Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Keith
Datum: 20-01-2026 | Cijfer: 9.8 | Gelezen: 830
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 34 minuten | Lezers Online: 12
Intro Bij De Weever
Dinsdagochtend was ik er vroeg uit. Lekker douchen, m’n haren wassen, duster aan en ontbijten. Daarna aankleden. Pumps, naturel panty, een nette, witte rok, blouse en een bijpassend jasje. M’n haren in een strakke vlecht, hoog op mijn achterhoofd. Een beetje make-up en wat parfum… Ik voelde me zeker van mezelf toen ik in de spiegel keek.

Ik maakte een selfie en stuurde die naar Frank.

Die reageerde met: “Oei… de strenge mevrouw Gonnie! Zo ken ik je nog niet, schat.”

Ik grinnikte en typte: “Die tijd komt nog wel, jochie.” Een smiley van een mattenklopper er achteraan… Send.

Zijn antwoord was serieus. “Sterkte vandaag schat. Laat je niet piepelen.”

Ik typte: “Dank je. Zet ‘m op daar in Duitsland. Tot vanavond.” Twee zoenlippen er achter aan. Zo...

Nu maar richting Mariëlle. Ik pakte mijn koffertje met papieren, mijn tasje en reed richting Terschuur. Een kwartier verder dan Ede… Maar goed, ik hoefde Ede zelf niet in, dat scheelde weer. Vijf voor acht reed ik het erf op en werd verwelkomd door een grote, blaffende herdershond. Z’n staart kwispelde en zijn lichaamstaal gaf geen dreiging aan, dus ik stapte uit. Open hand voor zijn snuit… Hij snuffelde even, bleef kwispelen en gaf me toen een lik. Ik kroelde even onder zijn kin. “Brave waakhond hoor!”

“Dat zien we niet zo vaak! De meeste mensen zijn behoorlijk onder de indruk van Libby!” Mariëlle stapte naar buiten. “Hoi Gon. Kom maar binnen.” Eenmaal binnen zag ik schoenen en klompen in het halletje staan, dus ik deed m’n pumps uit. Mariëlle had sokken over haar pantyvoeten en ze pakte een paar sokken uit een kastje. “Hier, trek maar aan. We lopen allemaal op sokken binnen.” Ik liep een ‘woonkeuken’ in. Met aan tafel een man een vrouw. “Dit zijn mijn ouders. Pap, mam, dit is Gonnie.” “Goedemorgen Gonnie. Welkom in Terschuur.” Ze stonden op en ik kreeg een hand van ‘Allard’ en ‘Marjan’. “Ga lekker zitten, Gonnie. Een kop thee?” “Lekker.” Er werd een beker thee voor me neergezet.

“We hebben veel goeds over jou gehoord”, zei Allard. “Dank je wel voor wat je voor Mar hebt gedaan.” Ik lachte even. “Dan heeft ze waarschijnlijk niets over die enorme sorbet in Barneveld verteld.” Marjan schudde haar hoofd. “Jawel hoor, maar dat was het minste. Wij zagen onze dochter het laatste halve jaar langzaam maar zeker wegkwijnen. En kijk nu eens!” Mariëlle zag er goed uit: een leuke rok, een wit truitje erboven, haar haren nu krullend om haar hoofd, in bedwang gehouden met een witte haardband en bescheiden opgemaakt. “Da’s ook uw verdienste, begreep ik. Na een zaterdag shoppen in Amersfoort.” Marjan knikte. “En dat was gezellig.”

De hond snuffelde aan mijn hand en ik aaide hem even. “Libby mag jou wel”, zei Allard. “Ervaring met honden?” “Een beetje. Mijn aanstaande schoonzus Cora studeert kynologie en haar moeder runt een hondenpension. Daar komt ik af en toe en als ze naar ons toe komt is haar persoonlijke lijfwacht Bowy altijd bij haar. Een bruine Labrador. Schat van een beest. En mijn broer Rick heeft ook altijd zijn bewonderaarster bij zich: Lovely, een Chowchow. Die woont bij mijn Cora, maar Rick is haar baas. Niemand anders. En verder zijn daar altijd wel een aantal logeerhonden variërend van een grote Husky tot een klein, maar uiterst fel Teckeltje. En soms ook Herders. Maar dit is wel een hele mooie…”

