Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 04-04-2025 | Cijfer: 8.8 | Gelezen: 2013
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 58 minuten | Lezers Online: 1
Is Dit Alles?
Het is donker, echt donker; het soort duisternis waarin we onszelf kunnen verstoppen voor elkaar en voor wat we voelen. Misschien is dat ook precies waarom het licht altijd uit blijft: zolang we elkaar niet écht hoeven zien, blijft het makkelijker om de waarheid te vermijden. Het is stil, bijna onnatuurlijk stil, alsof zelfs de nacht haar adem inhoudt en wacht op iets wat niet komen gaat.

Buiten hoor ik heel in de verte het zachte geruis van een auto die langzaam voorbij rijdt, zo ver weg en gedempt dat het haast lijkt alsof het geluid zich in een andere werkelijkheid afspeelt. Hier binnen heerst slechts die zware stilte tussen ons, terwijl mijn vingers zachtjes naar beneden glijden.

Ze raakt me aan. We kussen wel, maar na een enkele, vluchtige, hevige tongzoen liggen we toch beiden weer op onze rug, mijn hand in haar slipje, mijn harde rechtop in haar hand onder mijn boxershorts, de dekens veilig over ons heen getrokken. Onze schouders raken elkaar niet, alsof we onbewust afstand houden van iets wat we niet durven benoemen.

Ik weet precies wat ze wil en hoe ik daar het snelst kom, dus geef ik haar dat. Precies dat. Dan zijn we snel klaar. Niet dat het me niet opwindt, in tegendeel. Haar horen klaarkomen is een van de mooiste dingen uit mijn leven, en misschien juist daarom haast ik me zo. Maar er is dus meer om het haar zo snel mogelijk te geven.

Mijn vingers drukken zachtjes op haar clitje en glijden tussen haar schaamlippen die kletsnat zijn geworden. Ik hoor haar zuchten, zacht en intens. Van genot, absoluut. Even later voel ik haar lichaam verstrakken. Haar grip op mijn paal wordt steviger en haar hand komt stil te liggen, terwijl haar lichaam kort maar heftig trilt. Ze hijgt zachtjes. Heerlijke, nauwelijks niet te horen gepiep, tevreden en dankbaar. Dit was het fijnste deel van ons intiem samenzijn.

En dat was het dan, het eerste deel. Zij blij, ik blij—hoewel ze misschien wel meer had gewild. Maar nu ze gekomen is, hoeft dat niet meer. Dat weet ik, dat voel ik. Een reden om het haar zo snel mogelijk te geven.

En dan is het nog mijn beurt. Haar plicht. Zo voelt het altijd, hoewel ik niet precies weet waarom ik daar zoveel moeite mee heb. Nu zij haar orgasme heeft gehad, lijken haar krachten weg te vallen. Toch gaat ze door. Ze trekt me nog wel af, en meestal lukt het haar dan ook om mij te laten komen, hoewel we dan al een aantal minuten verder zijn. Niet dat het niet lekker is, maar het is anders… altijd al geweest. Net niet. En ik weet niet waarom.

Soms, heel soms, valt ze plots over me heen, trekt ze mijn dekens weg, en voel ik haar natte mond die als een golf van opwinding door mijn lijf trekt. Maar toch heb ik liever dat ze dit niet doet, omdat het voelt alsof ze het met tegenzin doet. Het is niet haar ding, pijpen, hoe graag ik ook wil dat het wél haar ding is. Dat weet ze, en dat weet ik. Daarom doet ze het. Daarom zeg ik niks.

"Doe ik het goed?" vraagt ze nu zachtjes, terwijl ze me dus alleen aftrekt.

"Ja, bijna…" hijg ik zachtjes terug.

Mijn ademhaling versnelt, terwijl haar hand me enigszins onzeker bewerkt. Haar aanraking voelt zoekend, ondanks al die jaren nog steeds aftastend naar wat mij precies raakt. Dat maakt het moeilijker, want hoewel haar poging lief bedoeld is, voel ik dat ze het ritme en de druk nooit helemaal aanvoelt. Ik sluit mijn ogen, zoek mijn toevlucht in gedachten waar ik me schuldig om voel, maar die me uiteindelijk over die grens duwen.

Ik knijp mijn ogen echt even stevig dicht en laat mijn gedachten glijden naar plekken waar ik ze eigenlijk niet wil hebben. Ze kan me toch niet zien. En daar gaan mijn gedachtes verder. Denkend aan iets waar zij geen deel van uitmaakt. Iets en iemand anders die me opwindt wat me tot naar en over de rand brengt. Aan iets waar zij niet van mag weten. Maar dan komt het. Haar hand is eventjes doelbewust, gericht, en plotseling lukt het. Alsof het ons per ongeluk overkomt. Mijn eikel drukt tegen de gespannen stof van mijn boxershort, en dan kom ik klaar. Missie geslaagd.

Ik spuit, maar ze gaat door, omdat ze het nooit meteen aanvoelt. Pas wanneer ik zachtjes mijn hand op haar pols leg en aangeef dat ik ben gekomen, stopt ze. Geen woord. Ja, mijn gehijg is natuurlijk aanwezig. Maar even geen woorden. Ik voel haar opluchting duidelijk in de stilte die tussen ons hangt. Het is haar weer gelukt, we voelen het allebei. Weer overleefd. Want zo voelt het.

Dit is onze seks, geforceerd zoals het maar zijn kan. Ja, we komen beiden aan onze trekken, maar dat is het dan ook wel. Zij eerst, daarna ik. Ze wast haar hand in de badkamer en komt terug met een handdoek voor mijn buik en piemel. Zoals elke keer.

We kussen elkaar nog één keer, zeggen er verder alleen over dat het weer 'fijn' of 'lekker' was, en trekken met een zucht elk onze eigen dekens strak om ons heen.

Is het een zucht van opluchting? Of van frustratie?

Ik blijf daarna nog even wakker liggen. Ik hou van haar. Echt. Zo veel. En zij van mij. Het is om gek van te worden. Omdat ondanks die liefde we in bed nooit verder komen dan dit. We zijn al tien jaar samen. En we hebben wel echt seks gehad. Toen in het begin. Maar toen was het ook nooit vlammend over overvloedig vaak. Toen werden we op een gegeven moment onzeker. Echt hierover praten kon niet op de een of andere manier. En nu hadden we ons laten berusten in deze schandelijke dans van lichte intimiteit die ons beiden in ieder geval aan onze trekken liet komen.

Maar was dit alles? Echt alles? Lang dacht ik van wel. Omdat bekenden van ons dit ook hadden. Misschien nog wel erger. Dus was ik blij. En zij ook, zover dat kon. Maar wat als er wel meer is? Mijn gedachten glijden tijdens zo'n moment moeiteloos af naar iets anders. Naar iemand anders. Iemand die wel zou weten hoe mij te bevredigen. Zonder moeite, angst of schaamte. Althans, dat stel ik me dan voor. Want dat is wat me verteld is. Niet dat die ander dat bij mij wil doen. Maar wel dat die ander dat kan. Of dat er dus iemand anders zou kunnen zijn die een moment als deze zo veel anders zou kunnen maken.

Met die gedachte blijf ik nog even wakker liggen, rusteloos starend naar het plafond, terwijl mijn hoofd vanzelf teruggaat naar twee dagen eerder, naar het heldere ochtendlicht en de frisgroene uitgestrektheid van de golfbaan, waar ik met Martijn liep. Terwijl we onze golfclubs losjes over onze schouders droegen en onze stappen dempten in het vochtige gras, kwam diezelfde vraag ineens helder en ongemakkelijk naar voren, uitgesproken door Martijn, maar exact verwoordend wat ik al tijden in mijn hoofd hoorde galmen.

