Door: Leen
Datum: 23-08-2025 | Cijfer: 9.7 | Gelezen: 419
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 34 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Hotel, Parijs, Restaurant, Romantiek,
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 34 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Hotel, Parijs, Restaurant, Romantiek,
Vervolg op: Het Satorvierkant - 20: De Reddende Engel
Schaduwen Boven Parijs
Parijs, 10 januari 2015
WOLF EN MARIE
De harde randen van de dag smelten weg in de zachte, gouden gloed van de avond. Arm in arm kuieren we door de met gladde kinderkopjes bestrate straten van een stad die langzaam haar avondlijke adem vindt. We lopen onder de kale, knokige takken van kastanjebomen door, langs de warme, uitnodigende lichten van cafeetjes waar het geluid van gelach en het klinken van glazen naar buiten drijft. De gevels van oude bioscopen en chique boetiekjes glijden aan ons voorbij als een decor voor een leven dat plotseling weer normaal en onbezorgd aanvoelt.
Marie, met haar hand stevig in de holte van mijn arm gehaakt, is veranderd. De geschokte, wanhopige vrouw van vanmiddag heeft plaatsgemaakt voor een levendige, bijna sprankelende versie van haarzelf. Enthousiast geeft ze nu en dan een toelichting als we langs een oude fontein of een statig herenhuis komen. Niet op de droge, afgemeten manier van een gids, maar als een geliefde die vol trots de geheimen van haar wereld met me deelt. En voor het eerst in lange tijd voel ik hoe de zware, ijzeren band van stress en verdriet om mijn borstkas losser wordt.
Een plotselinge, koude windvlaag snijdt door de straten en trekt aan onze winterjassen. Ik zie hoe Marie rilt en onwillekeurig dichter tegen me aan kruipt. Zonder na te denken sla ik een arm om haar schouders, een instinctieve, beschermende beweging om haar tegen de ergste kou te beschermen en haar nog dichterbij te trekken. Heel even, terwijl we doorlopen, strijk ik met mijn vingers door haar blonde, zijdezachte haren. Het voelt zachter aan dan ik me had kunnen voorstellen. De kleine, tedere aanraking is genoeg. We stoppen tegelijkertijd, midden op het trottoir. Ze tilt haar hoofd op en onze blikken kruisen elkaar. De wereld om ons heen – het geluid van een verre accordeon, het geroezemoes van voorbijgangers – vervaagt tot een betekenisloze achtergrond. Onwillekeurig bevochtigt ze haar lippen met de punt van haar tong, een kleine, onbewuste geste die een vuur in mijn onderbuik ontsteekt. Gefascineerd kijk ik in haar heldere ogen en zie ik hoe haar pupillen in het schemerdonker langzaam verwijden tot donkere poelen van een onuitgesproken verlangen. Een vlaag van haar frisse, zuivere geur, de zoete geur van haar huid, dringt mijn neusgaten binnen en benevelt mijn zintuigen.
Ik buig mijn hoofd naar haar toe en kus haar. Het is mijn bedoeling om het licht en teder te houden, een zachte bevestiging van de broze vrede die we hebben gevonden. Maar wanneer ik haar zacht hoor zuchten tegen mijn lippen, een geluid van pure, onvervalste overgave, vergeet ik alles om me heen. Ik vergeet de koude wind, de starende blikken die we misschien trekken, de gevaren die op ons loeren. Ik voel enkel nog haar aanwezigheid, de warmte van haar mond, de onweerstaanbare drang om meer te nemen. Ik kus haar vurig en intens, mijn tong zoekt de hare in een speels, uitdagend duel. Heel even vergeet ik waar ik ben, vergeet ik bijna adem te halen. Haar vingers, niet langer koud, vlechten zich in mijn haar, haar nagels prikken zachtjes in mijn huid en trekken me dichter, dieper. Onze kus wordt steeds intenser, steeds hongeriger, en ontlokt haar een zacht, smekend gekreun dat door mijn hele lichaam trilt en elke laatste gedachte aan zelfbeheersing vernietigt.
En dan begint het te regenen. Een ijskoude, onverwachte druppel landt precies op mijn wang en verbreekt de betovering. Dan nog een, en nog een. De hemel opent plotseling zijn sluizen. Dikke, half gesmolten druppels, een winterse mix van regen en natte sneeuw, beginnen op ons neer te striemen. "Owww," reageert Marie, en ze deinst lachend achteruit, haar gezicht naar de donkere hemel gekeerd. De passie in haar ogen maakt plaats voor een speelse, verraste twinkeling. Lachend manoeuvreer ik haar onder een rij kale kastanjebomen, in de ijdele hoop dat het dichte netwerk van takken wat extra beschutting zou bieden.
"In mijn fantasie is Parijs altijd een zonnige stad," zeg ik, terwijl ik het water uit mijn ogen veeg. "Nooit gedacht dat het hier ook wel eens kon regenen." "Dan heb je je huiswerk niet goed gedaan," antwoordt Marie. Haar stem, nu vol van een lichte, plagerige melodie, klinkt betoverend. Mijn donkere haren plakken aan mijn voorhoofd, en koude regendruppels glijden als tranen langs mijn slapen. "Je had best een paraplu kunnen meebrengen," plaag ik haar. "Ik weet het, sorry," zegt ze met een gespeelde, plechtige spijt. "Niet dat het me wat kan schelen, hoor." Ik kom dichterbij, de lekkende beschutting van de boom dwingt ons dicht op elkaar te staan. "Ik vind het eigenlijk wel leuk om te zien hoe de regendruppels langs je schattige neusje naar je mooie, gezwollen lippen glijden." Met de top van mijn vinger volg ik zachtjes het pad dat een druppel zojuist heeft afgelegd, van de brug van haar neus, langs de welving van haar wang, tot in de hoek van haar mond.
"Laten we anders maar een restaurantje opzoeken," stelt ze voor, haar adem stokt even bij mijn aanraking. "Waar we kunnen schuilen en wat eten. Je had toch al zo'n trek, niet?" Mijn lippen raken bijna de hare. "Er is maar één ding waar ik op dit moment trek in heb," fluister ik, "en dat ben jij." Ik kus haar ene mondhoek, en daarna langzaam de andere. Een grote, koude druppel valt precies op haar wimper en blijft daar even hangen als een kristallen traan. Met de rug van haar hand strijkt ze hem onhandig weg. "Ik ben wel erg nat aan het worden," zegt ze, en ze hoort onmiddellijk hoe suggestief haar onschuldig bedoelde opmerking klinkt. Een dieprode blos verspreidt zich over haar wangen, een prachtig contrast met haar door de kou bleke huid. "Reden te meer om onmiddellijk terug naar het hotel te gaan," lach ik, mijn stem is een lage, plagende grom. "Kom, gek." Marie neemt mijn hand en trekt me mee vanonder de bomen, de straat op. Samen rennen we lachend door de regen naar een bistrootje met beslagen ramen en een warm, uitnodigend licht even verderop.
Ik duw de zware houten deur open en een golf van warmte, geroezemoes van stemmen en de heerlijke geur van knoflook, wijn en gebakken brood overspoelt ons. De kou van de straat valt onmiddellijk van ons af. We staan even in de deuropening te druipen, onze haren plakken tegen onze huid, en ik zie hoe de hoofden van enkele gasten onze kant op draaien. "Welkom in ons nederige stulpje," fluister ik, terwijl ik Marie naar de kleine, overvolle vestiaire bij de ingang loods. Ik help haar uit haar doorweekte jas, mijn vingers strijken bewust traag over haar schouders terwijl ik de zware stof van haar af neem. "Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik begin het hier plotseling een beetje warm te krijgen," zeg ik. Ik hang haar jas naast de mijne en gooi de mijne eroverheen, een instinctieve, bezitterige handeling. "Dat komt door het rennen," reageert ze. Haar wangen zijn nog steeds rood van de inspanning en de kou, wat haar er adembenemend vitaal en levendig uit laat zien. "Het was een goede oefening voor de marathon."
Ik kijk haar lachend aan, terwijl ik het water uit mijn haren schud. "Die marathon heb ik voorbije nacht al gelopen, meen ik me te herinneren." "Lang heb je het anders niet volgehouden," plaagt ze terug, en ze steekt brutaal haar tong naar me uit, een speels, uitdagend gebaar dat een nieuwe golf van verlangen door me heen stuurt. "Heeft mevrouw soms te klagen?" vraag ik met een grijns, en ik sta op het punt haar vast te pakken en haar midden in de gang te kussen.