De hond was ondertussen naast me komen zitten en liet zich lekker aaien. “Libby is vorig jaar bij ons gekomen. Onze zoon vond haar op de weg; aangereden. Twee achterpoten gebroken. Het arme beest kon niet meer staan en degene die het gedaan had was natuurlijk in geen velden of wegen meer te vinden. We hebben haar meegenomen naar de dierenarts, daar is ze geopereerd. Heeft vier weken in het gips gezeten en Mariëlle heeft haar voornamelijk verzorgd. We hadden posters in het dorp opgehangen met de vraag of iemand wist waar de hond thuishoorde; geen reactie. En toen besloten dat ze hier kon blijven.” Marjan lachte even. “Genoeg te eten hier. En ze heeft de ruimte, ze helpt mee om het vee te naar de stal te drijven én ze is onze waakhond. Er zijn een paar lui die hier het erf niet op durven komen…”

Allard vulde aan: “En da’s maar goed ook, want die wil ik hier ook niet hebben!” “Gelukkig schijn ik daar niet bij te horen”, zei ik lachend en Mariëlle reageerde: “Ik had Libby vanochtend ook iets ingefluisterd.” Marjan zei: “Ik heb begrepen dat jullie vanochtend jullie functie bij de Weever gaan vertellen?” Ik knikte. “Ja. En dat zal voor een paar mensen daar wel een cultuurschok zijn, maar die moeten maar even op hun tanden bijten. Teuntje de Weever heeft het bedrijf in het afgelopen halve jaar naar de gladiolen geholpen; Zijn vader wist daar niets van. De zat te rentenieren in de zon. En omdat hij met ons bedrijf wilde samenwerken is dit balletje aan het rollen gegaan. Ik kreeg de opdracht om de voor- en de nadelen van zon samenwerking eens uit te zoeken en te presenteren. Van wat ik las en hoorde kreeg ik al een nare smaak in de mond, maar toen ik eenmaal bij de Weever binnen was, ging ik bijna over m’n nek. Wát een… Nou ja, dat weten jullie denk ik beter dan ik. De Weever Senior is op zich een goeie vent, ondanks dat hij de zaak veel te veel aan zijn zoontje over liet. Teun hoort thuis in de negentiende eeuw: ‘Ik ben de baas en jij houdt je mond.’ Om van zijn houding ten opzichte van dames maar helemaal niet te spreken. Dus ik ben daar aardig losgegaan, wat tot een confrontatie tussen pa en zoon leidde. En toen pakte pa wél door en snoerde zijn zoon de mond. Enfin, na wat overleg besloten onze directeur Simon én de Weever Senior dat zijn bedrijf door een extern iemand bekeken moest worden en dat bleek ik te zijn.”

Ik grinnikte. “Nét vier weken in dienst in Ede als ondersteuner bij bureau O&O. En vanochtend gaan de dames en heren bij De Weever kennismaken met Gonnie Peters en Mariëlle Steenbeke twee punt nul.” “Nou, dat kun je wel stellen”, bromde Allard. “Ik moest even wakker worden toen ze in een set nieuwe kleren beneden kwam.” Zo kletsten we nog verder, tot Allard zei: “Ik ga de stal in, dames. Ook hier moet gewerkt worden.” Ik keek op mijn horloge. “Ja, wij gaan ook aan ’t werk. ’t Is weliswaar geen stal, maar daar waar wij heengaan, moet ook uitgemest worden.” Marjan trok een gezicht. “Oei…”

“Rij ik met jou mee, Gon?” Ik knikte. “Natuurlijk. Onzin om met twee auto’s daarheen te rijden.” We trokken de sokken uit en de schoenen aan. Ik aaide Libby, Mariëlle kreeg een knuffel van haar moeder en we reden weg.

“Je hebt leuke ouders, Mar.” Die knikte. “Ja. Hoewel ze best streng kunnen zijn, hoor!” “Dat is hun taak ook. Anders krijg je verwende papkindjes. Mijn moeder zei altijd: ‘Als jij te belazerd bent om mee te helpen in het huishouden, ben ik te beroerd om voor je te koken. Dáár is de broodtrommel, dáár de koude kraan: je redt je er maar mee. En nee, er gaat geen beleg op die boterham.’ Ik hoor het haar nóg zeggen, verdorie…” Mariëlle glimlachte. “Aha… Nu begrijp ik jouw mooie slanke figuur!” Ik keek haar boos aan. “Kreng…”

We stopten voor het pand van De Weever en ik parkeerde in een vak. “Ehh, Gon: dit is het vak van Junior. Als iemand hier parkeerde kreeg hij ongenadig op z’n lazer.” Ik knikte. “Dan staat mijn auto hier precies goed, Mar.” Ze keek aarzelend maar ik knikte. “Junior is weg, schat. Heeft hier niets meer te zoeken of te zeggen. En wij moeten hier schoon schip maken in opdracht van Senior. Als iemand mij aanspreekt over die parkeerplaats staat hij al met vier-nul achter.” We liepen naar binnen en meldden ons bij de receptie. De jongedame keek met een schuin oog naar Mariëlle, maar ging ons voor naar het kantoor van Gerrit de Weever.