Wij waren niet echt de types die je verwacht op een golfbaan. Maar we hadden er onze hobby van gemaakt. Korte broeken en een polo'tje. We waren nog net welkom. We waren rustig en zaten de andere clubleden niet in de weg. Ik, Joost, en hij, Martijn. M'n beste vriend.

We slaan een paar balletjes. We zijn allebei slecht in dit spel. Maar we zijn buiten, zijn actief, en hebben er zelf vooral erg veel lol in. Degene die het minst slecht is, is dan de winnaar. We wisselen elkaar meestal wekelijks af hierin. Daarna is het tijd voor pilsje op het terras. Iets waar we beter in zijn.

Het is hier dat Martijn zijn nieuwe vriendin heeft leren kennen. En ook deze zaterdag staat ze hier op het terras te werken.

Ze komt net uit de zon gelopen, een dienblad in haar hand, haar blonde haar licht vochtig in haar nek van het werk, opgestoken in een losse knot die meer bedoeld lijkt om de hitte te trotseren dan voor de show. Haar huid heeft die warme, abrikooskleurige gloed van iemand die net twintig is en zich nog nooit zorgen heeft hoeven maken over rimpels of vermoeidheid. Ze draagt de standaard outfit van het clubpersoneel—een wit, iets te strak shirt met het logo op de borst en een zwarte rok die bij elke stap nét een fractie opwaait boven haar gebruinde dijen—maar het is de manier waarop ze zich beweegt die alles anders maakt. Alsof haar lichaam het terras beter begrijpt dan wie dan ook. Alsof de warmte vanzelf van haar lijkt af te komen, zonder dat ze daar iets voor hoeft te doen.

Haar ogen—blauw met een waas die tegelijk dromerig en gevaarlijk voelt—scannen razendsnel het terras en vinden moeiteloos Martijn, die breed begint te glimlachen nog voordat ze dichterbij is. Zij glimlacht terug, niet flirterig, maar warm, alsof ze oprecht blij is hem te zien. En dan kijkt ze ook even naar mij. Kort. Een blik van herkenning, beleefdheid, misschien zelfs mild medeleven. Maar toch gebeurt er iets in die seconde. Iets wat ik niet kan vastpakken. Haar blik blijft hangen. Of nee—ik hoop dat hij blijft hangen.

Martijn is niet overdreven uitbundig. Hij slaat even nonchalant een arm om haar heupen als ze naast hem komt staan. Ze is aan het werk—dat weet hij, en hij respecteert dat. Toch is er geen spoor van ongemak tussen hen. Geen twijfel, geen aarzeling. Alles voelt vanzelfsprekend, alsof ze al jaren bij elkaar horen.

"Alles goed, Joost?" vraagt ze met een warme glimlach, haar stem zacht maar helder. Ze is ruim tien jaar jonger dan wij, maar op de een of andere manier voelt dat hier, op dit terras, niet vreemd aan. Martijn heeft het goed voor elkaar, dat is duidelijk. Sylke studeert nog, maar straalt een soort vanzelfsprekende volwassenheid uit. Ze heeft zelfs een leidinggevende functie hier, en het is duidelijk dat ze die met gemak draagt. Zeker de moeite waard om mee aan te pappen—dat dacht ik meteen al, en dat denk ik nog steeds.

Toch is het meer dan dat. Martijn en Sylke hebben in nog geen twee maanden tijd een serieuze relatie opgebouwd. In het begin had ik hem wel even vreemd aangekeken—hij, met een meisje van twintig?—maar inmiddels sta ik er helemaal achter. Ze zijn goed samen. Dat zie ik.

"Altijd," zeg ik met een grijns, terwijl ik haar vriendelijk aankijk. Leuke, spontane meid. En ja, zeer aantrekkelijk. Dat moet ik toegeven. En dat heb ik Martijn ook allang gezegd.

Daar was het Martijn zeker niet om te doen. Al heeft het natuurlijk geholpen. Sylke trekt ogen—die van hem, die van mij, en die van talloze anderen. Het is onvermijdelijk. Soms komt ze zelfs voorbij als ik mijn ogen sluit. Die felblauwe ogen kijken me dan aan, terwijl ze me pijpt. Met overgave. Omdat ze het wil. Of als ik hem tussen haar borsten laat glijden—borsten die steviger en ronder zijn dan die ik nu ken—doet ze alles wat ik wil. Alles. Dan voel ik haar bijna, haar huid, haar warmte. En dan kom ik klaar in de hand van een ander. Dan denk ik dus aan dit meisje, ruim tien jaar jonger. Te zielig voor woorden, misschien. Maar ik kan het niet helpen.

Het komt ook doordat Martijn scheutig is met het delen van details. Hij praat makkelijk, open. Misschien omdat hij een jaar geleden gescheiden is. Mede doordat het in bed al een tijd niet goed ging—iets wat voor mij pijnlijk herkenbaar klonk. Al weet ik heus wel dat er bij hem meer speelde dan alleen dat. Toch… toen hij vertelde over dit meisje, over Sylke, en hoe ze wél die dingen deed waar hij eerder altijd op had gehoopt, zonder dat hij er zelfs maar om hoefde te vragen—en ik haar vervolgens ook ontmoette—toen begon ook ik te twijfelen. Het kan dus wél? Zonder schaamte? Zonder schuldgevoel? Zonder dat ongemakkelijke ‘ik weet dat jij dit niet wil, maar ik hoop dat je het tóch doet’-gevoel?

Ik voel me soms best ongemakkelijk. Martijn kwam regelmatig bij ons over de vloer. Nu een stuk minder. En als hij al komt, dan zonder haar. Dat heeft ook andere redenen, maar daarover later meer. En eerlijk gezegd ben ik daar niet rouwig om. Want ze trok mijn blik. Sylke. Moeiteloos. Niet dat ik per se Sylke wilde—of iemand zoals Sylke. Maar het idee alleen al... Dat het anders kan. Dat het echt anders mág. Voor mijn ogen zag ik het antwoord. En toch wilde ik het niet geloven. Niet op deze manier.

Als we even later weer een balletje slaan, besluit ik mijn hart voorzichtig te luchten. Martijn weet dat ik niet helemaal tevreden ben. Al begrijpt hij dat niet echt, denk ik. Hij staat een paar meter verderop en tuurt geconcentreerd naar de fairway, zijn voeten schuin op de natte ondergrond. Ik sla mijn bal net iets te ver naar rechts, zie hem met een boog over het gras verdwijnen, vlak langs een groepje bomen. Martijn werpt me een scheve grijns toe.

"Ergens ben ik wel jaloers," zeg ik, half als grapje, mijn stem licht en schuin. "Als ik jou soms hoor," voeg ik eraan toe met een ondeugende lach, doelend op de dingen die hij deelt—de dingen die hij misschien niet helemaal zou moeten delen.

"Jij bent gek," zegt hij dan, terwijl hij zijn club losjes ronddraait in zijn hand. Niet voor het eerst. "Je gaat me toch niet weer zeggen dat je baalt dat je met Giulia bent?" Zijn blik blijft even hangen op de bal die hij net heeft neergelegd, maar ik zie hoe zijn schouders lichtjes aanspannen. We kennen elkaar goed. Soms te goed.

