Door: Leen
Datum: 22-08-2025 | Cijfer: 9.7 | Gelezen: 460
Lengte: Lang | Leestijd: 23 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Badkamer, Frankrijk, Hotel, Neuken, Parijs,
Lengte: Lang | Leestijd: 23 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Badkamer, Frankrijk, Hotel, Neuken, Parijs,
Vervolg op: Het Satorvierkant - 19: Alles Te Verliezen
De Reddende Engel
10 januari 2015 - Parijs..
WOLF EN MARIE
"Oh Wolf, ik dacht echt dat ik je kwijt was."
Marie haar stem is een gebroken, schorre fluistering tegen mijn borstkas, verstikt door de kracht van haar snikken. Tranen lopen in hete, onophoudelijke stromen over haar wangen, zodat haar zicht wazig wordt en de flitsende lichten van de hulpdiensten om ons heen vervagen tot een abstract, pulserend schilderij. Ze begint met haar vuisten tegen mijn borst te slaan, maar de slagen zijn zwak, een ritme van angst en opluchting, van een liefde die zo hevig is dat ze zich in woede uit. "Wil je dat nooit meer doen," jammert ze, en het is geen bevel, maar een smeekbede. "Nooit meer zo roekeloos zijn. Nooit meer."
Ik kijk haar zwijgend aan, mijn eigen armen sluiten zich als een bankschroef om haar heen, en ik trek haar hard tegen me aan. Ik staar schijnbaar emotieloos voor me uit, over haar hoofd heen, naar de chaos van de plaats delict. Ik voel me leeg, uitgehold. Een holle, echoënde ruimte waar een moment geleden nog een storm van adrenaline en terreur woedde. De beelden van daarnet – de kille, doelgerichte blik van de overvaller, de donkere opening van zijn geweer, de rode nevel die uit het hoofd van de man voor mij spatte – schieten als glasscherven door mijn geest. Het voelt ondraaglijk, een gewicht dat mijn longen samendrukt, maar ik probeer me sterk te houden. Voor haar.
Lange tijd zeggen we geen woord. We houden elkaar alleen maar vast, twee overlevenden die zich vastklampen aan het enige houvast in een wereld die gek is geworden. Ik voel haar snikken langzaam overgaan in een trillend, onregelmatig ademhalen. Uiteindelijk verbreekt Marie onze omhelzing, hoewel ze haar handen op mijn schouders laat rusten. Ze neemt mijn gezicht met haar twee koude, trillende handen vast. Haar blik is intens, onderzoekend. Haar duimen bewegen zich over mijn huid, alsof ze wil controleren of elke porie, elke stoppel, nog steeds intact en echt is. "Gaat het?" fluistert ze, en de diepe, onvoorwaardelijke bezorgdheid in haar stem is een balsem voor mijn rauwe zenuwen. Ik knik ja, een korte, stijve beweging. Maar eigenlijk bedoel ik nee. Nee, het gaat niet. Nee, ik zal nooit meer dezelfde zijn.
Onze lippen ontmoeten elkaar, niet in een passionele, hongerige kus, maar in de zachtste, meest breekbare kus die ik ooit heb uitgewisseld. Het is een kus die niet vraagt, maar bevestigt. Een kus die fluistert: je bent hier, je leeft, ik ben hier. En dat is het. De tederheid, de onvoorwaardelijke veiligheid van die kus, is de sleutel die de zorgvuldig vergrendelde deur in mijn binnenste openbreekt. Al de emotie die ik de afgelopen uren heb opgekropt, die ik heb weggeduwd en onderdrukt, komt met de kracht van een dambreuk los. Een diepe, schokkende trilling begint in mijn borstkas en verspreidt zich door mijn hele lichaam. De tranen die zo lang opgesloten zaten, vinden eindelijk hun weg naar buiten. Hevig snikkend leun ik tegen haar aan. Mijn voorhoofd rust op haar schouder, mijn zorgvuldig opgebouwde muur van zelfbeheersing verkruimelt volledig. De geluiden die uit mijn keel komen zijn rauw, schokkend, de klanken van een man die vergeten was hoe hij moest huilen. Het lijkt alsof ik nooit meer kan ophouden.
"Huil maar," fluistert ze, en haar rol verandert onmiddellijk. Ze is niet langer het slachtoffer dat gered moet worden, maar de sterke, kalme rots. Haar armen slaan zich nu om mij heen, en ze wrijft zachtjes over mijn rug, in trage, geruststellende cirkels. Veilig in haar armen, te midden van de chaos, huil ik tot ik geen tranen meer over heb, tot er enkel nog een leeg, trillend gevoel overblijft. "Kom, we gaan terug naar binnen," zegt ze zachtjes, wanneer mijn snikken zijn overgegaan in diepe, onregelmatige ademhalingen. Ze trekt zich iets terug en kijkt me aan, haar ogen vol tederheid. "Je moet nodig onder een warme douche." Ze tilt haar hand op en haar vinger strijkt zachtjes langs mijn jukbeen. Haar vingertop komt rood terug. "We moeten dat bloed van je gezicht afwassen."
Ik laat me willoos door haar meevoeren. Haar hand in de mijne is het enige anker in een wereld die is veranderd in een kolkende, onbegrijpelijke zee. Ik ben een automaat. Mijn lichaam loopt, mijn benen bewegen, maar mijn geest is verdoofd, afgesloten, een getuige op veilige afstand van de gebeurtenissen. De leegte die ik voel, die holle, echoënde stilte in mijn ziel, maakt langzaam plaats voor een diepe, doordringende, ijzige kilte. Het is de kou van de shock die zich nu meester maakt van mijn lichaam. Tegen de tijd dat ik in de helverlichte badkamer van de hotelkamer sta, beef ik over mijn hele lichaam. Het is een oncontroleerbare trilling die vanuit mijn merg lijkt te komen, een innerlijke koorts die geen warmte kent.
