af.
Een kletsnatte pik bungelt voor m'n gezicht. Ik hijg. Ik durf hem niet aan te kijken. Zijn hand blijft op m'n haren liggen...
Ik krijg eindelijk weer lucht, maar zelfs dat voelt vernederend. Mijn borst gaat snel op en neer terwijl ik mijn ogen hard dicht probeer te houden, alsof ik daarmee kan voorkomen dat hij ziet hoe volledig mijn zelfvertrouwen net is ingestort. Mijn keel brandt nog en ergens langs mijn kin voel ik warmte die ik niet weg durf te vegen. Alles aan dit moment voelt anders dan hoe ik het me had voorgesteld toen ik mezelf ervan probeerde te overtuigen dat ik dit aankon.
Ik had gedacht dat ik inmiddels wist hoe dit werkte. Dat ik na alles met Dylan en de anderen allang over een grens heen was waar normale schaamte nog betekenis had. Maar nu ik hier op de grond zit, met hem vlak voor me en mijn lichaam nog half trillend van paniek, besef ik ineens hoe weinig ervaring ik eigenlijk heb met iets dat verder gaat dan spanning en fantasie.
Ik hoor hem bewegen, maar niet op de manier die ik verwachtte. Geen geïrriteerd geluid. Geen harde opmerking. Geen zichtbare frustratie omdat ik het verpest heb. Alleen een korte stilte waarin ik langzaam genoeg moed verzamel om mijn ogen weer te openen.
Zijn hand ligt nog steeds losjes in mijn haren, maar anders dan net. Minder dwingend. Alsof hij zelf ook niet helemaal meer weet hoe hij zich moet gedragen na wat er net gebeurde.
Juist dat maakt het erger.
Want ik voel onmiddellijk dat hij het doorheeft.
Hij ziet me niet meer zoals eerst. Niet meer als die zelfverzekerde jonge docent die precies wist hoe ze mannen gek moest maken en daar bewust mee speelde. Dat beeld stort langzaam in waar hij bij staat, en ik weet niet eens meer wat ervoor in de plaats komt.
Ik slik moeizaam terwijl ik mijn blik eindelijk voorzichtig omhoog dwing. Hij kijkt terug, maar zijn ogen voelen anders dan eerder. Nog steeds intens, nog steeds gefascineerd misschien, maar er zit nu ook iets onderzoekends in. Alsof hij opnieuw probeert te begrijpen wie ik eigenlijk ben onder alles wat ik de afgelopen uren heb laten zien.
Mijn wangen gloeien van schaamte.
Niet alleen omdat het misging, maar omdat ik plotseling besef hoe hard ik geprobeerd heb iemand te zijn die ik misschien helemaal niet ben. Bij Dylan voelde alles eenvoudiger. Daar draaide het om spanning, om verboden aandacht, om jongens die al van slag raakten zodra ik iets deed wat ze niet van me verwachtten. Dat gaf me het gevoel dat ik controle had. Alsof ik ervaren was. Alsof ik precies wist wat ik met mannen deed.
Maar hier, tegenover hem, voelt dat ineens kinderachtig bijna.
Alsof ik een rol speelde die geloofwaardig leek zolang niemand me echt uitdaagde.
‘Ik dacht dat jij precies wist wat je deed,’ zegt hij uiteindelijk zacht.
Die zin raakt harder dan wanneer hij boos was geworden.
Want ergens hoor ik daarin niet alleen verbazing, maar ook het moment waarop hij mij anders begint te zien dan eerst. Niet als iemand die alles bewust manipuleert, maar als iemand die zichzelf misschien net zo hard heeft overschat als hem.
Ik kijk snel weg omdat ik bang ben dat hij anders alles in mijn gezicht leest. De onzekerheid. De schaamte. Het besef dat ik mezelf de afgelopen weken langzaam ben gaan geloven. Dat ik speciaal was. Gevaarlijk bijna. Terwijl ik nu niet eens normaal rustig kan blijven in een situatie die ik zelf mee gecreëerd heb.
En het ergste is misschien nog wel dat een deel van mij opgelucht is dat hij het eindelijk ziet.
Zijn hand verdwijnt langzaam uit mijn haren en even blijf ik zitten waar ik zit, alsof mijn lichaam nog niet helemaal begrijpt dat het moment net echt voorbij is. Mijn keel brandt nog licht en mijn ademhaling voelt schokkerig, maar de paniek van net begint langzaam plaats te maken voor iets dat gevaarlijk veel op opluchting lijkt. Hij kijkt een paar seconden zwijgend naar me voordat hij uiteindelijk zijn hand naar me uitsteekt.
Ik aarzel.
Niet lang, maar lang genoeg om mezelf af te vragen waarom dit ineens zoveel normaler voelt dan een paar minuten geleden. Alsof we ongemerkt ergens doorheen zijn gegaan waar geen van ons meer echt op terugkomt.
Toch pak ik zijn hand vast.
Zijn grip is stevig wanneer hij me overeind trekt en pas zodra ik weer recht sta, merk ik hoe instabiel mijn benen eigenlijk voelen. Mijn blousejes liggen nog steeds half verkreukeld op de grond naast het bureau. Zonder iets te zeggen bukt hij zich, raapt ze op en houdt ze even vast voordat hij ze aan mij geeft.
Dat kleine gebaar raakt me harder dan het zou moeten.
Niet eens omdat het vriendelijk is, maar omdat het bijna normaal voelt. Alsof hij me helpt na een ongemakkelijk moment in plaats van na iets dat ons allebei volledig had moeten laten schrikken.
Ik neem de kleding zwijgend van hem aan.
Hij draait zich niet volledig om terwijl ik me aankleed, maar geeft me net genoeg ruimte om te doen alsof hij niet kijkt. Toch voel ik zijn aandacht nog steeds voortdurend in de kamer hangen. Iedere beweging die ik maak voelt zichtbaar. Mijn vingers trillen licht terwijl ik mijn bh recht trek en daarna mijn blouse dicht probeer te knopen zonder fouten te maken. Pas bij het derde knoopje merk ik dat ik de verkeerde gaatjes gebruik.
Hij zegt er niets van.
Wanneer ik uiteindelijk klaar ben, kijkt hij me weer aan op die rustige manier die inmiddels bijna erger voelt dan boosheid zou doen. Ondertussen werkt hij zelf zijn kleding weer op orde, langzaam en zonder haast, alsof hij alle tijd van de wereld heeft. De spanning van eerder hangt nog steeds tussen ons in, alleen anders nu. Minder chaotisch. Meer verstopt onder de stilte.
En juist daardoor begin ik mezelf weer voorzichtig gerust te praten.
Misschien blijft het hierbij.
Misschien was dit alleen een ontspoord moment dat we allebei straks proberen te vergeten.
Misschien heeft hij inmiddels ook genoeg te verliezen om zijn mond te houden.
Die gedachte groeit iedere seconde verder terwijl hij zijn manchet recht trekt en nog één keer kort naar het briefje op mijn bureau kijkt voordat hij het opvouwt en in de binnenzak van zijn colbert schuift.
Mijn maag trekt zich direct weer samen.
Hij houdt het.
Natuurlijk houdt hij het.
Toch loopt hij daarna richting de deur en meteen voel ik hoe mijn lichaam langzaam probeert te ontspannen. Niet volledig, maar genoeg om weer normaal adem te halen. Ik ben er niet uit gekomen zoals ik had gewild, maar misschien wel genoeg om morgen nog gewoon voor de klas te kunnen staan.
Zijn hand rust al bijna op de klink wanneer hij opnieuw stilvalt.
Heel even zegt hij niets, alsof hij nog twijfelt of hij de gedachte die in hem opkomt daadwerkelijk hardop wil uitspreken. Daarna kijkt hij over zijn schouder naar me terug en verschijnt die kleine, rustige grijns opnieuw rond zijn mond.
‘Met wat oefening kom je er wel,’ zegt hij bijna luchtig.
Mijn hart slaat onmiddellijk weer sneller.
Ik weet niet eens zeker of ik hem goed gehoord heb.
Hij laat zijn blik kort over me heen glijden, niet gehaast, niet schaamteloos, maar veel te kalm voor iemand die hier eigenlijk geschokt had moeten vertrekken.
‘Misschien moeten we hier gewoon wat vaker tijd voor maken,’ vervolgt hij daarna op dezelfde rustige toon. ‘Wekelijks misschien.’
Ik voel hoe mijn keel direct droog wordt.
Hij zegt het bijna alsof hij een gewone afspraak voorstelt. Alsof dit iets praktisch is. Iets dat logisch voortvloeit uit wat hier net gebeurd is.
‘Dan geef ik je wel een cijfer,’ zegt hij uiteindelijk.
Even denk ik dat hij een grap maakt.
Maar dat doet hij niet.
Dat zie ik meteen aan zijn ogen.
En precies op dat moment begrijp ik dat ik hier misschien niet mee weggekomen ben zoals ik mezelf net wanhopig probeerde wijs te maken.
Ik heb hem alleen onderdeel gemaakt van hetzelfde spel.
Ik ben laat thuis en zodra de deur van mijn appartement achter me dichtvalt, voelt het alsof de stilte me eindelijk de ruimte geeft om alles van vandaag echt binnen te laten komen. Mijn hoofd suist nog steeds van de spanning en ergens hoop ik dat een warme douche alles een beetje van me afspoelt, alsof ik onder stromend water weer normaal kan worden. Eerst douchen, dan eten, houd ik mezelf voor, alsof structuur me nog houvast kan geven na alles wat er gebeurd is. Niet eens omdat ik me vies voel, want vreemd genoeg is dat het niet. Integendeel bijna. Het is eerder alsof mijn huid nog steeds gloeit van alles wat ik heb gedaan en gevoeld. Juist daarom voelt het onder het warme water alleen maar intenser wanneer mijn handen langzaam over mijn eigen lichaam beginnen te glijden.
Met gesloten ogen leun ik tegen de tegelwand terwijl het hete water langs mijn schouders stroomt en probeer ik opnieuw grip te krijgen op mijn gedachten. Ik probeer alles weer te rationaliseren, net zoals ik dat de afgelopen weken steeds vaker ben gaan doen zodra iets eigenlijk te ver ging. Alsof het normaal is. Alsof hier ergens nog logica in zit. Want uiteindelijk kwam ik er opnieuw mee weg. Dat blijft misschien nog wel het meest verwarrende van alles. Ondanks de paniekmomenten, ondanks hoe vaak ik vandaag dacht dat het volledig mis zou gaan, staat mijn leven er nog steeds. Niemand heeft me tegengehouden. Niemand heeft me ontmaskerd. En ergens diep vanbinnen voelt dat gevaarlijker dan wanneer ik wél was betrapt.