"Monsieur? Madame?" Een ober, een oudere, vermoeid ogende man met een indrukwekkende snor, kijkt ons hoofdschuddend en met een diepe, theatrale zucht aan. Hij heeft duidelijk onze amoureuze escapades gadegeslagen en is er niet van onder de indruk. Met een blik die evenveel ergernis als stille berusting verraadt, leidt de ober ons met een afgemeten gebaar naar de meest afgelegen hoek van het restaurant. Het is een klein tafeltje voor twee, duidelijk bedoeld om ons – doorweekt, lachend en hopeloos verliefd – te verbergen voor zijn respectabelere cliënteel.
Zodra we op de zachte, rode banken neerploffen, voelt het alsof we een onzichtbare grens oversteken. De menukaarten die de ober voor ons op tafel legt, zijn als schilden die we optrekken tegen de buitenwereld. De koude, natte chaos van de straat lost op. De onuitgesproken spanning van de afgelopen uren smelt weg. Wat overblijft is de warme, gouden gloed van de kleine bistro en de plotselinge, welkome rust die tussen ons neerdaalt.
Ik kijk naar Marie. De nerveuze spanning is eindelijk uit haar schouders verdwenen. Met grote, nieuwsgierige ogen neemt ze de omgeving in zich op, haar blik glijdt langs de donkere, houten lambrisering, de flikkerende kaarsen op de andere tafels en de levendige, kleurrijke schilderijen van Franse landschappen aan de muur. Een kleine, oprechte glimlach speelt om haar lippen. Ik zie hoe ze de sfeer opsnuift, hoe ze zich laat meevoeren door het zachte geroezemoes van de andere gasten. Ze is hier duidelijk voor het eerst.
De ober komt terug naar onze tafel, wat haar dromerige observatie onderbreekt. Hij neemt onze bestelling op – een salade voor haar, lamsvlees voor mij – en met een nauwelijks waarneembaar knikje vraag ik om een karaf van de rode huiswijn. Even later verschijnt hij weer, schenkt met een geoefende, stille beweging onze glazen vol en verdwijnt dan, ons eindelijk alleen latend in onze eigen, intieme bubbel.
Ik neem een slokje van de dieprode wijn. De warmte van de alcohol verspreidt zich aangenaam door mijn lichaam en verdrijft de laatste restjes van de kilte van buiten. Ik kijk naar Marie, die haar glas met beide handen vasthoudt en nog steeds met een betoverde blik om zich heen kijkt. Haar zichtbare fascinatie is de perfecte aanleiding voor mijn vraag.
"Je bent hier nog nooit geweest, of wel?" zeg ik, meer als een constatering dan een vraag. Ze draait haar hoofd naar me toe, haar ogen lichten op. "Nee, ik ben hier voor het eerst," antwoordt ze. "Is het zo duidelijk?" "Je kijkt alsof je een schatkist hebt ontdekt," glimlach ik. "Het voelt ook een beetje zo," geeft ze toe. "Het is zo... levendig. Een perfecte plek om naar mensen te kijken." Ik hef mijn glas naar haar. "In dat geval... mag jij beginnen." Ze draait haar hoofd naar me toe, een vragende, geamuseerde frons op haar voorhoofd. "Beginnen? Waarmee?" "Mensen kijken," leg ik uit. "Dit is de ideale plek. Kies een tafeltje en vertel me hun verhaal."
Ze lacht, een helder, parelend geluid dat mijn hart doet overslaan. "Oké... Eens zien." Ze scant de ruimte en haar blik blijft hangen bij een tafeltje verderop, in een schemerige hoek. "Daar. Dat koppel." Ik volg haar blik en zie hen. Een man en een vrouw, dicht tegen elkaar, hun hoofden gebogen in een intiem gesprek. Af en toe lacht zij, haar hand op zijn arm, en hij kijkt haar aan alsof ze het enige is wat er in de wereld bestaat. "Ze hebben duidelijk een geheim," fluistert Marie samenzweerderig. "Ze zijn niet zomaar op een afspraakje. Kijk hoe ze om zich heen kijken. Ze zijn allebei getrouwd, maar niet met elkaar. Dit is hun gestolen uurtje, de enige plek waar ze zichzelf kunnen zijn."
Ik glimlach om haar fantasie, maar terwijl ik naar het koppel kijk, voel ik een oude, vertrouwde pijn, de echo van een diepe eenzaamheid. De manier waarop hij haar aankijkt... Ik wend mijn blik van hen af en kijk weer naar Marie, klaar om haar te plagen met haar romantische verzinsels. Maar de woorden blijven in mijn keel steken. De vurige, onverdeelde blik in haar ogen verraadt dat zij niet langer naar het koppel kijkt. Ze kijkt met een intense en onverholen bewondering naar mij. En dan zie ik het. De blik in haar ogen... is dezelfde. Dezelfde allesomvattende, aanbiddende aandacht die de vrouw daarginds voor zijn geliefde heeft. Een blik die zegt dat de rest van de wereld niet bestaat. Een onverwachte, hete blos stijgt naar mijn wangen. En met een helderheid die me de adem beneemt, besef ik dat wij dat verliefde paartje zijn. De wereld om ons heen is vervaagd, en er bestaat alleen nog de intieme, knetterende ruimte tussen onze twee stoelen.
Ik voel haar voet, ontdaan van haar schoen, zachtjes langs de ruwe stof van mijn broek omhoog glijden. Het is een gedurfde, geheime verkenningstocht onder de tafel, een elektriserende aanraking die een schok van verrassing en puur genot door me heen stuurt. Ik houd mijn gezicht onbewogen, maar mijn hart begint sneller te kloppen. "Heb je nooit zo erg naar iemand verlangd dat je geen enkele seconde meer kon wachten?" plaagt ze, haar stem is een lage, hese fluistering, een geheim dat alleen voor mij bestemd is. Ik voel haar tenen speels de spieren in de binnenkant van mijn dij verkennen, en een rilling trekt door mijn hele lichaam. "Nooit verlangd naar een snelle, gestolen vrijpartij midden in een restaurant?"
"Was ik daarstraks in de douche niet duidelijk genoeg over mijn bedoelingen?" fluister ik terug. Ik buig me over de tafel naar haar toe, de kaarsvlam werpt dansende schaduwen op haar gezicht. Onze lippen ontmoeten elkaar opnieuw, een korte, intense kus vol van de onuitgesproken belofte van later. Een diepe, zware begeerte welt in me op. Ik voel me week worden, maar ben me tegelijkertijd pijnlijk bewust van de ober die ons vanuit zijn ooghoeken met een afkeurende blik observeert. "Straks worden we nog buitengezet," mompel ik tegen haar lippen. Ze grinnikt, een ondeugend, parelend geluid. "We zijn in Parijs, hoor," fluistert ze, en ze trekt zich met een tergend trage beweging terug. "Ze zijn hier wel wat gewend. Bovendien," voegt ze eraan toe, terwijl haar voet nog een laatste, veelbelovende streling geeft, "zorgt een beetje gevaar voor extra opwinding, vind je niet?"
Voordat ik kan antwoorden, verschijnt de ober met onze borden. Zijn aanwezigheid is een abrupte onderbreking van ons intieme spel. Marie trekt haar voet discreet terug net op het moment dat de ober met een professionele zwaai de borden op tafel plaatst. De heerlijke geur van gekruid lamsvlees en de frisse geur van haar salade vullen de lucht. De ober verdwijnt weer, en de stilte die hij achterlaat is anders dan voorheen. De lucht knettert nog steeds van de onderhuidse spanning. Ik kijk naar mijn bord, en dan naar haar, met een wrange glimlach. "Gered door de ober," fluister ik. Ze neemt haar vork op en kijkt me met een zwoele, veelbelovende blik aan vanonder haar wimpers. "Voor nu," zegt ze zacht.
Tijdens het eten praten we, en het geheime, plagerige spelletje onder de tafel gaat door. Een zachte streling van haar voet tegen mijn enkel, een speels tikje van mijn laars tegen de hare. Boven de tafel leren we elkaar kennen. Ze vertelt over haar studie kunstgeschiedenis, haar droom om ooit in Italië te wonen. Ik vertel over België. We praten over simpele, alledaagse dingen, en met elk gedeeld verhaal, elke lach, voel ik de band tussen ons sterker en dieper worden.