Marie zet de douche aan en het geluid van het krachtig stromende water is een verre, betekenisloze ruis. Ze legt een handdoek voor me klaar, maar ik reageer niet. Ik kleed me langzaam, mechanisch uit. Mijn vingers zijn stijf en onhandig, ze lijken niet van mij te zijn. De kleren vallen in een hoopje op de grond. Ik zie de donkere, opgedroogde bloedspatten op mijn mouw en voel absoluut niets.
De douche is heet. De stralen slaan op mijn ijskoude huid, maar de warmte dringt niet door. Het is een oppervlakkige sensatie die de diepe, innerlijke vrieskou niet kan verdrijven. Ik leun met mijn voorhoofd en handen tegen de gladde, natte tegels van de muur. Het water stroomt in een hete waterval over mijn rug en schouders, maar ik ben er niet echt. Ik ben terug in de supermarkt, gevangen in een eindeloze lus van het moment waarop de kogel, bedoeld voor mij, het leven van een ander beëindigde.
De glazen deur van de douche schuift met een zacht geluid open. Mijn hoofd schiet omhoog, mijn hart slaat een slag over. Een golf van pure, dierlijke paniek schiet door me heen. Hij is hier. De gedachte is irrationeel, onmogelijk, maar de terreur is echt. Door de dichte stoom zie ik een silhouet, een menselijke vorm.
Dan stapt ze de douchecabine in. Marie. Ze spreekt niet. Haar gezicht is een en al ernstige, pijnlijke empathie. Ze ziet de wilde, dierlijke angst in mijn ogen. Ze ziet een man die volledig de weg kwijt is. Ze aarzelt geen seconde. Dit is geen moment voor woorden of voorzichtigheid. Ze sluit de deur achter zich en komt langzaam dichterbij, haar naakte lichaam glanst in het water en de stoom. Mijn brein probeert te begrijpen wat er gebeurt, maar het faalt. Ik sta als aan de grond genageld, te geschokt om te bewegen, te verward om te reageren. Ze stopt vlak voor me en legt haar handen zachtjes op mijn armen. Haar aanraking is de eerste, echte sensatie die door de dikke muur van mijn shock weet te dringen. Het is geen seksuele aanraking. Het is een daad van pure, onverbloemde verbinding. Ze dwingt me haar aan te kijken, en in haar ogen zie ik geen lust, maar een spiegel van mijn eigen pijn.
Zachtjes draait ze me om, zodat ik met mijn rug naar haar toe sta. En dan, heel langzaam, wikkelt ze haar armen om mijn middel en trekt ze mijn trillende lichaam tegen het hare aan. De schok van haar zachte, warme huid tegen mijn gespannen, koude rug is overweldigend. Ik hap naar adem. De onvoorstelbare zachtheid van haar borsten tegen mijn schouderbladen, de tedere druk van haar lippen in mijn nek, haar warme adem die als een briesje de koude rillingen op mijn huid probeert te verdrijven. Haar handen glijden over mijn borst en buik en houden me vast, niet om me te verleiden, maar om de gebroken stukken van mijn wezen bij elkaar te houden.
Mijn ogen vallen dicht. De beelden van de supermarkt beginnen te vervagen, weggespoeld door de kracht van haar aanwezigheid. Mijn hart, dat zo lang een trage, zware tred had, begint te bonzen, een jolt van leven die door mijn verdoofde lichaam schiet. Zo blijven we een hele tijd staan, zwijgend en naakt onder het stromende water. Zij houdt mij vast. Haar warmte vormt een schild tegen de kou, haar stilte een balsem voor de schreeuwen in mijn hoofd. En ik, ik laat me vasthouden. En heel, heel langzaam, begint de ijskoude kilte vanbinnen te ontdooien.
Langzaam, heel langzaam, draai ik me in haar armen om, tot we gezicht aan gezicht staan onder de stromende stralen van de douche. Het water parelt op haar wimpers en rolt als tranen over haar wangen. "Voel je je iets beter?" vraagt ze, haar stem is een zachte fluistering, bijna onhoorbaar boven het geluid van het water. Ik kijk in haar ogen, diep en vol van een oprechte zorg die me tot in mijn ziel raakt. "Nee," fluister ik, de bekentenis is rauw en eerlijk. "Ik heb het koud. En ik voel me... leeg. Alsof er vanbinnen iets is weggescheurd."
Een diep, pijnlijk medelijden trekt over haar gezicht. Ze slaat haar handen rond mijn nek en trekt mijn hoofd naar beneden, tot mijn voorhoofd tegen het hare rust. Haar huid is warm, levend. "Zal ik je dan weer het gevoel geven dat je leeft?" ademt ze, haar woorden zijn geen vraag, maar een belofte. Een uitdaging aan de duisternis die me dreigt te verzwelgen. Ze duwt zich dichter tegen me aan, de zachte, volle ronding van haar buik en borsten tegen mijn borstkas. De onschuldige troost van een moment geleden maakt plaats voor iets anders, iets diepers, iets gevaarlijkers. Een scheut van puur, onversneden verlangen schiet als een bliksemflits door mijn hele lichaam, een gewelddadige herinnering aan het feit dat ik nog leef, dat mijn lichaam nog kan voelen. Ik hap naar adem, een scherpe, verraste inademing.