De opwinding zit nog steeds hoog in mijn lichaam, maar nu ik eindelijk alleen ben begint de adrenaline langzaam weg te zakken en ontstaat er ruimte voor iets anders. Ongeloof vooral. Het dringt pas nu echt tot me door hoe anders vandaag was dan alles daarvoor. Luc vanmiddag. Daarna Van Weelden. De rector nota bene. Terwijl mijn vingers langzaam tussen mijn benen verdwijnen en ik met mijn andere hand mijn borst vastpak, bots ik met mijn rug zacht tegen de koude muur achter me aan. Het contrast tussen het hete water en die koele tegels laat me huiveren terwijl alle beelden zich opnieuw beginnen af te spelen in mijn hoofd.
Eerst Luc. Bijna onschuldig, zo achteraf. Het feit dat hij ook wilde 'valsspelen' en toen een nieuw briefje vroeg. Dat moment vergeet ik niet zomaar. De spanning van eerder vandaag voelt nog steeds dichtbij, alsof mijn lichaam het allemaal opnieuw beleeft zodra ik eraan denk. Zijn zaad verlaat hier pas mijn huid. Maar daarna verschuiven mijn gedachten automatisch naar Van Weelden en meteen trekt er weer een warme schok door mijn onderbuik. Niet alleen door wat er gebeurde, maar misschien nog meer door wat hij zei. Door zijn voorstel. Door het feit dat hij me niet tegenhield maar juist leek te begrijpen wat ik deed. Misschien zelfs te accepteren.
Dat besef maakt iets in me los wat ik nauwelijks onder woorden krijg.
Mijn ademhaling versnelt terwijl mijn hand tussen mijn benen ritmischer beweegt. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ik alleen nadenk, alleen analyseer wat er gebeurd is, maar mijn lichaam verraadt allang dat het veel verder gaat dan dat. Het idee dat ik hiermee door zou moeten gaan, dat hij dat bijna van me verwachtte, laat mijn fantasie steeds verder ontsporen. Kan dat eigenlijk wel? Mag ik dat? Wil ik dat?
Het frustrerende is dat het antwoord vrijwel direct door mijn hoofd schiet.
Drie keer ja.
Precies op het moment dat die gedachte zich volledig vormt, voel ik hoe de spanning zich in mijn lichaam ontlaadt en mijn eerste orgasme me onverwacht hard raakt. Mijn benen trillen licht terwijl ik mezelf tegen de muur gedrukt houd en het warme water onafgebroken over me heen blijft stromen. Even sluit ik mijn ogen nog steviger, bijna beschaamd over hoe sterk ik reageer op alles wat vandaag gebeurd is.
Maar zelfs daarna stopt mijn hoofd niet.
Terwijl mijn ademhaling langzaam weer rustiger wordt, dwalen mijn gedachten automatisch verder af naar morgen. Naar Mo en Jayden.
Hun cijfers zijn officieel niet hoog genoeg om mij tot pijpen aan te zetten. Dat is ten minste wat mijn eigen regels zeggen. Mijn zorgvuldig opgebouwde systeem waar ik me tot nu toe steeds aan vast heb gehouden zodra ik mezelf probeerde wijs te maken dat er ergens nog grenzen bestonden.
Alleen voelt dat systeem ineens minder stevig dan eerst.
Misschien moest ik hun cijfers gewoon aanpassen.
De gedachte komt bijna achteloos op, maar zodra hij er eenmaal is blijft hij hangen. Dan kon ik oefenen. Het klinkt absurd en toch probeer ik direct argumenten te verzinnen waarom het logisch zou zijn. Jayden had ik inmiddels al uitgebreid gepijpt, dus zo groot zou die stap niet meer zijn. En Mo... alleen al de gedachte aan hem laat mijn fantasie direct verder schieten. Hij is nog groter. Dominanter ook, stel ik me voor. Bij hen zou ik ten minste de tijd hebben. Geen haast. Geen angst om betrapt te worden zoals vandaag op school.
Mijn vingers bewegen alweer langzaam tussen mijn benen terwijl ik daarover nadenk.
Wil ik nu echt cijfers manipuleren alleen maar om te krijgen wat ik wil?
Die gedachte laat me abrupt weer stilvallen.
Ik lijk Dylan wel.
Meteen voel ik een steek van schuld door me heen trekken. Nee. Dat gaat te ver. Dat moet te ver blijven gaan, anders weet ik niet meer waar het ophoudt. Arme Dylan ook. Misschien was alles anders gelopen als hij gewoon iets geduldiger was geweest. Als hij niet meteen had geprobeerd meer te nemen dan afgesproken.
Uiteindelijk besluit ik mezelf opnieuw aan mijn regels te houden, al voelt het meer alsof ik mezelf probeer te overtuigen dan dat ik werkelijk zeker ben van die keuze. De beloningen staan vast. Ze moeten maar beter hun best doen als ze meer willen.
Toch blijft één gedachte vervelend hangen.
Of mijn kantoortje morgen nog wel de juiste plek is, weet ik ineens niet meer zo zeker na vandaag. De ruimte die eerst veilig voelde, bijna gecontroleerd, lijkt nu besmet met alles wat daar gebeurd is. Alsof iedere keer dat ik die deur sluit, ik automatisch weer iemand anders word.
Wanneer ik later die nacht opnieuw wakker lig in bed, rusteloos en veel te warm onder de dekens, merk ik dat mijn handen alweer langzaam over mijn eigen lichaam glijden zonder dat ik er echt bewust voor kies. Slapen lukt nauwelijks. Mijn hoofd blijft scenario’s afspelen alsof mijn fantasie geen uitknop meer heeft.
Maar nu stel ik het me anders voor.
Veel extremer ook.
Dat ik wél die slet ben die alles gewoon kan. Dat ik zonder moeite de imposante penis van de rector diep in mijn keel neem alsof ik hier ervaring mee heb. Dat ik hem volledig aankan zonder te kokhalzen of in paniek te raken. Dat Mo en Jayden wel hogere cijfers hebben gehaald en morgen tegenover me staan alsof ze precies weten wat hun beloning wordt.
Mijn fantasie blijft verder doorschieten terwijl ik half wakker, half dromend in bed lig. Steeds weer nieuwe beelden. Nieuwe scenario’s. Nieuwe grenzen die in mijn hoofd steeds makkelijker lijken te verdwijnen.
En ergens maakt juist dat me misschien nog het bangst van alles. Alsof ik langzaam besef dat dit mijn doel kan worden. Of was het dat al?
-
Dank voor het wachten op H9 — het vervolg heeft wat langer op zich laten wachten dan gepland. Niet omdat ik geen ideeën had, maar juist omdat ik meerdere richtingen voor ogen had en ik niet zomaar iets wilde kiezen alleen om snel verder te gaan. Op een gegeven moment voelde het alsof dit hoofdstuk echt goed moest zitten, niet alleen qua inhoud, maar ook qua sfeer, spanning en ontwikkeling van Anna zelf. Daarom heb ik er uiteindelijk meer tijd in gestoken dan eerst de bedoeling was.
Het verhaal is daarmee trouwens nog zeker niet klaar. Integendeel eigenlijk. Alleen merk ik wel dat de keuzes die hierna volgen belangrijker worden voor de toon van het geheel, dus ik wil daar niet te gehaast doorheen gaan. Ik neem liever iets langer de tijd dan dat het verhaal straks zijn eigen sfeer of geloofwaardigheid verliest.
Verder wil ik gewoon zeggen dat ik het oprecht leuk vind hoeveel reacties deze reeks heeft gekregen. De hoeveelheid berichten, theorieën, feedback en enthousiasme rondom Anna had ik eerlijk gezegd van tevoren niet helemaal verwacht, dus bedankt daarvoor. Dat motiveert enorm om hier serieus tijd in te blijven steken.
En ik ben eigenlijk ook wel benieuwd naar jullie eigen ervaringen of herinneringen aan school vroeger. Niet eens alleen de clichéverhalen, maar juist die situaties waarbij iemand nét iets te populair was, nét iets te verleidelijk, of gewoon bekendstond als de geile lerares of het sletje van de klas waar iedereen verhalen over had. Ik lees dat soort reacties altijd met veel interesse terug. En wie weet levert het nog mooie inspiratie op.
Groet en veel leesplezier,
Jefferson
Ik houd mijn adem in terwijl ik naar het melkglas van de deur staar, alsof ik daarmee kan voorkomen dat hij werkelijk binnenkomt. Toch blijf ik luisteren naar iedere beweging op de gang, naar het zachte schuiven van schoenen over de vloer en het rustige, beheerste ritme van voetstappen die niet gehaast klinken, maar juist kalm en zelfverzekerd, alsof degene aan de andere kant nergens over twijfelt. Nog voordat ik zijn silhouet echt goed herken, weet ik al wie het is. De brede schouders achter het matte glas verraden hem direct en ergens hoop ik nog heel even dat ik het mis heb, dat mijn hoofd me voor de gek houdt, maar diep vanbinnen weet ik allang dat dat niet zo is.
Langzaam beweegt de klink naar beneden en meteen voel ik mijn hartslag omhoogschieten, zo abrupt dat het bijna pijn doet in mijn borstkas. Toch blijft de deur dicht. Natuurlijk blijft die dicht; ik heb hem zelf op slot gedraaid, nog geen paar minuten geleden, omdat ik dacht dat een afgesloten kantoor hetzelfde was als veiligheid. Alsof een sleutel ineens kon uitwissen wat hier net gebeurd is. Alleen brandt het licht nog steeds fel boven mijn bureau en verraadt dat zonder moeite dat er nog iemand binnen is. Wie anders zou op dit tijdstip achter een afgesloten deur zitten in een verder leeg schoolgebouw?
Hij zegt niets. Hij klopt niet, noemt mijn naam niet en probeert ook niet meteen binnen te komen. Juist dat zwijgen maakt het erger, omdat ik daardoor niet meer weet wat hij precies denkt of hoeveel hij eigenlijk al weet. Misschien vermoedt hij alleen iets. Misschien is dit toeval en staat hij hier om iets heel anders. Maar hoe langer het stil blijft aan de andere kant van de deur, hoe moeilijker het wordt om mezelf nog wijs te maken dat dit gewoon een misverstand kan zijn.
Ik merk pas dat ik achteruit ben gelopen wanneer mijn schouderbladen de spiegel achter me raken. Het nieuwe blouseje hangt nog steeds verkrampt in mijn hand terwijl het oude half van mijn armen glijdt, verfrommeld en vergeten in de paniek van het moment. De koude spiegel trekt me heel even uit de roes waarin ik nog zat, uit de warmte van mijn lichaam en de opwinding die een paar minuten geleden nog alles overstemde. Nu voelt diezelfde warmte ineens gevaarlijk, alsof mijn lichaam me verraden heeft nog voordat ik zelf iets kon verbergen.
Ik durf niet in de spiegel te kijken. Niet omdat ik bang ben voor mijn eigen spiegelbeeld, maar omdat ik bang ben voor wat ik daarin zal herkennen. Nog geen paar uur geleden liep ik door dezelfde gangen alsof alles normaal was, alsof ik nog steeds gewoon een docent was die toetsen uitdeelde, cijfers invoerde en orde hield in een rumoerige klas. Nu sta ik half aangekleed in mijn afgesloten kantoor, met iemand anders nog zichtbaar op mijn huid, wachtend op een rector die onmogelijk niet begrijpt dat hier iets gebeurd is wat nooit had mogen gebeuren.