"Ik ga hetzelfde zeggen als de vorige keer, hè," begint hij al, terwijl hij zijn club achter zich laat slingeren, zijn bal iets corrigeert op het gras.

We kijken samen naar een bal die hij vervolgens weg slaat—een lage, strakke lijn die net niet in de sloot belandt. Martijn kijkt hem na en knikt goedkeurend.

"Nee, ik weet het," zeg ik. "Ik zeg ook ‘ergens’. Maar het klinkt zo makkelijk, zoals je het vertelt. Dat is Giulia zeker niet." Mijn ogen blijven gericht op de baan voor ons; ik kijk hem bewust niet aan.

"Joost, kappen nou!" zegt hij dan ineens, en hij stopt midden in zijn beweging. Zijn hele houding verandert, alsof hij even alles van zich af wil schudden. Ik voel me gedwongen hem aan te kijken.

"Hoe kan je dit nou menen?" vraagt hij, en voor het eerst in lange tijd zie ik oprechte verbazing in zijn ogen. "Iedereen wilde met Giulia. En jij hebt haar. Niemand die dat begreep. Maar het was jou gelukt. En nu, na meer dan tien jaar, ga je zeggen dat je spijt hebt? Doe normaal. Dat verdient ze niet. Dat verdienen wij niet!"

Hij bedoelt het ook letterlijk. Niet alleen Giulia, maar ook hijzelf, en de rest van onze vrienden. We kennen elkaar al sinds de brugklas. Giulia ook. Eén van ons. En ja—we waren allemaal verliefd op haar. En ik had haar uiteindelijk. Een triomf. Dat zeker. En ik snap Martijn dan ook.

"Nee, zo zit het niet..." probeer ik nog, mijn stem zwakker dan ik wil. Maar ergens… zit het wel zo.

"Je gaat mij niet vertellen dat het aan haar ligt. Dat geloof ik niet. En ik weet zeker dat jij dat ook niet doet." Martijn draait zich naar me toe, zijn golfclub rustend tegen zijn schouder. "Er is niks wat ik niet tegen haar kon vertellen. Zelfs tijdens de scheiding."

Hij doelt op Jing. Zijn ex. De beste vriendin van Giulia. En hij heeft gelijk. Giulia was er toen voor hem. Zoals ze er altijd is. Giulia, die altijd wil helpen. Die altijd lief is. Altijd eerst aan een ander denkt. En heb ik al verteld hoe knap ze is? En slim... En grappig. Giulia had alles. Ik ben niet voor niets verliefd op haar geworden. Dus ja, Martijn heeft zeker een punt.

"Laat maar," lach ik het al snel weg, terwijl we een stukje richting de volgende hole wandelen. De zon staat nu hoger en werpt lange schaduwen over het gazon. Maar ik voel de woede bij Martijn nog nabranden.

Ik en Giulia waren niet hetzelfde als hij en Jing… Dus het ligt aan mij? Zelfs met iemand als Sylke zou het niet anders kunnen? Fuck, als dat waar is… dan moet ik misschien maar eens goed naar mezelf kijken. Is Giulia dan wel gelukkig? Met iemand zoals ik? Iemand die niet beseft wat hij heeft, door dat ene minpuntje in de relatie?

Terwijl ik daar lag, vlak na alles—mijn buik plakkerig, het bed stil en donker—voelde ik hoe mijn lichaam langzaam tot rust kwam, maar mijn hoofd allerminst. Mijn gedachten gingen terug. Niet naar zojuist, maar naar eerder. Naar die ochtend op de golfbaan, nu ruim een week geleden, toen Martijn me aankeek alsof ik gek geworden was. Zijn woorden klonken nog altijd na. Zijn verontwaardiging. Zijn eerlijkheid. Zijn overtuiging dat ik Giulia tekortdeed.

Maar toen ik net mijn ogen dichtkneep, en Giulia me met haar hand tot mijn climax bracht—zacht, lief, plichtsgetrouw—stelde ik me toch echt voor hoe Sylke voor me zat.

In dat korte rokje dat ze draagt op de golfclub, haar knieën op de vloer, de gladde stof licht gespannen over haar bovenbenen. Haar benen iets uit elkaar, haar rug recht, haar borst vooruit zonder dat ze het bewust doet. Dat witte shirt—vormloos op papier, maar strak genoeg om haar volle, jonge borsten rond en stevig te laten uitkomen. Geen beha eronder, stel ik me voor, zodat de stof zich direct over haar tepels trekt. Licht klam van het werk. Ik zie hoe een zweetdruppeltje van haar slaap langs haar kaak naar beneden glijdt. Niet van het werk, maar hoe ze mij net zover heeft gekregen. Hoe ze opkijkt met die licht dromerige, maar ondeugende blik—blauw, helder, onderzoekend.

Ze zit daar alsof ze niets liever wil dan dit. Haar ene hand ritmisch om mijn stijve, haar mond op een paar centimeter van mijn eikel. Ze likt haar lippen. Ademt langzaam door haar neus. En dan—heel even maar—fluistert ze mijn naam. Niet vragend, niet onzeker. Gewoon: zacht, vol verwachting. Mijn naam. Dan opent ze haar mond, warm en gretig, en het is niet mijn boxershort die mijn zaad opneemt, maar haar gezicht. Haar tong. Haar open mond, waar ze me ontvangt zoals ik altijd heb gewild: zonder aarzeling. Alsof ze honger heeft. Naar mij.

Dat was het beeld dat me over de rand duwde. Dat is waar ik aan dacht. Niet aan Giulia.

Dus nee, dat gesprek met Martijn had niet geholpen. Want ergens bleef ik geloven dat het aan Giulia lag. Dat zij iets mistte. Dat zij niet kon geven wat ik zocht. Maar ik zou er snel achter komen dat het misschien wel anders zat. Dat het misschien echt aan mij lag. Aan wat ik verlangde, wat ik stil hield, wat ik nooit hardop durfde uit te spreken.

En het zou Jing zijn—Martijns voormalige wederhelft—die daar een onverwacht licht op zou laten schijnen. Een week later. Tijdens een etentje waar ook een zekere Laurens bij zou zijn. En in de manier waarop zij naar hem keek, zou ik iets zien wat me de adem benam. Iets wat ik tot dan toe had gemist. Iets wat alles zou veranderen.

Laat me beginnen met te zeggen dat we eigenlijk hele degelijke mensen waren. We waren samen. Al tien jaar. Geen kinderen, ook geen wens daartoe. Geen huisdieren. We woonden in een modern appartement, vrij nieuw, met aan de ene kant uitzicht op het park en aan de andere kant op het kanaal. En daarachter: uitgestrekte weilanden die bij zonsopkomst baden in mist. Het was een rustig appartementencomplex, net als wij rustige mensen waren. Helemaal goed dus. Helemaal tevreden.

Ik en Giulia. We hadden het voor elkaar.

Alleen was ik dus niet helemaal tevreden. En—zo zou snel blijken—Giulia eigenlijk ook niet. Iets wat pijnlijk duidelijk werd met de komst van Jing en Laurens.

Jing is Giulia’s beste vriendin. Wat jarenlang geweldig was, zeker omdat Martijn mijn beste vriend is. Vriendengroep compleet, dachten we vaak. Maar tijdens een scheiding is dat opeens een stuk minder handig. Toch hadden we ons er met z’n allen, in typisch kalme stijl, doorheen gemanoeuvreerd. Geen drama’s, geen kampen. Gewoon... volwassen.