Wanneer de ober onze lege borden weghaalt, blijft er een lege, witte ruimte op tafel tussen ons. De maaltijd is voorbij, en daarmee ook de veilige, makkelijke onderwerpen. Ik zie een nieuwe, peinzende blik in Marie haar ogen verschijnen. "Heeft het gesmaakt?" vraag ik zachtjes, een poging om de lichte sfeer nog even vast te houden. Ze kijkt me aan, haar blik is nu zo vol betekenis dat ik de adem inhoud. "Ik heb overal van genoten," antwoordt ze, en ik weet dat ze het niet over het eten heeft. Ik glimlach en steek mijn hand uit over het gesteven, witte linnen. Ik begin met mijn wijsvinger te spelen met de zilveren schakels van haar armband. De speelse, lichte sfeer hangt nog tussen ons, maar ik voel een verandering. De lucht wordt zwaarder, geladen met de onvermijdelijke vragen die we tot nu toe hebben genegeerd.
"Wolf?" Marie haar stem klinkt plotseling serieus, de ondeugende twinkeling in haar ogen heeft plaatsgemaakt voor een diepe, peinzende blik. "Ja, liefje?" "Wat ik me afvraag..." Ik kijk haar vragend aan en wacht, mijn hart klopt iets sneller. "Ben je al dikwijls in Parijs geweest?" "Af en toe voor het werk, waarom?" Marie slaat haar ogen neer en staart naar onze verstrengelde handen op het tafelkleed. "Dus dit hier... wij... ons."
Ik voel waar ze naartoe wil, de vraag die als een onweerswolk boven onze perfecte avond hangt. "Wat wij hebben is uniek, Marie. Dat voel je toch ook?" Ze schudt haar hoofd, niet als ontkenning, maar uit frustratie. "Natuurlijk voel ik dat. Dat is het probleem juist. Maar hoe gaat dit verder? Jij woont en werkt in België. Mijn leven, hoe verward ook, is hier. Hoe mooi en intens, en ja, ook uniek dit alles ook is, het is... onmogelijk, toch?"
Ik neem haar hand steviger vast en laat mijn vinger zachtjes over de lijnen in haar palm glijden. Haar hartlijn is diep, ononderbroken. Het verraadt dat ze een gevoelsmens is, net als ik. “Vertrouw je me?” Maries ogen flitsen fel op. “Dit gaat niet over vertrouwen! Dat is te makkelijk. Het gaat om keuzes. Levenskeuzes. Ik heb mijn leven hier, jij het jouwe daar. Wil jij die keuzes maken? Ben je bereid om alles overhoop te gooien voor... dit?" De romantiek is plotseling verdwenen, vervangen door de harde, onontkoombare realiteit. Ze staart me aan, wachtend op een duidelijk antwoord. Een antwoord waar ik nog nooit over nagedacht heb. Ik leefde de voorbije dagen in het hier en nu, in een roes van passie en gevaar. Ik heb geen strategisch, weloverwogen antwoord. Enkel een eerlijk en oprecht antwoord vanuit mijn hart.
“Op dit moment,” zeg ik langzaam, en ik kies mijn woorden zorgvuldig, “zou ik alles voor je achterlaten, Marie. Alles.” Ik kijk haar aan, en leg mijn ziel bloot. “Voor het eerst sinds Barbara’s dood gaat mijn eerste gedachte na het ontwaken niet meer naar haar, maar naar jou. Ik ben haar niet vergeten, dat zal ik nooit doen. Maar de leegte, de holle, eindeloze leegte die haar dood in mijn ziel heeft achtergelaten, wordt door jou gevuld. Ik heb zelfs het gevoel dat jullie goed met elkaar hadden kunnen opschieten. Jullie hadden vriendinnen kunnen zijn. Ze zou je... Weet je, ik... ik vind je niet alleen leuk. Ik hou van je, Marie.”
Marie zwijgt. Haar gezicht, zo expressief een moment geleden, is nu onleesbaar. Ze staart naar onze verstrengelde handen op het tafelkleed, en ik zie hoe haar vingers lichtjes trillen. Ze lijkt mijn woorden te herkauwen, ze te wegen, te analyseren, op zoek naar een zwakke plek, een uitvlucht. Dan focust ze op één detail, een klein haakje van twijfel in mijn bekentenis. “Wat bedoel je met ‘op dit moment’?" Haar stem is zacht, maar de vraag is scherp als een naald. Meent ze dit nu? Na alles wat ik zojuist heb opgebiecht, na mijn liefdesverklaring, is dat het enige wat ze heeft gehoord? Een golf van frustratie en onmacht overvalt me.
"Ik bedoel... Ik weet niet... Marie," stamel ik, en ik voel hoe ik de controle over de situatie verlies. "Ik kan de toekomst niet voorspellen. Ik kan je geen garanties geven over waar we over een jaar zullen zijn. Ik weet alleen wat ik nu voel, en dat is..."
Ik zie de hoop in haar ogen doven, een waakvlammetje dat wordt uitgeblazen door de kille wind van mijn onzekerheid. Haar schouders zakken een beetje in. Ze had gehoopt op een antwoord, een plan, en ik heb haar niets dan een gevoel gegeven. De stilte die volgt is pijnlijk. Ik zie haar teleurstelling, en het is ondraaglijk. Ik moet het haar duidelijk maken. "Nee, luister," zeg ik, en ik buig me verder over de tafel, mijn stem is nu een dringende, hese fluistering. "Misschien begrijp je het niet. ‘Op dit moment’ is het enige dat ik heb, het enige dat telt. Voor ik jou ontmoette, bestond de toekomst niet. Die was... leeg, Marie. Een lange, grijze, eindeloze weg. Jij bent de eerste kleur die ik in jaren heb gezien." Ik neem haar gezicht zachtjes tussen mijn handen, en dwing haar me aan te kijken. "Ik kan je geen landkaart beloven voor een toekomst die ik zelf nog niet kan zien. Maar ik kan je wel beloven, hier en nu, dat ik niet meer alleen over die weg wil lopen. Ik wil die weg met jou ontdekken, elke stap, wat er ook op ons pad komt."
Mijn rauwe, onverbloemde eerlijkheid, mijn kwetsbaarheid, doet wat geen enkel soepel, ingestudeerd antwoord had gekund. Ik zie hoe de muur van wantrouwen en pragmatisme in haar ogen langzaam afbrokkelt. Ze ziet geen man zonder plan; ze ziet een man die zijn hart, met al zijn littekens en onzekerheden, aan haar voeten legt. Een stralende, adembenemende glimlach verschijnt langzaam op haar gezicht, en het is als de zon die door de donkerste wolken breekt. De twijfel in haar ogen smelt weg en maakt plaats voor een warme, stralende gloed die mijn eigen hart doet overlopen.
"Ik hou ook van jou, Wolf." De woorden zijn een zachte balsem op een open wonde. We kijken elkaar aan, en de drukke, rumoerige bistro om ons heen verdwijnt. Er is alleen de stille, intense verbinding tussen ons tweeën, een moment van perfecte, onverstoorbare helderheid. Ik zie een enkele traan van opluchting in haar ooghoek glinsteren.
Pas wanneer die diepe, emotionele spanning volledig is weggeëbd, zie ik hoe de uitputting van de afgelopen dagen haar met volle kracht treft. Haar schouders, die even recht en trots waren, zakken weer in. Haar ogen worden zwaar. En dan gaapt Marie, een plotselinge, onbedwingbare gaap die ze tevergeefs probeert te verbergen achter haar hand. Het is geen teken van verveling, maar van een lichaam dat na een immense emotionele ontlading eindelijk mag rusten.
Ik wenk de ober voor de rekening en voer haar zachtjes naar buiten, de koude nachtlucht is een welkome schok na de hitte van ons gesprek. Ik steek mijn hand op om een taxi aan te houden. "Tijd om naar bed te gaan," zeg ik, mijn stem vol van een tederheid die ik niet wist dat ik in me had.
Op de achterbank van de taxi, terwijl de lichtjes van Parijs als onscherpe juwelen voorbijglijden, legt Marie haar hoofd tegen mijn schouder. Ze glimlacht slaperig, een zachte, tevreden glimlach die mijn hart doet smelten. Ik merk dat haar oogleden zwaarder worden, dat ze de strijd tegen de uitputting van de dag aan het verliezen is. Ze nestelt zich dichter tegen de warmte van mijn borst en mompelt: "Ik wil..." Ik wacht gespannen, mijn adem ingehouden, op de rest van haar zin, maar ze valt in slaap voordat ze hem heeft afgemaakt. Ik druk een zachte kus op haar voorhoofd, adem de geur van haar haren in en sluit ook mijn ogen, me overgevend aan het ritmische schommelen van de wagen.