Dan hoor ik sleutels.
Alleen dat geluid al jaagt een schok door mijn lichaam. Het zachte rinkelen van metaal klinkt onnatuurlijk hard in de stilte van het gebouw, gevolgd door het rustige draaien van een sleutel in het slot. Niet gehaast, niet agressief, maar beheerst, alsof hij ervan uitgaat dat deze deur uiteindelijk toch wel voor hem opengaat. Mijn ademhaling wordt steeds oppervlakkiger terwijl ik probeer iets te bedenken dat dit nog kleiner kan maken, iets onschuldigs, een verklaring of een halve waarheid waarmee ik het terug kan brengen tot iets wat nog uit te leggen valt. Maar mijn hoofd blijft leeg. Er bestaat geen excuus groot genoeg om geloofwaardig te maken wat hier net gebeurd is, en ergens weet ik dat ik daar inmiddels ook te laat mee ben.
Dus blijf ik staan waar ik sta, half bloot en roerloos, terwijl de stof van mijn bh ongemakkelijk strak tegen mijn huid drukt en ineens alles wat ik vanmorgen bewust aantrok aanvoelt als bewijs. Van dichtbij ruikt het kantoor nog steeds naar droge whiteboardstiften, papier en schoonmaakmiddel, dezelfde geur als iedere andere schooldag, en juist dat maakt het onwerkelijker. Op mijn bureau liggen toetsen die nog nagekeken moeten worden en een rode pen die scheef over een stapel papier is gerold, alsof dit nog steeds gewoon een normale donderdagmiddag is.
Maar dat is het allang niet meer.
En het ergste is misschien nog wel dat ik niet eens zeker weet of ik banger ben voor wat hij straks gaat zeggen, of voor het feit dat een deel van mij nog steeds hoopt dat hij binnenkomt.
Ik weet niet waar ik moet kijken wanneer hij uiteindelijk binnenstapt. Toch blijven mijn ogen steeds weer bij hem hangen, alsof mijn lichaam instinctief begrijpt dat wegkijken het alleen maar schuldiger zou maken. Zijn blik vindt de mijne vrijwel direct en houdt die moeiteloos vast, zonder haast, zonder zichtbare schrik en vooral zonder de boosheid waar ik me onderweg naartoe al op had voorbereid. Juist dat maakt me nerveuzer dan wanneer hij meteen tegen me was uitgevaren. Er zit iets verontrustends in de kalmte waarmee hij mijn kantoor binnenloopt en de deur daarna rustig achter zich sluit, alsof hij hier niet onverwacht binnenvalt maar simpelweg arriveert op een plek waar hij al langer naartoe onderweg was.
Hij trekt met bedachtzame precisie zijn jasje recht, laat zijn blik kort door het kantoor glijden en blijft daarna vlak voor me staan, dichtbij genoeg om me bewust te maken van iedere ademhaling die ik neem. De ruimte tussen ons voelt plotseling veel kleiner dan een paar seconden geleden. Achter mijn rug voel ik nog steeds de spiegel en de koude muur daaronder, terwijl mijn vingers langzaam verslappen van de spanning. Zonder dat ik het echt merk, glijden beide blousejes uit mijn handen en vallen geruisloos op de vloer. Mijn ademhaling klinkt te luid in de stilte van het kantoor en mijn borst beweegt onrustig op en neer, terwijl ik hem alleen maar aankijk zonder te weten wat ik met mijn handen, mijn lichaam of zelfs mijn gezicht moet doen.
Ik voel me ineens pijnlijk zichtbaar. Niet eens alleen door het feit dat ik half aangekleed tegenover hem sta, maar doordat alles wat ik de afgelopen weken zorgvuldig verborgen probeerde te houden nu in één moment tastbaar lijkt geworden. De veel te strakke bh die vanmorgen nog voelde als een bewuste keuze, voelt nu eerder als bewijs, net als het glanzende spoor dat nog steeds zichtbaar is op mijn huid. Nog geen uur geleden wist ik mezelf wijs te maken dat ik alles onder controle had, dat ik ondanks alles nog kon terugkeren naar een normaal leven zodra de school leeg was en de deur van mijn kantoor dichtging. Nu voelt dat ineens belachelijk naïef.
Toch zegt hij nog steeds niets. Zijn ogen blijven rustig over me heen glijden, niet gehaast en niet schaamteloos gretig, maar aandachtig genoeg om me steeds bewuster te maken van hoe ik eruit moet zien. Zijn blik blijft af en toe iets te lang hangen zonder dat ik precies kan bepalen waarop, waardoor ik mezelf automatisch probeer kleiner te maken terwijl dat allang niet meer lukt. Misschien beeld ik het me in, misschien zoek ik overal betekenis achter omdat ik bang ben, maar juist doordat hij zo weinig zegt begin ik alles zelf voor hem in te vullen.
Wanneer hij uiteindelijk mijn naam uitspreekt, klinkt die onverwacht laag en beheerst, alsof hij mij eerst de tijd heeft gegeven om volledig in paniek te raken voordat hij besluit iets te zeggen. Mijn ogen schieten kort weg naar zijn overhemd, naar zijn handen, naar alles behalve zijn gezicht, maar zijn stem trekt me meteen terug.
‘Ik wil dat je even niks zegt,’ zegt hij rustig, bijna vriendelijk, en juist daardoor voelt het niet als een verzoek.
‘I-ik kan het uitleggen,’ flap ik er meteen uit, veel sneller dan ik wil, terwijl ik mezelf al hoor struikelen over de paniek in mijn stem.
Hij onderbreekt me vrijwel direct. Niet luid, maar scherp genoeg om mijn maag samen te laten trekken.
‘Nee,’ zegt hij terwijl hij een kleine stap dichterbij zet. ‘Ik wil juist dat je nu even helemaal niks zegt. Is dat duidelijk?’
Ik probeer nog iets te antwoorden, al weet ik zelf niet eens meer wat precies, maar zodra hij opnieuw mijn naam zegt, nu rustiger en lager dan daarvoor, blijft alles in mijn keel steken. Meer hoeft hij blijkbaar niet te doen. De stilte die daarna tussen ons hangt, voelt zwaarder dan welke dreiging dan ook, waardoor ik uiteindelijk alleen langzaam knik terwijl mijn ogen beginnen te prikken van de spanning.
Pas daarna haalt hij langzaam een opgevouwen briefje uit de binnenzak van zijn jasje. Mijn aandacht blijft er onmiddellijk aan hangen nog voordat hij het helemaal heeft opengevouwen. Het papier ziet er onschuldig uit, bijna kinderlijk zelfs, maar de schok die door mijn lichaam trekt zodra ik het herken, maakt meteen duidelijk wat het is. Dylan had alles opgeschreven. Niet alleen de cijfers, maar ook de afspraken, de regels en de beloningen waarvan ik mezelf steeds had wijsgemaakt dat ze tijdelijk waren, uitzonderingen, iets wat vanzelf weer zou verdwijnen zolang niemand het hardop benoemde.
Hij houdt het briefje niet beschuldigend omhoog. Dat maakt het misschien nog erger. Hij kijkt ernaar alsof hij iets probeert te begrijpen dat hem tegelijkertijd choqueert en fascineert.
‘Dit komt me niet echt over als een gewone spiekbrief,’ zegt hij uiteindelijk terwijl zijn blik kort omhooggaat naar mij. ‘Wil jij me vertellen waar ik precies naar kijk?’
Ik blijf stil omdat ik simpelweg niet weet welke versie van de waarheid nog het minste kwaad zou doen. Mijn handen zoeken opnieuw steun achter me tegen de muur terwijl hij dichterbij komt en met zijn vinger langzaam over het papier glijdt.
‘Behaald cijfer,’ leest hij hardop, waarna zijn blik zakt naar de volgende woorden. ‘En daarachter staat dan “de beloning”.’
Hij zegt het niet spottend, eerder nadenkend, alsof hij het systeem probeert te reconstrueren terwijl hij tegelijkertijd probeert te bepalen hoeveel ervan echt is en hoeveel fantasie.
Dat maakt het erger.
Want zolang hij twijfelt, bestaat er misschien nog een uitweg.
‘Aftrekken… en laten aftrekken,’ leest hij vervolgens trager voor, alsof hij bewust proeft hoe absurd die woorden klinken binnen de muren van een schoolgebouw.
Ik voel onmiddellijk hoe mijn maag zich samentrekt.
Hij kijkt me opnieuw aan, deze keer langer dan daarvoor, en even lijkt het alsof hij wacht tot ik hem tegenspreek. Alsof hij me nog één kans geeft om te lachen, om te zeggen dat Dylan een gestoorde fantasie had verzonnen of dat dit een misplaatste grap is.
Maar ik zeg niets.
En juist dat zwijgen verraadt me.
Hij humt zachtjes terwijl hij verder leest en zet daarna langzaam nog een stap dichterbij.
‘Dus dit werkte echt?’ vraagt hij uiteindelijk, nog steeds op die rustige toon waar ik onmogelijk grip op krijg. ‘Die jongens haalden betere cijfers… en jij deed dit daadwerkelijk?’
Ik wil meteen ontkennen. Dat voel ik aan alles. Toch blijft mijn mond half open hangen zonder dat er geluid uitkomt, omdat ik ineens besef dat hij het misschien helemaal niet zeker weet. Misschien had hij alleen vermoedens. Misschien probeerde hij alleen mijn reactie te lezen.
Maar het is al te laat.
Aan de manier waarop hij naar me kijkt, zie ik dat hij mijn stilte inmiddels allang als antwoord heeft genomen.
En precies op dat moment begrijp ik pas echt hoe diep ik mezelf zojuist verraden heb.
Van Weelden blijft een paar seconden naar het briefje kijken zonder iets te zeggen. Niet lang genoeg om overdreven te worden, maar wel lang genoeg om mij het gevoel te geven dat iedere seconde iets erger maakt. Zijn ogen bewegen langzaam over de regels alsof hij probeert te begrijpen waar hij precies naar kijkt. Af en toe fronst hij licht, alsof bepaalde woorden niet passen bij wat hij dacht dat hij wist over Dylan, over mij, over deze school.
Ik blijf ondertussen tegen de muur staan, half aangekleed, met mijn armen ongemakkelijk langs mijn lichaam terwijl ik probeer in te schatten hoeveel hij nu echt begrijpt. Misschien ziet hij alleen een bizarre fantasie van Dylan. Misschien denkt hij dat het een grap is. Misschien denkt hij nog steeds dat ik hier slachtoffer van ben. Maar telkens wanneer zijn blik kort van het papier naar mij verschuift, voelt het alsof ik mezelf verder verraad zonder ook maar iets te zeggen.
‘Die cijfers vielen me al op,’ zegt hij uiteindelijk langzaam, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Daarna kijkt hij opnieuw naar het briefje. ‘Vooral Dylan ineens. Dat sloeg nergens op.’