“Meneer… Mevrouw Peters en juffrouw Steenbeeke voor u.” “Dank je wel Jeanet. Dames, welkom. Koffie?” Ik schudde zijn hand. “Nee, dank je wel Gerrit. Heb ik thuis al gehad. Van teveel koffie ga ik stuiteren. Een glas water is beter.” Hij knikte. “Ga zitten.” Hij keek naar Mariëlle. “Plankenkoorts?” Die knikte. “Best wel een beetje meneer.” Hij boog zich voorover. “Mariëlle, ik heet Gerrit. Je bent hier niet meer in dienst en bovendien… Vanaf vanochtend reageer ik niet meer op ‘meneer de Weever’. Maar dat weet men nog niet, dus Jeanet ging nog niet de fout in. Dames, over een paar minuten zit iedereen in de kantine. Men weet dat er een mededeling komt, men weet nog niet dat jullie hier gaan bezemen.

Ik wil hen één ding duidelijk maken: alle rotte appels gaan verdwijnen. Ik wil schoon schip maken en van De Weever weer een fatsoenlijk bedrijf maken. Een bedrijf zoals ik tien jaar geleden voor ogen had. En daarom moeten er sowieso een aantal mensen uit. Mensen die maar wat graag hebben meegelift op het regime van mijn zoon. En over mijn zoon gesproken: die komt hier niet meer binnen. Dat heb ik hem verboden. En dat ga ik ook mededelen aan het personeel. Gevolgd door de mededeling dat degene die hem op wat voor manier dan ook faciliteert, er uit vliegt. Hij heeft niets meer met het bedrijf te maken. Ik heb alle stukken waar zijn naam genoemd wordt als opvolger laten wijzigen door de notaris.” Hij keek grimmig. “Ja, dat is pijnlijk om dat als vader over je eigen zoon te moeten zeggen, maar het is niet anders. Hij is niet geschikt om leiding te geven aan een bedrijf.”

Ik hield m’n mond maar, dat was het beste onder deze omstandigheden. Even later keek Gerrit op zijn horloge. “Kom, we gaan.” Mariëlle en ik wisselden een blik van verstandhouding en liepen achter hem aan richting ‘kantine’. Daar was ik nog niet geweest. Ik kwam in een nogal kaal en spartaans ingerichte ruimte terecht. Kale tafels, houten, rechte stoelen en een katheder. Een beamer hing aan het plafond en op het scherm stond een kaal Windows-logo. Niets aan de muren… En de ruimte galmde gigantisch. Logisch: het was allemaal ‘hard’ materiaal: linoleum op de vloer, kale muren, betonnen plafond, ramen zonder gordijnen.

Gerrit ging achter de lessenaar staan. “Dames en heren, goedemorgen. Het is al weer een tijdje geleden dat ik hier stond: op 2 januari van dit jaar om precies te zijn, toen ik de dagelijkse leiding van De Weever Automatisering overdroeg aan mijn zoon. Sinds die tijd is er nogal wat veranderd hier.” Hij zweeg even vervolgde toen: “En niet ten goede. Recht voor z’n raap en het valt me zwaar om het te zeggen, maar het is nu eenmaal zo: mijn zoon Teun heeft er een bende van gemaakt. We zijn een aantal goede collega’s kwijtgeraakt omdat zij zich niet konden vinden in zijn beleid. Andere collega’s zijn weggepest. Weer anderen gingen met een steen in hun maag naar het werk, omdat ze zich niet veilig voelden. En slechts een paar mensen vonden het wel prima.