"Ik heb je nodig, Marie," pers ik eruit, en het is de meest basale, eerlijke waarheid die ik bezit. Marie glimlacht, een trage, zwoele glimlach vol van een plotselinge, vrouwelijke kracht. Ze gaat op haar tenen staan en strijkt met de punt van haar tong langs de rand van mijn lippen, een tergend trage, elektrische aanraking.
Ik sluit mijn ogen. Haar lippen zijn warm en zacht en wanneer ze met haar heupen zachtjes tegen de mijne aan begint te bewegen, in een ritme dat oeroud en onweerlegbaar is, verlies ik mijn laatste restje zelfbeheersing. Ik neem bezit van haar mond, niet teder dit keer, maar met een honger die grenst aan razernij. Ik klauw mijn vingers in haar natte, gladde haren en zoen haar hartstochtelijk, een poging om de leegte in mij te vullen met de smaak van haar. Mijn handen grijpen haar billen vast, de spieren spannen zich onder mijn vingers, en ik hijs haar op, haar benen klemmen zich als vanzelf om mijn middel. Mijn rug raakt de koude, betegelde muur met een harde klap, en ik weet dat ik hier blauwe plekken aan over ga houden, maar het kan me niet schelen.
Marie zoekt mijn nek en bijt zachtjes in mijn huid, een daad die even bezitterig is als mijn kus. Als wilde, gewonde dieren vergrijpen we ons aan elkaar, een desperate, chaotische poging om de dood en de angst uit te drijven met de overweldigende kracht van het leven. We zeggen niets, onze monden blijven bijna voortdurend op elkaar, onze tongen verwikkeld in een verwoed gevecht. Het is heftig en snel. Haar nagels klemmen zich vast in de huid van mijn rug, en ze drukt haar borsten tegen mijn bovenlijf. Elke beweging is een botsing, een wanhopige poging om dichterbij te komen, om te versmelten, om te verdwijnen in de ander. Het doet pijn. Een verschrikkelijk lekkere pijn, die me wakker schudt en me terugbrengt in mijn eigen lichaam.
Uitgeput, onze lichamen trillend en zwak, laten we ons op de tegels van de douchecabine zakken. Het hete water stroomt nog steeds over ons heen. Ik ga achter Marie zitten en trek haar tussen mijn benen, haar rug tegen mijn borst. Ze legt haar hoofd tegen mijn schouder en doet haar ogen dicht, haar ademhaling is een reeks diepe, onregelmatige zuchten. Hoelang we zo blijven zitten, weet ik niet. De tijd heeft geen betekenis meer. Ik aai intussen zachtjes haar schouders, haar borsten, haar buik. Ze geeft me de tijd om bij te komen, mijn hoofd buig ik over dat van haar. Het is alsof we in een kleine, stomende tent zitten. Ergens ver weg van de wereld, van de dood, van alles.
Ik streel Marie, snuif de schone geur van haar haren op en kus haar zachte, gezwollen lippen. Ze glimlacht, een lome, voldane glimlach, en trekt haar gezicht iets terug om me in de ogen te kijken. Dan nestelt ze zich opnieuw in mijn armen en legt ze haar hoofd op mijn borstkas. Ik aai haar haren, laat de natte, zijdezachte strengen tussen mijn vingers door glijden en leg mijn andere hand in haar smalle nek. Ik trek haar opnieuw dichter naar me toe. We halen gelijkmatig adem, omringd door het zachte, ritmische geluid van het water, en een diepe, allesomvattende stilte. We voelen ons veilig, want we hebben elkaar.
Met een zachte zucht, een geluid van pure, lome tevredenheid, springt Marie op. Het abrupte einde van de warmte van haar lichaam tegen het mijne is een klein verlies. Ze helpt me overeind, mijn benen voelen nog steeds zwak en onvast. Ze neemt een zware, witte badjas van het haakje aan de badkamerdeur en wikkelt die met een zorgzame, bijna moederlijke tederheid om me heen. De zachte, droge stof is een weldaad. Daarna neemt ze me opnieuw in haar armen, en ik laat me gaan, mijn hoofd rustend op haar schouder. Het is een vreemd, onwennig gevoel om verzorgd te worden, om de sterke te zijn die leunt. Het voelt heerlijk.
"Kom je mee?" vraagt ze zacht, haar stem een streling. Ik knik, niet in staat om te spreken. In de kamer, waar het avondlicht de muren in zachte, paarse tinten kleurt, blijft ze even voor het grote raam staan. De douche is uit, het enige geluid is het verre, gedempte geroezemoes van de stad beneden. Ik ga zwijgend achter haar staan en sla mijn armen om haar middel, mijn kin rustend op haar schouder. Ze zucht tevreden en streelt mijn handen die op haar buik rusten. Samen kijken we naar de stad onder ons die langzaam tot rust komt na de hysterie van de dag. De koplampen van auto's rijden als geluidloze, gouden rivieren voorbij. Kleine figuurtjes haasten zich over de trottoirs naar huis, sommigen met boodschappen in hun handen, hun levens gaan door, onbewust van de storm die in deze kamer heeft gewoed.
Ik kus Marie haar nek, de huid is warm en smaakt naar zeep en naar haar. Ze pakt mijn handen en drukt die zachtjes tegen haar kleine, stevige borsten. Ze leunt met haar rug tegen me aan, een daad van totaal vertrouwen. Onder ons zoeft een tram met een zacht, zingend geluid voorbij. Marie draait haar hoofd, haar mond half geopend, haar ogen donker en vol van een onuitgesproken vraag. Ik kus haar, lang en diep, en neem haar gezicht in mijn handen. We staan even stil, gevangen in de kus, in het moment. Dan draait ze zich weer naar het raam en leunt met haar handen op de ombouw van de verwarming, haar rug buigt zich in een uitnodigende, sensuele boog die mijn adem doet stokken. Ik leg mijn handen op de welving van haar heupen en druk me tegen haar aan, en voel de vertrouwde, elektrische schok van verlangen.