Zijn toon blijft rustig, maar niet meer zo zeker als eerst. Alsof hij tijdens het praten pas conclusies probeert te vormen in plaats van ze al klaar te hebben liggen. Hij loopt een paar passen door het kantoor, stopt bij mijn bureau en kijkt naar de stapel toetsen die daar nog ligt. De gewone schoolspullen maken het alleen maar vreemder. Alsof twee totaal verschillende werkelijkheden hier door elkaar zijn gaan lopen.
‘Ik dacht eerst gewoon aan spieken,’ zegt hij dan. ‘Dat gebeurt vaker. Maar toen lag dit ineens tussen zijn spullen.’
Hij heft het briefje iets omhoog tussen twee vingers, bijna voorzichtig.
‘En eerlijk gezegd weet ik nog steeds niet precies waar ik naar kijk.’
Mijn hart slaat meteen harder bij die woorden.
Nog steeds niet precies.
Dus hij weet het echt niet zeker.
Die gedachte geeft heel even lucht, maar tegelijk maakt het me misselijk omdat ik besef hoe dicht ik er net tegenaan zat om alles zelf in te vullen. Misschien doe ik dat nog steeds.
Hij kijkt opnieuw naar me, maar dit keer niet meteen. Zijn blik blijft eerst hangen op mijn schouder, op mijn losse blouse die half op de grond ligt, daarna pas op mijn gezicht. Zodra hij merkt dat ik dat zie, kijkt hij kort weg en schraapt hij zacht zijn keel, alsof hij zichzelf erop betrapt dat hij te lang bleef kijken.
‘Anna…’ begint hij dan aarzelend. Voor het eerst klinkt hij minder beheerst. ‘Dit is serieus. Begrijp je dat?’
Ik knik meteen.
Te snel misschien.
Hij ademt langzaam uit en zet zijn hand in zijn zij terwijl hij weer door het kantoor kijkt, alsof hij probeert afstand te nemen van wat hier voor hem staat. Maar dat lukt hem duidelijk niet helemaal. Zijn ogen komen steeds terug naar mij, ondanks zichzelf bijna.
‘Dylan wordt geschorst vanwege spieken alleen al,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Dus als hier meer achter zit dan dat…’
Hij maakt de zin niet af.
Dat hoeft ook niet.
Mijn maag trekt zich samen terwijl ik automatisch zelf begin aan te vullen wat hij niet zegt. Schorsing. Onderzoek. Gesprekken. Collega’s. Ouders. Nieuws dat rondgaat in de docentenkamer. Alles tegelijk.
En toch merk ik ondertussen ook iets anders.
Hij loopt niet weg.
Hij belt niemand.
Hij kijkt me niet aan alsof hij me al veroordeeld heeft.
Integendeel zelfs; hoe langer hij blijft, hoe meer zijn verwarring lijkt te verschuiven naar iets anders dat hij zelf ook nog niet helemaal begrijpt. Zijn blik blijft afdwalen, zijn stem zakt soms iets weg midden in een zin en telkens wanneer het stilvalt tussen ons in, voel ik hoe zwaar die stilte wordt.
Ik begin mezelf ondertussen wanhopig gerust te praten.
Als hij écht alleen boos was geweest, was hij allang weggegaan.
Als hij me direct had willen aangeven, had hij hier niet zo gestaan.
Misschien probeert hij alleen te begrijpen wat hier gebeurd is.
Misschien kan ik dit nog sturen voordat het volledig misgaat.
Mijn ogen glijden kort naar het briefje in zijn hand. Daarna weer naar hem. Ik zie hoe hij zijn grip iets verstevigt zodra hij merkt dat ik ernaar kijk.
‘Die woorden daar…’ zegt hij langzaam terwijl hij opnieuw naar het papier kijkt. ‘Dat zijn geen normale afspraken meer.’
Hij lacht kort, ongemakkelijk bijna, maar meteen daarna verdwijnt die lach weer. ‘Ik bedoel… dit kan natuurlijk niet.’
Toch blijft hij staan.
En juist dat maakt het verwarrend.
Want alles aan hem zegt dat hij dit fout vindt, maar niets aan hem zegt dat hij weg wil.
Ik blijf hem aankijken terwijl de stilte tussen ons steeds zwaarder wordt. Hij zegt niets meer en juist daardoor begin ik alles zelf in te vullen. Als hij me echt meteen had willen aangeven, had hij allang iemand gebeld. Dan stond hij hier niet nog steeds. Dan keek hij niet zo naar me. Niet op die manier.
Mijn ademhaling wordt langzaam rustiger, al voel ik mijn hart nog steeds hard tegen mijn ribben slaan. Hij staat dichtbij genoeg dat ik de lichte geur van zijn aftershave ruik, vermengd met de droge lucht van het kantoor en het schoonmaakmiddel dat iedere avond door de gangen hangt. Normaal ruikt school veilig. Vertrouwd bijna. Nu voelt het alsof alles om ons heen stil is gevallen.
Zijn blik glijdt opnieuw kort naar het briefje in zijn hand.
Daarna weer naar mij.
Niet afkeurend.
Eerder alsof hij probeert te begrijpen hoe hij hier precies terechtgekomen is.
‘Ik snap gewoon niet…’ begint hij langzaam, voordat hij zichzelf onderbreekt. Zijn ogen blijven even hangen op mijn schouder, op de band van mijn bh die half scheef zit sinds ik mijn blouse uitgetrokken heb. Meteen kijkt hij weer weg, maar niet snel genoeg.
Hij had het zelf ook door.
Ik voel hoe mijn maag zich opnieuw samentrekt, alleen niet meer puur van angst. Dat maakt het juist erger. Want nu ik eenmaal gezien heb dat hij moeite heeft om níét te kijken, kan ik daar onmogelijk nog niet bewust van zijn.
‘Die gasten waren ineens compleet anders,’ zegt hij uiteindelijk terwijl hij zacht met zijn duim langs de rand van het briefje strijkt. ‘Rustiger. Gemotiveerder. Zelfs andere docenten begonnen erover.’
Hij lacht kort, ongemakkelijk bijna.
‘Ik dacht serieus even dat jij gewoon heel goed was in je werk.’
Ik weet niet waarom die opmerking harder binnenkomt dan alles daarvoor. Misschien omdat hij het bijna bewonderend zegt. Misschien omdat hij nog steeds niet klinkt alsof hij me al veroordeeld heeft.
Hij zet een kleine stap achteruit, alsof hij zichzelf eraan wil herinneren dat er afstand tussen ons hoort te zitten, maar zijn ogen blijven opnieuw aan me hangen voordat hij ze weer dwingt naar het bureau te verplaatsen.
‘Dit kan natuurlijk niet,’ zegt hij daarna opnieuw, zachter dit keer. Minder overtuigd bijna.
Ik knik meteen.
Natuurlijk kan dit niet.
Toch blijft hij hier.
Die gedachte blijft rondzingen in mijn hoofd terwijl ik hem aankijk. Als hij echt alleen geschokt was, was hij allang weggegaan. Als hij me alleen walgelijk vond, stond hij hier niet nog steeds met dat briefje in zijn hand alsof hij twijfelt wat hij ermee moet doen.
Misschien probeert hij alleen te begrijpen wat hier gebeurd is.
Misschien probeert hij zichzelf ook gerust te praten.
Mijn blik zakt kort naar zijn hand, nog steeds om het papier heen gevouwen, en ik hoor mezelf nadenken nog voordat ik besloten heb wat ik eigenlijk wil doen. Als ik hem nu laat schrikken of boos maak, ben ik alles kwijt. Mijn baan. Mijn leven hier. Alles wat nog overeind staat. Maar zolang hij blijft twijfelen, zolang hij blijft kijken in plaats van handelen, voelt het alsof er nog iets te redden valt.
Misschien kan ik dit nog sturen.
Misschien kan ik de controle terugpakken voordat hij besluit die van mij af te nemen.
Ik duw mezelf langzaam los van de spiegel achter me en zie onmiddellijk hoe zijn aandacht weer naar me terugschiet. Niet eens bewust waarschijnlijk. Dat maakt het alleen maar duidelijker.
‘Je begrijpt het verkeerd,’ hoor ik mezelf zacht zeggen.
Zijn wenkbrauwen trekken licht samen.
‘Verkeerd?’ vraagt hij langzaam.
Ik knik terwijl ik voorzichtig dichterbij stap, langzaam genoeg dat hij alle tijd heeft om afstand te nemen als hij dat wil.
Maar dat doet hij niet.
‘Dat briefje…’ begin ik terwijl ik kort naar het papier wijs. ‘Dat leest erger dan het was.’
Zelfs terwijl ik het zeg, weet ik dat het niet waar is. Of misschien half waar. Ik weet het zelf inmiddels niet eens meer.
Hij kijkt opnieuw naar het briefje en daarna naar mij.
‘Erger dan dit eruitziet?’ vraagt hij zacht.
Ik slik.
Mijn vingers raken heel even de rand van het papier aan terwijl hij het nog vasthoudt. Een klein contact maar, nauwelijks iets, en toch voelt het alsof de hele ruimte erop reageert. Zijn hand beweegt niet weg. Integendeel zelfs; ik zie hoe zijn ademhaling net iets dieper wordt voordat hij zichzelf weer stil probeert te krijgen.
‘Je denkt nu waarschijnlijk…’ begin ik voorzichtig, maar mijn stem sterft halverwege af zodra hij me aankijkt.
Te aandachtig.
Te dichtbij.
Alsof hij vergeten is dat hij eigenlijk boos zou moeten zijn.
‘Ik weet niet wat ik denk,’ zegt hij uiteindelijk eerlijker dan daarvoor. ‘Dat is juist het probleem.’
Die woorden blijven hangen tussen ons in.
En ergens, diep vanbinnen, voelt dat niet meer als een dreiging. Het voelt als ruimte.
Ik sta vlak voor hem en voel de warmte van zijn lichaam haast tegen het mijne drukken, terwijl hij geen stap achteruit doet en alleen maar blijft staan alsof hij wil zien hoe ver dit nog verder gaat. Zijn blik blijft op mij rusten, langzaam glijdend van mijn ogen naar mijn borsten, vervolgens naar het opgedroogde zaad en uiteindelijk naar het briefje dat nog altijd alles verraadt wat ik geprobeerd heb verborgen te houden. Begrijpt hij werkelijk niet wat hier gebeurt, of doet hij alsof zodat ik degene word die het hardop moet maken? Die gedachte blijft rondzingen in mijn hoofd terwijl de stilte tussen ons alleen maar zwaarder wordt.
Hij geeft me ruimte, misschien zonder het zelf door te hebben, maar die ruimte is er nu wel degelijk en ergens voelt het alsof hij wacht tot ik mezelf uit deze situatie probeer te redden. Alleen kan ik op dit moment nauwelijks nog helder nadenken en kom ik niet verder dan het gevoel dat ik hem moet helpen om het eindelijk te begrijpen. Mijn lippen trekken even samen terwijl ik mijn blik bewust langzaam over zijn borst laat glijden, langs de knoopjes van zijn overhemd en verder naar beneden, totdat mijn ogen blijven hangen bij zijn broek. Zelfs door de stof heen zie ik direct dat hij de controle grotendeels kwijt is geraakt sinds ik dichterbij ben komen staan, en juist dat besef maakt alles nog gevaarlijker dan het al was.