En nu leek iedereen weer in redelijk vaarwater te zitten. Behalve dat Jing en Martijn—beide inmiddels met een nieuwe liefde—wel in een heel ander vaarwater zaten dan wij.

Laurens was zijn naam. De nieuwe vlam van Jing. Juist een paar jaar ouder dan wij, ergens begin veertig, maar jong in zijn omgang. Lichtvoetig. Ik leerde hem die avond pas echt kennen—hier, bij ons thuis, aan tafel. Giulia had hem al een paar keer gezien. Ik nog niet.

En ergens zou je kunnen zeggen dat ik die avond ook Jing en Giulia pas écht leerde kennen. Op een manier die ik nooit had verwacht.

De tafel was al gedekt toen Giulia de wijnglazen nog even herschikte. Ze deed dat altijd. Alles moest kloppen, tot het kleinste detail. De juiste hoek van de servetten, het waterglas net links van het wijnglas, de kaarsjes precies in het midden. Ik hield me ondertussen bezig met de saus in de pan, proefde, keurde goed, voegde nog een snuf cayenne toe. Koken was mijn terrein. Het gaf me rust. Structuur. Giulia noemde me wel eens haar privéchef, met een knipoog, maar ik wist dat ze er stiekem trots op was. En ik op haar. Ze was de perfecte gastvrouw. Vrolijk, warm, attent. Ze kon mensen zich in een oogwenk welkom laten voelen. Waar ik sociaal gezien altijd wat later op gang kwam—gereserveerd, aftastend—trok zij me er met gemak doorheen. Ze kende mijn signalen en wist wanneer ze even moest ingrijpen of juist ruimte geven.

Toen de bel ging, riep Giulia opgewekt: “Laat mij maar gaan,” terwijl ze me tevreden aankeek. “Jij staat altijd net te lang te pielen met die kurk.”

Ik lachte, droogde mijn handen aan de theedoek en hoorde haar stem zich mengen met het binnenkomende geluid van stemmen, licht opgewonden, vrolijk. Eerst Jing, dan een lage, warme mannenstem. Ik keek alvast om het hoekje, pielend met die kurk die wel op tijd loskwam.

Bij de voordeur omhelsden Giulia en Jing elkaar stevig. Geen uitbundig gegil, geen gegiechel—maar wél oprechte blijdschap. “Je ziet er goed uit,” zei Giulia met een glimlach die haar hele gezicht opende.

“Jij ook, echt,” antwoordde Jing, en ze hield haar even langer vast dan nodig. Geen gespeelde vriendschap, maar een band die zijn eigen taal sprak.

“Sorry dat we iets later zijn,” zei Jing terwijl ze haar jas nonchalant over haar arm gooide. “We... raakten een beetje afgeleid.”

Ze glimlachte breed, met een klein sprankeltje in haar ogen dat Giulia direct deed lachen. Maar ik zag het ook: iets achter die glimlach. Niet ongemakkelijk—eerder... voldaan. Alsof ze zich nét iets te bewust was van wat er vooraf was gegaan.

Ze was nog steeds dat popperige meisje van toen, met haar fijne trekken en feilloze styling, maar er zat nu iets los in haar bewegingen. Iets dat ik niet kende. Ze bewoog niet langer op basis van verwachtingen, maar vanuit vrijheid. En voor het eerst vroeg ik me af wat voor versie van haar er was losgekomen, daarbuiten. Bij hem.

Giulia was zichtbaar blij haar te zien. Haar ogen straalden die kenmerkende combinatie van jongensachtige ondeugd en vrouwelijke zachtheid uit. Ze trok mensen naar zich toe, zonder moeite. “Ga lekker zitten, ik haal alvast wat te drinken.”

Laurens liep achter Jing aan naar binnen, knikte vriendelijk naar mij.

“Joost,” zei ik terwijl ik hem de hand schudde, iets steviger dan normaal.

“Laurens,” klonk het terug. Zijn stem had die zwoele kalmte waar je niet meteen grip op kreeg. Zijn greep was vast, zonder te overdrijven. Hij droeg een eenvoudig colbert over een shirt met opgerolde mouwen, en zijn ogen—grijzigblauw—leek je direct te lezen, zonder oordeel.

“Mooi hier,” zei hij, terwijl hij naar het uitzicht op het kanaal knikte.

“Dank je. En met dit licht erbij valt alles mee,” zei ik, kort glimlachend.

Toen we met z’n allen aan tafel zaten, voelde alles meteen goed. De klik tussen Laurens en mij was oprecht. Geen geforceerde beleefdheid, geen gemaakte vragen. Binnen vijf minuten hadden we het over de klassiekers in het wielrennen, de heroïsche etappes door de Alpen, de strijd tussen Hinault en Lemond—de echte verhalen. Laurens kende zijn klassiekers. Hij was van het type dat nog wist op welke dag Pantani zijn solo reed op Les Deux Alpes. Ik kon het waarderen. En dat hij ook nog obscure Belgische trappistenbiertjes kon waarderen én z’n geschiedenis paraat had, maakte hem tot een zeldzame gesprekspartner.

"En toch geloof ik dat Hinault meer lef had dan Lemond," zei ik met een halve grijns, terwijl ik mijn glas iets optilde.

Laurens grijnsde terug. “Misschien… maar Lemond wachtte ten minste tot hij op de fiets zat met steken uitdelen.”

Giulia glimlachte, haar lippen net iets wijder dan gewoonlijk, haar ogen zacht sprankelend. Geen uitbundig gelach, geen overdreven reactie—maar wel dat lichtje in haar blik, alsof ze het oprecht geestig vond. Of alsof ze het wilde vinden. Ze boog iets naar voren, tikte kort met haar vingers op haar wijnglas.

Haar lach was klein, maar aanstekelijk. En toch—terwijl ik naast haar zat, viel het me op. Giulia had niets met wielrennen. Nooit gehad ook. Ze vond het traag, saai, en ze begreep mijn fascinatie voor oude Tour-beelden nooit echt. Dus waarom glimlachte ze nu zo? Waarom leek ze mee te bewegen met iets wat haar altijd koud liet?

Het was een leuke opmerking van Laurens, zeker. Maar zó leuk?

Voordat ik er iets van kon zeggen, zei Jing droog: “Ik snap echt niet wat er leuk is aan mannen in te strakke pakjes die urenlang niks doen behalve zweten.”

Ze rolde licht met haar ogen en nam een slok wijn. “Echt, geef mij dan maar tennis. Dat duurt ten minste geen zes uur.”

Laurens grinnikte. “Je zegt dat nu… maar je hebt de laatste vijf kilometer van Alpe d’Huez vorige maand wel afgezien.”

Jing hief haar handen: “Ja ja, omdat jij zat te schreeuwen alsof het een voetbalwedstrijd was.”

Ik lachte, dit keer oprecht, maar bleef met mijn blik even op Giulia hangen. Ze luisterde, knikte, lachte mee. En ik vroeg me af: was ze gewoon sociaal? Of genoot ze oprecht van Laurens’ woorden?

Ik wist het niet zeker. Maar ik voelde het wel.

“Laurens is zo anders dan ik gewend ben,” zei Jing terwijl ze haar servet opvouwde met een traagheid die opviel, en ze had het niet alleen over het feit dat ze nu zelfs wielrennen gekeken had. “Hij is... meer aanwezig. Maar ook rustiger. Alsof hij precies weet wat hij doet. Altijd.”