Marie draait haar hoofd, haar mond is half geopend, haar ogen zijn donker en vol van een onuitgesproken, brandende vraag. Ik kus haar, lang en diep, en neem haar gezicht in mijn handen. We staan even stil, gevangen in de kus, in het moment, de stad aan onze voeten is een onscherp decor van licht en schaduw. Dan draait ze zich weer naar het raam en leunt met haar handen op de ombouw van de verwarming, haar rug buigt zich in een uitnodigende, sensuele boog die mijn adem doet stokken. De ceintuur van haar badjas is losgeraakt, en de zachte, witte stof valt open, haar rug en de perfecte ronding van haar billen onthullend in de schemering.
Ik leg mijn handen op de welving van haar heupen en druk me tegen haar aan, en voel de vertrouwde, elektrische schok van verlangen. "Wat zouden ze denken," fluister ik in haar oor, mijn lippen strijken langs de gevoelige huid, "die mensen daar beneden, als ze nu omhoog zouden kijken en ons konden zien?" Een trilling gaat door haar lichaam. Ik voel haar glimlachen. "Dat we het veel te druk hebben om ons zorgen te maken over wat zij denken," ademt ze terug, haar stem is een hese, uitdagende fluistering. Haar hand vindt de losse knoop van mijn eigen badjas en met een trage, doelbewuste beweging trekt ze hem open.
De koele lucht van de kamer op mijn naakte huid is een schok, maar de hitte die tussen ons ontstaat is allesoverheersend. Ik kijk naar onze reflectie in het donkere raam, een schimmig, sensueel beeld van twee figuren in het wit, omringd door de lichtjes van de stad. Haar badjas glijdt van haar schouders en valt in een zachte hoop rond haar enkels. Ze draait zich in mijn armen om, haar lichaam nu volledig tegen het mijne gedrukt. "Ik dacht dat je wel wat afleiding kon gebruiken," fluistert ze, haar ogen twinkelen ondeugend. "Om je weer levend te voelen." "Je bent zelf het leven," antwoord ik, en ik meen het met elke vezel in mijn lijf.
Ik til haar op en zet haar op de brede vensterbank, zodat ze met haar rug tegen het koude glas leunt. Het glas beslaat onmiddellijk door de warmte van haar huid. Ik kniel tussen haar gespreide benen. Buiten, onder ons, wandelt een oud echtpaar met hun hondje, volkomen onbewust van het oeroude, intieme ritueel dat zich enkele meters boven hen afspeelt. De tegenstelling is duizelingwekkend, verboden en onweerstaanbaar opwindend.
Met een zachte, hijgende ademtocht gidst ze me naar haar toe. En dan is er die perfecte, naadloze klik, het gevoel van thuiskomen op een plek waarvan je niet wist dat je die zocht. Ze kreunt zachtjes en slaat haar benen om mijn middel, haar vingers klauwen zich vast in mijn haren. Onze bewegingen vinden een ritme, traag en diep, in harmonie met de stille hartslag van de stad onder ons. Het is geen wilde, verwoede passie zoals in de douche, maar een daad van liefde, van herontdekking, een langzame, sensuele dans die de laatste schaduwen van de dag verdrijft. De wereld lost op in een waas van genot, tot er alleen nog het gevoel van haar om me heen is, en de lichtjes van Parijs die als duizenden verre, goedkeurende sterren op ons neerkijken. Wanneer de laatste, trillende golven van genot zijn weggestorven, blijven we zo, verstrengeld, onze voorhoofden rustend tegen het koele, beslagen glas.
"Ik zou wel een drankje kunnen gebruiken," fluister ik uiteindelijk, mijn stem is schor en droog. Ik wil dit moment vieren, de terugkeer naar het leven, met haar. "Naast het hotel is er een Joods supermarktje," glimlacht Marie tegen mijn schouder, haar ogen twinkelen ondeugend in de weerspiegeling van het raam. "Weet ik," zeg ik met een grijns, terwijl ik haar help opstaan en haar weer in haar badjas wikkel. "Alleen heeft een of andere onverlaat de hele drankvoorraad aan flarden geschoten." "Wat een zonde," zucht Marie met gespeelde ernst, en ze knoopt de ceintuur van mijn badjas weer voor me dicht, haar vingers strijken teder over mijn buik.
"Zullen we naar buiten gaan?" vraag ik, en de drang om haar een normale avond te geven, een herinnering die niet besmet is met angst of magie, overvalt me. Ik wil haar zien lachen onder de lichten van de stad, haar stem horen boven het geroezemoes van een druk café, haar hand vasthouden terwijl we door straten wandelen waar geen gevaar loert. Weg van de dood, weg van de geheimen, al is het maar voor een paar uur. "Ik weet een leuk bistrootje in een zijstraatje, niet ver van hier. Klein, rumoerig, perfect."
"Oh ja?" Ze trekt een wenkbrauw op, haar lippen krullen in een uitdagende glimlach. "En wat is er zo perfect aan?" Ik buig me voorover en fluister in haar oor, mijn adem is een warme wolk tegen haar huid. "Ik heb gehoord dat de blonde meisjes er op de tafels dansen." Ze draait zich met een ruk om. Haar ogen, die een moment geleden nog loom en voldaan waren, vuren nu speels op me. Ze doet alsof ze diep geschokt is, haar hand dramatisch voor haar mond. Dan, als ze het niet langer kan inhouden, barst ze in een parelende lach. "Eikel." Het woord is geen scheldwoord. Het is een liefkozing, warm en vol van een gedeeld, geheim plezier. En in dat ene, perfecte woord hoor ik het geluid van ons, die voorzichtig, lachend, terugkeren naar de wereld.