"Misschien..." begin ik zachtjes, bijna lispelend, terwijl mijn stem veel rustiger klinkt dan ik me werkelijk voel. "Misschien helpt het als ik het gewoon laat zien. Dan zult u merken dat het echt niet zo erg is." De verleiding die in mijn stem doorklinkt verrast zelfs mij, alsof ik degene ben die hier de situatie volledig beheerst en precies weet wat ze doet. Maar dat is niet waar. Dit voelt als alles of niets, alsof er geen weg terug meer bestaat zodra ik doorga. Mijn blik blijft naar beneden gericht en wanneer ik zie hoe de contouren achter zijn gulp subtiel bewegen, doet dat veel meer met me dan het op dit moment zou mogen doen. Een scherpe golf van opwinding trekt door me heen en ik haat hoe sterk ik daarop reageer. Ik ben zo slecht bezig. Ik weet het. Toch voelt het alsof ik mezelf al veel te ver heb verloren om nog terug te kunnen.
"Anna, uhm..." Voor het eerst zie ik iets wat bijna op schrik lijkt in zijn ogen, niet de zelfverzekerde rector die ik gewend ben, maar even gewoon een man die niet meer helemaal weet hoe hij moet reageren. Alleen blijft dat moment niet lang bestaan, want langzaam verandert zijn mond weer in die lichte grijns die inmiddels meer zegt dan woorden ooit zouden kunnen doen. Dat is het teken waar ik op wachtte. Ik kijk hem recht aan terwijl mijn ogen glanzen en ik mijn lippen langzaam bevochtig, waarna ik mijn hand voorzichtig op zijn gulp plaats en mijn vingers zich vormen rond wat ik daar direct voel. Hij is volledig erect. Zodra ik hem aanraak voel ik zijn lichaam zich aanspannen, alsof hij zichzelf probeert tegen te houden en tegelijkertijd steeds meer loslaat. Het verbaast me hoeveel ik door die stof heen al kan voelen, maar nog meer verbaast het me wat dat met mij doet, hoe het me alleen maar verder meesleept in deze diepe put waar ik inmiddels nauwelijks nog uit denk te kunnen klimmen.
Opnieuw zegt hij niets. Hij blijft alleen naar mijn ogen kijken terwijl mijn hand langzaam beweegt, op en neer over de duidelijke contouren onder mijn vingers. Zijn mond hangt iets open en zijn ademhaling wordt merkbaar zwaarder, maar hij houdt me niet tegen en juist dat geeft me eigenlijk al precies wat ik wil. "Zoiets moet u denken bij de tweede categorie. Dat ik het voor ze doe," fluister ik zacht in zijn oor, terwijl de woorden bijna verdwijnen in de spanning die tussen ons hangt. Niemand mag dit ooit weten, en toch geef ik hier tegelijkertijd toe dat dat lijstje helemaal geen fantasie was. Een zwaardere kreun ontsnapt hem voordat hij zichzelf nog kan tegenhouden en meteen voel ik hem harder worden, alsof de volledige realisatie van wat ik zeg hem nog verder over de rand duwt. "Halen ze lager, mogen ze het zelf doen," fluister ik er nog achteraan, waarna ik langzaam weer wat afstand neem en mijn hand van zijn kruis laat glijden. Hij liet het gebeuren. Ik krijg het gevoel dat hij straks ook wil dat dit stil blijft. En dat was mijn doel.
Hij zegt nog steeds niets. Zijn ogen zijn groter geworden en vertellen ondertussen alles wat hij niet uitspreekt, terwijl die bekende grijns opnieuw langzaam op zijn gezicht verschijnt. "Ik... begin het te begrijpen," zegt hij uiteindelijk, op een toon alsof we elkaar nu echt begrijpen en alsof dit gesprek ergens logisch is geworden. Alsof wat hier gebeurt op de een of andere manier acceptabel is. Even vraag ik me af of ik hier daadwerkelijk mee weg ga komen. Maar dan zie ik hoe hij zichzelf weer herpakt en opnieuw rechtop gaat staan, terug in de rol van degene die de controle hoort te hebben. Nu hij weet hoe ik hierin sta, lijkt hij die positie alleen maar steviger vast te grijpen. "Maar ik begrijp het nog niet helemaal... Misschien is het goed als je alles uitlegt," stelt hij vervolgens voor, en meteen voel ik opnieuw een schok van spanning door mijn lichaam trekken, omdat ik dondersgoed weet wat hij nu van mij verwacht.
Hij zegt bewust niets en legt het briefje vervolgens langzaam naast ons op het bureau neer, open en zichtbaar alsof hij er zeker van wil zijn dat het tussen ons in blijft liggen als stille herinnering aan alles wat hier zojuist is gebeurd. Daarna kijkt hij me alleen maar aan, rustig en bijna uitdagend, met een blik die overduidelijk maakt dat hij iets van mij verwacht en dat hij niet van plan is mij nog verder te helpen. Zijn handen verdwijnen in zijn zakken, nonchalant maar berekend, alsof hij zonder woorden duidelijk wil maken dat ik mezelf nu maar uit deze situatie moet zien te redden. Juist doordat hij zo stil blijft, valt mijn aandacht automatisch naar beneden, naar de duidelijke contouren van zijn stijve die door zijn broek heen zichtbaar zijn geworden. Meer hoeft hij niet te doen. Alleen al dat beeld zegt genoeg.
Ik twijfel even, al voelt het nauwelijks nog als echte twijfel maar eerder als een laatste zwakke poging van mijn verstand om nog ergens op de rem te trappen. Moet ik dit echt doen? Ga ik opnieuw dezelfde fout maken als met Dylan, alleen nu op een manier die nog veel verder gaat? Tegelijkertijd weet ik ook dat deze hele situatie juist door Dylan is ontstaan en dat ik mezelf inmiddels zo diep in deze puinhoop heb gewerkt dat een normale uitweg eigenlijk niet meer bestaat. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ik het niet volledig hoef uit te leggen, dat ik misschien nog ergens een grens kan houden en dat ik uiteindelijk nog steeds degene ben die bepaalt hoe ver dit gaat. Maar zelfs terwijl ik dat denk, geloof ik er al nauwelijks meer in.
"Goed," zeg ik uiteindelijk rustig, al hoor ik aan mijn eigen stem dat er spanning onder zit die ik onmogelijk volledig kan verbergen. Onbewust kom ik even iets omhoog op mijn tenen en meteen voel ik hoe de beweging het gewicht van mijn borsten accentueert, waardoor zijn aandacht er direct naartoe getrokken wordt alsof hij daar helemaal niet tegen wil vechten. Ik slik hoorbaar voordat ik verder praat. "Haal je hoger, gebruik ik dit hier," zeg ik dan zacht, terwijl ik met één vinger naar mijn borsten wijs die nog steeds opgesloten zitten in die beha, met het opgedroogde zaad er nog altijd zichtbaar op. Zijn blik volgt mijn hand direct en langzaam verschijnt die grijns opnieuw op zijn gezicht. "Dat had Luc gehaald?" vraagt hij nieuwsgierig, op een toon die bijna luchtig klinkt terwijl de spanning tussen ons ondertussen verstikkend zwaar is geworden.
Tot mijn eigen verbazing moet ik lachen en meteen schaam ik me daar weer voor, omdat ik dondersgoed besef dat ik dit veel te leuk begin te vinden. "Nee, dat niet," antwoord ik snel, zonder verder in detail te willen treden. Ik wil hem niet nog meer geven dan nodig is. ten minste, dat houd ik mezelf voor. Hij schraapt langzaam zijn keel, alsof hij precies merkt dat ik bewust informatie achterhoud. "Dan ben ik bang dat ik het nog niet helemaal begrijp," zegt hij vervolgens rustig, bijna gespeeld onschuldig, terwijl hij me geen seconde uit het oog verliest. Daarna laat hij zijn woorden expres langzaam vallen. "Ik vond je aanpak van net duidelijker. Was altijd al meer van de praktijk." Alleen die opmerking is al genoeg om opnieuw een warme golf door mijn lichaam te voelen trekken.
Ik slik weer en aan alles voel ik dat hij uiteindelijk toch zijn zin gaat krijgen, simpelweg omdat hij precies weet hoe hij me onder druk moet zetten zonder ooit echt te duwen. Het frustrerende is dat ik nog steeds niet goed weet wie hij werkelijk is of wat hij precies wil bereiken. Hij had me allang weg kunnen sturen, had dit hele gesprek kunnen stoppen voordat het zo uit de hand liep, maar dat wilde hij duidelijk niet. Integendeel zelfs. Alles aan hem straalt uit dat hij me alleen maar dichterbij wilde hebben en misschien nog erger is het besef dat ik daar inmiddels zelf ook niets meer op tegen heb.
Er blijft alleen één probleem hangen in mijn hoofd. Ik heb nooit echt goed begrepen wat die derde categorie in de praktijk betekende. Bij cijfers tussen de 7,6 en de 8,2 hoorde de beloning mijn borsten te zijn, maar wat betekende dat precies? Gebruik van maken, dacht ik altijd. Dat voelde logisch, als een soort overtreffende trap na het aftrekken maar nog net vóór het pijpen. In mijn fantasieën over de jongens kwam dit eigenlijk nauwelijks voor, omdat ik ze daarin veel liever gewoon aftrok of direct afzoog, waarna ik mezelf nog verder liet gebruiken totdat ik volledig ondergespoten werd. Toch zet ik langzaam een stap dichterbij. Met beide handen schuif ik mijn haren naar achteren zodat mijn borsten nog voller zichtbaar worden, alsof ik mezelf onbewust presenteer zonder het hardop toe te geven.
Misschien ertussen, denk ik kort. Maar tegelijkertijd probeer ik mezelf wijs te maken dat ik niet helemaal all the way hoef te gaan. Net als met het aftrekken eerder. Misschien kan ik ook dit half doen zonder echt volledig over die grens heen te gaan.
Langzaam zak ik voor hem door mijn knieën en meteen voelt de lucht tussen ons nog heter dan daarvoor, alsof iedere centimeter die ik dichterbij kom de spanning verder opvoert. Hij blijft gewoon staan en kijkt op me neer terwijl de duidelijke bolling in zijn broek nu vlak voor mijn gezicht hangt. "Gefeliciteerd met uw 8," lispel ik zachtjes omhoog terwijl ik hem met grote, hongerige ogen aankijk, volledig meespelend in het spel dat allang geen spel meer voelt. In mijn ooghoeken zie ik zijn broek even tot leven komen na die woorden. Dat voelt zo goed. Dus ga ik verder. "En dan..." vervolg ik langzaam, waarna ik mijn volle buste voorzichtig omhoog duw tegen de harde bolling in zijn broek.