Haar ogen gleden kort naar hem, een soort blik die niets suggereerde en juist daardoor alles. Dit ging al lang niet meer over wielrennen. Maar over iets waarvan Giulia al op de hoogte was, te zien aan de blik die de twee daarna vliegensvlug en o zo stiekem uitwisselen. Maar ik zag het.

Vroeger had Jing altijd de controle nodig. Over haar agenda, over haar lijf, over haar leven. Daar werd Martijn gek van. Maar nu leek ze zich overgegeven te hebben aan iets—of iemand—wat haar bevrijdde. En het stond haar. Ze had nog steeds die scherpe mond, die licht verwende flair, maar haar blik was zachter geworden. Losser. En tegelijk... gretiger. Niet onrustig, maar vol honger naar meer.

Jing was in haar element. Ze praatte levendig, met die licht-nasale dictie die haar stem altijd iets verwaands gaf, zonder dat het echt irritant werd. Alles wat ze zei balanceerde ergens tussen verwend en charmant. Ze had een toon die gewend was om gehoord te worden—en meestal werd ze dat ook. Ze was kleiner dan Giulia, fragieler ook. Fijne ledematen, kleine handen met perfect gelakte nagels, smalle polsen waar haar armbandjes losjes over gleden. Haar gezicht was haast westers te noemen: strakke make-up, scherp gesneden kaaklijn, zorgvuldig gestylede bob. Alleen dat gitzwarte haar en de amandelvorm van haar ogen verrieden haar Chinese afkomst. En als ze lachte—wat vaak gebeurde—plooide haar gezicht open op een manier die onverwacht ontwapenend was.

Het eten verliep vlekkeloos. Iedereen genoot. De smaken klopten, de wijn paste, de gesprekken vloeiden moeiteloos van onderwerp naar onderwerp. Zelfs Jing, die ik in het begin nog wat gereserveerd had aangekeken—gekleurde herinneringen aan Martijns kant van hun breuk—leek oprecht ontspannen. Tussen haar en Laurens bestond een vanzelfsprekende harmonie. Geen opzichtige aanrakingen, geen ‘kijk-ons-eens’ momenten. Maar wel kleine gebaren: een hand op zijn onderarm, een blik die nét te lang bleef hangen, een nauwelijks hoorbaar lachje in reactie op iets dat hij fluisterde. Tussen hen zat geen verleden. Alleen het nu.

Toch viel me iets op aan Giulia. Niet veel. Maar genoeg.

Haar blik bleef iets langer hangen bij Laurens dan ik gewend was. Haar vragen aan hem leken net iets meer geladen met interesse. Haar lach—zo open, zo mooi—klonk net iets warmer als hij iets zei. Het was niet verkeerd. Niet ongepast. Maar ik zag het. Omdat ik haar ken. Omdat ik haar al tien jaar lang zie. En wat ik zag, was... beweging. Iets kleins. Maar zichtbaar.

Al hield ik me stil. Ze was altijd zo, hield ik mezelf voor. Enthousiast, geïnteresseerd, licht flirterig op een onschuldige manier. Zo is ze nou eenmaal.

Pas na het dessert, toen we met zijn vieren een afzakkertje namen en het licht in de kamer iets gedempt was, begon de sfeer heel licht te kantelen. Niet met een schok. Maar langzaam. Zoals de lucht voelt vlak voor het onweer. Niets wat je met zekerheid kunt aanwijzen—maar toch... je weet dat het komt.

We zaten in de woonkamer, ieder in onze eigen houding verzonken. Laurens en ik met een borrel—ik een Ierse whisky, hij iets met turf en rook—de dames met een glas water en een schijfje limoen, alsof ze bewust het evenwicht bewaakten na het uitgebreide diner. De kamer was warm, niet van temperatuur maar van sfeer. De kaarsen op tafel gloeiden zacht, en de lamp in de hoek was gedimd tot net genoeg om gezichten te laten oplichten en schaduwen te laten dansen.

Giulia zat iets voorovergebogen, haar voeten onder zich, haar rug losjes tegen de zijkant van de bank. Ze keek aandachtig naar de foto’s op Jings telefoon—die hield hem half over Giulia’s schoot, zodat ze samen konden scrollen. “Deze was op Sicilië,” zei Jing, terwijl ze het scherm met twee vingers inzoomde. “Kijk, hier hadden we die citroenpasta.”

“Wauw,” zei Giulia zacht, haar stem vol bewondering, “en dat jurkje staat je zó mooi daar.”

Jing glimlachte tevreden. “Die is van Réalisation Par, wist ik dat jij dat zou zien.”

Giulia grijnsde terug, haar wangen zacht roze. “Je kent me.”

Ik keek naar haar, naar Giulia, mijn Giulia. Ze was zo oprecht, zo warm. Het plezier in haar stem was echt, en haar lichaamstaal helemaal ontspannen. Ze hield van dit soort avonden—van kijken, luisteren, herinneringen delen. Ze was een geboren gastvrouw, maar ook een aandachtige vriendin. Toch zag ik meer dan alleen haar vriendelijkheid. Ik zag hoe haar ogen telkens ietsje langer bleven hangen op Jing. Hoe haar hand even de hare raakte als ze iets aanwees op het scherm. Kleine aanrakingen. Niets bijzonders. Maar toch. Ik kende haar huid zo goed dat ik het voelde als ze die van een ander raakte.

Laurens zat schuin tegenover ons in de fauteuil. Hij nipte zwijgend van zijn glas, zijn blik rustig, misschien wat doezelig van het eten. Ik vroeg me af of hij het ook zag, of het hem opviel—hoe dicht die twee tegen elkaar aanzaten. Hij gaf geen krimp. En dus zei ik ook niets.

“En deze?” vroeg Jing, een nieuwe foto op het scherm.

Giulia legde een hand op haar dij en boog dichterbij, hun hoofden bijna tegen elkaar. “Dat uitzicht, Jing... dat is gewoon belachelijk mooi.”

Ze lachten samen. Niet luid. Maar zacht. Vertrouwd. Een beetje intiem.

Toen zei Jing ineens, zacht maar hoorbaar: “Ik ben jaloers op jullie rust.”

Giulia keek op, een beetje verrast.

“Bij ons voelt het alsof alles in beweging is,” ging Jing verder. “Maar misschien is dat precies wat ik nodig had.”

Giulia knikte, begrijpend, haar blik vol vertrouwen. “Soms is bewegen het enige wat helpt.”

Jing lachte, met die typische scheve grijns die ze vroeger ook had, maar nu met iets nieuws erin—iets ondeugends, iets zachts. “Bewegen, ja…” Ze keek kort naar Laurens, die net op dat moment haar kort een vlugge knipoog gaf. Het was maar een klein gebaar, maar ik zag het. Jing zei veel, maar nog lang niet alles.

“En alles wat daarbij hoort,” zei ze er nog achteraan, alsof het niets was.

Ik dronk mijn glas in kleine slokjes leeg en keek toe. Naar mijn lieve Giulia. En hoe ze luisterde. Hoe ze lachte. Hoe ze even—heel even—opging in het leven van een ander.

Het probleem was niet dat Jing en Giulia nog steeds goede vriendinnen waren. Nee, dat was juist mooi—dat ze elkaar vasthielden door de jaren heen. Maar terwijl ze daar samen zaten, hoofd aan hoofd boven het schermpje, werd me iets anders duidelijk. Iets wat ik eerder niet wilde zien.

