Door: Leen
Datum: 29-08-2025 | Cijfer: 9.7 | Gelezen: 169
Lengte: Lang | Leestijd: 32 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Borsten, Neuken, Romantiek,
Lengte: Lang | Leestijd: 32 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Borsten, Neuken, Romantiek,
Vervolg op: Het Satorvierkant - 21: Schaduwen Boven Parijs
De Grot
Gouy, Normandië - september 1066
MARYAM
"Eindelijk heb ik je gevonden!" De stem dringt door de grot, niet als een schreeuw, maar als een scherp, raspend gefluister dat door de rotswanden lijkt te worden weerkaatst, waardoor het van alle kanten tegelijk lijkt te komen. Het is een stem die ze kent, een stem die haar zo vaak heeft achtervolgd in de donkerste uithoeken van haar dromen. Maryam spert haar ogen wijd open, haar hart bonst met een harde, panische klap in haar keel.
Uit de mist bij de ingang doemt een gestalte op, een donkerder silhouet tegen het grijze licht. Een lange, onnatuurlijk magere man. Hij heeft een zware, bruinleren jas aan die tot op zijn enkels valt. Zijn met zilver beslagen schoenen maken een schrapend, hol geluid op de rotsbodem wanneer hij enkele stappen de grot in zet, de grot in, haar richting uit. Hij staart haar met een felle, bezeten blik aan. Maryam kijkt zwijgend naar zijn beschaduwde gezicht en huivert. Zelfs op deze afstand ziet ze het. Het lijkt alsof de tanden in zijn onderkaak te groot en te puntig zijn voor zijn mond, een vage, roofdierachtige grijns die nooit helemaal verdwijnt. Ze trekt lijkbleek weg. Haar lichaam beeft van een spanning die grenst aan terreur.
Hij zet opnieuw een stap naar haar toe. Er is iets mis met zijn been. Hij beweegt zich stijf en sleept een voet lichtjes achter zich aan, alsof elke stap hem pijn doet, een oneven, kreupel ritme dat zijn schrapende voetstappen een extra, verontrustende cadans geeft. "Weet je hoe lang ik al naar je op zoek ben, meisje?" Zijn stem is schor, het geluid van droge bladeren die over steen schuren, en het echoot zachtjes in de grot. Maryam schudt haar hoofd, niet als antwoord, maar als een instinctieve poging om zijn woorden, zijn aanwezigheid, van zich af te laten glijden. "Waarom laat je me niet met rust? Wat wil je van mij?"
"Weet je dat echt niet?" Hij glimlacht, en nu ziet ze het duidelijk: te veel ivoor in de schaduw van zijn mond, de tanden van een wolf in het gezicht van een man. De rijzige man neemt haar lange tijd in zich op, zijn blik glijdt over haar alsof hij een stuk vee keurt. Dan vervolgt hij, zijn stem is nu een zachte, samenzweerderige sfeer: "Dat amulet. Dat mooie, zware amulet daar rond je hals." Maryam heft verschrikt haar hoofd. Zonder erbij na te denken, legt ze haar rechterhand beschermend op het koude metaal op haar borst. Het voelt plotseling zwaar en gevaarlijk aan tegen haar huid. "Nee." Het woord is een krachteloze, ademloze fluistering.
Er verschijnt een harde, onverbiddelijke uitdrukking op het gezicht van de man. De schijn van beleefdheid valt weg en wat overblijft is pure, kille hebzucht. Verbeten trekt hij met een soepele, geoefende beweging een lang, dun zwaard onder zijn leren jas vandaan. Het geluid van het staal dat uit de schede glijdt, is een scherp, sissend geluid dat de stilte van de grot doorbreekt. Zonder enige voorafgaande waarschuwing, zonder een spier in zijn gezicht te vertrekken, steekt de lange man de punt van zijn wapen recht in haar buik. Maryams ogen worden groot in een uitdrukking van puur, kinderlijk ongeloof. Er klinkt het zachte, ziekmakende, scheurende geluid van stof en vlees. Een dierlijke, gegorgelde kreet ontsnapt haar lippen, een geluid van shock, niet van pijn. Nog niet. Ze kijkt omlaag en ziet het donkere, glimmende staal dat uit haar lichaam steekt. Ze zakt door haar knieën. Het warme, kleverige bloed verspreidt zich nu in een snelgroeiende, donkere vlek over haar jurk en druipt langzaam op de koude, natte rotsbodem van de grot. Pas nu komt de pijn, een verzengende, witte, alle verterende pijn. Ze gilt, een schrille, ijle kreet van pure agonie die door de grot echoot.
"Jij monster!" schreeuwt ze, overspoeld door tranen en pijn. De man begint te lachen. Een droge, humorloze, krakende lach die door de rotswanden wordt weerkaatst, waardoor het klinkt alsof de hele grot haar uitlacht. De penetrante, metaalachtige geur van haar eigen bloed vermengt zich met de muffe geur van de grot. Een branderig gevoel verspreidt zich als vloeibaar vuur vanuit haar buik door haar hele lichaam. Haar gezicht wordt gevoelloos, haar spieren verslappen. De wereld om haar heen wordt een wazige, tollende draaikolk van duisternis en het flakkerende licht van zijn grijns. Haar hoofd wordt zwaar, te zwaar. Ze valt flauw, haar laatste bewuste gedachte is het beeld van zijn met zilver beslagen schoenen en het geluid van zijn afschuwelijke, triomfantelijke lach die eindeloos lijkt te echoën.
De echo van de lach sterft weg en wordt vervangen door een ander geluid: gejammer. Het is een soort zacht, snikkend geluid, zwak en tegelijkertijd huiveringwekkend. Een geluid dat rijst en daalt in golven, toenemend in volume tot een hartverscheurend geweeklaag en dan weer vervagend tot nauwelijks hoorbare, treurige fluisteringen. Het is alsof het hele grottenstelsel is vergeven van een oeroud, vreselijk verdriet dat van de vochtige, koude wanden straalt.
De stekende pijn in Maryam haar buik begint te vervagen, haar bewustzijn raakt op drift. De stokkende, pijnlijke ademtochten en het droevige gejammer worden steeds luider, vullen haar hoofd en verdringen elke andere gedachte. Dan ziet ze het. Met grote vaart snort een zwermachtige substantie de grot in. De wolk, bestaand uit miljoenen ondefinieerbare, zacht gloeiende deeltjes, maakt een zwenkende beweging en begint af te dalen. Blauw, groen en geel buitelen om elkaar heen als een soort goddelijke, etherische confetti. Een vreemde, onweerstaanbare vrede overvalt Maryam. Een glimlach tekent zich af op haar bleke, bebloede lippen. De wolk heeft haar nu aan alle kanten ingesloten, en met een zachte, liefdevolle aanraking voert het haar geest als door een droom weg van de pijn, weg van de koude, stenen vloer.
Voor haar verschijnt een vrouw, staand in een eindeloze, witte leegte. Ze draagt een kort, eenvoudig wit kleedje dat vreemd en niet van deze tijd lijkt. Het kraagje van de jurk zit een beetje naar binnen gedraaid en er zit een klein, vaag geel vlekje op, net boven haar hart. Ze heeft haar armen licht gespreid en straalt een onvoorstelbare, gelukzalige glimlach uit. Voorzichtig heft ze haar ene hand en beweegt haar vingers wuivend heen en weer. Onder de dunne, witte stof bewegen haar borsten zachtjes op het ritme van haar ademhaling.
"Jou mag niets overkomen," fluistert de vrouw. "Nu niet en nooit niet. Want als jouw licht dooft, is de toekomst verloren."
"Wie ben jij?" vraagt Maryam.
"Ik kom onder vele gedaanten," reageert de vrouw met haar serene glimlach. "Ik ben een herinnering. En een waarschuwing."
"Waar ben ik?"
"Eigenlijk ben je niet eens hier. Alleen je geest is hier, op een kruispunt. Herinner je je nog waar je daarnet was, voor ik je hierheen haalde?"