Direct voel ik de warmte van zijn lichaam door de stof heen, samen met de stevige hardheid die zich precies tegen de zachtheid van mijn rondingen aandrukt. Het contrast alleen al maakt me duizelig van opwinding. Gehurkt voor hem laat ik mijn borsten langzaam een paar keer tegen zijn erectie wrijven, rustig en expres langzaam, terwijl ik voel hoe hij nauwelijks nog stil kan blijven staan. "Dat is duidelijk?" vraag ik zachtjes, mijn stem verraderlijk opgewonden.
Alleen het idee al dat hij ooit ontbloot tussen mijn borsten zou liggen, maakt me oprecht natter dan ik zou willen toegeven. Is dat vreemd? De gedachte dat hij dan misschien over me heen zou klaarkomen, warm en ongecontroleerd, laat mijn fantasie direct verder doorslaan. Toch zegt hij nog steeds niets. Hij kijkt alleen maar naar me, zichtbaar genietend van wat ik doe, en vooral de hardheid die ik nog steeds duidelijk door zijn broek heen voel verraadt genoeg.
"Een stapje hoger gaat als volgt," zeg ik vervolgens, terwijl ik mezelf hoor praten alsof ik dit allemaal volledig onder controle heb. Langzaam zak ik nog iets verder naar beneden en terwijl ik hem blijf aankijken open ik mijn mond heel langzaam. Mijn tong steek ik ver uit voordat ik langs de contouren van zijn erectie lik, over zijn broek heen, langs de koele metalen rits die scherp afsteekt tegen de warmte daarachter. Daarna sluit ik mijn lippen voorzichtig rond de plek waar zijn eikel moet zitten, hoog tegen de band van zijn broek aan, alsof ik hem zelfs door de stof heen probeer te proeven. En ik wachtte dus niet af.
"Oh, god..." verzucht hij zachtjes en alleen dat geluid maakt me nog warmer. Met mijn neus glijd ik langzaam langs de lengte van zijn schacht naar beneden, waarna ik uiteindelijk stil voor hem blijf zitten en afwachtend naar hem opkijk.
Alles in mijn lijf schreeuwt ondertussen om hem ook de andere twee beloningen te laten zien, alsof mijn lichaam inmiddels verder wil gaan dan mijn verstand nog kan bijhouden. Toch probeer ik mezelf vast te houden aan het idee dat mijn mond misschien genoeg zal zijn en dat hij daar uiteindelijk genoegen mee neemt. Dat bleef de veilige optie. De snelle optie. Maar terwijl hij me zwijgend blijft bekijken, zijn ogen langzaam over me heen laat glijden en die kleine grijns opnieuw op zijn lippen verschijnt, krijg ik steeds sterker het gevoel dat hij nog helemaal niet klaar is met wachten.
Hij kijkt me alleen maar aan en precies daardoor weet ik meteen waar hij op wacht, nog voordat hij iets zegt. Hij wil dat ik alles zelf invul, dat ik degene word die de stilte opvult en hardop maakt wat hier inmiddels allang tussen ons hangt. Dat besef kruipt langzaam onder mijn huid terwijl hij daar roerloos blijft staan, kalm en geduldig, alsof hij er volledig op vertrouwt dat ik uiteindelijk toch verder zal praten. Ik voel me steeds kleiner worden onder zijn blik, niet omdat hij dreigt of boos lijkt, maar juist doordat hij zo beheerst blijft. Het voelt alsof hij me allang doorheeft en nu alleen nog afwacht hoe ver ik bereid ben zelf te gaan.
"De rest is duidelijk, toch?" vraag ik hem uiteindelijk voorzichtig, meer omdat ik hoop dat hij genoegen neemt met wat hij al gezien heeft dan omdat ik werkelijk denk dat hij nu klaar is. Mijn stem klinkt zachter dan bedoeld en ik hoor de onzekerheid er zelf doorheen sijpelen. Ik ben bang dat als ik mezelf nog verder aanbied, hij me daarna niet zomaar meer laat gaan. Alsof er een punt bestaat waarna niets meer terug te draaien valt.
"De rest is duidelijk," antwoordt hij vervolgens gevaarlijk rustig, op een toon die meteen duidelijk maakt dat hij het waarschijnlijk over veel meer heeft dan alleen die twee overgebleven beloningen op dat lijstje. Er zit iets onder zijn woorden wat me direct opnieuw gespannen maakt, alsof hij langzaam controle over de situatie naar zich toe trekt zonder dat ik precies merk wanneer dat gebeurd is.
"En het werkt, niet?" gaat hij daarna verder, ineens bijna zakelijk van toon, alsof we een serieus gesprek voeren in plaats van dit. Ik zit nog steeds voor hem op mijn knieën. Zijn broek is zichtbaar vochtig van mijn mond en de harde spanning erachter drukt zo duidelijk tegen de stof dat ik moeite moet doen om er niet constant naar te kijken. Alleen dat beeld al maakt het lastig om normaal te blijven nadenken.
"Ze halen betere cijfers, toch?" vraagt hij rustig verder.
Ik slik langzaam voordat ik antwoord geef, omdat ik weet dat liegen nu zinloos is. Hij heeft inmiddels al genoeg gezien om de waarheid zelf in te vullen. "Begint te komen," geef ik uiteindelijk zacht toe, schuldbewust en bijna beschaamd. Meteen probeer ik mezelf weer wijs te maken dat ik nog nét niet volledig over iedere grens was gegaan. Dat ik het ergens nog onder controle had. Terwijl ik tegelijkertijd dondersgoed weet dat ik met alle vier die jongens eigenlijk allang veel te ver ben gegaan.
"Die negen van Dylan?" vraagt hij dan ineens.
Mijn hele lichaam verstijft direct. Natuurlijk weet ik wat hij bedoelt. Dylan had hoger gehaald dan de rest. De hoogste beloning. En die had hij ook gekregen zonder dat ik daar werkelijk over had getwijfeld.
"Je twijfelde niet?" vraagt hij vervolgens.
Maar het klinkt niet echt als een vraag. Meer als een constatering die hij allang zelf heeft beantwoord.
Ik twijfelde inderdaad niet aan zijn cijfer. Ik twijfelde ook niet aan de beloning die daarbij hoorde.
Voor het eerst sinds dit gesprek begon, durf ik hem niet meer recht aan te kijken. Mijn ogen blijven omlaag gericht terwijl de hitte in mijn gezicht steeds erger wordt.
"Geeft niet," zegt hij rustig, bijna geruststellend zelfs. "Motiveren kan werken. Denk dat de rest nu wel beter weet om niet vals te spelen," vervolgt hij daarna, alsof hij simpelweg een logische conclusie trekt.
Alsof hij alles al begrijpt.
Maar begrijpt hij het echt? Of probeert hij me juist steeds verder uit de tent te lokken zodat ik uiteindelijk zelf alles bevestig?
Hij staat daar nog steeds met zijn handen in zijn zakken, ontspannen alsof dit voor hem nauwelijks spanning oplevert. Over tenten gesproken: die van hem is ondertussen nog altijd onmogelijk te missen. De duidelijke bolling in zijn broek trekt mijn aandacht telkens opnieuw terug, hoe hard ik ook probeer me ergens anders op te focussen.
"En die andere twee jongens?" vraagt hij vervolgens, doelend op Mo en Jayden. "Denk je dat die de volgende keer wel een voldoende halen?"
Dus hij gaat ervan uit dat zij daarom al weg waren gebleven. Dat ze de vorige keer simpelweg geen voldoende haalden. Hun cijfers kan hij natuurlijk gewoon inzien zodra ik ze invoer. Uiteindelijk komt hij er dan alsnog achter hoe het echt zit. Toch houd ik het bewust vaag.
"Ja, wellicht," antwoord ik voorzichtig.
Hij knikt langzaam en laat een lage grom horen, nauwelijks hoorbaar maar toch duidelijk genoeg om me direct opnieuw warm te maken. Alsof hij het beeld van mij met die twee donkere, jongens zonder moeite voor zich ziet. Ik voel meteen hoe die afspraak van morgen ineens veel minder vanzelfsprekend begint te voelen. Ik moet voorzichtiger worden. Nu kom ik er misschien nog mee weg, zeker bij hem, maar dat betekent niet dat ik onaantastbaar ben.
"Maar goed," zegt hij uiteindelijk, alsof hij het gesprek langzaam wil afronden.
Hij kijkt even op zijn horloge en haalt daarna rustig adem. "Al laat," merkt hij op.
Mijn hart bonst ondertussen zo hard dat ik moeite heb om zijn blik vast te houden.
"Vind je het goed als we dit tussen ons houden?" stelt hij vervolgens voor, bijna alsof hij degene is die hier iets verkeerd heeft gedaan.
Ik doe mijn uiterste best om rustig te blijven kijken. Kom ik hier echt mee weg? Is het werkelijk mogelijk dat dit geen consequenties krijgt?
Bewust neem ik mijn tijd voordat ik langzaam knik, alsof ik degene ben die een moeilijke keuze moet maken. Alsof ik hier het slachtoffer ben en hij degene die begrip vraagt.
"Goed," zegt hij opnieuw.
Even denk ik werkelijk dat het voorbij is. Dat ik het gered heb. Dat dit bizarre gesprek somehow eindigt zonder verdere escalatie. Hij lijkt zich zelfs al om te draaien richting de deur.
"Uhm..." zegt hij dan plots alsnog, waardoor ik meteen weer opschrik.
Ik zit daar nog steeds op mijn knieën, vol ongeloof over het feit dat dit allemaal daadwerkelijk werkt. Dat hij hier net zo hard in meegaat als ik. Dat ik blijkbaar niet de enige ben die ergens fundamenteel verkeerd zit.
"Twee dingen wel," zegt hij vervolgens rustig.
Mijn adem stokt direct weer.
"Je gaat hier mee door. Je praat er met niemand over, beloont die jongens voor hun goede cijfers en zorgt dat ze slagen," zegt hij dan ineens veel serieuzer, bijna streng.
"Begrepen?"
Mijn ongeloof wordt alleen maar groter, maar tegelijk ga ik vrijwel meteen akkoord, alsof ik diep vanbinnen allang weet dat ik geen nee meer zou kunnen zeggen. Misschien wil ik dat ook helemaal niet meer.
"En ten tweede... ja, stom van me. Ik kan zo natuurlijk niet door school lopen," zegt hij daarna bijna luchtig, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat ik hem alsnog van zijn erectie afhelp.
Misschien is dat het inmiddels voor ons allebei ook geworden.
Terwijl hij weer langzaam naar me toeloopt, trekken zijn handen zijn gulp alvast open. Met een klein gebaar maakt hij duidelijk dat ik moet blijven zitten waar ik zit.
"Het zal niet lang duren," zegt hij kalm, terwijl hij vlak voor me blijft staan.
Ik schrik me wezenloos. Ondanks alles wat ik de laatste weken had zitten uitspoken, wilde dat niet zeggen dat ik dit zomaar zou doen, zomaar kon accepteren. En toch bleef ik zitten...