In een paar maanden tijd had Jing meer van de wereld gezien dan Giulia in de afgelopen tien jaar. En dat lag niet aan haar werk, of aan toeval. Het lag aan Laurens. Hij was altijd onderweg—zaken, conferenties, diners in buitenlandse steden—en Jing ging met hem mee. Dat liet ze nu zien, onopvallend maar doelgericht: zonnige terrassen in Lissabon, nauwe straatjes in Kopenhagen, witte stranden in Kroatië. En Giulia... die keek. Ze keek met die open blik die ze altijd had. Maar haar ogen openden net iets verder bij elke nieuwe foto. Haar houding bleef ontspannen, haar glimlach zacht, maar ik voelde het. Niet in wat ze zei, maar in hoe ze haar glas vasthield, hoe ze haar rug iets rechter trok. Het gemis. Niet uitgesproken. Maar aanwezig.

Giulia had nooit iets om luxe gegeven, zei ze altijd. Ze hoefde geen verre reizen of dure kleding. Maar nu wist ik: dat klopt misschien nog steeds. Alleen... ergens, onder dat alles, wil ze méér dan wat ik haar geef.

Laurens gaf Jing dat ‘meer’. Niet alleen reizen of nieuwe ervaringen—maar richting. Doel. Avontuur. En iets intiems dat voelbaar was, zonder dat het opzichtig werd. Tijdens het eten had ik het al gezien: hoe zijn hand even vluchtig haar onderarm raakte. Hoe zij al keek voordat hij iets zei. Het waren kleine signalen. Maar ze klopten. En ze klonken als een taal die ze samen waren gaan spreken, na Martijn.

En Martijn? Die had van Sylke óók meer gekregen dan een betere pijpbeurt—zoals hij dat ooit, iets te open, had verwoord. Hij had een ander leven gekregen. Jonger. Speelser. Iets met minder verleden en meer ademruimte.

En ik? Wat gaf ík?

Ik zat daar, met mijn borrel in de hand, en keek naar mijn vrouw. Naar hoe ze luisterde naar Jing’s verhalen, hoe ze zich liet meeslepen in een leven dat niet het hare was. Jing hoefde niets expliciet te maken. Ze vertelde het allemaal in de manier waarop ze “spontaan” zei. Of “gewoon gegaan”. Of hoe ze net iets te bewust haar vinger op Giulia’s knie liet rusten.

Ik herinnerde me ineens dat telefoongesprek, weken geleden. Waarin ik alleen flarden opving: iets over Laurens, over hoe hij haar ook 'daar' begreep. “Een droomvent,” had ze gezegd, bijna verveeld. En vriendelijk was hij ook. Natuurlijk. Toen kenden ze elkaar net, geloof ik.

En ik?

Geen reizen. Geen goede seks. Geen jeugdige energie. Geen kalme volwassenheid. Geen richting. Geen vonk. Geen kleur.

Hoe langer ik Giulia zag glimlachen naar het leven van een ander, hoe meer ik mezelf zag vervagen.

“Vet hè?” zei Giulia ineens, terwijl ze zich naar me draaide en even met haar voet zachtjes tegen mijn scheen duwde. Haar ogen glinsterden nog van het beeld op Jing’s scherm. “Al die plekken waar ze zijn geweest. Sardinië, Porto, Wenen... echt prachtig.”

Ik knikte, dwong mezelf tot een glimlach. “Ja, bijzonder,” zei ik, en mijn stem klonk bijna alsof ik het meende.

Ze betrok me, zoals ze altijd deed. Zonder oordeel, zonder druk. Omdat ze dat was—open, warm, loyaal. Maar terwijl de avond langzaam afliep, de glazen leger werden, de stemmen zachter, voelde ik iets in mij steeds zwaarder worden.

Zowel Martijn als Jing waren ongelukkig geweest. Allebei hadden ze iets gemist, iets niet gekregen. En nu, los van elkaar, leken ze een leven te leiden dat hen wél paste. Ze hadden iets gevonden wat ze samen nooit hadden kunnen creëren.

En ik vroeg me af—durfde me af te vragen—geldt dat ook voor Giulia en mij?

Zijn we tevreden? Ben ik tevreden? Of belangrijker nog: is zij dat?

Is dit het? Is dit alles?

Zou ze gelukkiger zijn zonder mij? Met iemand anders die haar meeneemt, die haar verrast, die haar aanraakt zoals ze dat verdient? En ik… zou ik dan ook vrijer ademen? Zou er dan iets in mij loskomen dat ik nu alleen maar fantaseer?

Die vraag alleen al deed pijn. Een diepe, stille pijn, die ik nergens kwijt kon.

Even later stonden we in de deuropening. Jing sloeg haar armen om Giulia heen, en Laurens gaf me een stevige handdruk. Alles voelde zoals het hoort. Hartelijk. Dankbaar. Vol warmte. “Het was echt gezellig,” zei Laurens. “Heel fijn.”

“Ja, intiem ook,” zei Jing nog, terwijl ze haar jas goed trok. “Dat jullie dit nog zo doen... dat doet me goed.”

Ik knikte, glimlachte. Maar iets in haar woorden bleef hangen. Alsof ze iets zag wat wij allang niet meer voelden.

En toen waren ze weg. Of zo leek het.

We zwaaiden, zoals we dat altijd doen. Giulia met die oprechte warmte van haar, ik met iets wat daar hopelijk op leek. De deur viel zacht in het slot. Het was stil in huis, op de zachte tik van glazen in de gootsteen na.

Ik liep naar het raam, een automatische reflex. Meestal zie ik dan de achterlichten verdwijnen, een draai in de straat, het geluid van banden op nat asfalt. Nu niets. Of ik lette er niet op. Mijn blik bleef hangen op het vage spiegelbeeld van mezelf in het donkere glas.

“Het was leuk, hè?” riep Giulia vanuit de keuken. Haar stem had die lichte sprankeling nog.

“Ja… heel gezellig,” zei ik, iets te langzaam. Ik draaide me om, zag haar in het warme licht boven het aanrecht staan. Ze had haar haar losgedaan en roerde gedachteloos in een glas met wat restjes ijs.

“Jing was in vorm,” vervolgde ze. “En Laurens viel ook me, he? Fijn dat jij het goed met hem kan vinden.”

“Ja. Makkelijk type.”

Ze keek over haar schouder. “Je lijkt een beetje stil.”

Ik haalde mijn schouders op, liep naar haar toe en pakte de laatste lege wijnfles van de eettafel. “Ik breng dit even naar beneden,” zei ik. “Zet de auto gelijk weer binnen.”

Ze knikte, veegde haar handen af aan een theedoek. “Goed idee. Dan is het maar gedaan.”

Ik gaf haar een vluchtige kus op haar slaap. Haar huid rook naar wijn en iets zoets—abrikoos misschien, of perzik.

“Tot zo,” zei ik.

“Pas op op de trap.”

Ik knikte weer. Glimlachte. Maar die bleef hangen aan mijn gezicht als een jas die niet meer lekker zat.

Toen liep ik naar de hal, de trap af, het trappenhuis in. Zonder echt te weten waarom.

Ik liep de voordeur uit, het trappenhuis door, en stak over naar het pleintje voor het winkelcentrum onder ons complex. Alles was daar stil nu, de rolluiken omlaag, de straatverlichting zacht en gelig. Alleen het geritsel van bladeren en het doffe getik van mijn schoenen op het beton begeleidden me.