Bij het hotel aangekomen, blijft Marie doorslapen, een diepe, vredige slaap. Er zit niets anders op dan haar voorzichtig op te tillen en de lobby in te dragen. Haar lichaam is een lichte, warme last in mijn armen. Met een discrete, begrijpende knik van de receptioniste slaag ik erin om zonder al te veel gedoe mijn kamer te bereiken. Ik leg mijn schone slaapster behoedzaam op het grote bed. Even beweegt ze als ik haar jas en schoenen uitdoe, een zachte kreun ontsnapt haar lippen, maar wakker wordt ze niet. Ik ga naast haar liggen, op de dekens, en nestel me dicht tegen haar aan, mijn arm om haar heen geslagen. Ik blijf wakker in bed liggen en staar door het raam naar de lichtjes van de stad. Ondanks de terreur, de dood en de chaos van de voorbije dag, heb ik mij nog nooit zo vredig gevoeld. Het is het gevoel dat ik alles heb wat ik nodig heb, hier, veilig in mijn armen.
- - - -
Mijn vredige slaap is een leugen, een dun laagje ijs over een diepe, donkere oceaan van onrust. Ik schrik op, niet door een geluid, maar door een verandering in de atmosfeer. De warmte is weg. De vrede is verdwenen. Een ijskoude, onnatuurlijke duisternis drukt op de kamer, een zwaartekracht die de lucht uit mijn longen perst.
Ik voel hoe Marie zachtjes bij me weg wordt getrokken. Het is geen menselijke kracht. Het is een schaduw, een vormloze entiteit van pure leegte die zich voedt met het licht en de warmte in de kamer. Ik probeer haar vast te grijpen, mijn vingers klauwen in de lakens, maar mijn spieren weigeren. De schaduw is sterk, vastberaden, en onverbiddelijk. Marie wordt geruisloos uit mijn armen getrokken en opgeslokt door de duisternis. Ze verdwijnt, en alles wat er overblijft is een ondraaglijke, kille leegte op de plek waar ze lag, een leegte die nu in mijn eigen ziel resoneert. Ik begin te rillen van een kou die niets met temperatuur te maken heeft, een kou die tot in mijn botten dringt, en een wilde, dierlijke paniek neemt bezit van me.
"Marie! Neee!" gil ik, en mijn stem is een rauwe, verscheurde klank in de stilte, een schreeuw tegen het onmogelijke. De pijn die volgt is absoluut, een fysieke manifestatie van mijn verlies. Het voelt alsof mijn beenderen onder een immense, onzichtbare druk barsten en sissen, alsof ik van binnenuit word herschikt en onklaar gemaakt. Daarna volgt duisternis, een volledige, verpletterende, fluweelzwarte duisternis.
Wanneer ik met mijn ogen knipper, zie ik vaag iets in het schemerdonker. Gele stippen. Tientallen gele stippen die me aanstaren vanuit de hoogte. Vogels die geen vogels zijn, zitten ineengedoken op hoge, zwarte stokken die tot in het onzichtbare plafond reiken. Hun lichamen zijn mager en hoekig, bedekt met een leerachtige, olierijke huid in plaats van veren. Hun hoofden draaien met onnatuurlijke, schokkerige bewegingen van 360 graden, hun lange nekken hebben te veel gewrichten. Met een collectief, sissend geluid ontvlammen kaarsen en toortsen uit het niets, en werpen een ziekelijk, groen-geel, flakkerend licht op een immense, vochtige stenen kamer zonder ramen of deuren. Op hun stokken gillen de wezens nu, een schel, snerpend geluid als van slijpend metaal, en ze klapperen met hun vleugels, het geluid als van natte lappen die tegen elkaar worden geslagen.
De geur van zwavel en oud, nat verval hangt in de lucht. Er kruipt iets over de stenen vloer naar me toe, en de afschuw die me overvalt is zo intens dat het me de adem beneemt. De huid van het wezen is rauwrood en zwartgeblakerd, alsof het levend is verbrand, en bladdert in natte flarden af. Bij elke beweging laat het een slijmerig, donker spoor achter. Daaronder wordt een glimmend, donker weefsel van pezen en spieren zichtbaar. De handen en voeten van het wezen lijken op scherpe, vogelachtige klauwen die een krassend, ondraaglijk geluid maken op de stenen vloer. Het hoofd bestaat uit een naakte, glimmende schedel waarvan het haar is weggeschroeid. Twee glinsterende ogen steken uit de diepe kassen, even geel en kwaadaardig als die van de wezens op de stokken, met verticale, slangachtige spleetjes als pupillen.
"Wat ben jij?" vraag ik, mijn stem is een hees, trillend gefluister. Het wezen steekt een klauwachtige poot naar me uit, in een afschuwelijke parodie op een handreiking. Een groot, zwartgeblakerd stuk vel komt los van zijn arm en valt met een natte plof op de grond. De vogel-wezens duiken er onmiddellijk krijsend op af en vechten erom met hun snavels, scheuren het rottende vlees uit elkaar.
Ik probeer me om te draaien, weg te rennen, maar mijn benen gehoorzamen niet. Ik struikel en val. Opnieuw probeer ik weg te komen, krabbelend over de gladde, koude vloer, maar ik zie nergens een uitgang, alleen een eindeloze, vochtige stenen wand. Ik kruip weg in een hoek, mijn lichaam schokt van de onbedwingbare rillingen, terwijl het wezen me aanstaart. Het begint te lachen, een afschuwelijk, borrelend, schrapend geluid dat door de kamer echoot, het geluid van waanzin en eeuwige pijn.
Ik trek mezelf overeind. Mijn mond smaakt naar bloed en roest. Ik blijf zitten en haal een aantal keren diep adem. Elke ademhaling veroorzaakt een ongekende, stekende pijn in mijn rug, alsof er een mes tussen mijn schouderbladen zit. Achter me hoor ik gefluister in een mij onbekende, keelachtige taal, eerst een mannenstem en dan die van een vrouw. Mijn paniek wordt nog groter. Ik probeer op te staan, maar mijn benen kunnen mij niet dragen en ik val terug neer op de koude stenen.
En dan, te midden van de absolute horror, doe ik iets wat ik nog nooit gedaan heb. Ik laat alles los. De angst, de pijn, de afschuw. Ik sluit mijn geest af voor de onmogelijke realiteit om me heen. Alles valt weg en er is niks meer. Zelfs geen geluid. Ik denk aan Marie. Alleen aan haar. Haar gezicht, haar lach, het gevoel van haar in mijn armen. Dat is de enige realiteit die telt. Ik moet weer bij haar terug zien te komen.
Plots hoor ik een donderslag die de fundamenten van de wereld doet trillen. Alles om me heen begint te beven. Mijn ogen schieten open en scannen de omgeving. Ik bevind me in een grot, op de wanden zijn oeroude, met oker getekende dieren zichtbaar. Ik kijk achter me en zie twee schimmige gestalten schreeuwend de grot uit rennen.
En op dat moment voel ik Marie haar armen weer om me heen. Ik heb haar gevonden! Maar ze schreeuwt, het is een afschuwelijk, hartverscheurend gejammer. Zij heeft mijn angst en leed overgenomen, zij is degene die lijdt. "Rustig maar, ik heb je," fluister ik in haar oor, mijn stem is een echo in de chaos van mijn geest. "Je bent me komen halen," huilt ze, haar woorden zijn onsamenhangend.
Ik hoor geweerschoten, geschreeuw en nog meer lichtflitsen die de grot verlichten. De chaos van de supermarkt en de horror van de grot versmelten tot één. Ik schud mijn hoofd, open mijn mond en beweeg mijn tong om haar te zeggen dat alles goedkomt, maar ik kan geen geluid uitbrengen. Ik ben verlamd.
"Rustig schat, het is maar een nachtmerrie." De stem is van Marie. Ze is zacht en geruststellend, en ze komt niet uit de droom, maar van buiten. Ik voel haar armen om me heen, haar handen die zachtjes over mijn kletsnatte, bezwete rug wrijven. Ik knipper met mijn ogen. De grot is weg. De vogel-wezens zijn weg. Ik lig in het hotelbed, de lakens zijn doorweekt, mijn lichaam trilt. Marie zit naast me en sust me zachtjes in haar armen, haar gezicht een en al bezorgdheid en liefde. Ik was het. Ik was degene die schreeuwde.