Het is ook geen vraag. Dat besef ik me goed. Dat maakt het eng. Maar ook... Opwindend. Ik ben nooit een sletje geweest. Nooit! Maar nu is dat alles wat hij ziet. Ik kan niet het ontkennen. Ik hou me rustig. Mijn vingers friemelen op mijn schoot. Ik recht mijn rug, borst naar voren. En laat het gewoon op me afkomen, in de wetenschap dat mijn slipje deze laatste seconden drie keer zo nat is geworden... Ontkennen heeft gewoon geen zin meer.
Ben ik dan geen slet? Nee, gek genoeg niet. Ook al staat dit haaks op wat ik de laatste weken gedaan had en vooral wat zich in mijn hoofd afspeelde. En daar ligt het probleem. Want hiervoor had ik wel eens seks gehad. Met een vriendje. Mijn partners kon ik letterlijk op twee vingers tellen, en dat was altijd eerder conventioneel en misschien wel saai en routine in plaats van echt opwindend. Vandaar dat dit alles me ook steeds zo blijft raken. Zo ook nu. Maar in zijn ogen, met wat hij denkt dat ik doe, en hoe ik me net had getoond, ben ik wel die jonge meid met zelfvertrouwen die gewoon op seks kickt. Althans, ik denk dat hij dat denkt.
En ik kom er nu achter dat mijn kunde, doen en laten nogal situatie gebonden was. Dit dacht ik te zijn: gevaarlijk, ervaren, verleidelijk, dominant, iemand die controle heeft via seksualiteit.
En bij Dylan en de jongens voelde ik: emotionele controle; kende hun reacties; wist ze dat zij onzeker waren; en draaide de spanning grotendeels om verbodenheid en macht. Het waren maar pubers. Die kwamen al klaar bij de gedachte aan mij.
Maar Van Weelden... Hij is: ouder, rustiger, zelfverzekerder, lichamelijk minder voorspelbaar, en niet onder de indruk op dezelfde manier als pubers.
En dat maakt mij plots heel: iemand die wijfelt, onzeker raakt, niet meer zeker weet wat ik moet doen, en merk dat mijn fantasieversie van mijzelfgroter was dan mijn echte ervaring.
En nu komt hij weer voor me staan. Rustig. Geduldig. Maar ik weet dat het snel moet. Hij opent alleen zijn gulp. De rest laat hij dicht. Met enige moeite wurmt hij z'n hand naar binnen, en dan... Dan trekt hij hem er zo uit. Ik deins iets terug. Moet wel. Wat ik voelde, zie ik nu. En er zit nog een knik in halverwege, alsof hij nog niet eens helemaal volledig erect is. Mijn ogen worden groot. Ik ruik hem. Ik zie hem. Weer een piemel, lang en zwaar. Zijn voorhuid losser om zijn eikel. Een imponerend ding. Maar wat vooral imponerend is, is zijn zelfvertrouwen. Zijn verwachtingen. Hij denkt dat ik dit kan. En ik bevries langzaam.
Maar dit is toch wat ik wilde? Ik besef het me net op tijd. Ik zet alles uit. M'n hand vindt z'n schacht. Warm, zacht voor iets wat hard is. Maar dat komt door de huid. Dikker dan ik gewend ben. Wat stroperig rol ik die naar achteren. En ik buig al naar voren en kom zijn kloppende, paarse eikel tegemoet met mijn volle lippen. Ik sluit m'n ogen. Open m'n mond. Ik moet moeite doen, maar neem hem volledig in m'n mond. De eerste kokhalsreflex kan ik wegdrukken. Maar vergeet daardoor bijna te bewegen. Mijn mond speekselt. En dan beweeg ik terug. En weer er overheen. Nu natter. Wat makkelijker. De schacht voel ik dikker worden in m'n hand. Ik neem hem nu minder diep in m'n mond. Maar dat was dus niet de bedoeling. Tranen schieten in m'n ogen als hij z'n hand op m'n achterhoofd legt, en zelf verder duwt. Verder dan zojuist. Snel trekt hij zich weer terug voordat ik kan kokhalzen, maar duwt hem ook weer net zo snel naar binnen. Hij neemt m'n mond. Het moet immers snel. En hij weet vast hoe dat moet. Zo dus. Ik open m'n mond zover als ik kan. Ik hoor het speeksel klotsen in m'n mond. Zijn eikel glijdt langs mijn gehemelte naar m'n keel. Maar hoe verder ik m'n mond open, hoe moeilijker het wordt. Voor mij dan. Hij briest. Ik hou m'n ogen dicht. Ik weet niet goed hoe ik me moet houden in dit moment. Maar kies ervoor het gewoon weer te ondergaan. Het duurt vast niet lang. Maar we komen erachter dat het toch te lang duurt. Want als hij even wat langer zijn eikel tegen m'n keel drukt, hou ik het niet meer. Ik stik. Ik kokhals. Ik duw hem van me af.
Een kletsnatte pik bungelt voor m'n gezicht. Ik hijg. Ik durf hem niet aan te kijken. Zijn hand blijft op m'n haren liggen...
Ik krijg eindelijk weer lucht, maar zelfs dat voelt vernederend. Mijn borst gaat snel op en neer terwijl ik mijn ogen hard dicht probeer te houden, alsof ik daarmee kan voorkomen dat hij ziet hoe volledig mijn zelfvertrouwen net is ingestort. Mijn keel brandt nog en ergens langs mijn kin voel ik warmte die ik niet weg durf te vegen. Alles aan dit moment voelt anders dan hoe ik het me had voorgesteld toen ik mezelf ervan probeerde te overtuigen dat ik dit aankon.
Ik had gedacht dat ik inmiddels wist hoe dit werkte. Dat ik na alles met Dylan en de anderen allang over een grens heen was waar normale schaamte nog betekenis had. Maar nu ik hier op de grond zit, met hem vlak voor me en mijn lichaam nog half trillend van paniek, besef ik ineens hoe weinig ervaring ik eigenlijk heb met iets dat verder gaat dan spanning en fantasie.
Ik hoor hem bewegen, maar niet op de manier die ik verwachtte. Geen geïrriteerd geluid. Geen harde opmerking. Geen zichtbare frustratie omdat ik het verpest heb. Alleen een korte stilte waarin ik langzaam genoeg moed verzamel om mijn ogen weer te openen.
Zijn hand ligt nog steeds losjes in mijn haren, maar anders dan net. Minder dwingend. Alsof hij zelf ook niet helemaal meer weet hoe hij zich moet gedragen na wat er net gebeurde.
Juist dat maakt het erger.
Want ik voel onmiddellijk dat hij het doorheeft.
Hij ziet me niet meer zoals eerst. Niet meer als die zelfverzekerde jonge docent die precies wist hoe ze mannen gek moest maken en daar bewust mee speelde. Dat beeld stort langzaam in waar hij bij staat, en ik weet niet eens meer wat ervoor in de plaats komt.
Ik slik moeizaam terwijl ik mijn blik eindelijk voorzichtig omhoog dwing. Hij kijkt terug, maar zijn ogen voelen anders dan eerder. Nog steeds intens, nog steeds gefascineerd misschien, maar er zit nu ook iets onderzoekends in. Alsof hij opnieuw probeert te begrijpen wie ik eigenlijk ben onder alles wat ik de afgelopen uren heb laten zien.
Mijn wangen gloeien van schaamte.
Niet alleen omdat het misging, maar omdat ik plotseling besef hoe hard ik geprobeerd heb iemand te zijn die ik misschien helemaal niet ben. Bij Dylan voelde alles eenvoudiger. Daar draaide het om spanning, om verboden aandacht, om jongens die al van slag raakten zodra ik iets deed wat ze niet van me verwachtten. Dat gaf me het gevoel dat ik controle had. Alsof ik ervaren was. Alsof ik precies wist wat ik met mannen deed.
Maar hier, tegenover hem, voelt dat ineens kinderachtig bijna.
Alsof ik een rol speelde die geloofwaardig leek zolang niemand me echt uitdaagde.
‘Ik dacht dat jij precies wist wat je deed,’ zegt hij uiteindelijk zacht.
Die zin raakt harder dan wanneer hij boos was geworden.
Want ergens hoor ik daarin niet alleen verbazing, maar ook het moment waarop hij mij anders begint te zien dan eerst. Niet als iemand die alles bewust manipuleert, maar als iemand die zichzelf misschien net zo hard heeft overschat als hem.
Ik kijk snel weg omdat ik bang ben dat hij anders alles in mijn gezicht leest. De onzekerheid. De schaamte. Het besef dat ik mezelf de afgelopen weken langzaam ben gaan geloven. Dat ik speciaal was. Gevaarlijk bijna. Terwijl ik nu niet eens normaal rustig kan blijven in een situatie die ik zelf mee gecreëerd heb.
En het ergste is misschien nog wel dat een deel van mij opgelucht is dat hij het eindelijk ziet.
Zijn hand verdwijnt langzaam uit mijn haren en even blijf ik zitten waar ik zit, alsof mijn lichaam nog niet helemaal begrijpt dat het moment net echt voorbij is. Mijn keel brandt nog licht en mijn ademhaling voelt schokkerig, maar de paniek van net begint langzaam plaats te maken voor iets dat gevaarlijk veel op opluchting lijkt. Hij kijkt een paar seconden zwijgend naar me voordat hij uiteindelijk zijn hand naar me uitsteekt.
Ik aarzel.
Niet lang, maar lang genoeg om mezelf af te vragen waarom dit ineens zoveel normaler voelt dan een paar minuten geleden. Alsof we ongemerkt ergens doorheen zijn gegaan waar geen van ons meer echt op terugkomt.
Toch pak ik zijn hand vast.
Zijn grip is stevig wanneer hij me overeind trekt en pas zodra ik weer recht sta, merk ik hoe instabiel mijn benen eigenlijk voelen. Mijn blousejes liggen nog steeds half verkreukeld op de grond naast het bureau. Zonder iets te zeggen bukt hij zich, raapt ze op en houdt ze even vast voordat hij ze aan mij geeft.
Dat kleine gebaar raakt me harder dan het zou moeten.
Niet eens omdat het vriendelijk is, maar omdat het bijna normaal voelt. Alsof hij me helpt na een ongemakkelijk moment in plaats van na iets dat ons allebei volledig had moeten laten schrikken.
Ik neem de kleding zwijgend van hem aan.
Hij draait zich niet volledig om terwijl ik me aankleed, maar geeft me net genoeg ruimte om te doen alsof hij niet kijkt. Toch voel ik zijn aandacht nog steeds voortdurend in de kamer hangen. Iedere beweging die ik maak voelt zichtbaar. Mijn vingers trillen licht terwijl ik mijn bh recht trek en daarna mijn blouse dicht probeer te knopen zonder fouten te maken. Pas bij het derde knoopje merk ik dat ik de verkeerde gaatjes gebruik.
Hij zegt er niets van.