WOLF EN MARIE
"Oh Wolf, ik dacht echt dat ik je kwijt was."
Marie haar stem is een gebroken, schorre fluistering tegen mijn borstkas, verstikt door de kracht van haar snikken. Tranen lopen in hete, onophoudelijke stromen over haar wangen, zodat haar zicht wazig wordt en de flitsende lichten van de hulpdiensten om ons heen vervagen tot een abstract, pulserend schilderij. Ze begint met haar vuisten tegen mijn borst te slaan, maar de slagen zijn zwak, een ritme van angst en opluchting, van een liefde die zo hevig is dat ze zich in woede uit. "Wil je dat nooit meer doen," jammert ze, en het is geen bevel, maar een smeekbede. "Nooit meer zo roekeloos zijn. Nooit meer."
Ik kijk haar zwijgend aan, mijn eigen armen sluiten zich als een bankschroef om haar heen, en ik trek haar hard tegen me aan. Ik staar schijnbaar emotieloos voor me uit, over haar hoofd heen, naar de chaos van de plaats delict. Ik voel me leeg, uitgehold. Een holle, echoënde ruimte waar een moment geleden nog een storm van adrenaline en terreur woedde. De beelden van daarnet – de kille, doelgerichte blik van de overvaller, de donkere opening van zijn geweer, de rode nevel die uit het hoofd van de man voor mij spatte – schieten als glasscherven door mijn geest. Het voelt ondraaglijk, een gewicht dat mijn longen samendrukt, maar ik probeer me sterk te houden. Voor haar.
Lange tijd zeggen we geen woord. We houden elkaar alleen maar vast, twee overlevenden die zich vastklampen aan het enige houvast in een wereld die gek is geworden. Ik voel haar snikken langzaam overgaan in een trillend, onregelmatig ademhalen. Uiteindelijk verbreekt Marie onze omhelzing, hoewel ze haar handen op mijn schouders laat rusten. Ze neemt mijn gezicht met haar twee koude, trillende handen vast. Haar blik is intens, onderzoekend. Haar duimen bewegen zich over mijn huid, alsof ze wil controleren of elke porie, elke stoppel, nog steeds intact en echt is. "Gaat het?" fluistert ze, en de diepe, onvoorwaardelijke bezorgdheid in haar stem is een balsem voor mijn rauwe zenuwen. Ik knik ja, een korte, stijve beweging. Maar eigenlijk bedoel ik nee. Nee, het gaat niet. Nee, ik zal nooit meer dezelfde zijn.
Onze lippen ontmoeten elkaar, niet in een passionele, hongerige kus, maar in de zachtste, meest breekbare kus die ik ooit heb uitgewisseld. Het is een kus die niet vraagt, maar bevestigt. Een kus die fluistert: je bent hier, je leeft, ik ben hier. En dat is het. De tederheid, de onvoorwaardelijke veiligheid van die kus, is de sleutel die de zorgvuldig vergrendelde deur in mijn binnenste openbreekt. Al de emotie die ik de afgelopen uren heb opgekropt, die ik heb weggeduwd en onderdrukt, komt met de kracht van een dambreuk los. Een diepe, schokkende trilling begint in mijn borstkas en verspreidt zich door mijn hele lichaam. De tranen die zo lang opgesloten zaten, vinden eindelijk hun weg naar buiten. Hevig snikkend leun ik tegen haar aan. Mijn voorhoofd rust op haar schouder, mijn zorgvuldig opgebouwde muur van zelfbeheersing verkruimelt volledig. De geluiden die uit mijn keel komen zijn rauw, schokkend, de klanken van een man die vergeten was hoe hij moest huilen. Het lijkt alsof ik nooit meer kan ophouden.
"Huil maar," fluistert ze, en haar rol verandert onmiddellijk. Ze is niet langer het slachtoffer dat gered moet worden, maar de sterke, kalme rots. Haar armen slaan zich nu om mij heen, en ze wrijft zachtjes over mijn rug, in trage, geruststellende cirkels. Veilig in haar armen, te midden van de chaos, huil ik tot ik geen tranen meer over heb, tot er enkel nog een leeg, trillend gevoel overblijft. "Kom, we gaan terug naar binnen," zegt ze zachtjes, wanneer mijn snikken zijn overgegaan in diepe, onregelmatige ademhalingen. Ze trekt zich iets terug en kijkt me aan, haar ogen vol tederheid. "Je moet nodig onder een warme douche." Ze tilt haar hand op en haar vinger strijkt zachtjes langs mijn jukbeen. Haar vingertop komt rood terug. "We moeten dat bloed van je gezicht afwassen."
Ik laat me willoos door haar meevoeren. Haar hand in de mijne is het enige anker in een wereld die is veranderd in een kolkende, onbegrijpelijke zee. Ik ben een automaat. Mijn lichaam loopt, mijn benen bewegen, maar mijn geest is verdoofd, afgesloten, een getuige op veilige afstand van de gebeurtenissen. De leegte die ik voel, die holle, echoënde stilte in mijn ziel, maakt langzaam plaats voor een diepe, doordringende, ijzige kilte. Het is de kou van de shock die zich nu meester maakt van mijn lichaam. Tegen de tijd dat ik in de helverlichte badkamer van de hotelkamer sta, beef ik over mijn hele lichaam. Het is een oncontroleerbare trilling die vanuit mijn merg lijkt te komen, een innerlijke koorts die geen warmte kent.