"In een nachtmerrie," fluistert Maryam. De herinnering is een plotselinge, ijzige flits. "Ik kom steeds vast te zitten in tunnels, in een soort hel. En er was... een magere, lange man met een zwaard."
De vrouw knikt, haar glimlach verdwijnt even. "Oh, maar hij is geen droom, Maryam. Hij is een man van vlees en bloed. Maar hij heeft gedronken uit een donkere bron en draagt nu een macht die niet van hem is. Het is aan jou om uit te zoeken hoe hij daaraan komt."
"Waarom? Zelfs als hij echt is, was het maar een droom. Hij kan me niets doen."
De glimlach van de vrouw keert niet terug. Haar blik is nu intens en doordringend. "Denk je dat?"
Maryam staart zwijgend voor zich uit, de herinnering aan de scherpe, koude pijn van het staal in haar buik is plotseling weer angstaanjagend levendig. "Als je de nachtmerries niet meer wilt," gaat de vrouw verder, "moet je onthouden dat wat jij voor waanzin houdt, soms macht is. Je hebt een gave, Maryam. Je ziet dingen die anderen niet zien. Je voelt de wereld op een dieper niveau. Maar onthou: een duisternis waart hier rond. Een oude, hongerige duisternis. Je weet nog niet echt hoe het is om bang te zijn. Dit is slechts het begin."
"Help me dan!" smeekt Maryam, de wanhoop breekt door in haar stem. "Vertel me wat ik moet doen! Hoe ik die gave moet gebruiken!"
De vrouw komt dichterbij, pakt Maryam haar schouders vast en drukt een zachte, warme kus op haar voorhoofd. "Pak je amulet vast," fluistert ze. "Spreek de woorden uit die in je hart geschreven staan. Maar onthou: het is jouw gave, het is jouw geest en jouw hart. De sleutel is niet de spreuk, maar de wil erachter. Alleen jij kan die openstellen."
"Hoe dan?" snikt Maryam. "Hoe doe ik dat?"
"Vertrouw op jezelf," zegt de vrouw, en haar stem wordt zachter, begint te vervagen. "Stel jezelf open voor de stroom. Laat het gebeuren. Negeer de angst die je probeert te verlammen. Stel jezelf open. Liefde, vertrouwen en kracht. Dat zijn je wapens."
De witte leegte begint te trillen, de gloeiende, gekleurde deeltjes keren terug en beginnen om de vrouw heen te wervelen. Ze lost langzaam op in het licht, haar glimlach is het laatste wat Maryam ziet. "Ik kan je niet langer meer hier houden. Onthou wat ik gezegd heb." En weg is ze.
De duisternis van de grot wordt getemd door het zachte, oranje licht van het vuur, dat lange, dansende schaduwen op de rotswanden werpt. Even later ligt Maryam weer op de geïmproviseerde slaapplaats, de arm van Wulfbehrt strak en beschermend om haar heen. Hij is wakker, zijn lichaam is een gespannen, waakzame aanwezigheid naast het hare. Ze nestelt zich steviger tegen zijn blote, warme borst aan en klampt zich aan hem vast alsof hij haar enige reddingsboei is in de donkere, koude oceaan van haar nachtmerries. Zijn veel te grote, ruwe hemd dat ze draagt, is tijdens haar onrustige slaap omhoog gekropen, en haar schaarsgeklede lichaam heeft geen gunstige uitwerking op Wulfbehrt’s rusteloosheid. Een deel van hem, de beschermer, wil niets liever dan haar troosten en in slaap sussen. Maar een ander, meer primair deel wordt gekweld door de nabijheid van haar zachte huid, de geur van haar haren en de onbewuste, sensuele manier waarop haar heup tegen de zijne drukt. Hij heeft het met elke seconde moeilijker om de oplaaiende seksuele spanning in zijn lichaam te negeren.
"Maryam?" Zijn stem is een hese, gekwelde fluistering in de stilte. Wanneer ze haar hoofd opheft en hem aankijkt met ogen die nog wazig zijn van de slaap en donker van de overgebleven angst, zwicht hij voor de verleiding. Ongeacht de consequenties. Hij drukt zijn mond op die van haar en vergeet zijn nobele voornemen om sterk te zijn en haar te weerstaan. Terwijl hij met zijn lippen zachtjes over de hare strijkt, voelt Maryam een diepe, rustgevende warmte door haar lichaam vloeien die niets met lust en alles met veiligheid te maken heeft. Zonder ook maar de geringste twijfel weet ze dat ze in zijn armen, wat er ook gebeurt, altijd veilig zal zijn. Maar dan, bij de smaak van verlangen op zijn stevige, indringende mannenlippen, het gevoel van zijn sterke, naakte borst tegen de hare en de onmiskenbare, harde druk van zijn opwinding tegen haar buik, huivert ze. De warmte van veiligheid versmelt met het vuur van een plotseling, hevig verlangen.
Hij laat zijn hand van haar rug naar haar ribben glijden, zijn vingers tellen elke boog, een tergend trage, aanbiddende verkenning. Wanneer zijn grote, ruwe hand haar borst omvat en zijn duim vervolgens zachtjes haar plotseling hard geworden tepel begint te strelen, sluit ze genotzuchtig haar ogen en ontsnapt er een zachte kreun aan haar lippen.
Wulfbehrt trekt zich met een huivering terug, slechts een centimeter, zijn voorhoofd rustend tegen het hare. "Ik weet dat je nu alleen maar gerustgesteld wilt worden," zegt hij, zijn stem is schor en gekweld. Hij laat een spoor van zachte kussen op haar hals neerdalen. "Maar ik verlang al naar je vanaf het moment dat ik je zag. Ik vecht ertegen, Maryam, voor jou. Maar ik moet het weten. Als jij dit niet wilt, als je alleen troost zoekt, dan is dit het moment om het me duidelijk te maken. Zeg het, en ik stop. Onmiddellijk." Maryam opent haar ogen en ziet tot haar verrukking haar eigen, laaiende hartstocht weerspiegeld in de diepte van zijn donkere, gekwelde ogen. Toch weet ze wat haar te doen staat, wat de verstandige, veilige keuze zou zijn: hem van zich afduwen, haar spullen pakken en de volgende ochtend bij het krieken van de dag vertrekken, om hem te beschermen tegen het gevaar dat haar als een schaduw volgt.
Alleen weet ze met een verpletterende, allesoverheersende zekerheid dat ze dat niet gaat doen. Het kan wel eens de grootste, meest catastrofale vergissing van haar leven zijn, maar ze kan op dit moment niet denken aan het gevaar waarin ze hem meesleurt. Het enige waar ze aan kan denken is de blik in zijn ogen, het gevoel van zijn handen op haar huid, en de ondraaglijke, allesverterende behoefte om, al is het maar voor één nacht, volledig van hem te zijn. In plaats van hem van zich af te duwen, legt ze haar handen in zijn nek en trekt ze zijn mond weer naar de hare.
Als antwoord op de vraag die in zijn ogen brandt, op de gekwelde terughoudendheid die ze in hem voelt, legt Maryam haar handen in zijn nek en trekt ze zijn mond weer naar de hare. De kus is diep en zeker, een antwoord zonder woorden. "Ik wil dit ook," fluistert ze tegen zijn lippen, haar stem is vol van een overgave die elke twijfel in hem uitwist. Een diepe, schorre lach ontsnapt Wulfbehrt. "Heb je enig idee hoe vaak ik hier de afgelopen week aan heb gedacht?" vraagt hij, zijn stem is een lage, intieme brom. Zijn vingers spelen met de ruwe, linnen stof van het hemd op haar schouder. "Als ik naar je kijk, kan ik aan niets anders denken. Je bent een koorts in mijn bloed."