Vorige week zijn bij mij de schellen van de ogen gevallen; een van de dames naast mij heeft exact verteld wat er in onze bedrijfsvoering mis was. En naar aanleiding daarvan heb ik mijn zoon Teun het bedrijf uit gezet. Hij heeft hier niets meer te zoeken. Financieel niet, maar ook fysiek niet. Ik heb hem verboden om ooit nog één voet hier over de drempel te zetten.” Er ontstond wat gemompel. Gerrit ging verder. “Mijn zoon is met ingang van vorige week ontslagen als waarnemend directeur. Op staande voet. En laat één ding duidelijk zijn: iedereen die hem op wat voor wijze nog faciliteert, of met hem onder één hoedje speelt: als ik er achter kom, vliegt u meteen de laan uit.”

Hij keek het zaaltje rond. “Teun heeft het voor elkaar gekregen om binnen een half jaar dit bedrijf aan de rand van de afgrond te brengen. Deels door niet te willen innoveren, maar grotendeels door een regime te hanteren wat ronduit verstikkend was. Dat is ook mijn fout geweest; Ik ben naar het warme zuiden afgezakt en kwam sporadisch nog op de zaak om een paar handtekeningen te zetten en was dan weer weg. Ik heb de boel laten sloffen. En dat mag u mij aanrekenen. Teun heeft daar misbruik van gemaakt. En dat wil ik de komende tijd recht trekken, zodat De Weever weer een bloeiend bedrijf wordt. En een bedrijf waar het personeel zich gewaardeerd voelt. En op enig moment kan gaan samenwerken met onze collega’s uit Ede. Want dié hebben mij wakker geschud.

U zag twee dames samen met mij naar binnen komen. De ene kent u: mevrouw Mariëlle Steenbeeke. De ander kennen de meesten van u niet: mevrouw Gonnie Peters. Ik heb hen beiden gevraagd om dit bedrijf door te lichten en mij te adviseren over de bedrijfsvoering. Want die is het laatste halve jaar in een sneltreinvaart achteruit gegaan. Mariëlle zal haar ervaringen met de bedrijfsvoering van het laatste halve jaar vertellen. Voor een aantal van u wellicht herkenbaar. Mariëlle?” Gerrit stapte achter de katheder weg. Mar stond op en nam zijn plaats in. Rechtop en ze keek onbevangen het zaaltje in. Geen papier voor zich; ze deed het uit het hoofd. Prima!

“Dames en heren, goedemorgen. Ik was één van die collega’s die het laatste halve jaar met een steen in het hart elke maandag op de fiets stapte om weer aan het werk te gaan. Waarom? Omdat ik blijkbaar niet voldeed aan hetgeen wat van mij verlangd werd: doen wat je gezegd word en vooral je mond houden. Want: ik was een meisje. Niet eens getrouwd, dus voor sommige collega’s de lucht nog niet waard die ik inademde.

Ik mocht op de administratie werken, terwijl mij beloofd was dat ik op den duur in de automatisering terecht zou komen. Holle beloftes dus. En toen ik uiteindelijk een cursus mocht volgen in de automatisering, bij het bedrijf waar Gonnie werkt, werd ik na twee dagen door een jongere collega verraden: ik was blijkbaar té goed. En dat vond hij niet kunnen. Dus kreeg ik ’s avonds via de telefoon te horen dat de cursus voor mij afgelopen was; men zou mij wel ziek melden. Maar meteen werd me verteld dat ik de volgende dag gewoon moest gaan werken. “Je éigen werk, juffrouw”, werd er letterlijk tegen me gezegd. ie nacht heb ik niet geslapen, alleen maar liggen huilen. Wéér een droom in puin geslagen. De zoveelste hier.”

Ze haperde even en nam een slok water.

“Dát was de sfeer van het afgelopen jaar. Vrouwen zijn minderwaardig, ongetrouwde vrouwen al helemaal. En als een vrouw trouwt, dan moest ze het liefst thuisblijven, haar man ter wille zijn, het huis op orde houden, kinderen baren en die goed verzorgen. Want zó was het beschikt. Tenminste: dat werd mij hier regelmatig toegesnauwd. Onder andere door Teun de Weever.”

Achter uit de zaal kwam een stem. “Juffrouw Steenbeeke: voor jou is het ‘meneer de Weever Junior’. Laat dat duidelijk zijn!”

Mariëlle schudde haar hoofd en zei: “Meneer Joziassen: Nee. Ik werk hier niet meer, en bovendien zal meneer Gerrit de Weever u zo dadelijk iets gaan vertellen over omgangsvormen hier. En als laatste: het is ‘mevrouw Steenbeeke’ of ‘Mariëlle’. De nogal neerbuigende term ‘juffrouw’ gaat hier niet meer klinken, laat dát maar eens duidelijk zijn!” Haar ogen vlamden nu.