Bij de glasbak bleef ik even staan. Het geluid van de flessen die tegen elkaar kletsten en uiteenspatten was harder dan ik me herinnerde. Even resoneerde het in de stilte van de nacht, alsof het iets losmaakte wat ik liever nog even had laten zitten.

Ik liep terug naar binnen, de schuifdeuren zoemden kort open. De hal was leeg. Koel. Rustig. Mijn hand gleed langs de muur terwijl ik afdaalde naar de garage. Daar had je twee gedeeltes: een stuk achter het hek—voor bewoners—en een stuk ervoor, officieel openbaar, maar na winkeltijd even afgesloten van de buitenwereld.

Als we gasten hadden, zette ik de auto even daar neer. Simpel gebaar. Ik gaf het kenteken door, dan konden ze naar binnen rijden zonder gedoe. Kleine moeite, altijd gewaardeerd.

En ik wist dan meteen wat voor auto iemand reed. Zeker types als Laurens. Dikke zwarte Mercedes. Niet onverwacht. Dat soort dingen zeggen vaak genoeg. Hoewel ik eerlijk moet toegeven… hij viel mee. Meer mens dan verpakking. En dat had ik niet meteen gedacht.

Ik liep verder, het geluid van mijn voetstappen dempte op de betonnen vloer. Alles leek stil. Maar ergens achterin de garage brandde nog zacht licht.

Ik wil naar de poort lopen die naar het buitengedeelte van de parkeergarage gaat, maar mijn oog valt meteen op het feit dat ons eigen plekje nog helemaal niet leeg is. Sterker nog. Daar staan Laurens en Jing nog. Nog geen kwartiertje nadat we ze hadden uitgezwaaid. Vreemd, natuurlijk. Maar hun houding valt me meteen op. Ik begrijp instinctief dat ik stil moet zijn. Want ik stoor. Het is net na middennacht. De tijd had gevlogen. Want het was gezellig geweest. Maar de twee hadden het nog steeds gezellig. Het was een doodsille garage. Niet snel iemand die ze zou storen. Mij hadden ze ook niet verwacht. En ik stoorde ze niet. WAnt ze hadden met niet gehoord. Zij stond met haar rug richting de auto, de jas aan, maar open. Hij stond voor haar. Ik keek er een beetje schuin op. Meer op haar gezicht dan het zijne. Al kon ik sowieso niet alles zien van hun gezichten, zo gretig waren ze met elkaar aan het bekken. Bijna ordinair. Maar twee volwassenen. Spannend zo in een garage. Blijkbaar hadden ze het ook erg naar hun zin gehad, en wilden ze nog niet naar huis. Een kusje hier of daar was wel iets anders dan wat ik nu zag. Zij had haar handen op zijn brede borst, onder een jas die ook open was. Hij had één hand in haar nek, en hield haar stevig vast. Terwijl de andere duidelijk bezig was met een borst. En onderwijl tongden ze er fanatiek op los. Ik slikte even. Wat moest ik doen? Maar zonder dat ik het echt doorhad, zette ik al een stapje dichterbij. Om beter te kunnen kijken. Ik kon ze horen. Hun gezucht en gesnuif. Jing giechelde af en toe. En toen ze topte om hem aan te kijken, kon je zien dat zij dit veel ondeugender vond dan hij. Dat ook dit zo'n grens was, iets nieuws, wat Laurens haar dan liet zien. Een beetje tongen in de garage om middennacht. Met handen die wat afdwaalden. En ik gunde het haar. Giulia zou dit niet doen. Niet hier. Tongen op de bank was al spannend genoeg. Zo spannend, dat we het amper deden. Maar Lauren nam duidelijk controle. En zorgde er wel voor dat Jing hierin meeging. En aan alles merkte ik dat Jing niets liever deed. Ze liet zich tegen de auto drukken. Ze liet zich tongen, haar borsten masseren, haar hals kussen en likken. En ze deed alles met dezelfde intensiteit terug. En ik keek toe. Opgewonden. Nieuwsgierig. Verrast.

Ik wilde richting het hek lopen, het gedeelte van de garage waar ik de auto zou terugzetten. Maar nog voordat ik goed en wel de hoek om was, bleef ik abrupt staan.

Ons plekje… was helemaal niet leeg.

Sterker nog: daar stonden ze nog. Laurens en Jing. Nauwelijks een kwartier nadat we ze hadden uitgezwaaid stonden ze hier, op precies dezelfde plek waar ik hun kenteken voor had doorgegeven. En dat was vreemd. Vreemd genoeg om even te blijven staan. Maar het was hun houding die alles veranderde.

Nog voor ik goed besefte wat ik zag, wist ik instinctief: ik moest stil zijn. Want ik stoorde.

Het was even over middernacht. De garage lag er verlaten bij, de echo van mijn stappen was allang verstomd. Doodsstil, zoals altijd op dit uur. Geen reden voor hen om iemand te verwachten. Zeker mij niet.

Maar daar stonden ze. Zij met haar rug naar de auto, haar jas opengevallen, alsof hij haar daar had neergezet en nooit de tijd had gekregen hem dicht te doen. Hij stond dicht tegen haar aan, zijn brede schouders half de hare bedekkend. Ik stond schuin, kon net haar gezicht zien. Niet helemaal. Maar genoeg. Genoeg om te begrijpen wat hier gebeurde.

Ze waren aan het zoenen.

Niet voorzichtig. Niet als een afscheid. Niet als iets dat je even meepikt voor je instapt.

Dit was hongerig. Wild. Bijna ordinair, als je er van een afstandje naar keek. Maar niet zonder schoonheid. Ze waren twee volwassenen die hun lust niet wilden parkeren tot thuis. En blijkbaar hadden ze het zó fijn gehad, dat naar huis gaan nog even niet nodig was.

Zijn hand lag in haar nek, stevig. Zijn andere hand was onder haar jas gegleden, zat daar waar haar blouse strak stond: haar borst, onmiskenbaar. En zij… liet hem. Nee, ze wilde het. Haar handen lagen op zijn borst, maar niet duwend—ze trok hem juist dichter tegen zich aan. En ondertussen bleven hun monden op elkaar, hun tongen vechtend als pubers die de tijd willen terugpakken.

Ik slikte. Mijn lichaam was stil, maar mijn hoofd niet. Wat moest ik doen?

Maar zonder dat ik het echt doorhad, zette ik al een stap dichterbij.

Niet om iets te zeggen. Niet om mezelf kenbaar te maken.

Om beter te kunnen kijken.

Hun ademhaling hoorde ik nu. Hun gejaagde, schurende geluiden, het zachte gesnuif van hun zoenende monden. Jing giechelde af en toe, dat korte, hoge geluidje dat ik van haar kende uit vroegere tijden—maar nu klonk het anders. Ondeugender. Vrijer. Alsof dit een spel was dat zij misschien voor het eerst speelde. En hij… hij liet haar alles vergeten.

Er zat een energie in haar ogen, zelfs in die korte flitsen die ik opving. Dat glimmende, nieuwe. Dit was niet routineus. Dit was niet normaal. Dit was spannend. Een beetje tongen in een ondergrondse garage, net na twaalf. Met zijn handen onder haar jas, op haar huid. Met zijn lippen in haar hals. En zij... liet zich leiden. Liet zich kussen. Liet zich masseren. Liet zich nemen, voor zover dat kon met nog kleren aan. En gaf net zo gretig terug.

En ik?

Ik keek.