WOLF EN MARIE
De harde randen van de dag smelten weg in de zachte, gouden gloed van de avond. Arm in arm kuieren we door de met gladde kinderkopjes bestrate straten van een stad die langzaam haar avondlijke adem vindt. We lopen onder de kale, knokige takken van kastanjebomen door, langs de warme, uitnodigende lichten van cafeetjes waar het geluid van gelach en het klinken van glazen naar buiten drijft. De gevels van oude bioscopen en chique boetiekjes glijden aan ons voorbij als een decor voor een leven dat plotseling weer normaal en onbezorgd aanvoelt.
Marie, met haar hand stevig in de holte van mijn arm gehaakt, is veranderd. De geschokte, wanhopige vrouw van vanmiddag heeft plaatsgemaakt voor een levendige, bijna sprankelende versie van haarzelf. Enthousiast geeft ze nu en dan een toelichting als we langs een oude fontein of een statig herenhuis komen. Niet op de droge, afgemeten manier van een gids, maar als een geliefde die vol trots de geheimen van haar wereld met me deelt. En voor het eerst in lange tijd voel ik hoe de zware, ijzeren band van stress en verdriet om mijn borstkas losser wordt.
Een plotselinge, koude windvlaag snijdt door de straten en trekt aan onze winterjassen. Ik zie hoe Marie rilt en onwillekeurig dichter tegen me aan kruipt. Zonder na te denken sla ik een arm om haar schouders, een instinctieve, beschermende beweging om haar tegen de ergste kou te beschermen en haar nog dichterbij te trekken. Heel even, terwijl we doorlopen, strijk ik met mijn vingers door haar blonde, zijdezachte haren. Het voelt zachter aan dan ik me had kunnen voorstellen. De kleine, tedere aanraking is genoeg. We stoppen tegelijkertijd, midden op het trottoir. Ze tilt haar hoofd op en onze blikken kruisen elkaar. De wereld om ons heen – het geluid van een verre accordeon, het geroezemoes van voorbijgangers – vervaagt tot een betekenisloze achtergrond. Onwillekeurig bevochtigt ze haar lippen met de punt van haar tong, een kleine, onbewuste geste die een vuur in mijn onderbuik ontsteekt. Gefascineerd kijk ik in haar heldere ogen en zie ik hoe haar pupillen in het schemerdonker langzaam verwijden tot donkere poelen van een onuitgesproken verlangen. Een vlaag van haar frisse, zuivere geur, de zoete geur van haar huid, dringt mijn neusgaten binnen en benevelt mijn zintuigen.
Ik buig mijn hoofd naar haar toe en kus haar. Het is mijn bedoeling om het licht en teder te houden, een zachte bevestiging van de broze vrede die we hebben gevonden. Maar wanneer ik haar zacht hoor zuchten tegen mijn lippen, een geluid van pure, onvervalste overgave, vergeet ik alles om me heen. Ik vergeet de koude wind, de starende blikken die we misschien trekken, de gevaren die op ons loeren. Ik voel enkel nog haar aanwezigheid, de warmte van haar mond, de onweerstaanbare drang om meer te nemen. Ik kus haar vurig en intens, mijn tong zoekt de hare in een speels, uitdagend duel. Heel even vergeet ik waar ik ben, vergeet ik bijna adem te halen. Haar vingers, niet langer koud, vlechten zich in mijn haar, haar nagels prikken zachtjes in mijn huid en trekken me dichter, dieper. Onze kus wordt steeds intenser, steeds hongeriger, en ontlokt haar een zacht, smekend gekreun dat door mijn hele lichaam trilt en elke laatste gedachte aan zelfbeheersing vernietigt.
En dan begint het te regenen. Een ijskoude, onverwachte druppel landt precies op mijn wang en verbreekt de betovering. Dan nog een, en nog een. De hemel opent plotseling zijn sluizen. Dikke, half gesmolten druppels, een winterse mix van regen en natte sneeuw, beginnen op ons neer te striemen. "Owww," reageert Marie, en ze deinst lachend achteruit, haar gezicht naar de donkere hemel gekeerd. De passie in haar ogen maakt plaats voor een speelse, verraste twinkeling. Lachend manoeuvreer ik haar onder een rij kale kastanjebomen, in de ijdele hoop dat het dichte netwerk van takken wat extra beschutting zou bieden.
"In mijn fantasie is Parijs altijd een zonnige stad," zeg ik, terwijl ik het water uit mijn ogen veeg. "Nooit gedacht dat het hier ook wel eens kon regenen." "Dan heb je je huiswerk niet goed gedaan," antwoordt Marie. Haar stem, nu vol van een lichte, plagerige melodie, klinkt betoverend. Mijn donkere haren plakken aan mijn voorhoofd, en koude regendruppels glijden als tranen langs mijn slapen. "Je had best een paraplu kunnen meebrengen," plaag ik haar. "Ik weet het, sorry," zegt ze met een gespeelde, plechtige spijt. "Niet dat het me wat kan schelen, hoor." Ik kom dichterbij, de lekkende beschutting van de boom dwingt ons dicht op elkaar te staan. "Ik vind het eigenlijk wel leuk om te zien hoe de regendruppels langs je schattige neusje naar je mooie, gezwollen lippen glijden." Met de top van mijn vinger volg ik zachtjes het pad dat een druppel zojuist heeft afgelegd, van de brug van haar neus, langs de welving van haar wang, tot in de hoek van haar mond.
"Laten we anders maar een restaurantje opzoeken," stelt ze voor, haar adem stokt even bij mijn aanraking. "Waar we kunnen schuilen en wat eten. Je had toch al zo'n trek, niet?" Mijn lippen raken bijna de hare. "Er is maar één ding waar ik op dit moment trek in heb," fluister ik, "en dat ben jij." Ik kus haar ene mondhoek, en daarna langzaam de andere. Een grote, koude druppel valt precies op haar wimper en blijft daar even hangen als een kristallen traan. Met de rug van haar hand strijkt ze hem onhandig weg. "Ik ben wel erg nat aan het worden," zegt ze, en ze hoort onmiddellijk hoe suggestief haar onschuldig bedoelde opmerking klinkt. Een dieprode blos verspreidt zich over haar wangen, een prachtig contrast met haar door de kou bleke huid. "Reden te meer om onmiddellijk terug naar het hotel te gaan," lach ik, mijn stem is een lage, plagende grom. "Kom, gek." Marie neemt mijn hand en trekt me mee vanonder de bomen, de straat op. Samen rennen we lachend door de regen naar een bistrootje met beslagen ramen en een warm, uitnodigend licht even verderop.
Ik duw de zware houten deur open en een golf van warmte, geroezemoes van stemmen en de heerlijke geur van knoflook, wijn en gebakken brood overspoelt ons. De kou van de straat valt onmiddellijk van ons af. We staan even in de deuropening te druipen, onze haren plakken tegen onze huid, en ik zie hoe de hoofden van enkele gasten onze kant op draaien. "Welkom in ons nederige stulpje," fluister ik, terwijl ik Marie naar de kleine, overvolle vestiaire bij de ingang loods. Ik help haar uit haar doorweekte jas, mijn vingers strijken bewust traag over haar schouders terwijl ik de zware stof van haar af neem. "Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik begin het hier plotseling een beetje warm te krijgen," zeg ik. Ik hang haar jas naast de mijne en gooi de mijne eroverheen, een instinctieve, bezitterige handeling. "Dat komt door het rennen," reageert ze. Haar wangen zijn nog steeds rood van de inspanning en de kou, wat haar er adembenemend vitaal en levendig uit laat zien. "Het was een goede oefening voor de marathon."
Ik kijk haar lachend aan, terwijl ik het water uit mijn haren schud. "Die marathon heb ik voorbije nacht al gelopen, meen ik me te herinneren." "Lang heb je het anders niet volgehouden," plaagt ze terug, en ze steekt brutaal haar tong naar me uit, een speels, uitdagend gebaar dat een nieuwe golf van verlangen door me heen stuurt. "Heeft mevrouw soms te klagen?" vraag ik met een grijns, en ik sta op het punt haar vast te pakken en haar midden in de gang te kussen.