Maryam huivert van verwachting bij de intieme klank van zijn stem en zijn hartstochtelijke woorden. Ze legt haar handen tegen zijn brede, blote borst en laat haar vingertoppen langzaam over zijn gespierde bovenlichaam glijden, de harde contouren van zijn spieren verkennend, de hitte van zijn huid voelend. "Het is alsof je uit steen en vuur gehouwen bent," fluistert ze vol bewondering. Zijn sensuele glimlach veroorzaakt een tinteling diep in haar. Aangemoedigd door zijn reactie, pakt ze de zoom van het hemd vast, het hemd dat van hem is, en trekt het met een soepele, gracieuze beweging over haar hoofd uit. Ze gooit het opzij, op de stapel bladeren. Zijn ogen, die elke beweging van haar volgen, lijken haar te liefkozen. De rauwe, onverbloemde begeerte die ze in de diepte ervan ontwaart, beneemt haar de adem en doet haar hart struikelen.
"Je bent ongelooflijk mooi, Maryam," zegt hij, zijn stem is hees van ontzag. Weer legt ze haar handen tegen zijn brede borst. Genietend van het gevoel van zijn warme, naakte huid onder haar handpalmen, laat ze haar handen langzaam over zijn borst naar beneden dwalen, een tergend trage verkenningstocht. Bij zijn navel aangekomen, kijkt ze snel, bijna verlegen, omhoog vanonder haar wimpers. Hij houdt zijn ogen gesloten en zijn hoofd iets naar achteren, zijn kaak is strak gespannen, alsof hij een immense moeite moet doen om zich te beheersen.
"Is dat fijn?" vraagt ze, haar stem is een zachte, plagende fluistering. Intussen strijkt ze met de top van haar vinger langs de ruwe, lederen rand van zijn broeksband. "Verrukkelijk," perst hij eruit. Het klinkt alsof hij een marathon heeft gelopen. Wanneer haar vingers, gedurfd nu, de knoop van zijn broek proberen los te maken, schiet zijn hand naar voren en houdt de hare tegen. Zijn greep is zacht, maar onwrikbaar.
Lichtelijk verward kijkt ze hem aan. Hij opent zijn ogen, en ze zijn donker en serieus. Hij stelt de vraag niet met woorden, maar met zijn blik. Het is een laatste, stille vraag, dieper en belangrijker dan alle voorgaande. Weet je dit zeker? Ben je hier, bij mij, met heel je hart? Maryam beantwoordt de vraag zonder een woord te zeggen. Haar ogen verlaten de zijne geen moment, terwijl ze heel langzaam en doelbewust knikt. Ja. Grinnikend en met een laatste, veelbelovende blik, stroopt hij zijn ruwe broek van zijn gespierde benen en schopt hem met een achteloos gebaar naar de plek waar haar hemd al in een hoopje ligt.
Maryam kijkt hem vol bewondering aan, haar adem stokt in haar keel. In het dansende, gouden licht van het vuur is hij een oeroud, heidens beeld. Zijn schouders zijn onmogelijk breed, zijn borst en buik een landschap van harde, strakke spieren, gevormd door het zware, ritmische werk in de smederij. Littekens, vaag en wit, tekenen zijn huid, stille getuigen van een leven vol gevaar. En de zichtbare, onbeschaamde kracht van zijn begeerte is bijna overweldigend, een pure, mannelijke energie die de lucht in de grot doet knetteren.
Hij buigt zijn hoofd en drukt een zachte, bijna eerbiedige kus op haar lippen. Dan kust hij zich een weg omlaag, over haar kin, haar hals, naar de zachte welving van haar borst. "Je bent de begeerlijkste vrouw die ik ooit ben tegengekomen," fluistert hij, zijn hete adem tegen haar huid. Het bloed jaagt door haar aderen terwijl zijn mond de harde, opgerichte kroon van haar tepel kust. Op het moment dat hij die tepel volledig in zijn warme, vochtige mond neemt en er zachtjes aan begint te zuigen, lijkt het alsof haar hart en de tijd zelf stilstaan. Nooit eerder heeft ze zoiets verrukkelijks en intens ervaren als het gevoel van Wulfbehrts kussen op haar naakte lichaam, dat snel het kookpunt nadert. Wanneer hij zijn aandacht op haar andere borst richt, valt haar hoofd naar achteren in de zachte bladeren en hapt ze naar lucht, een zachte, hijgende klank.
"Adem, Maryam," fluistert hij, zijn stem een lage, plagende grom. "Vergeet niet te ademen." Niet in staat een woord uit te brengen, kan ze alleen maar knikken. Nooit heeft ze zich zo gekoesterd, zo aanbeden gevoeld als op dit moment. Terwijl hij haar teder kust, laat hij strelend zijn hand van haar zij naar haar heup glijden. Wanneer zijn vingers de bron van haar hitte en verlangen aanraken, balt de zoete pijn van een onvervuld verlangen zich in haar samen. Haar handen, die tot nu toe in zijn haren geklauwd zaten, laten los en dwalen van zijn borst naar beneden. Ze vindt daar zijn mannelijkheid, hard en pulserend van leven. Wulfbehrt kreunt, een diep, gekweld geluid. "Je torpedeert al mijn goede bedoelingen, Maryam."
"Wat zijn die dan?" vraagt ze, haar stem is een hese fluistering, terwijl ze hem met haar handen voorzichtig en nieuwsgierig bevoelt. "Ik zou het graag iets... langer volhouden," perst hij eruit. "Je dit genot urenlang geven. Maar dat gaat niet lukken, als je zo doorgaat." Hij pakt haar handen, brengt ze naar zijn lippen voor een snelle, vurige kus op haar vingertoppen, en legt ze dan weer op zijn borst. Met een zachte druk van zijn knie vraagt hij om toegang tussen haar benen, en ze geeft die onmiddellijk, haar dijen vallen als vanzelf open. Hij vangt haar blik, en de zwoele, bezitterige glimlach op zijn gezicht zorgt ervoor dat haar bloed het kookpunt bereikt. Met een beheerste, vloeiende beweging vult hij de leegte in haar, niet snel, maar met een trage, zekere overgave die haar de adem beneemt. Een moment blijft hij volkomen stil liggen, zijn spieren gespannen, vechtend om zijn zelfbeheersing te bewaren.
"Je bent zo mooi en volmaakt," zegt hij ten slotte, zijn stem schor van de inspanning. Hij begint langzaam, bijna tergend, tegen haar aan te bewegen. Maryam kromt haar rug en grijpt zijn polsen, terwijl haar wereld explodeert in een verbazingwekkende stroom van sensaties. Door met haar heupen te bewegen, laat ze hem nog verder naar binnen glijden. Ze voelt een golf van pure, onverdunde lust, de eerste, zinderende belofte van een hoogtepunt dat onderweg is. De druk bouwt sneller en intenser op dan ze ooit voor mogelijk had gehouden.
Golven van genot overspoelen haar en ze klampt zich aan hem vast, haar nagels prikken in zijn rug. Haar binnenste spieren spannen zich aan en een diepe, bezeten kreun ontsnapt aan zijn lippen. Haar genot is zijn ondergang. Een moment later voelt ze ook zijn lichaam verstrakken. Hij dringt nog een keer diep bij haar naar binnen, een laatste, bezitterige stoot, en laat zich daarna zwaar op haar vallen, zijn gezicht begraven in de holte van haar nek. Hun lippen vinden elkaar in een passionele, lome kus, zout van het zweet en zoet van de voldoening. Ze slaat haar armen om zijn brede, bezwete schouders en houdt hem dicht tegen zich aan. Nooit in haar leven heeft ze zich zo dicht bij een ander gevoeld, zo volledig verbonden met een andere ziel, als nu bij Wulfbehrt. Ze wil niet dat dit moment ooit ophoudt.
De eerste, bleke stralen van de ochtendzon dringen door de kieren van de boomstammen die de ingang van de grot barricaderen en werpen strepen van zacht licht op de rotswanden. Wanneer Wulfbehrt later die ochtend wakker wordt, is het eerste wat hij zich bewust wordt niet het licht, maar de warmte en het gewicht van Maryam, die nog steeds diep in slaap tegen hem aan ligt. Glimlachend luistert hij naar haar diepe, regelmatige ademhaling en snuift hij de warme, zoete geur op die van haar huid en haren opstijgt. Hij neemt de tijd om het moment in zich op te nemen, de zachte druk van haar borsten tegen zijn borst, het gevoel van haar hand die losjes op zijn buik rust.