“Ach gut… het meisje komt los…” Een andere stem klonk.

Gerrit stond op en draaide zich om. “Wie was dat?” Een hand ging omhoog, een jonge knul. “Als je het niet eens bent met de zaken die gaan veranderen hier: dat mag, maar dan is dáár de deur. Dan nemen we vandaag nog afscheid van elkaar met als reden: ‘je past niet in het team’. Duidelijk?” Het bleef nu doodstil in de zaal. “Mooi. Als het niet duidelijk was geweest had je het nú kunnen zeggen. Mariëlle…?”

“Ik ben klaar, meneer.”

“Oké, dank je wel. Gonnie, aan jou het woord.”

Ik stond op en liep naar de katheder. Ik keek rond. Een aantal heren die neutraal keken, een aantal duidelijk nieuwsgierig en achterin een paar die zaten te fluisteren en af en toe met een afkeurende blik naar mij keken. Oké, als er weerstand kwam, kwam die daar vandaan. De dames hadden vrijwel allemaal een neutraal gezicht. Ja, dat haal je de koekoek…

“Dames en heren, goedemorgen. Ik ben Gonnie Peters, werkzaam bij jullie concurrent in Ede als administratief ondersteuner op bureau Opleiding en Ontwikkeling. Wat ik ook ben: afgestudeerd Bachelor Bedrijfseconomie aan de Hogeschool Utrecht. Mijn afstudeerscriptie ging over de effecten van werksfeer op de productie. Ik kreeg een paar weken terug het verzoek om me eens te gaan verdiepen in een samenwerkingsverband tussen beide bedrijven. En na een week stond ik in de directieruimte hier mijn bevindingen te presenteren. Toen nog puur gericht op de bedrijfsvoering en nog niet eens op de sfeer op de werkvloer…”

Ik zweeg heel even en vervolgde: “...hoewel ik daar al een beetje een indruk van had, toen ik het verhaal over Mariëlle hoorde van een van mijn collega’s die de cursus gaf. Mariëlle stak met kop en schouders boven een mannelijke collega uit; die pruimde dat niet en rara politiepet: woensdag werd Mariëlle ziek gemeld. En wat ik toen al vermoedde, werd net duidelijk: Ze was helemaal niet ziek, maar moest hier aan ’t werk. Wat wél ziek was: de sfeer. En ik wind er geen doekjes om:

Teun de Weever hield er een waar schrikbewind op na, samen met wat vriendjes. De Arbowet had hij blijkbaar bij het oud papier gegooid: van een aantal dames van de administratie werd geëist dat ze op zaterdag doorwerkten. Niet betaald. Met als excuus: ‘Dat hoort er gewoon bij.’ Er werd geëist dat u zich in een bepaald soort klederdracht moest hullen; dat slaat helemaal nergens op.

Natuurlijk mag een werkgever van zijn of haar personeel vragen om er fatsoenlijk uit te zien. Maar: lengte van rokken voorschrijven, welk kleur en soort panty, hoe men het haar dient dragen als getrouwd of ongetrouwde dame; de heren dag in dag uit in driedelig pak met stropdas… Daar heeft de werkgever niéts mee te maken. Als mijn vriend van mij zou eisen dat ik na onze trouwdag mijn haren zou afknippen, zou die trouwdag er niet eens komen. En een werkgever die dat van mij zou eisen, kon rekenen op tien vlijmscherp geslepen nagels in zijn toet…”

Een paar mensen lachten zachtjes. “Kortom: ik kwam achter een aantal zaken die compleet uit de tijd zijn, én een aantal zaken gewoon verboden zijn in Nederland. Ja, de Arbowet is lastig, zeker voor de werkgever, maar ook voor de werknemer. Maar waarom hebben we in Nederland al die ogenschijnlijk pietluttige regeltjes? Heel simpel: om te zorgen dat de werknemer ’s ochtend gezond op z’n werk komt en ’s avonds even gezond weer naar huis gaat. En niet omdat wij in Nederland zo 'soft' zijn, maar een tevreden en gezonde medewerker werkt beter. Het gaay dus puur om de economie. En bovendien: een medewerker in het ziekenhuis kort geld. Geld van de werkgever, want die moet loon doorbetalen én een eventuele vervanger ook nog eens betalen, maar een ziekenhuisopname kost de gemeenschap geld. Véél geld.