Marie zet de douche aan en het geluid van het krachtig stromende water is een verre, betekenisloze ruis. Ze legt een handdoek voor me klaar, maar ik reageer niet. Ik kleed me langzaam, mechanisch uit. Mijn vingers zijn stijf en onhandig, ze lijken niet van mij te zijn. De kleren vallen in een hoopje op de grond. Ik zie de donkere, opgedroogde bloedspatten op mijn mouw en voel absoluut niets.
De douche is heet. De stralen slaan op mijn ijskoude huid, maar de warmte dringt niet door. Het is een oppervlakkige sensatie die de diepe, innerlijke vrieskou niet kan verdrijven. Ik leun met mijn voorhoofd en handen tegen de gladde, natte tegels van de muur. Het water stroomt in een hete waterval over mijn rug en schouders, maar ik ben er niet echt. Ik ben terug in de supermarkt, gevangen in een eindeloze lus van het moment waarop de kogel, bedoeld voor mij, het leven van een ander beëindigde.
De glazen deur van de douche schuift met een zacht geluid open. Mijn hoofd schiet omhoog, mijn hart slaat een slag over. Een golf van pure, dierlijke paniek schiet door me heen. Hij is hier. De gedachte is irrationeel, onmogelijk, maar de terreur is echt. Door de dichte stoom zie ik een silhouet, een menselijke vorm.
Dan stapt ze de douchecabine in. Marie. Ze spreekt niet. Haar gezicht is een en al ernstige, pijnlijke empathie. Ze ziet de wilde, dierlijke angst in mijn ogen. Ze ziet een man die volledig de weg kwijt is. Ze aarzelt geen seconde. Dit is geen moment voor woorden of voorzichtigheid. Ze sluit de deur achter zich en komt langzaam dichterbij, haar naakte lichaam glanst in het water en de stoom. Mijn brein probeert te begrijpen wat er gebeurt, maar het faalt. Ik sta als aan de grond genageld, te geschokt om te bewegen, te verward om te reageren. Ze stopt vlak voor me en legt haar handen zachtjes op mijn armen. Haar aanraking is de eerste, echte sensatie die door de dikke muur van mijn shock weet te dringen. Het is geen seksuele aanraking. Het is een daad van pure, onverbloemde verbinding. Ze dwingt me haar aan te kijken, en in haar ogen zie ik geen lust, maar een spiegel van mijn eigen pijn.
Zachtjes draait ze me om, zodat ik met mijn rug naar haar toe sta. En dan, heel langzaam, wikkelt ze haar armen om mijn middel en trekt ze mijn trillende lichaam tegen het hare aan. De schok van haar zachte, warme huid tegen mijn gespannen, koude rug is overweldigend. Ik hap naar adem. De onvoorstelbare zachtheid van haar borsten tegen mijn schouderbladen, de tedere druk van haar lippen in mijn nek, haar warme adem die als een briesje de koude rillingen op mijn huid probeert te verdrijven. Haar handen glijden over mijn borst en buik en houden me vast, niet om me te verleiden, maar om de gebroken stukken van mijn wezen bij elkaar te houden.
Mijn ogen vallen dicht. De beelden van de supermarkt beginnen te vervagen, weggespoeld door de kracht van haar aanwezigheid. Mijn hart, dat zo lang een trage, zware tred had, begint te bonzen, een jolt van leven die door mijn verdoofde lichaam schiet. Zo blijven we een hele tijd staan, zwijgend en naakt onder het stromende water. Zij houdt mij vast. Haar warmte vormt een schild tegen de kou, haar stilte een balsem voor de schreeuwen in mijn hoofd. En ik, ik laat me vasthouden. En heel, heel langzaam, begint de ijskoude kilte vanbinnen te ontdooien.
Langzaam, heel langzaam, draai ik me in haar armen om, tot we gezicht aan gezicht staan onder de stromende stralen van de douche. Het water parelt op haar wimpers en rolt als tranen over haar wangen. "Voel je je iets beter?" vraagt ze, haar stem is een zachte fluistering, bijna onhoorbaar boven het geluid van het water. Ik kijk in haar ogen, diep en vol van een oprechte zorg die me tot in mijn ziel raakt. "Nee," fluister ik, de bekentenis is rauw en eerlijk. "Ik heb het koud. En ik voel me... leeg. Alsof er vanbinnen iets is weggescheurd."
Een diep, pijnlijk medelijden trekt over haar gezicht. Ze slaat haar handen rond mijn nek en trekt mijn hoofd naar beneden, tot mijn voorhoofd tegen het hare rust. Haar huid is warm, levend. "Zal ik je dan weer het gevoel geven dat je leeft?" ademt ze, haar woorden zijn geen vraag, maar een belofte. Een uitdaging aan de duisternis die me dreigt te verzwelgen. Ze duwt zich dichter tegen me aan, de zachte, volle ronding van haar buik en borsten tegen mijn borstkas. De onschuldige troost van een moment geleden maakt plaats voor iets anders, iets diepers, iets gevaarlijkers. Een scheut van puur, onversneden verlangen schiet als een bliksemflits door mijn hele lichaam, een gewelddadige herinnering aan het feit dat ik nog leef, dat mijn lichaam nog kan voelen. Ik hap naar adem, een scherpe, verraste inademing.
"Ik heb je nodig, Marie," pers ik eruit, en het is de meest basale, eerlijke waarheid die ik bezit. Marie glimlacht, een trage, zwoele glimlach vol van een plotselinge, vrouwelijke kracht. Ze gaat op haar tenen staan en strijkt met de punt van haar tong langs de rand van mijn lippen, een tergend trage, elektrische aanraking.