Dan doet hij zijn ogen open. In de ochtendschemering, met haar verwarde haren als een donkere waterval over de geïmproviseerde kussens en haar naakte lichaam half bedekt door zijn reismantel, ziet ze er onwaarschijnlijk lieflijk en vredig uit. Zijn lippen vormen een diep tevreden grijns.
Het liefst was hij ook in bed gebleven, om haar zachtjes wakker te kussen en opnieuw met haar te vrijen tot de middagzon hoog aan de hemel stond. Maar de realiteit is een harde meester. Willen ze hier langer overleven, dan moet hij zorgen dat er voldoende eten voorradig is. Met een geeuw die hij tevergeefs probeert te onderdrukken, maakt hij zich met de grootste voorzichtigheid los uit haar omhelzing en staat hij op. Hij kleedt zich in stilte aan. Glimlachend kijkt hij nog een laatste keer naar de vrouw die languit op het geïmproviseerde bed ligt. Hij wil haar niet wakker maken. Ze moet nog net zo moe zijn als hij.
"Wulfie, waarom heb je me niet wakker gemaakt?" Hij draait zich met een ruk om. Maryam komt de grot uit gewandeld, de ochtendzon valt nu vol op haar. Ze is nog altijd naakt, haar lichaam is een adembenemend kunstwerk van zachte rondingen en gebruinde huid. Ze heeft het hemd en de mantel opzijgeschoven en is zonder enige schaamte, met een speelse, plagerige glimlach op haar gezicht, naar buiten gekomen.
Wulfbehrt voelt zijn hart bonzen, zijn adem stokt in zijn keel. Zijn blik glijdt over haar pronte borsten met de donkere, hard geworden tepels, haar welgevormde lichaam en de donkere, mysterieuze V-vorm tussen haar benen. Als mijn hart nu zou stoppen met kloppen, denkt hij, dan zou ik geen angst of spijt hebben. Hij heeft zich nog nooit zo intens levend gevoeld. Maryam, van haar kant, had nog nooit geweten hoe goede seks, échte intimiteit, je lichaam en geest volledig kan overnemen. Hoe het je ziel blootlegt en hoe het twee lichamen zo kan laten samensmelten dat je niet meer weet waar de een eindigt en de ander begint. Maar de begerige, aanbiddende blik van Wulfbehrt en de verwoestende passie van de voorbije nacht hebben haar bevrijd. Ze voelt zich herboren, ontdaan van de ketenen van angst en schaamte die haar zo lang hebben gevangengehouden. Ze gaat achter hem staan, slaat haar armen om zijn middel en legt haar kin op zijn brede schouder. "Het is hier prachtig," fluistert ze, en haar blik dwaalt over de scène voor hen: een klein, verborgen meertje, omringd door dichte, groene bossen, het wateroppervlak glad als een spiegel in de ochtendzon.
"Zin om te zwemmen?" Wulfbehrt wijst met zijn kin naar het meertje. Hij wacht haar antwoord niet af. Aangestoken door haar speelse naaktheid en de plotselinge, onbedwingbare levensvreugde, draait hij zich om, pakt haar vast, geeft haar een snelle, harde kus en rent dan naar het water.
Maryam blijft lachend staan, niet in staat om weg te kijken wanneer hij in een paar snelle, efficiënte bewegingen zijn broek en hemd uittrekt en zijn kleren op het gras gooit. Een lome, zinderende warmte begint door haar aderen te stromen. Hij stapt het water in, dat met een heldere plons opspat. Het water is ondiep en reikt ternauwernood tot aan zijn navel, de kou doet hem even naar adem happen.
"Kom erbij!" roept hij, zijn stem is een vrolijke, uitdagende echo in de ochtendstilte. "Het water is heerlijk!" Maryam aarzelt geen seconde. Met een kreet van pure vreugde rent ook zij het water in. Glimlachend ontvangt Wulfbehrt haar in zijn armen. Wanneer haar naakte, koude borsten tegen zijn brede, warme borst geplet worden, gaat er een elektrische schok door haar heen. Hij buigt zijn hoofd en Maryam verwelkomt zijn warme, natte mond op de hare. Zijn kussen zijn bedwelmend, een perfecte mix van tederheid en een ontembare, laaiende passie die al snel verslavend begint te werken.
De bedwelmende, verslavende kus duurt voort in het koude water van het meertje. Voor een kort, gestolen moment is er geen verleden en geen toekomst, enkel het hier en nu. Enkel de smaak van haar lippen, de warmte van haar huid tegen de zijne, en de serene, ongestoorde stilte van het bos.
Dan, heel vaag, ruikt Wulfbehrt iets. Het is een vreemde, scherpe geur die door de frisse, aardse boslucht snijdt. De geur van brandend hout, maar dan anders. Vunzig. Acide. Hij heft verschrikt zijn hoofd op en verbreekt de kus. Zijn ogen, die een moment geleden nog donker waren van passie, zijn nu vernauwd, alert, zijn zintuigen als die van een jager die onraad bespeurt. "Wat is er, liefje?" vraagt Maryam, haar stem is nog loom en zwoel van hun omhelzing. Ze probeert zijn mond opnieuw te vinden, maar hij houdt zijn gezicht afgewend, zijn blik gefixeerd op een punt voorbij de bomen.
"Kijk daar," zegt hij, zijn stem is een lage, gespannen grom. Hij wijst met zijn kin in de richting van de stad. Maryam draait haar hoofd. Boven de groene zee van de boomgrens, tegen de helderblauwe ochtendhemel, krinkelen verschillende, dikke rookpluimen omhoog. Het zijn geen dunne, witte slierten van een haardvuur. Dit is de vette, zwarte, olieachtige rook van een stad in nood.
"Rouen brandt," zucht Wulfbehrt, en de woorden zijn een constatering van een afschuwelijke, onontkoombare waarheid. "Hoe..." fluistert Maryam, haar hand vliegt naar haar mond, de romantische droom van het meertje is in een fractie van een seconde veranderd in een nachtmerrie.
"Ik weet het niet," antwoordt hij somber. "Het kan toeval zijn. Een ongeluk in de haven, een brand in een pakhuis..." Maar zelfs terwijl hij de woorden uitspreekt, gelooft hij ze niet. "Waaraan denk je?" vraagt ze, hoewel ze het antwoord al vreest. Zijn kaak spant zich aan. "De witte paters."
"Denk je dat die..."
"Ze zijn tot alles in staat," onderbreekt hij haar, zijn stem is nu hard als staal. Een golf van misselijkheid en schuld overspoelt Maryam. De warmte van het water voelt plotseling ijskoud aan. "Het is allemaal mijn schuld," fluistert ze, haar stem is gebroken. "Natuurlijk. Het is geen toeval. Ze zijn razend dat ze me nog niet gevangen hebben. Dat ze voor schut zijn gezet." Haar stem wordt luider, hysterischer. "Ze hebben gewoon alles in brand gestoken, Wulfbehrt, ik heb het eerder zien gebeuren! Het is een strafexpeditie! Niemand is nog veilig: je broer, Aélis, de priester die ons hielp, de mensen in de herberg... al die onschuldige mensen... We kunnen dit niet laten gebeuren!"
Wulfbehrt zucht triest en trekt haar dicht tegen zich aan, het koude water klotst om hen heen. "Veel kunnen we niet doen, Maryam. We zijn hier, zij zijn daar." "Nee!" Ze duwt zich met kracht van hem af, haar ogen vuren van een plotselinge, felle vastberadenheid. "We mogen ons niet meer verbergen! We moeten die waanzin stoppen!"
"Dat kunnen we niet, liefje. We zijn maar met ons tweetjes. Het zou zelfmoord zijn om terug te keren naar een stad die wemelt van hun soldaten en spionnen."
"Niet noodzakelijk," zegt ze, en haar blik is nu zo intens dat hij een huivering voelt.