"Monsieur? Madame?" Een ober, een oudere, vermoeid ogende man met een indrukwekkende snor, kijkt ons hoofdschuddend en met een diepe, theatrale zucht aan. Hij heeft duidelijk onze amoureuze escapades gadegeslagen en is er niet van onder de indruk. Met een blik die evenveel ergernis als stille berusting verraadt, leidt de ober ons met een afgemeten gebaar naar de meest afgelegen hoek van het restaurant. Het is een klein tafeltje voor twee, duidelijk bedoeld om ons – doorweekt, lachend en hopeloos verliefd – te verbergen voor zijn respectabelere cliënteel.
Zodra we op de zachte, rode banken neerploffen, voelt het alsof we een onzichtbare grens oversteken. De menukaarten die de ober voor ons op tafel legt, zijn als schilden die we optrekken tegen de buitenwereld. De koude, natte chaos van de straat lost op. De onuitgesproken spanning van de afgelopen uren smelt weg. Wat overblijft is de warme, gouden gloed van de kleine bistro en de plotselinge, welkome rust die tussen ons neerdaalt.
Ik kijk naar Marie. De nerveuze spanning is eindelijk uit haar schouders verdwenen. Met grote, nieuwsgierige ogen neemt ze de omgeving in zich op, haar blik glijdt langs de donkere, houten lambrisering, de flikkerende kaarsen op de andere tafels en de levendige, kleurrijke schilderijen van Franse landschappen aan de muur. Een kleine, oprechte glimlach speelt om haar lippen. Ik zie hoe ze de sfeer opsnuift, hoe ze zich laat meevoeren door het zachte geroezemoes van de andere gasten. Ze is hier duidelijk voor het eerst.
De ober komt terug naar onze tafel, wat haar dromerige observatie onderbreekt. Hij neemt onze bestelling op – een salade voor haar, lamsvlees voor mij – en met een nauwelijks waarneembaar knikje vraag ik om een karaf van de rode huiswijn. Even later verschijnt hij weer, schenkt met een geoefende, stille beweging onze glazen vol en verdwijnt dan, ons eindelijk alleen latend in onze eigen, intieme bubbel.
Ik neem een slokje van de dieprode wijn. De warmte van de alcohol verspreidt zich aangenaam door mijn lichaam en verdrijft de laatste restjes van de kilte van buiten. Ik kijk naar Marie, die haar glas met beide handen vasthoudt en nog steeds met een betoverde blik om zich heen kijkt. Haar zichtbare fascinatie is de perfecte aanleiding voor mijn vraag.
"Je bent hier nog nooit geweest, of wel?" zeg ik, meer als een constatering dan een vraag. Ze draait haar hoofd naar me toe, haar ogen lichten op. "Nee, ik ben hier voor het eerst," antwoordt ze. "Is het zo duidelijk?" "Je kijkt alsof je een schatkist hebt ontdekt," glimlach ik. "Het voelt ook een beetje zo," geeft ze toe. "Het is zo... levendig. Een perfecte plek om naar mensen te kijken." Ik hef mijn glas naar haar. "In dat geval... mag jij beginnen." Ze draait haar hoofd naar me toe, een vragende, geamuseerde frons op haar voorhoofd. "Beginnen? Waarmee?" "Mensen kijken," leg ik uit. "Dit is de ideale plek. Kies een tafeltje en vertel me hun verhaal."
Ze lacht, een helder, parelend geluid dat mijn hart doet overslaan. "Oké... Eens zien." Ze scant de ruimte en haar blik blijft hangen bij een tafeltje verderop, in een schemerige hoek. "Daar. Dat koppel." Ik volg haar blik en zie hen. Een man en een vrouw, dicht tegen elkaar, hun hoofden gebogen in een intiem gesprek. Af en toe lacht zij, haar hand op zijn arm, en hij kijkt haar aan alsof ze het enige is wat er in de wereld bestaat. "Ze hebben duidelijk een geheim," fluistert Marie samenzweerderig. "Ze zijn niet zomaar op een afspraakje. Kijk hoe ze om zich heen kijken. Ze zijn allebei getrouwd, maar niet met elkaar. Dit is hun gestolen uurtje, de enige plek waar ze zichzelf kunnen zijn."
Ik glimlach om haar fantasie, maar terwijl ik naar het koppel kijk, voel ik een oude, vertrouwde pijn, de echo van een diepe eenzaamheid. De manier waarop hij haar aankijkt... Ik wend mijn blik van hen af en kijk weer naar Marie, klaar om haar te plagen met haar romantische verzinsels. Maar de woorden blijven in mijn keel steken. De vurige, onverdeelde blik in haar ogen verraadt dat zij niet langer naar het koppel kijkt. Ze kijkt met een intense en onverholen bewondering naar mij. En dan zie ik het. De blik in haar ogen... is dezelfde. Dezelfde allesomvattende, aanbiddende aandacht die de vrouw daarginds voor zijn geliefde heeft. Een blik die zegt dat de rest van de wereld niet bestaat. Een onverwachte, hete blos stijgt naar mijn wangen. En met een helderheid die me de adem beneemt, besef ik dat wij dat verliefde paartje zijn. De wereld om ons heen is vervaagd, en er bestaat alleen nog de intieme, knetterende ruimte tussen onze twee stoelen.
Ik voel haar voet, ontdaan van haar schoen, zachtjes langs de ruwe stof van mijn broek omhoog glijden. Het is een gedurfde, geheime verkenningstocht onder de tafel, een elektriserende aanraking die een schok van verrassing en puur genot door me heen stuurt. Ik houd mijn gezicht onbewogen, maar mijn hart begint sneller te kloppen. "Heb je nooit zo erg naar iemand verlangd dat je geen enkele seconde meer kon wachten?" plaagt ze, haar stem is een lage, hese fluistering, een geheim dat alleen voor mij bestemd is. Ik voel haar tenen speels de spieren in de binnenkant van mijn dij verkennen, en een rilling trekt door mijn hele lichaam. "Nooit verlangd naar een snelle, gestolen vrijpartij midden in een restaurant?"
"Was ik daarstraks in de douche niet duidelijk genoeg over mijn bedoelingen?" fluister ik terug. Ik buig me over de tafel naar haar toe, de kaarsvlam werpt dansende schaduwen op haar gezicht. Onze lippen ontmoeten elkaar opnieuw, een korte, intense kus vol van de onuitgesproken belofte van later. Een diepe, zware begeerte welt in me op. Ik voel me week worden, maar ben me tegelijkertijd pijnlijk bewust van de ober die ons vanuit zijn ooghoeken met een afkeurende blik observeert. "Straks worden we nog buitengezet," mompel ik tegen haar lippen. Ze grinnikt, een ondeugend, parelend geluid. "We zijn in Parijs, hoor," fluistert ze, en ze trekt zich met een tergend trage beweging terug. "Ze zijn hier wel wat gewend. Bovendien," voegt ze eraan toe, terwijl haar voet nog een laatste, veelbelovende streling geeft, "zorgt een beetje gevaar voor extra opwinding, vind je niet?"
Voordat ik kan antwoorden, verschijnt de ober met onze borden. Zijn aanwezigheid is een abrupte onderbreking van ons intieme spel. Marie trekt haar voet discreet terug net op het moment dat de ober met een professionele zwaai de borden op tafel plaatst. De heerlijke geur van gekruid lamsvlees en de frisse geur van haar salade vullen de lucht. De ober verdwijnt weer, en de stilte die hij achterlaat is anders dan voorheen. De lucht knettert nog steeds van de onderhuidse spanning. Ik kijk naar mijn bord, en dan naar haar, met een wrange glimlach. "Gered door de ober," fluister ik. Ze neemt haar vork op en kijkt me met een zwoele, veelbelovende blik aan vanonder haar wimpers. "Voor nu," zegt ze zacht.
Tijdens het eten praten we, en het geheime, plagerige spelletje onder de tafel gaat door. Een zachte streling van haar voet tegen mijn enkel, een speels tikje van mijn laars tegen de hare. Boven de tafel leren we elkaar kennen. Ze vertelt over haar studie kunstgeschiedenis, haar droom om ooit in Italië te wonen. Ik vertel over België. We praten over simpele, alledaagse dingen, en met elk gedeeld verhaal, elke lach, voel ik de band tussen ons sterker en dieper worden.