Ik sluit mijn ogen. Haar lippen zijn warm en zacht en wanneer ze met haar heupen zachtjes tegen de mijne aan begint te bewegen, in een ritme dat oeroud en onweerlegbaar is, verlies ik mijn laatste restje zelfbeheersing. Ik neem bezit van haar mond, niet teder dit keer, maar met een honger die grenst aan razernij. Ik klauw mijn vingers in haar natte, gladde haren en zoen haar hartstochtelijk, een poging om de leegte in mij te vullen met de smaak van haar. Mijn handen grijpen haar billen vast, de spieren spannen zich onder mijn vingers, en ik hijs haar op, haar benen klemmen zich als vanzelf om mijn middel. Mijn rug raakt de koude, betegelde muur met een harde klap, en ik weet dat ik hier blauwe plekken aan over ga houden, maar het kan me niet schelen.
Marie zoekt mijn nek en bijt zachtjes in mijn huid, een daad die even bezitterig is als mijn kus. Als wilde, gewonde dieren vergrijpen we ons aan elkaar, een desperate, chaotische poging om de dood en de angst uit te drijven met de overweldigende kracht van het leven. We zeggen niets, onze monden blijven bijna voortdurend op elkaar, onze tongen verwikkeld in een verwoed gevecht. Het is heftig en snel. Haar nagels klemmen zich vast in de huid van mijn rug, en ze drukt haar borsten tegen mijn bovenlijf. Elke beweging is een botsing, een wanhopige poging om dichterbij te komen, om te versmelten, om te verdwijnen in de ander. Het doet pijn. Een verschrikkelijk lekkere pijn, die me wakker schudt en me terugbrengt in mijn eigen lichaam.
Uitgeput, onze lichamen trillend en zwak, laten we ons op de tegels van de douchecabine zakken. Het hete water stroomt nog steeds over ons heen. Ik ga achter Marie zitten en trek haar tussen mijn benen, haar rug tegen mijn borst. Ze legt haar hoofd tegen mijn schouder en doet haar ogen dicht, haar ademhaling is een reeks diepe, onregelmatige zuchten. Hoelang we zo blijven zitten, weet ik niet. De tijd heeft geen betekenis meer. Ik aai intussen zachtjes haar schouders, haar borsten, haar buik. Ze geeft me de tijd om bij te komen, mijn hoofd buig ik over dat van haar. Het is alsof we in een kleine, stomende tent zitten. Ergens ver weg van de wereld, van de dood, van alles.
Ik streel Marie, snuif de schone geur van haar haren op en kus haar zachte, gezwollen lippen. Ze glimlacht, een lome, voldane glimlach, en trekt haar gezicht iets terug om me in de ogen te kijken. Dan nestelt ze zich opnieuw in mijn armen en legt ze haar hoofd op mijn borstkas. Ik aai haar haren, laat de natte, zijdezachte strengen tussen mijn vingers door glijden en leg mijn andere hand in haar smalle nek. Ik trek haar opnieuw dichter naar me toe. We halen gelijkmatig adem, omringd door het zachte, ritmische geluid van het water, en een diepe, allesomvattende stilte. We voelen ons veilig, want we hebben elkaar.
Met een zachte zucht, een geluid van pure, lome tevredenheid, springt Marie op. Het abrupte einde van de warmte van haar lichaam tegen het mijne is een klein verlies. Ze helpt me overeind, mijn benen voelen nog steeds zwak en onvast. Ze neemt een zware, witte badjas van het haakje aan de badkamerdeur en wikkelt die met een zorgzame, bijna moederlijke tederheid om me heen. De zachte, droge stof is een weldaad. Daarna neemt ze me opnieuw in haar armen, en ik laat me gaan, mijn hoofd rustend op haar schouder. Het is een vreemd, onwennig gevoel om verzorgd te worden, om de sterke te zijn die leunt. Het voelt heerlijk.
"Kom je mee?" vraagt ze zacht, haar stem een streling. Ik knik, niet in staat om te spreken. In de kamer, waar het avondlicht de muren in zachte, paarse tinten kleurt, blijft ze even voor het grote raam staan. De douche is uit, het enige geluid is het verre, gedempte geroezemoes van de stad beneden. Ik ga zwijgend achter haar staan en sla mijn armen om haar middel, mijn kin rustend op haar schouder. Ze zucht tevreden en streelt mijn handen die op haar buik rusten. Samen kijken we naar de stad onder ons die langzaam tot rust komt na de hysterie van de dag. De koplampen van auto's rijden als geluidloze, gouden rivieren voorbij. Kleine figuurtjes haasten zich over de trottoirs naar huis, sommigen met boodschappen in hun handen, hun levens gaan door, onbewust van de storm die in deze kamer heeft gewoed.
Ik kus Marie haar nek, de huid is warm en smaakt naar zeep en naar haar. Ze pakt mijn handen en drukt die zachtjes tegen haar kleine, stevige borsten. Ze leunt met haar rug tegen me aan, een daad van totaal vertrouwen. Onder ons zoeft een tram met een zacht, zingend geluid voorbij. Marie draait haar hoofd, haar mond half geopend, haar ogen donker en vol van een onuitgesproken vraag. Ik kus haar, lang en diep, en neem haar gezicht in mijn handen. We staan even stil, gevangen in de kus, in het moment. Dan draait ze zich weer naar het raam en leunt met haar handen op de ombouw van de verwarming, haar rug buigt zich in een uitnodigende, sensuele boog die mijn adem doet stokken. Ik leg mijn handen op de welving van haar heupen en druk me tegen haar aan, en voel de vertrouwde, elektrische schok van verlangen.