"Hoezo?"
"Het wordt tijd," zegt ze, haar stem is nu kalm en vol van een gevaarlijke, nieuwe overtuiging, "dat we het amulet gebruiken."
MARYAM
"Eindelijk heb ik je gevonden!" De stem dringt door de grot, niet als een schreeuw, maar als een scherp, raspend gefluister dat door de rotswanden lijkt te worden weerkaatst, waardoor het van alle kanten tegelijk lijkt te komen. Het is een stem die ze kent, een stem die haar zo vaak heeft achtervolgd in de donkerste uithoeken van haar dromen. Maryam spert haar ogen wijd open, haar hart bonst met een harde, panische klap in haar keel.
Uit de mist bij de ingang doemt een gestalte op, een donkerder silhouet tegen het grijze licht. Een lange, onnatuurlijk magere man. Hij heeft een zware, bruinleren jas aan die tot op zijn enkels valt. Zijn met zilver beslagen schoenen maken een schrapend, hol geluid op de rotsbodem wanneer hij enkele stappen de grot in zet, de grot in, haar richting uit. Hij staart haar met een felle, bezeten blik aan. Maryam kijkt zwijgend naar zijn beschaduwde gezicht en huivert. Zelfs op deze afstand ziet ze het. Het lijkt alsof de tanden in zijn onderkaak te groot en te puntig zijn voor zijn mond, een vage, roofdierachtige grijns die nooit helemaal verdwijnt. Ze trekt lijkbleek weg. Haar lichaam beeft van een spanning die grenst aan terreur.
Hij zet opnieuw een stap naar haar toe. Er is iets mis met zijn been. Hij beweegt zich stijf en sleept een voet lichtjes achter zich aan, alsof elke stap hem pijn doet, een oneven, kreupel ritme dat zijn schrapende voetstappen een extra, verontrustende cadans geeft. "Weet je hoe lang ik al naar je op zoek ben, meisje?" Zijn stem is schor, het geluid van droge bladeren die over steen schuren, en het echoot zachtjes in de grot. Maryam schudt haar hoofd, niet als antwoord, maar als een instinctieve poging om zijn woorden, zijn aanwezigheid, van zich af te laten glijden. "Waarom laat je me niet met rust? Wat wil je van mij?"
"Weet je dat echt niet?" Hij glimlacht, en nu ziet ze het duidelijk: te veel ivoor in de schaduw van zijn mond, de tanden van een wolf in het gezicht van een man. De rijzige man neemt haar lange tijd in zich op, zijn blik glijdt over haar alsof hij een stuk vee keurt. Dan vervolgt hij, zijn stem is nu een zachte, samenzweerderige sfeer: "Dat amulet. Dat mooie, zware amulet daar rond je hals." Maryam heft verschrikt haar hoofd. Zonder erbij na te denken, legt ze haar rechterhand beschermend op het koude metaal op haar borst. Het voelt plotseling zwaar en gevaarlijk aan tegen haar huid. "Nee." Het woord is een krachteloze, ademloze fluistering.
Er verschijnt een harde, onverbiddelijke uitdrukking op het gezicht van de man. De schijn van beleefdheid valt weg en wat overblijft is pure, kille hebzucht. Verbeten trekt hij met een soepele, geoefende beweging een lang, dun zwaard onder zijn leren jas vandaan. Het geluid van het staal dat uit de schede glijdt, is een scherp, sissend geluid dat de stilte van de grot doorbreekt. Zonder enige voorafgaande waarschuwing, zonder een spier in zijn gezicht te vertrekken, steekt de lange man de punt van zijn wapen recht in haar buik. Maryams ogen worden groot in een uitdrukking van puur, kinderlijk ongeloof. Er klinkt het zachte, ziekmakende, scheurende geluid van stof en vlees. Een dierlijke, gegorgelde kreet ontsnapt haar lippen, een geluid van shock, niet van pijn. Nog niet. Ze kijkt omlaag en ziet het donkere, glimmende staal dat uit haar lichaam steekt. Ze zakt door haar knieën. Het warme, kleverige bloed verspreidt zich nu in een snelgroeiende, donkere vlek over haar jurk en druipt langzaam op de koude, natte rotsbodem van de grot. Pas nu komt de pijn, een verzengende, witte, alle verterende pijn. Ze gilt, een schrille, ijle kreet van pure agonie die door de grot echoot.
"Jij monster!" schreeuwt ze, overspoeld door tranen en pijn. De man begint te lachen. Een droge, humorloze, krakende lach die door de rotswanden wordt weerkaatst, waardoor het klinkt alsof de hele grot haar uitlacht. De penetrante, metaalachtige geur van haar eigen bloed vermengt zich met de muffe geur van de grot. Een branderig gevoel verspreidt zich als vloeibaar vuur vanuit haar buik door haar hele lichaam. Haar gezicht wordt gevoelloos, haar spieren verslappen. De wereld om haar heen wordt een wazige, tollende draaikolk van duisternis en het flakkerende licht van zijn grijns. Haar hoofd wordt zwaar, te zwaar. Ze valt flauw, haar laatste bewuste gedachte is het beeld van zijn met zilver beslagen schoenen en het geluid van zijn afschuwelijke, triomfantelijke lach die eindeloos lijkt te echoën.
De echo van de lach sterft weg en wordt vervangen door een ander geluid: gejammer. Het is een soort zacht, snikkend geluid, zwak en tegelijkertijd huiveringwekkend. Een geluid dat rijst en daalt in golven, toenemend in volume tot een hartverscheurend geweeklaag en dan weer vervagend tot nauwelijks hoorbare, treurige fluisteringen. Het is alsof het hele grottenstelsel is vergeven van een oeroud, vreselijk verdriet dat van de vochtige, koude wanden straalt.
De stekende pijn in Maryam haar buik begint te vervagen, haar bewustzijn raakt op drift. De stokkende, pijnlijke ademtochten en het droevige gejammer worden steeds luider, vullen haar hoofd en verdringen elke andere gedachte. Dan ziet ze het. Met grote vaart snort een zwermachtige substantie de grot in. De wolk, bestaand uit miljoenen ondefinieerbare, zacht gloeiende deeltjes, maakt een zwenkende beweging en begint af te dalen. Blauw, groen en geel buitelen om elkaar heen als een soort goddelijke, etherische confetti. Een vreemde, onweerstaanbare vrede overvalt Maryam. Een glimlach tekent zich af op haar bleke, bebloede lippen. De wolk heeft haar nu aan alle kanten ingesloten, en met een zachte, liefdevolle aanraking voert het haar geest als door een droom weg van de pijn, weg van de koude, stenen vloer.
Voor haar verschijnt een vrouw, staand in een eindeloze, witte leegte. Ze draagt een kort, eenvoudig wit kleedje dat vreemd en niet van deze tijd lijkt. Het kraagje van de jurk zit een beetje naar binnen gedraaid en er zit een klein, vaag geel vlekje op, net boven haar hart. Ze heeft haar armen licht gespreid en straalt een onvoorstelbare, gelukzalige glimlach uit. Voorzichtig heft ze haar ene hand en beweegt haar vingers wuivend heen en weer. Onder de dunne, witte stof bewegen haar borsten zachtjes op het ritme van haar ademhaling.
"Jou mag niets overkomen," fluistert de vrouw. "Nu niet en nooit niet. Want als jouw licht dooft, is de toekomst verloren."
"Wie ben jij?" vraagt Maryam.
"Ik kom onder vele gedaanten," reageert de vrouw met haar serene glimlach. "Ik ben een herinnering. En een waarschuwing."
"Waar ben ik?"
"Eigenlijk ben je niet eens hier. Alleen je geest is hier, op een kruispunt. Herinner je je nog waar je daarnet was, voor ik je hierheen haalde?"
"In een nachtmerrie," fluistert Maryam. De herinnering is een plotselinge, ijzige flits. "Ik kom steeds vast te zitten in tunnels, in een soort hel. En er was... een magere, lange man met een zwaard."