Wanneer de ober onze lege borden weghaalt, blijft er een lege, witte ruimte op tafel tussen ons. De maaltijd is voorbij, en daarmee ook de veilige, makkelijke onderwerpen. Ik zie een nieuwe, peinzende blik in Marie haar ogen verschijnen. "Heeft het gesmaakt?" vraag ik zachtjes, een poging om de lichte sfeer nog even vast te houden. Ze kijkt me aan, haar blik is nu zo vol betekenis dat ik de adem inhoud. "Ik heb overal van genoten," antwoordt ze, en ik weet dat ze het niet over het eten heeft. Ik glimlach en steek mijn hand uit over het gesteven, witte linnen. Ik begin met mijn wijsvinger te spelen met de zilveren schakels van haar armband. De speelse, lichte sfeer hangt nog tussen ons, maar ik voel een verandering. De lucht wordt zwaarder, geladen met de onvermijdelijke vragen die we tot nu toe hebben genegeerd.
"Wolf?" Marie haar stem klinkt plotseling serieus, de ondeugende twinkeling in haar ogen heeft plaatsgemaakt voor een diepe, peinzende blik. "Ja, liefje?" "Wat ik me afvraag..." Ik kijk haar vragend aan en wacht, mijn hart klopt iets sneller. "Ben je al dikwijls in Parijs geweest?" "Af en toe voor het werk, waarom?" Marie slaat haar ogen neer en staart naar onze verstrengelde handen op het tafelkleed. "Dus dit hier... wij... ons."
Ik voel waar ze naartoe wil, de vraag die als een onweerswolk boven onze perfecte avond hangt. "Wat wij hebben is uniek, Marie. Dat voel je toch ook?" Ze schudt haar hoofd, niet als ontkenning, maar uit frustratie. "Natuurlijk voel ik dat. Dat is het probleem juist. Maar hoe gaat dit verder? Jij woont en werkt in België. Mijn leven, hoe verward ook, is hier. Hoe mooi en intens, en ja, ook uniek dit alles ook is, het is... onmogelijk, toch?"
Ik neem haar hand steviger vast en laat mijn vinger zachtjes over de lijnen in haar palm glijden. Haar hartlijn is diep, ononderbroken. Het verraadt dat ze een gevoelsmens is, net als ik. “Vertrouw je me?” Maries ogen flitsen fel op. “Dit gaat niet over vertrouwen! Dat is te makkelijk. Het gaat om keuzes. Levenskeuzes. Ik heb mijn leven hier, jij het jouwe daar. Wil jij die keuzes maken? Ben je bereid om alles overhoop te gooien voor... dit?" De romantiek is plotseling verdwenen, vervangen door de harde, onontkoombare realiteit. Ze staart me aan, wachtend op een duidelijk antwoord. Een antwoord waar ik nog nooit over nagedacht heb. Ik leefde de voorbije dagen in het hier en nu, in een roes van passie en gevaar. Ik heb geen strategisch, weloverwogen antwoord. Enkel een eerlijk en oprecht antwoord vanuit mijn hart.
“Op dit moment,” zeg ik langzaam, en ik kies mijn woorden zorgvuldig, “zou ik alles voor je achterlaten, Marie. Alles.” Ik kijk haar aan, en leg mijn ziel bloot. “Voor het eerst sinds Barbara’s dood gaat mijn eerste gedachte na het ontwaken niet meer naar haar, maar naar jou. Ik ben haar niet vergeten, dat zal ik nooit doen. Maar de leegte, de holle, eindeloze leegte die haar dood in mijn ziel heeft achtergelaten, wordt door jou gevuld. Ik heb zelfs het gevoel dat jullie goed met elkaar hadden kunnen opschieten. Jullie hadden vriendinnen kunnen zijn. Ze zou je... Weet je, ik... ik vind je niet alleen leuk. Ik hou van je, Marie.”
Marie zwijgt. Haar gezicht, zo expressief een moment geleden, is nu onleesbaar. Ze staart naar onze verstrengelde handen op het tafelkleed, en ik zie hoe haar vingers lichtjes trillen. Ze lijkt mijn woorden te herkauwen, ze te wegen, te analyseren, op zoek naar een zwakke plek, een uitvlucht. Dan focust ze op één detail, een klein haakje van twijfel in mijn bekentenis. “Wat bedoel je met ‘op dit moment’?" Haar stem is zacht, maar de vraag is scherp als een naald. Meent ze dit nu? Na alles wat ik zojuist heb opgebiecht, na mijn liefdesverklaring, is dat het enige wat ze heeft gehoord? Een golf van frustratie en onmacht overvalt me.
"Ik bedoel... Ik weet niet... Marie," stamel ik, en ik voel hoe ik de controle over de situatie verlies. "Ik kan de toekomst niet voorspellen. Ik kan je geen garanties geven over waar we over een jaar zullen zijn. Ik weet alleen wat ik nu voel, en dat is..."
Ik zie de hoop in haar ogen doven, een waakvlammetje dat wordt uitgeblazen door de kille wind van mijn onzekerheid. Haar schouders zakken een beetje in. Ze had gehoopt op een antwoord, een plan, en ik heb haar niets dan een gevoel gegeven. De stilte die volgt is pijnlijk. Ik zie haar teleurstelling, en het is ondraaglijk. Ik moet het haar duidelijk maken. "Nee, luister," zeg ik, en ik buig me verder over de tafel, mijn stem is nu een dringende, hese fluistering. "Misschien begrijp je het niet. ‘Op dit moment’ is het enige dat ik heb, het enige dat telt. Voor ik jou ontmoette, bestond de toekomst niet. Die was... leeg, Marie. Een lange, grijze, eindeloze weg. Jij bent de eerste kleur die ik in jaren heb gezien." Ik neem haar gezicht zachtjes tussen mijn handen, en dwing haar me aan te kijken. "Ik kan je geen landkaart beloven voor een toekomst die ik zelf nog niet kan zien. Maar ik kan je wel beloven, hier en nu, dat ik niet meer alleen over die weg wil lopen. Ik wil die weg met jou ontdekken, elke stap, wat er ook op ons pad komt."
Mijn rauwe, onverbloemde eerlijkheid, mijn kwetsbaarheid, doet wat geen enkel soepel, ingestudeerd antwoord had gekund. Ik zie hoe de muur van wantrouwen en pragmatisme in haar ogen langzaam afbrokkelt. Ze ziet geen man zonder plan; ze ziet een man die zijn hart, met al zijn littekens en onzekerheden, aan haar voeten legt. Een stralende, adembenemende glimlach verschijnt langzaam op haar gezicht, en het is als de zon die door de donkerste wolken breekt. De twijfel in haar ogen smelt weg en maakt plaats voor een warme, stralende gloed die mijn eigen hart doet overlopen.
"Ik hou ook van jou, Wolf." De woorden zijn een zachte balsem op een open wonde. We kijken elkaar aan, en de drukke, rumoerige bistro om ons heen verdwijnt. Er is alleen de stille, intense verbinding tussen ons tweeën, een moment van perfecte, onverstoorbare helderheid. Ik zie een enkele traan van opluchting in haar ooghoek glinsteren.
Pas wanneer die diepe, emotionele spanning volledig is weggeëbd, zie ik hoe de uitputting van de afgelopen dagen haar met volle kracht treft. Haar schouders, die even recht en trots waren, zakken weer in. Haar ogen worden zwaar. En dan gaapt Marie, een plotselinge, onbedwingbare gaap die ze tevergeefs probeert te verbergen achter haar hand. Het is geen teken van verveling, maar van een lichaam dat na een immense emotionele ontlading eindelijk mag rusten.
Ik wenk de ober voor de rekening en voer haar zachtjes naar buiten, de koude nachtlucht is een welkome schok na de hitte van ons gesprek. Ik steek mijn hand op om een taxi aan te houden. "Tijd om naar bed te gaan," zeg ik, mijn stem vol van een tederheid die ik niet wist dat ik in me had.
Op de achterbank van de taxi, terwijl de lichtjes van Parijs als onscherpe juwelen voorbijglijden, legt Marie haar hoofd tegen mijn schouder. Ze glimlacht slaperig, een zachte, tevreden glimlach die mijn hart doet smelten. Ik merk dat haar oogleden zwaarder worden, dat ze de strijd tegen de uitputting van de dag aan het verliezen is. Ze nestelt zich dichter tegen de warmte van mijn borst en mompelt: "Ik wil..." Ik wacht gespannen, mijn adem ingehouden, op de rest van haar zin, maar ze valt in slaap voordat ze hem heeft afgemaakt. Ik druk een zachte kus op haar voorhoofd, adem de geur van haar haren in en sluit ook mijn ogen, me overgevend aan het ritmische schommelen van de wagen.