Al die zaken die ik op dat moment wist heb ik nogal duidelijk overgebracht aan Gerrit en aan zijn zoon Teun. En Teun was het daar duidelijk niet mee eens; zijn afscheidsspeech naar mij toe was: “Wij spreken elkaar nog wel eens, juffrouw.” Ik heb hem toen géén hand gegeven. Enfin…

Na nog een gesprek met Gerrit vroeg hij aan mijn directeur of die niet iemand wist om De Weever Automatisering eens door te lichten. En uiteindelijk werd ik dat, omdat beide heren geen zin hadden in zo’n interim-manager die voor 400 euro per uur drie weken lang koffie zit te leuten, een of ander bedrijfsmatig sjabloontje over De Weever Software drapeert en dan zijn factuur indient.

Maar… ik kon dat niet alleen, dus toen Mariëlle bij ons solliciteerde vroeg ik haar meteen om met mij mee te gaan. Zij kent het bedrijf van boven tot onder.” Ik zweeg even en hoorde wat gemompel op de achtergrond. Dus ik vervolgde: “En ja, zij kent ook u. En uw manier van optreden. Ik heb haar op het hart gedrukt hier geen kruistocht te gaan houden; dat wil ik persé niet. Ieder van u wil ik de kans geven om, indien nodig, zijn houding en ethos te veranderen en waar nodig te verbeteren. Wilt u of doet u dat niet: oké: dan scheiden uw wegen en die van De Weever Automatisering.

Ik haalde even adem en nam een slok water. Ondertussen keek ik rond.

"Aan u de keuze: u kunt dat vrijwillig doen, of wij merken dat u op de oude voet doorgaat met discrimineren, pesten en collega’s uitbuiten: dan vliegt u er uit. Zonder mooi getuigschrift, alleen met de reden: ‘U past niet meer in het team’. En in HR-land is dat, en ik zie uw hoofd Personeelszaken hier vlak voor me zitten en zij kan het bevestigen, het equivalent voor: ‘Je bent een lompe zak hooi.’ U zult Mariëlle en mij twee dagen in de week rond zien lopen en we gaan met een ieder van u het gesprek aan. Onbevangen en recht-voor-z’n-raap mag u vertellen wat u van de gang van zaken hier vindt, wat bestendigd moet worden en wat er beter kan.

En ik hoop over een maand of twee hier weer te zitten. En dan gaat Gerrit u vertellen wat er ondertussen veranderd is en wat er nog veranderd gaat worden. ten slotte is hij de directeur en heeft het laatste woord. Wij zijn slechts adviseur, verder niks. Zijn er vragen?”

Een jonge knul stond op. “Dan is dit vandaag mijn laatste dag hier. Ik vertik het om me door twee tiepmiepen de les te laten lezen. Wie gaat er mee?” Twee anderen stonden ook op. Gerrit zei droog: “Ik verwacht jullie ontslagbrieven dan vóór 12 uur op mijn bureau.” Mariëlle fluisterde me toe: “Twee programmeurs en de magazijnmedewerker. Meelopers van Teun.” Ik knikte neutraal, maar had ondertussen bewondering voor Gerrit; die liet ze dus hun ontslagbrief schrijven. Ze námen dus ontslag. En dat houdt in: geen WW. Maar of de heren dat wisten… Ik vroeg het me af. Hoe dan ook: die HR-mevrouw zou het druk krijgen...

Gerrit nam het woord weer. “Dames en heren: vanaf dit moment gaat hier dus een wat andere wind waaien. Ik hoop dat dat een verbetering is vergeleken met het laatste halve jaar. Als dat niet zo zou zijn, heb ik gefaald. En daar ben ik dan verantwoordelijk voor. Niemand anders. Maar ik hoop dat het niet zover komt en dat we over een paar maanden hier weer zitten en elkaar kunnen aankijken met een gezicht van: ‘Nou, dat hebben we toch maar gefikst met z’n allen. En dat ‘we’ bedoel ik letterlijk. Wij samen, niemand uitgezonderd. Ik wil dat we samen de schouders er onder zetten. En de eerste verandering gaat met ingang van nú in: jullie spreken mij aan met mijn voornaam. En die is Gerrit. En jullie spreken elkaar ook aan met de voornaam. Tenzij dat iemand kenbaar maakt dat hij of zij liever met de achternaam aangesproken wenst te worden; dan moet je dat accepteren.