De vrouw knikt, haar glimlach verdwijnt even. "Oh, maar hij is geen droom, Maryam. Hij is een man van vlees en bloed. Maar hij heeft gedronken uit een donkere bron en draagt nu een macht die niet van hem is. Het is aan jou om uit te zoeken hoe hij daaraan komt."
"Waarom? Zelfs als hij echt is, was het maar een droom. Hij kan me niets doen."
De glimlach van de vrouw keert niet terug. Haar blik is nu intens en doordringend. "Denk je dat?"
Maryam staart zwijgend voor zich uit, de herinnering aan de scherpe, koude pijn van het staal in haar buik is plotseling weer angstaanjagend levendig. "Als je de nachtmerries niet meer wilt," gaat de vrouw verder, "moet je onthouden dat wat jij voor waanzin houdt, soms macht is. Je hebt een gave, Maryam. Je ziet dingen die anderen niet zien. Je voelt de wereld op een dieper niveau. Maar onthou: een duisternis waart hier rond. Een oude, hongerige duisternis. Je weet nog niet echt hoe het is om bang te zijn. Dit is slechts het begin."
"Help me dan!" smeekt Maryam, de wanhoop breekt door in haar stem. "Vertel me wat ik moet doen! Hoe ik die gave moet gebruiken!"
De vrouw komt dichterbij, pakt Maryam haar schouders vast en drukt een zachte, warme kus op haar voorhoofd. "Pak je amulet vast," fluistert ze. "Spreek de woorden uit die in je hart geschreven staan. Maar onthou: het is jouw gave, het is jouw geest en jouw hart. De sleutel is niet de spreuk, maar de wil erachter. Alleen jij kan die openstellen."
"Hoe dan?" snikt Maryam. "Hoe doe ik dat?"
"Vertrouw op jezelf," zegt de vrouw, en haar stem wordt zachter, begint te vervagen. "Stel jezelf open voor de stroom. Laat het gebeuren. Negeer de angst die je probeert te verlammen. Stel jezelf open. Liefde, vertrouwen en kracht. Dat zijn je wapens."
De witte leegte begint te trillen, de gloeiende, gekleurde deeltjes keren terug en beginnen om de vrouw heen te wervelen. Ze lost langzaam op in het licht, haar glimlach is het laatste wat Maryam ziet. "Ik kan je niet langer meer hier houden. Onthou wat ik gezegd heb." En weg is ze.
De duisternis van de grot wordt getemd door het zachte, oranje licht van het vuur, dat lange, dansende schaduwen op de rotswanden werpt. Even later ligt Maryam weer op de geïmproviseerde slaapplaats, de arm van Wulfbehrt strak en beschermend om haar heen. Hij is wakker, zijn lichaam is een gespannen, waakzame aanwezigheid naast het hare. Ze nestelt zich steviger tegen zijn blote, warme borst aan en klampt zich aan hem vast alsof hij haar enige reddingsboei is in de donkere, koude oceaan van haar nachtmerries. Zijn veel te grote, ruwe hemd dat ze draagt, is tijdens haar onrustige slaap omhoog gekropen, en haar schaarsgeklede lichaam heeft geen gunstige uitwerking op Wulfbehrt’s rusteloosheid. Een deel van hem, de beschermer, wil niets liever dan haar troosten en in slaap sussen. Maar een ander, meer primair deel wordt gekweld door de nabijheid van haar zachte huid, de geur van haar haren en de onbewuste, sensuele manier waarop haar heup tegen de zijne drukt. Hij heeft het met elke seconde moeilijker om de oplaaiende seksuele spanning in zijn lichaam te negeren.
"Maryam?" Zijn stem is een hese, gekwelde fluistering in de stilte. Wanneer ze haar hoofd opheft en hem aankijkt met ogen die nog wazig zijn van de slaap en donker van de overgebleven angst, zwicht hij voor de verleiding. Ongeacht de consequenties. Hij drukt zijn mond op die van haar en vergeet zijn nobele voornemen om sterk te zijn en haar te weerstaan. Terwijl hij met zijn lippen zachtjes over de hare strijkt, voelt Maryam een diepe, rustgevende warmte door haar lichaam vloeien die niets met lust en alles met veiligheid te maken heeft. Zonder ook maar de geringste twijfel weet ze dat ze in zijn armen, wat er ook gebeurt, altijd veilig zal zijn. Maar dan, bij de smaak van verlangen op zijn stevige, indringende mannenlippen, het gevoel van zijn sterke, naakte borst tegen de hare en de onmiskenbare, harde druk van zijn opwinding tegen haar buik, huivert ze. De warmte van veiligheid versmelt met het vuur van een plotseling, hevig verlangen.
Hij laat zijn hand van haar rug naar haar ribben glijden, zijn vingers tellen elke boog, een tergend trage, aanbiddende verkenning. Wanneer zijn grote, ruwe hand haar borst omvat en zijn duim vervolgens zachtjes haar plotseling hard geworden tepel begint te strelen, sluit ze genotzuchtig haar ogen en ontsnapt er een zachte kreun aan haar lippen.
Wulfbehrt trekt zich met een huivering terug, slechts een centimeter, zijn voorhoofd rustend tegen het hare. "Ik weet dat je nu alleen maar gerustgesteld wilt worden," zegt hij, zijn stem is schor en gekweld. Hij laat een spoor van zachte kussen op haar hals neerdalen. "Maar ik verlang al naar je vanaf het moment dat ik je zag. Ik vecht ertegen, Maryam, voor jou. Maar ik moet het weten. Als jij dit niet wilt, als je alleen troost zoekt, dan is dit het moment om het me duidelijk te maken. Zeg het, en ik stop. Onmiddellijk." Maryam opent haar ogen en ziet tot haar verrukking haar eigen, laaiende hartstocht weerspiegeld in de diepte van zijn donkere, gekwelde ogen. Toch weet ze wat haar te doen staat, wat de verstandige, veilige keuze zou zijn: hem van zich afduwen, haar spullen pakken en de volgende ochtend bij het krieken van de dag vertrekken, om hem te beschermen tegen het gevaar dat haar als een schaduw volgt.
Alleen weet ze met een verpletterende, allesoverheersende zekerheid dat ze dat niet gaat doen. Het kan wel eens de grootste, meest catastrofale vergissing van haar leven zijn, maar ze kan op dit moment niet denken aan het gevaar waarin ze hem meesleurt. Het enige waar ze aan kan denken is de blik in zijn ogen, het gevoel van zijn handen op haar huid, en de ondraaglijke, allesverterende behoefte om, al is het maar voor één nacht, volledig van hem te zijn. In plaats van hem van zich af te duwen, legt ze haar handen in zijn nek en trekt ze zijn mond weer naar de hare.
Als antwoord op de vraag die in zijn ogen brandt, op de gekwelde terughoudendheid die ze in hem voelt, legt Maryam haar handen in zijn nek en trekt ze zijn mond weer naar de hare. De kus is diep en zeker, een antwoord zonder woorden. "Ik wil dit ook," fluistert ze tegen zijn lippen, haar stem is vol van een overgave die elke twijfel in hem uitwist. Een diepe, schorre lach ontsnapt Wulfbehrt. "Heb je enig idee hoe vaak ik hier de afgelopen week aan heb gedacht?" vraagt hij, zijn stem is een lage, intieme brom. Zijn vingers spelen met de ruwe, linnen stof van het hemd op haar schouder. "Als ik naar je kijk, kan ik aan niets anders denken. Je bent een koorts in mijn bloed."
Maryam huivert van verwachting bij de intieme klank van zijn stem en zijn hartstochtelijke woorden. Ze legt haar handen tegen zijn brede, blote borst en laat haar vingertoppen langzaam over zijn gespierde bovenlichaam glijden, de harde contouren van zijn spieren verkennend, de hitte van zijn huid voelend. "Het is alsof je uit steen en vuur gehouwen bent," fluistert ze vol bewondering. Zijn sensuele glimlach veroorzaakt een tinteling diep in haar. Aangemoedigd door zijn reactie, pakt ze de zoom van het hemd vast, het hemd dat van hem is, en trekt het met een soepele, gracieuze beweging over haar hoofd uit. Ze gooit het opzij, op de stapel bladeren. Zijn ogen, die elke beweging van haar volgen, lijken haar te liefkozen. De rauwe, onverbloemde begeerte die ze in de diepte ervan ontwaart, beneemt haar de adem en doet haar hart struikelen.