Wanneer ik uiteindelijk klaar ben, kijkt hij me weer aan op die rustige manier die inmiddels bijna erger voelt dan boosheid zou doen. Ondertussen werkt hij zelf zijn kleding weer op orde, langzaam en zonder haast, alsof hij alle tijd van de wereld heeft. De spanning van eerder hangt nog steeds tussen ons in, alleen anders nu. Minder chaotisch. Meer verstopt onder de stilte.
En juist daardoor begin ik mezelf weer voorzichtig gerust te praten.
Misschien blijft het hierbij.
Misschien was dit alleen een ontspoord moment dat we allebei straks proberen te vergeten.
Misschien heeft hij inmiddels ook genoeg te verliezen om zijn mond te houden.
Die gedachte groeit iedere seconde verder terwijl hij zijn manchet recht trekt en nog één keer kort naar het briefje op mijn bureau kijkt voordat hij het opvouwt en in de binnenzak van zijn colbert schuift.
Mijn maag trekt zich direct weer samen.
Hij houdt het.
Natuurlijk houdt hij het.
Toch loopt hij daarna richting de deur en meteen voel ik hoe mijn lichaam langzaam probeert te ontspannen. Niet volledig, maar genoeg om weer normaal adem te halen. Ik ben er niet uit gekomen zoals ik had gewild, maar misschien wel genoeg om morgen nog gewoon voor de klas te kunnen staan.
Zijn hand rust al bijna op de klink wanneer hij opnieuw stilvalt.
Heel even zegt hij niets, alsof hij nog twijfelt of hij de gedachte die in hem opkomt daadwerkelijk hardop wil uitspreken. Daarna kijkt hij over zijn schouder naar me terug en verschijnt die kleine, rustige grijns opnieuw rond zijn mond.
‘Met wat oefening kom je er wel,’ zegt hij bijna luchtig.
Mijn hart slaat onmiddellijk weer sneller.
Ik weet niet eens zeker of ik hem goed gehoord heb.
Hij laat zijn blik kort over me heen glijden, niet gehaast, niet schaamteloos, maar veel te kalm voor iemand die hier eigenlijk geschokt had moeten vertrekken.
‘Misschien moeten we hier gewoon wat vaker tijd voor maken,’ vervolgt hij daarna op dezelfde rustige toon. ‘Wekelijks misschien.’
Ik voel hoe mijn keel direct droog wordt.
Hij zegt het bijna alsof hij een gewone afspraak voorstelt. Alsof dit iets praktisch is. Iets dat logisch voortvloeit uit wat hier net gebeurd is.
‘Dan geef ik je wel een cijfer,’ zegt hij uiteindelijk.
Even denk ik dat hij een grap maakt.
Maar dat doet hij niet.
Dat zie ik meteen aan zijn ogen.
En precies op dat moment begrijp ik dat ik hier misschien niet mee weggekomen ben zoals ik mezelf net wanhopig probeerde wijs te maken.
Ik heb hem alleen onderdeel gemaakt van hetzelfde spel.
Ik ben laat thuis en zodra de deur van mijn appartement achter me dichtvalt, voelt het alsof de stilte me eindelijk de ruimte geeft om alles van vandaag echt binnen te laten komen. Mijn hoofd suist nog steeds van de spanning en ergens hoop ik dat een warme douche alles een beetje van me afspoelt, alsof ik onder stromend water weer normaal kan worden. Eerst douchen, dan eten, houd ik mezelf voor, alsof structuur me nog houvast kan geven na alles wat er gebeurd is. Niet eens omdat ik me vies voel, want vreemd genoeg is dat het niet. Integendeel bijna. Het is eerder alsof mijn huid nog steeds gloeit van alles wat ik heb gedaan en gevoeld. Juist daarom voelt het onder het warme water alleen maar intenser wanneer mijn handen langzaam over mijn eigen lichaam beginnen te glijden.
Met gesloten ogen leun ik tegen de tegelwand terwijl het hete water langs mijn schouders stroomt en probeer ik opnieuw grip te krijgen op mijn gedachten. Ik probeer alles weer te rationaliseren, net zoals ik dat de afgelopen weken steeds vaker ben gaan doen zodra iets eigenlijk te ver ging. Alsof het normaal is. Alsof hier ergens nog logica in zit. Want uiteindelijk kwam ik er opnieuw mee weg. Dat blijft misschien nog wel het meest verwarrende van alles. Ondanks de paniekmomenten, ondanks hoe vaak ik vandaag dacht dat het volledig mis zou gaan, staat mijn leven er nog steeds. Niemand heeft me tegengehouden. Niemand heeft me ontmaskerd. En ergens diep vanbinnen voelt dat gevaarlijker dan wanneer ik wél was betrapt.
De opwinding zit nog steeds hoog in mijn lichaam, maar nu ik eindelijk alleen ben begint de adrenaline langzaam weg te zakken en ontstaat er ruimte voor iets anders. Ongeloof vooral. Het dringt pas nu echt tot me door hoe anders vandaag was dan alles daarvoor. Luc vanmiddag. Daarna Van Weelden. De rector nota bene. Terwijl mijn vingers langzaam tussen mijn benen verdwijnen en ik met mijn andere hand mijn borst vastpak, bots ik met mijn rug zacht tegen de koude muur achter me aan. Het contrast tussen het hete water en die koele tegels laat me huiveren terwijl alle beelden zich opnieuw beginnen af te spelen in mijn hoofd.
Eerst Luc. Bijna onschuldig, zo achteraf. Het feit dat hij ook wilde 'valsspelen' en toen een nieuw briefje vroeg. Dat moment vergeet ik niet zomaar. De spanning van eerder vandaag voelt nog steeds dichtbij, alsof mijn lichaam het allemaal opnieuw beleeft zodra ik eraan denk. Zijn zaad verlaat hier pas mijn huid. Maar daarna verschuiven mijn gedachten automatisch naar Van Weelden en meteen trekt er weer een warme schok door mijn onderbuik. Niet alleen door wat er gebeurde, maar misschien nog meer door wat hij zei. Door zijn voorstel. Door het feit dat hij me niet tegenhield maar juist leek te begrijpen wat ik deed. Misschien zelfs te accepteren.
Dat besef maakt iets in me los wat ik nauwelijks onder woorden krijg.
Mijn ademhaling versnelt terwijl mijn hand tussen mijn benen ritmischer beweegt. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ik alleen nadenk, alleen analyseer wat er gebeurd is, maar mijn lichaam verraadt allang dat het veel verder gaat dan dat. Het idee dat ik hiermee door zou moeten gaan, dat hij dat bijna van me verwachtte, laat mijn fantasie steeds verder ontsporen. Kan dat eigenlijk wel? Mag ik dat? Wil ik dat?
Het frustrerende is dat het antwoord vrijwel direct door mijn hoofd schiet.
Drie keer ja.
Precies op het moment dat die gedachte zich volledig vormt, voel ik hoe de spanning zich in mijn lichaam ontlaadt en mijn eerste orgasme me onverwacht hard raakt. Mijn benen trillen licht terwijl ik mezelf tegen de muur gedrukt houd en het warme water onafgebroken over me heen blijft stromen. Even sluit ik mijn ogen nog steviger, bijna beschaamd over hoe sterk ik reageer op alles wat vandaag gebeurd is.
Maar zelfs daarna stopt mijn hoofd niet.
Terwijl mijn ademhaling langzaam weer rustiger wordt, dwalen mijn gedachten automatisch verder af naar morgen. Naar Mo en Jayden.
Hun cijfers zijn officieel niet hoog genoeg om mij tot pijpen aan te zetten. Dat is ten minste wat mijn eigen regels zeggen. Mijn zorgvuldig opgebouwde systeem waar ik me tot nu toe steeds aan vast heb gehouden zodra ik mezelf probeerde wijs te maken dat er ergens nog grenzen bestonden.
Alleen voelt dat systeem ineens minder stevig dan eerst.
Misschien moest ik hun cijfers gewoon aanpassen.
De gedachte komt bijna achteloos op, maar zodra hij er eenmaal is blijft hij hangen. Dan kon ik oefenen. Het klinkt absurd en toch probeer ik direct argumenten te verzinnen waarom het logisch zou zijn. Jayden had ik inmiddels al uitgebreid gepijpt, dus zo groot zou die stap niet meer zijn. En Mo... alleen al de gedachte aan hem laat mijn fantasie direct verder schieten. Hij is nog groter. Dominanter ook, stel ik me voor. Bij hen zou ik ten minste de tijd hebben. Geen haast. Geen angst om betrapt te worden zoals vandaag op school.
Mijn vingers bewegen alweer langzaam tussen mijn benen terwijl ik daarover nadenk.
Wil ik nu echt cijfers manipuleren alleen maar om te krijgen wat ik wil?
Die gedachte laat me abrupt weer stilvallen.
Ik lijk Dylan wel.
Meteen voel ik een steek van schuld door me heen trekken. Nee. Dat gaat te ver. Dat moet te ver blijven gaan, anders weet ik niet meer waar het ophoudt. Arme Dylan ook. Misschien was alles anders gelopen als hij gewoon iets geduldiger was geweest. Als hij niet meteen had geprobeerd meer te nemen dan afgesproken.
Uiteindelijk besluit ik mezelf opnieuw aan mijn regels te houden, al voelt het meer alsof ik mezelf probeer te overtuigen dan dat ik werkelijk zeker ben van die keuze. De beloningen staan vast. Ze moeten maar beter hun best doen als ze meer willen.
Toch blijft één gedachte vervelend hangen.
Of mijn kantoortje morgen nog wel de juiste plek is, weet ik ineens niet meer zo zeker na vandaag. De ruimte die eerst veilig voelde, bijna gecontroleerd, lijkt nu besmet met alles wat daar gebeurd is. Alsof iedere keer dat ik die deur sluit, ik automatisch weer iemand anders word.
Wanneer ik later die nacht opnieuw wakker lig in bed, rusteloos en veel te warm onder de dekens, merk ik dat mijn handen alweer langzaam over mijn eigen lichaam glijden zonder dat ik er echt bewust voor kies. Slapen lukt nauwelijks. Mijn hoofd blijft scenario’s afspelen alsof mijn fantasie geen uitknop meer heeft.
Maar nu stel ik het me anders voor.
Veel extremer ook.
Dat ik wél die slet ben die alles gewoon kan. Dat ik zonder moeite de imposante penis van de rector diep in mijn keel neem alsof ik hier ervaring mee heb. Dat ik hem volledig aankan zonder te kokhalzen of in paniek te raken. Dat Mo en Jayden wel hogere cijfers hebben gehaald en morgen tegenover me staan alsof ze precies weten wat hun beloning wordt.
Mijn fantasie blijft verder doorschieten terwijl ik half wakker, half dromend in bed lig. Steeds weer nieuwe beelden. Nieuwe scenario’s. Nieuwe grenzen die in mijn hoofd steeds makkelijker lijken te verdwijnen.
En ergens maakt juist dat me misschien nog het bangst van alles. Alsof ik langzaam besef dat dit mijn doel kan worden. Of was het dat al?
-
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