Maar de term ‘juffrouw’ wil ik helemaal niet meer horen in mijn bedrijf, laat dat duidelijk zijn. En ja, dat zal wennen zijn, maar het is een eerste, kleine stap. Dank voor jullie aandacht. Ik stel voor dat we nu de koffiepauze maar laten ingaan en straks gewoon weer aan het werk gaan.”

Men stond op onder het nodige geroezemoes. Logisch… Na zo’n half uurtje zou ik ook behoefte hebben om mijn hart te luchten naar een collega. En waarschijnlijk kwam er van productie bij de Weever vandaag niet zoveel… Mariëlle en ik sloten achter aan bij de rij richting koffie. De drie dames voor ons keken wat schichtig achterom toen ze merkten wie er achter hen stonden.

Ik werd op mijn schouder getikt door meneer Joziassen. “Juffrouw Peters…”

Ik draaide me om en zei zachtjes: “Meneer Joziassen, volgens mij heeft u niet goed naar Gerrit geluisterd. De term ‘juffrouw’ zou hier niet meer klinken. Ik ben Gonnie Peters. U mag me aanspreken met ‘Gonnie’ of ‘mevrouw Peters’ als u dat liever heeft en afstand wil bewaren. Op ‘juffrouw’ reageer ik niet. Kiezen of delen.”

Ik draaide me weer om en vroeg aan Mariëlle: “Is de koffie uit die automaat een beetje te drinken of is thee een betere optie?”

“Ik drink hier nooit koffie. Altijd thee”, was haar korte antwoord. Zij had mijn woordenwisseling met Joziassen natuurlijk opgevangen en keek wat gespannen.

“Juffrouw Steenbeke, wil je even meekomen?” Joziassen weer.

Mariëlle deed alsof haar neus bloedde en reageerde niet. “Juffrouw Steenbeke!”

Nu klonk zijn stem duidelijk door de ruimte en een aantal mensen keken onze kant uit.

Joziassen ging vlak voor Mariëlle staan. “Als ik je roep, heb je te komen, juffrouw!”

Mariëlle keek hem aan; ze was een halve kop groter dan meneer Joziassen. “Wilt u even opzij gaan? Ik wil een beker thee inschenken.”

Hij werd rood. “Naar mijn bureau! Nú!”

Ik hield mijn mond; dit moest Mariëlle zelf oplossen. En dat deed ze. Op zachte toon zei ze: “Meneer, voor de duidelijkheid: ik werk hier niet meer. Ik werk in Ede. Gerrit heeft Gonnie en mij gevráágd om als hier consultant op te treden. Ik heb niets met u te maken, behalve dat wij u binnenkort graag willen spreken over uw kijk op dit bedrijf. Op een plaats en tijd die óns schikt, meneer Joziassen. De tijd dat u mij kon afbekken ligt achter u.”

Hij blééf rood. “Ik heb nog wel wat invloed, juffrouw. Vergis je niet.”

Nu bemoeide ik me er wél mee. “Invloed, meneer? Bij wie? Bij Teun? Die is exit, dat weet nu zo goed als ik. Zit nu ergens in een ‘bakhuus’ van een boerderij hier in de buurt te overpeinzen hoeveel keren hij de fout is ingegaan. Geen directeurtje meer spelen, geen baan, negatief studieadvies op het HBO, dus einde opleiding, huwelijk naar de knoppen en financieel zal het er ook niet zo fraai uitzien. Invloed hier in het bedrijf? Daar heeft u niets aan; Mariëlle werkt bij ons, in Ede, en doet hier samen met mij een klus. En als ons tegen gaat werken, hoort Gerrit dat onmiddellijk. En dan mag u uw ‘invloed’ bij hem eens uitproberen. Succes er mee. En verder volgt hier mijn eerste advies: ik adviseer u om uw onderhuidse dreigementen voor u te houden.”

Ik draaide me om. “Kom Mar, je thee tappen.”