"Je bent ongelooflijk mooi, Maryam," zegt hij, zijn stem is hees van ontzag. Weer legt ze haar handen tegen zijn brede borst. Genietend van het gevoel van zijn warme, naakte huid onder haar handpalmen, laat ze haar handen langzaam over zijn borst naar beneden dwalen, een tergend trage verkenningstocht. Bij zijn navel aangekomen, kijkt ze snel, bijna verlegen, omhoog vanonder haar wimpers. Hij houdt zijn ogen gesloten en zijn hoofd iets naar achteren, zijn kaak is strak gespannen, alsof hij een immense moeite moet doen om zich te beheersen.
"Is dat fijn?" vraagt ze, haar stem is een zachte, plagende fluistering. Intussen strijkt ze met de top van haar vinger langs de ruwe, lederen rand van zijn broeksband. "Verrukkelijk," perst hij eruit. Het klinkt alsof hij een marathon heeft gelopen. Wanneer haar vingers, gedurfd nu, de knoop van zijn broek proberen los te maken, schiet zijn hand naar voren en houdt de hare tegen. Zijn greep is zacht, maar onwrikbaar.
Lichtelijk verward kijkt ze hem aan. Hij opent zijn ogen, en ze zijn donker en serieus. Hij stelt de vraag niet met woorden, maar met zijn blik. Het is een laatste, stille vraag, dieper en belangrijker dan alle voorgaande. Weet je dit zeker? Ben je hier, bij mij, met heel je hart? Maryam beantwoordt de vraag zonder een woord te zeggen. Haar ogen verlaten de zijne geen moment, terwijl ze heel langzaam en doelbewust knikt. Ja. Grinnikend en met een laatste, veelbelovende blik, stroopt hij zijn ruwe broek van zijn gespierde benen en schopt hem met een achteloos gebaar naar de plek waar haar hemd al in een hoopje ligt.
Maryam kijkt hem vol bewondering aan, haar adem stokt in haar keel. In het dansende, gouden licht van het vuur is hij een oeroud, heidens beeld. Zijn schouders zijn onmogelijk breed, zijn borst en buik een landschap van harde, strakke spieren, gevormd door het zware, ritmische werk in de smederij. Littekens, vaag en wit, tekenen zijn huid, stille getuigen van een leven vol gevaar. En de zichtbare, onbeschaamde kracht van zijn begeerte is bijna overweldigend, een pure, mannelijke energie die de lucht in de grot doet knetteren.
Hij buigt zijn hoofd en drukt een zachte, bijna eerbiedige kus op haar lippen. Dan kust hij zich een weg omlaag, over haar kin, haar hals, naar de zachte welving van haar borst. "Je bent de begeerlijkste vrouw die ik ooit ben tegengekomen," fluistert hij, zijn hete adem tegen haar huid. Het bloed jaagt door haar aderen terwijl zijn mond de harde, opgerichte kroon van haar tepel kust. Op het moment dat hij die tepel volledig in zijn warme, vochtige mond neemt en er zachtjes aan begint te zuigen, lijkt het alsof haar hart en de tijd zelf stilstaan. Nooit eerder heeft ze zoiets verrukkelijks en intens ervaren als het gevoel van Wulfbehrts kussen op haar naakte lichaam, dat snel het kookpunt nadert. Wanneer hij zijn aandacht op haar andere borst richt, valt haar hoofd naar achteren in de zachte bladeren en hapt ze naar lucht, een zachte, hijgende klank.
"Adem, Maryam," fluistert hij, zijn stem een lage, plagende grom. "Vergeet niet te ademen." Niet in staat een woord uit te brengen, kan ze alleen maar knikken. Nooit heeft ze zich zo gekoesterd, zo aanbeden gevoeld als op dit moment. Terwijl hij haar teder kust, laat hij strelend zijn hand van haar zij naar haar heup glijden. Wanneer zijn vingers de bron van haar hitte en verlangen aanraken, balt de zoete pijn van een onvervuld verlangen zich in haar samen. Haar handen, die tot nu toe in zijn haren geklauwd zaten, laten los en dwalen van zijn borst naar beneden. Ze vindt daar zijn mannelijkheid, hard en pulserend van leven. Wulfbehrt kreunt, een diep, gekweld geluid. "Je torpedeert al mijn goede bedoelingen, Maryam."
"Wat zijn die dan?" vraagt ze, haar stem is een hese fluistering, terwijl ze hem met haar handen voorzichtig en nieuwsgierig bevoelt. "Ik zou het graag iets... langer volhouden," perst hij eruit. "Je dit genot urenlang geven. Maar dat gaat niet lukken, als je zo doorgaat." Hij pakt haar handen, brengt ze naar zijn lippen voor een snelle, vurige kus op haar vingertoppen, en legt ze dan weer op zijn borst. Met een zachte druk van zijn knie vraagt hij om toegang tussen haar benen, en ze geeft die onmiddellijk, haar dijen vallen als vanzelf open. Hij vangt haar blik, en de zwoele, bezitterige glimlach op zijn gezicht zorgt ervoor dat haar bloed het kookpunt bereikt. Met een beheerste, vloeiende beweging vult hij de leegte in haar, niet snel, maar met een trage, zekere overgave die haar de adem beneemt. Een moment blijft hij volkomen stil liggen, zijn spieren gespannen, vechtend om zijn zelfbeheersing te bewaren.
"Je bent zo mooi en volmaakt," zegt hij ten slotte, zijn stem schor van de inspanning. Hij begint langzaam, bijna tergend, tegen haar aan te bewegen. Maryam kromt haar rug en grijpt zijn polsen, terwijl haar wereld explodeert in een verbazingwekkende stroom van sensaties. Door met haar heupen te bewegen, laat ze hem nog verder naar binnen glijden. Ze voelt een golf van pure, onverdunde lust, de eerste, zinderende belofte van een hoogtepunt dat onderweg is. De druk bouwt sneller en intenser op dan ze ooit voor mogelijk had gehouden.
Golven van genot overspoelen haar en ze klampt zich aan hem vast, haar nagels prikken in zijn rug. Haar binnenste spieren spannen zich aan en een diepe, bezeten kreun ontsnapt aan zijn lippen. Haar genot is zijn ondergang. Een moment later voelt ze ook zijn lichaam verstrakken. Hij dringt nog een keer diep bij haar naar binnen, een laatste, bezitterige stoot, en laat zich daarna zwaar op haar vallen, zijn gezicht begraven in de holte van haar nek. Hun lippen vinden elkaar in een passionele, lome kus, zout van het zweet en zoet van de voldoening. Ze slaat haar armen om zijn brede, bezwete schouders en houdt hem dicht tegen zich aan. Nooit in haar leven heeft ze zich zo dicht bij een ander gevoeld, zo volledig verbonden met een andere ziel, als nu bij Wulfbehrt. Ze wil niet dat dit moment ooit ophoudt.
De eerste, bleke stralen van de ochtendzon dringen door de kieren van de boomstammen die de ingang van de grot barricaderen en werpen strepen van zacht licht op de rotswanden. Wanneer Wulfbehrt later die ochtend wakker wordt, is het eerste wat hij zich bewust wordt niet het licht, maar de warmte en het gewicht van Maryam, die nog steeds diep in slaap tegen hem aan ligt. Glimlachend luistert hij naar haar diepe, regelmatige ademhaling en snuift hij de warme, zoete geur op die van haar huid en haren opstijgt. Hij neemt de tijd om het moment in zich op te nemen, de zachte druk van haar borsten tegen zijn borst, het gevoel van haar hand die losjes op zijn buik rust.