Opgewonden. Nieuwsgierig. Verrast. En misschien nog wel het meest... jaloers op wat zij durfden toe te laten.

Het windt me meer op dan ik wil toegeven.

Misschien omdat het onverwacht is. Of omdat het niet hoort. Of juist precies daarom.

Ik weet het niet.

Maar ik blijf kijken. Niet omdat ik moet. Maar omdat ik niet anders kán.

Op dat moment zie ik hoe Laurens iets naar voren buigt. Zijn mond langs haar kaaklijn, net onder haar oor. Zijn lippen bewegen, traag en dichtbij. Ik hoor niets, maar Jing hoort alles.

Ze lacht.

Niet hard. Maar hoog. Kort. Giechelig. Haar hoofd kantelt een beetje achterover, en dan… dan kijkt ze hem ineens aan. Echt aan. Haar ogen zoeken de zijne alsof ze even niet gelooft wat ze net gehoord heeft.

Meen je dit? zegt die blik.

Hij beweegt nauwelijks. Maar alles in zijn houding zegt: Ja.

En ik zie haar veranderen.

Haar wangen kleuren dieper. Haar ademhaling versnelt. En haar ogen beginnen te glanzen op een manier die ik zelden zie. Niet uit verlegenheid, maar uit opwinding. Ongeloof. Verwachting. Alsof ze niet wist dat het kon — en nu, door één fluistering, álles mogelijk is.

Wat heeft hij gezegd?

Wat is zijn truc?

Welke zin, welke toon, welke glimp van belofte brengt een vrouw zo ver dat ze alles wil geven?

Waarom lukt mij dat niet?

Waarom kijkt Giulia niet zo naar mij?

En dan heb ik het nog niet eens over wat volgt.

Ik moet nog iets dichterbij komen. Mijn voeten bewegen vanzelf, bijna geluidloos over het beton. Ze horen me niet. En zelfs als ze dat wel zouden doen, betwijfel ik of het hen zou stoppen. Maar ze horen me niet. En dus kan ik het zien. Alles.

Met mijn eigen ogen.

Hoe Jing langzaam afzakt, haar ogen groot, haar gezicht omhooggericht naar Laurens. Tussen hem en de auto in, zijn hand losjes op haar schouder. Die blik van haar... hongerig. Nieuwsgierig. Gehoorzaam, bijna.

"Hoeft niet lang te duren," hoor ik hem zeggen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

We gaan het meemaken, denk ik nog, verscholen tussen twee andere auto’s, precies op ooghoogte met haar gezicht. Mooi als altijd. Maar anders nu. Iets kwetsbaars en overgave in haar ogen, een gretigheid die me verrast. Ze is onder de indruk. En ze zit daar uit vrije wil. Helemaal.

Ja, het is spannend voor haar, dat zie je meteen. Maar het is geen twijfelachtige spanning. Het is die zeldzame tinteling van iemand die iets doet wat ze nooit dacht te doen—en het heerlijk vindt.

Laurens maakt zijn broek los. Zijn pantalon glijdt open, en ineens is daar zijn stijve pik. Ik schrik, niet van wat ik zie, maar van hoe snel het gebeurt. Hoe soepel alles zich ontvouwt. Hoe zijn eikel bijna haar gezicht raakt. En hoe Jing zonder aarzelen haar mond opent.

Haar mond—fijn, niet groot, maar nu wijd genoeg. Haar tong naar buiten, haar hand stevig om zijn schacht. En dan, in één beweging, glanst zijn lul van haar lippen, zuigt ze hem diep naar binnen.

Zijn hand blijft op haar hoofd, ondersteunend. Niet dwingend. Hij gromt zacht, een rauw geluid dat weergalmt tegen het beton. “Zo mooi ben jij,” fluistert hij.

Jing kijkt omhoog. Haar ogen groot, haar lippen strak om zijn eikel, haar ademhaling hoorbaar door haar neus.

Mijn keel wordt droog. Ben ik hier echt getuige van?

In het begin beweegt ze nog zelf. Ritmisch, gulzig. Maar het hoeft niet lang te duren, had hij gezegd. En dus neemt hij het langzaam over. Zijn hand meer verankerd in haar haar, zijn heupen zoeken het tempo. Jing laat het toe. Geen enkel teken van twijfel. Geen enkele vorm van tegenzin.

Het is ordinair. Natuurlijk is het ordinair. Een snelle pijpbeurt in een verlaten garage. Maar wat ik zie... is iets anders. Iets moois zelfs.

Een simpele wens. En Jing vervult hem. Voor hem wel.

Elke vrouw doet dit, mits de juiste man erbij is.

Die zin echoot in mijn hoofd.

En ik zie het met eigen ogen. De Jing die voor Martijn dit nooit wilde. Die preuts kon zijn, koppig. Die Martijn liet spartelen in frustratie. Nu zit ze op haar knieën. Voor een ander. En ze is goed. Het staat haar. Ze doet dit met overgave.

Ze kreunt zelfs zacht, laat zijn eikel dieper haar keel in glijden, haar handen op zijn dijen, steunend, begeleidend. Alles in haar is opgewonden.

En dan—plots—trekt Laurens zich een stukje terug. Jing laat hem los, maar blijft dichtbij. Haar lippen half geopend, haar ogen op hem gericht.

En ik zie het gebeuren.

Zijn zaad spuit uit hem, recht haar mond in. Het spat over haar onderlip, over haar kin, één straal zelfs tegen haar neus.

Laurens kreunt. Jing lacht.

Ze lacht.

Haar hand glijdt nog een paar keer teder over zijn schacht, alsof ze hem wil bedanken. “Lekker?” vraagt ze, haar stem zacht en zelfverzekerd. Niet onzeker, niet zoekend naar bevestiging. Ze weet het al.

Dit was lekker. Het bewijs zat op haar gezicht.

Ze neemt zijn eikel nog een keer in haar mond, langzaam, liefdevol. Eén trage, zuigende beweging. Het geluid—dat natte, ronde geplop—weergalmt door de garage. Ze giechelen.

Laurens helpt haar overeind. Ze vist een papieren zakdoekje uit zijn jaszak en veegt zich kalm schoon, alsof dit een routine is geworden.

Nog één kus.

En dan stappen ze wél in.

Ik duik weg, blijf gehurkt tussen het staal. Zie hoe ons plekje vrijkomt, hoe de zwarte Mercedes zacht wegrijdt.

Maar ik beweeg niet.

Ik blijf zitten.

Mijn adem zwaar. Mijn lijf gespannen. Misschien wel harder dan ik ooit ben geweest.

En verward. Dieper dan ooit.

Moest dat per se hier? denk ik in eerste instantie. In onze garage. Op onze plek.

Maar dan denk ik aan Martijn. Aan wat hij me ooit vertelde—hoe Jing dit soort dingen nooit wilde doen. Hoe hij zich daar kapot op beet. En hoe hij nu met Sylke een nieuw leven had. Eén waarin dit soort dingen blijkbaar wél gebeurden.

En ik hoor ineens weer die opmerking van een andere vriend van ons, half grappend, half serieus: “Alle vrouwen doen dit... maar alleen bij de juiste man.”

We lachten toen. Natuurlijk lachten we.

Maar Giulia doet dit niet.

Ook al zou ik het willen. Ook al heb ik het ooit voorzichtig gevraagd.

En dus stel ik me de vraag die ik het liefst nooit had hoeven stellen:

Of ben ik gewoon niet de juiste man?

-
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...