Marie draait haar hoofd, haar mond is half geopend, haar ogen zijn donker en vol van een onuitgesproken, brandende vraag. Ik kus haar, lang en diep, en neem haar gezicht in mijn handen. We staan even stil, gevangen in de kus, in het moment, de stad aan onze voeten is een onscherp decor van licht en schaduw. Dan draait ze zich weer naar het raam en leunt met haar handen op de ombouw van de verwarming, haar rug buigt zich in een uitnodigende, sensuele boog die mijn adem doet stokken. De ceintuur van haar badjas is losgeraakt, en de zachte, witte stof valt open, haar rug en de perfecte ronding van haar billen onthullend in de schemering.
Ik leg mijn handen op de welving van haar heupen en druk me tegen haar aan, en voel de vertrouwde, elektrische schok van verlangen. "Wat zouden ze denken," fluister ik in haar oor, mijn lippen strijken langs de gevoelige huid, "die mensen daar beneden, als ze nu omhoog zouden kijken en ons konden zien?" Een trilling gaat door haar lichaam. Ik voel haar glimlachen. "Dat we het veel te druk hebben om ons zorgen te maken over wat zij denken," ademt ze terug, haar stem is een hese, uitdagende fluistering. Haar hand vindt de losse knoop van mijn eigen badjas en met een trage, doelbewuste beweging trekt ze hem open.
De koele lucht van de kamer op mijn naakte huid is een schok, maar de hitte die tussen ons ontstaat is allesoverheersend. Ik kijk naar onze reflectie in het donkere raam, een schimmig, sensueel beeld van twee figuren in het wit, omringd door de lichtjes van de stad. Haar badjas glijdt van haar schouders en valt in een zachte hoop rond haar enkels. Ze draait zich in mijn armen om, haar lichaam nu volledig tegen het mijne gedrukt. "Ik dacht dat je wel wat afleiding kon gebruiken," fluistert ze, haar ogen twinkelen ondeugend. "Om je weer levend te voelen." "Je bent zelf het leven," antwoord ik, en ik meen het met elke vezel in mijn lijf.
Ik til haar op en zet haar op de brede vensterbank, zodat ze met haar rug tegen het koude glas leunt. Het glas beslaat onmiddellijk door de warmte van haar huid. Ik kniel tussen haar gespreide benen. Buiten, onder ons, wandelt een oud echtpaar met hun hondje, volkomen onbewust van het oeroude, intieme ritueel dat zich enkele meters boven hen afspeelt. De tegenstelling is duizelingwekkend, verboden en onweerstaanbaar opwindend.
Met een zachte, hijgende ademtocht gidst ze me naar haar toe. En dan is er die perfecte, naadloze klik, het gevoel van thuiskomen op een plek waarvan je niet wist dat je die zocht. Ze kreunt zachtjes en slaat haar benen om mijn middel, haar vingers klauwen zich vast in mijn haren. Onze bewegingen vinden een ritme, traag en diep, in harmonie met de stille hartslag van de stad onder ons. Het is geen wilde, verwoede passie zoals in de douche, maar een daad van liefde, van herontdekking, een langzame, sensuele dans die de laatste schaduwen van de dag verdrijft. De wereld lost op in een waas van genot, tot er alleen nog het gevoel van haar om me heen is, en de lichtjes van Parijs die als duizenden verre, goedkeurende sterren op ons neerkijken. Wanneer de laatste, trillende golven van genot zijn weggestorven, blijven we zo, verstrengeld, onze voorhoofden rustend tegen het koele, beslagen glas.
"Ik zou wel een drankje kunnen gebruiken," fluister ik uiteindelijk, mijn stem is schor en droog. Ik wil dit moment vieren, de terugkeer naar het leven, met haar. "Naast het hotel is er een Joods supermarktje," glimlacht Marie tegen mijn schouder, haar ogen twinkelen ondeugend in de weerspiegeling van het raam. "Weet ik," zeg ik met een grijns, terwijl ik haar help opstaan en haar weer in haar badjas wikkel. "Alleen heeft een of andere onverlaat de hele drankvoorraad aan flarden geschoten." "Wat een zonde," zucht Marie met gespeelde ernst, en ze knoopt de ceintuur van mijn badjas weer voor me dicht, haar vingers strijken teder over mijn buik.
"Zullen we naar buiten gaan?" vraag ik, en de drang om haar een normale avond te geven, een herinnering die niet besmet is met angst of magie, overvalt me. Ik wil haar zien lachen onder de lichten van de stad, haar stem horen boven het geroezemoes van een druk café, haar hand vasthouden terwijl we door straten wandelen waar geen gevaar loert. Weg van de dood, weg van de geheimen, al is het maar voor een paar uur. "Ik weet een leuk bistrootje in een zijstraatje, niet ver van hier. Klein, rumoerig, perfect."
"Oh ja?" Ze trekt een wenkbrauw op, haar lippen krullen in een uitdagende glimlach. "En wat is er zo perfect aan?" Ik buig me voorover en fluister in haar oor, mijn adem is een warme wolk tegen haar huid. "Ik heb gehoord dat de blonde meisjes er op de tafels dansen." Ze draait zich met een ruk om. Haar ogen, die een moment geleden nog loom en voldaan waren, vuren nu speels op me. Ze doet alsof ze diep geschokt is, haar hand dramatisch voor haar mond. Dan, als ze het niet langer kan inhouden, barst ze in een parelende lach. "Eikel." Het woord is geen scheldwoord. Het is een liefkozing, warm en vol van een gedeeld, geheim plezier. En in dat ene, perfecte woord hoor ik het geluid van ons, die voorzichtig, lachend, terugkeren naar de wereld.
Lees verder: Het Satorvierkant - 21: Schaduwen Boven Parijs
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10