Dan doet hij zijn ogen open. In de ochtendschemering, met haar verwarde haren als een donkere waterval over de geïmproviseerde kussens en haar naakte lichaam half bedekt door zijn reismantel, ziet ze er onwaarschijnlijk lieflijk en vredig uit. Zijn lippen vormen een diep tevreden grijns.
Het liefst was hij ook in bed gebleven, om haar zachtjes wakker te kussen en opnieuw met haar te vrijen tot de middagzon hoog aan de hemel stond. Maar de realiteit is een harde meester. Willen ze hier langer overleven, dan moet hij zorgen dat er voldoende eten voorradig is. Met een geeuw die hij tevergeefs probeert te onderdrukken, maakt hij zich met de grootste voorzichtigheid los uit haar omhelzing en staat hij op. Hij kleedt zich in stilte aan. Glimlachend kijkt hij nog een laatste keer naar de vrouw die languit op het geïmproviseerde bed ligt. Hij wil haar niet wakker maken. Ze moet nog net zo moe zijn als hij.
"Wulfie, waarom heb je me niet wakker gemaakt?" Hij draait zich met een ruk om. Maryam komt de grot uit gewandeld, de ochtendzon valt nu vol op haar. Ze is nog altijd naakt, haar lichaam is een adembenemend kunstwerk van zachte rondingen en gebruinde huid. Ze heeft het hemd en de mantel opzijgeschoven en is zonder enige schaamte, met een speelse, plagerige glimlach op haar gezicht, naar buiten gekomen.
Wulfbehrt voelt zijn hart bonzen, zijn adem stokt in zijn keel. Zijn blik glijdt over haar pronte borsten met de donkere, hard geworden tepels, haar welgevormde lichaam en de donkere, mysterieuze V-vorm tussen haar benen. Als mijn hart nu zou stoppen met kloppen, denkt hij, dan zou ik geen angst of spijt hebben. Hij heeft zich nog nooit zo intens levend gevoeld. Maryam, van haar kant, had nog nooit geweten hoe goede seks, échte intimiteit, je lichaam en geest volledig kan overnemen. Hoe het je ziel blootlegt en hoe het twee lichamen zo kan laten samensmelten dat je niet meer weet waar de een eindigt en de ander begint. Maar de begerige, aanbiddende blik van Wulfbehrt en de verwoestende passie van de voorbije nacht hebben haar bevrijd. Ze voelt zich herboren, ontdaan van de ketenen van angst en schaamte die haar zo lang hebben gevangengehouden. Ze gaat achter hem staan, slaat haar armen om zijn middel en legt haar kin op zijn brede schouder. "Het is hier prachtig," fluistert ze, en haar blik dwaalt over de scène voor hen: een klein, verborgen meertje, omringd door dichte, groene bossen, het wateroppervlak glad als een spiegel in de ochtendzon.
"Zin om te zwemmen?" Wulfbehrt wijst met zijn kin naar het meertje. Hij wacht haar antwoord niet af. Aangestoken door haar speelse naaktheid en de plotselinge, onbedwingbare levensvreugde, draait hij zich om, pakt haar vast, geeft haar een snelle, harde kus en rent dan naar het water.
Maryam blijft lachend staan, niet in staat om weg te kijken wanneer hij in een paar snelle, efficiënte bewegingen zijn broek en hemd uittrekt en zijn kleren op het gras gooit. Een lome, zinderende warmte begint door haar aderen te stromen. Hij stapt het water in, dat met een heldere plons opspat. Het water is ondiep en reikt ternauwernood tot aan zijn navel, de kou doet hem even naar adem happen.
"Kom erbij!" roept hij, zijn stem is een vrolijke, uitdagende echo in de ochtendstilte. "Het water is heerlijk!" Maryam aarzelt geen seconde. Met een kreet van pure vreugde rent ook zij het water in. Glimlachend ontvangt Wulfbehrt haar in zijn armen. Wanneer haar naakte, koude borsten tegen zijn brede, warme borst geplet worden, gaat er een elektrische schok door haar heen. Hij buigt zijn hoofd en Maryam verwelkomt zijn warme, natte mond op de hare. Zijn kussen zijn bedwelmend, een perfecte mix van tederheid en een ontembare, laaiende passie die al snel verslavend begint te werken.
De bedwelmende, verslavende kus duurt voort in het koude water van het meertje. Voor een kort, gestolen moment is er geen verleden en geen toekomst, enkel het hier en nu. Enkel de smaak van haar lippen, de warmte van haar huid tegen de zijne, en de serene, ongestoorde stilte van het bos.
Dan, heel vaag, ruikt Wulfbehrt iets. Het is een vreemde, scherpe geur die door de frisse, aardse boslucht snijdt. De geur van brandend hout, maar dan anders. Vunzig. Acide. Hij heft verschrikt zijn hoofd op en verbreekt de kus. Zijn ogen, die een moment geleden nog donker waren van passie, zijn nu vernauwd, alert, zijn zintuigen als die van een jager die onraad bespeurt. "Wat is er, liefje?" vraagt Maryam, haar stem is nog loom en zwoel van hun omhelzing. Ze probeert zijn mond opnieuw te vinden, maar hij houdt zijn gezicht afgewend, zijn blik gefixeerd op een punt voorbij de bomen.
"Kijk daar," zegt hij, zijn stem is een lage, gespannen grom. Hij wijst met zijn kin in de richting van de stad. Maryam draait haar hoofd. Boven de groene zee van de boomgrens, tegen de helderblauwe ochtendhemel, krinkelen verschillende, dikke rookpluimen omhoog. Het zijn geen dunne, witte slierten van een haardvuur. Dit is de vette, zwarte, olieachtige rook van een stad in nood.
"Rouen brandt," zucht Wulfbehrt, en de woorden zijn een constatering van een afschuwelijke, onontkoombare waarheid. "Hoe..." fluistert Maryam, haar hand vliegt naar haar mond, de romantische droom van het meertje is in een fractie van een seconde veranderd in een nachtmerrie.
"Ik weet het niet," antwoordt hij somber. "Het kan toeval zijn. Een ongeluk in de haven, een brand in een pakhuis..." Maar zelfs terwijl hij de woorden uitspreekt, gelooft hij ze niet. "Waaraan denk je?" vraagt ze, hoewel ze het antwoord al vreest. Zijn kaak spant zich aan. "De witte paters."
"Denk je dat die..."
"Ze zijn tot alles in staat," onderbreekt hij haar, zijn stem is nu hard als staal. Een golf van misselijkheid en schuld overspoelt Maryam. De warmte van het water voelt plotseling ijskoud aan. "Het is allemaal mijn schuld," fluistert ze, haar stem is gebroken. "Natuurlijk. Het is geen toeval. Ze zijn razend dat ze me nog niet gevangen hebben. Dat ze voor schut zijn gezet." Haar stem wordt luider, hysterischer. "Ze hebben gewoon alles in brand gestoken, Wulfbehrt, ik heb het eerder zien gebeuren! Het is een strafexpeditie! Niemand is nog veilig: je broer, Aélis, de priester die ons hielp, de mensen in de herberg... al die onschuldige mensen... We kunnen dit niet laten gebeuren!"
Wulfbehrt zucht triest en trekt haar dicht tegen zich aan, het koude water klotst om hen heen. "Veel kunnen we niet doen, Maryam. We zijn hier, zij zijn daar." "Nee!" Ze duwt zich met kracht van hem af, haar ogen vuren van een plotselinge, felle vastberadenheid. "We mogen ons niet meer verbergen! We moeten die waanzin stoppen!"
"Dat kunnen we niet, liefje. We zijn maar met ons tweetjes. Het zou zelfmoord zijn om terug te keren naar een stad die wemelt van hun soldaten en spionnen."
"Niet noodzakelijk," zegt ze, en haar blik is nu zo intens dat hij een huivering voelt.
"Hoezo?"
"Het wordt tijd," zegt ze, haar stem is nu kalm en vol van een gevaarlijke, nieuwe overtuiging, "dat we het amulet gebruiken."
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10