Achter mij hoorde ik hem weglopen. Mooi, die wist waar hij aan toe was. Mariëlle nam me mee naar haar voormalige collega’s van de administratie. Stuk voor stuk jonge meiden en nog gekleed volgens de voorschriften van Teun. Lange rokken, donkere kousen, lange sluike haren in een staart, zonder make-up en stuk voor stuk schichtig naar mij kijkend. Mariëlle probeerde hen op hun gemak te stellen, maar dat was nog niet zo makkelijk. Nou ja, we zaten in de kantine, omgeven door een aantal mannen, dus…

Ik besloot om hen als eerste te spreken. “Dames… Mariëlle en ik moeten dit bedrijf herstructureren. En daarvoor willen wij iedereen spreken. Gerrit heeft ons daartoe de vrije hand gegeven: de administratie lijkt me een goed begin daarvoor. Ik heb al wat van Mariëlle opgevangen, maar zou graag ook jullie mening willen horen. Kan dat, zo dadelijk na de koffie?” Een van de meisjes keek schichtig. “Ik weet niet of meneer Vaassen dat goed vindt… Of zit hij erbij?”

Ik schudde mijn hoofd. “Nee. Jullie kunnen vrijuit spreken; wij maken natuurlijk aantekeningen, maar noemen in ons verslag geen namen. En ik zeg wel even tegen meneer Vaassen dat jullie een uurtje bij mij zitten.” Ik glimlachte. “Op het vroegere kantoor van Teun.” Mariëlle wees. “Dáár zit meneer Vaassen. Bij de andere bureauhoofden.”

Ik knikte. “Mooi, dan zal ik die ook even vertellen dat zij hun personeel de komende dagen even kwijt zijn.” Ik stond op en liep naar het tafeltje toe. “Meneer Vaassen?” Hij keek op. “Mevrouw Peters?” Mooi, die snapte het in ieder geval. “Meneer Vaassen ik neem na de koffie de administratieve medewerksters even mee. Ik doe hier een soort bedrijfsmatige audit, zoals u gehoord heeft en daarbij wil ik ál het personeel spreken. Zónder hun directe chef.”

Hij knikte. “Geen probleem. Hoe lang duurt dat?” “Afhankelijk wat de dames te vertellen hebben: laten we zeggen hooguit tot de middagpauze. Na de middagpauze willen wij graag wat dingen van u weten. Duurt hooguit een uur.”

“Oké, geen punt, mevrouw.”

Ik keek de andere heren aan. “En dat geldt ook voor u: vandaag of morgen en anders volgende week bent u het personeel van uw afdeling een paar uurtjes aan Mariëlle en mij kwijt. Daarna willen we u graag spreken over de zaken hier. Ik neem aan dat dat geen probleem is.”

Mevrouw Garrits, de HR-manager, protesteerde. “Mijn assistente gaat niét met u spreken, mevrouw. En ik ook niet. Teveel personeelsvertrouwelijke informatie.”

Ik keek haar aan. “Uw assistente en u komen één voor één met ons te spreken, mevrouw. Ik maak geen uitzonderingen, ook niet voor iemand met ‘vertrouwelijke informatie’. Ik wil spreken over de beddrijfsvoering hier. Ik wil namen, geboortedata of telefoonnummers van de medewerkers; die mag u opgeborgen houden ik de kluis. Als u daar bezwaar tegen heeft, mag u dat kenbaar maken bij de heer De Weever.”

Ik laste een korte pauze in en vervolgde: “Senior, voor de duidelijkheid. Ik weet al wat zijn antwoord zal zijn.”

Ik keek het kringetje rond. “U kunt via de mail vernemen wanneer wij met wie willen spreken. En daar bent u niet bij; ik wil dat ze vrijuit kunnen spreken.”

Meneer Joziassen liep rood aan. “Mijn personeel gaat niet met een voormalig meisje van de administratie praten, mevrouw. Dat verbied ik.” Even ademhalen, Gon… Niet meteen uitbarsten…

“Meneer, voor u geldt hetzelfde als ik net tegen mevrouw Garrits zei: u mag u beklagen bij Gerrit. Dan hoort u wat hij ervan denkt. En tot slot: het is niet úw personeel, meneer. Slavernij is in Nederland in 1863 afgeschaft.”

Ik zweeg even en vervolgde toen zachtjes: “Hoewel er mensen zijn die daar anders over denken, heb ik recent gemerkt.” Ik keek rond. “Nog meer heren die bezwaren hebben? Dan weet u wat u te doen staat.”

Het bleef stil.

“Mooi. Dank voor uw spontane medewerking.”

Ik kon er niets aan doen, maar de laatste zin kwam er nogal sarcastisch uit. Ik liep terug naar Mariëlle en de dames van de administratie...
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Durf jij met oma te flirten?
Durf jij met oma te flirten?