Bij het hotel aangekomen, blijft Marie doorslapen, een diepe, vredige slaap. Er zit niets anders op dan haar voorzichtig op te tillen en de lobby in te dragen. Haar lichaam is een lichte, warme last in mijn armen. Met een discrete, begrijpende knik van de receptioniste slaag ik erin om zonder al te veel gedoe mijn kamer te bereiken. Ik leg mijn schone slaapster behoedzaam op het grote bed. Even beweegt ze als ik haar jas en schoenen uitdoe, een zachte kreun ontsnapt haar lippen, maar wakker wordt ze niet. Ik ga naast haar liggen, op de dekens, en nestel me dicht tegen haar aan, mijn arm om haar heen geslagen. Ik blijf wakker in bed liggen en staar door het raam naar de lichtjes van de stad. Ondanks de terreur, de dood en de chaos van de voorbije dag, heb ik mij nog nooit zo vredig gevoeld. Het is het gevoel dat ik alles heb wat ik nodig heb, hier, veilig in mijn armen.
- - - -
Mijn vredige slaap is een leugen, een dun laagje ijs over een diepe, donkere oceaan van onrust. Ik schrik op, niet door een geluid, maar door een verandering in de atmosfeer. De warmte is weg. De vrede is verdwenen. Een ijskoude, onnatuurlijke duisternis drukt op de kamer, een zwaartekracht die de lucht uit mijn longen perst.
Ik voel hoe Marie zachtjes bij me weg wordt getrokken. Het is geen menselijke kracht. Het is een schaduw, een vormloze entiteit van pure leegte die zich voedt met het licht en de warmte in de kamer. Ik probeer haar vast te grijpen, mijn vingers klauwen in de lakens, maar mijn spieren weigeren. De schaduw is sterk, vastberaden, en onverbiddelijk. Marie wordt geruisloos uit mijn armen getrokken en opgeslokt door de duisternis. Ze verdwijnt, en alles wat er overblijft is een ondraaglijke, kille leegte op de plek waar ze lag, een leegte die nu in mijn eigen ziel resoneert. Ik begin te rillen van een kou die niets met temperatuur te maken heeft, een kou die tot in mijn botten dringt, en een wilde, dierlijke paniek neemt bezit van me.
"Marie! Neee!" gil ik, en mijn stem is een rauwe, verscheurde klank in de stilte, een schreeuw tegen het onmogelijke. De pijn die volgt is absoluut, een fysieke manifestatie van mijn verlies. Het voelt alsof mijn beenderen onder een immense, onzichtbare druk barsten en sissen, alsof ik van binnenuit word herschikt en onklaar gemaakt. Daarna volgt duisternis, een volledige, verpletterende, fluweelzwarte duisternis.
Wanneer ik met mijn ogen knipper, zie ik vaag iets in het schemerdonker. Gele stippen. Tientallen gele stippen die me aanstaren vanuit de hoogte. Vogels die geen vogels zijn, zitten ineengedoken op hoge, zwarte stokken die tot in het onzichtbare plafond reiken. Hun lichamen zijn mager en hoekig, bedekt met een leerachtige, olierijke huid in plaats van veren. Hun hoofden draaien met onnatuurlijke, schokkerige bewegingen van 360 graden, hun lange nekken hebben te veel gewrichten. Met een collectief, sissend geluid ontvlammen kaarsen en toortsen uit het niets, en werpen een ziekelijk, groen-geel, flakkerend licht op een immense, vochtige stenen kamer zonder ramen of deuren. Op hun stokken gillen de wezens nu, een schel, snerpend geluid als van slijpend metaal, en ze klapperen met hun vleugels, het geluid als van natte lappen die tegen elkaar worden geslagen.
De geur van zwavel en oud, nat verval hangt in de lucht. Er kruipt iets over de stenen vloer naar me toe, en de afschuw die me overvalt is zo intens dat het me de adem beneemt. De huid van het wezen is rauwrood en zwartgeblakerd, alsof het levend is verbrand, en bladdert in natte flarden af. Bij elke beweging laat het een slijmerig, donker spoor achter. Daaronder wordt een glimmend, donker weefsel van pezen en spieren zichtbaar. De handen en voeten van het wezen lijken op scherpe, vogelachtige klauwen die een krassend, ondraaglijk geluid maken op de stenen vloer. Het hoofd bestaat uit een naakte, glimmende schedel waarvan het haar is weggeschroeid. Twee glinsterende ogen steken uit de diepe kassen, even geel en kwaadaardig als die van de wezens op de stokken, met verticale, slangachtige spleetjes als pupillen.
"Wat ben jij?" vraag ik, mijn stem is een hees, trillend gefluister. Het wezen steekt een klauwachtige poot naar me uit, in een afschuwelijke parodie op een handreiking. Een groot, zwartgeblakerd stuk vel komt los van zijn arm en valt met een natte plof op de grond. De vogel-wezens duiken er onmiddellijk krijsend op af en vechten erom met hun snavels, scheuren het rottende vlees uit elkaar.
Ik probeer me om te draaien, weg te rennen, maar mijn benen gehoorzamen niet. Ik struikel en val. Opnieuw probeer ik weg te komen, krabbelend over de gladde, koude vloer, maar ik zie nergens een uitgang, alleen een eindeloze, vochtige stenen wand. Ik kruip weg in een hoek, mijn lichaam schokt van de onbedwingbare rillingen, terwijl het wezen me aanstaart. Het begint te lachen, een afschuwelijk, borrelend, schrapend geluid dat door de kamer echoot, het geluid van waanzin en eeuwige pijn.
Ik trek mezelf overeind. Mijn mond smaakt naar bloed en roest. Ik blijf zitten en haal een aantal keren diep adem. Elke ademhaling veroorzaakt een ongekende, stekende pijn in mijn rug, alsof er een mes tussen mijn schouderbladen zit. Achter me hoor ik gefluister in een mij onbekende, keelachtige taal, eerst een mannenstem en dan die van een vrouw. Mijn paniek wordt nog groter. Ik probeer op te staan, maar mijn benen kunnen mij niet dragen en ik val terug neer op de koude stenen.
En dan, te midden van de absolute horror, doe ik iets wat ik nog nooit gedaan heb. Ik laat alles los. De angst, de pijn, de afschuw. Ik sluit mijn geest af voor de onmogelijke realiteit om me heen. Alles valt weg en er is niks meer. Zelfs geen geluid. Ik denk aan Marie. Alleen aan haar. Haar gezicht, haar lach, het gevoel van haar in mijn armen. Dat is de enige realiteit die telt. Ik moet weer bij haar terug zien te komen.
Plots hoor ik een donderslag die de fundamenten van de wereld doet trillen. Alles om me heen begint te beven. Mijn ogen schieten open en scannen de omgeving. Ik bevind me in een grot, op de wanden zijn oeroude, met oker getekende dieren zichtbaar. Ik kijk achter me en zie twee schimmige gestalten schreeuwend de grot uit rennen.
En op dat moment voel ik Marie haar armen weer om me heen. Ik heb haar gevonden! Maar ze schreeuwt, het is een afschuwelijk, hartverscheurend gejammer. Zij heeft mijn angst en leed overgenomen, zij is degene die lijdt. "Rustig maar, ik heb je," fluister ik in haar oor, mijn stem is een echo in de chaos van mijn geest. "Je bent me komen halen," huilt ze, haar woorden zijn onsamenhangend.
Ik hoor geweerschoten, geschreeuw en nog meer lichtflitsen die de grot verlichten. De chaos van de supermarkt en de horror van de grot versmelten tot één. Ik schud mijn hoofd, open mijn mond en beweeg mijn tong om haar te zeggen dat alles goedkomt, maar ik kan geen geluid uitbrengen. Ik ben verlamd.
"Rustig schat, het is maar een nachtmerrie." De stem is van Marie. Ze is zacht en geruststellend, en ze komt niet uit de droom, maar van buiten. Ik voel haar armen om me heen, haar handen die zachtjes over mijn kletsnatte, bezwete rug wrijven. Ik knipper met mijn ogen. De grot is weg. De vogel-wezens zijn weg. Ik lig in het hotelbed, de lakens zijn doorweekt, mijn lichaam trilt. Marie zit naast me en sust me zachtjes in haar armen, haar gezicht een en al bezorgdheid en liefde. Ik was het. Ik was degene die schreeuwde.
Lees verder: Het Satorvierkant - 22: De Grot
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10