Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Raven Fox
Datum: 23-03-2026 | Cijfer: 9.2 | Gelezen: 1635
Lengte: Lang | Leestijd: 18 minuten | Lezers Online: 9
Trefwoord(en): Verlangen,
Verlangen
Hoofdstuk 1 — Eerste dag

Sara stapte uit de trein en voelde meteen de koude regen in haar nek. Het perron rook naar nat metaal en uitlaatgassen.

Thuis rook het naar hooi en modder en stilte die je kon aanraken. Hier ruikt alles naar haast, naar mensen die al weten waar ze naartoe gaan. Ik weet niet of ik dat eng vind of juist verslavend. Alsof ik eindelijk mag vallen zonder dat iemand me opvangt.

Ze sleepte haar koffer vier trappen op. De kamer was kleiner dan beloofd: een eenpersoonsbed dat kraakte, een bureau dat wiebelde als je er te hard op leunde, een raam dat uitzicht gaf op een binnenplaats vol roestige fietsen en vuilniszakken die al weken niet geleegd waren. Ze ging zitten op de rand van het matras en staarde naar de muur.

Ik ben hier. Alleen. Niemand die vraagt hoe laat ik thuis ben. Niemand die controleert of ik bid voor het eten. Niemand die zegt: Sara, je moet je gedragen. En toch voel ik me… bekeken. Alsof de vrijheid zelf me observeert en wacht tot ik iets doe wat niet mag. Alsof ik eindelijk mag kiezen en tegelijk bang ben dat ik het verkeerd kies.

Ze belde haar moeder. “Alles goed, ja. De kamer is mooi. Nee, nog niet gegeten.” Ze hing op voordat er meer vragen kwamen en bleef lang zitten in het stille kamertje terwijl de stad buiten doorging zonder haar te kennen.

Dit is wat ik wilde. Dit lege, grote, naamloze. Waarom voelt het dan zo veel als vallen? Alsof ik in een lift sta die naar beneden gaat en ik weet niet waar de stopknop zit.

De eerste collegeweek was een waas van gezichten en gangen. Ze koos altijd de middelste rij — niet te eager, niet te onzichtbaar. In zaal C-114 zat ze stil, pen in de aanslag, toen de deur openging.

Thomas Brouwer liep naar voren zonder een woord te verspillen. Geen powerpoint. Geen grapjes om de zaal los te krijgen. Hij zette zijn tas neer, keek de zaal in en begon.

“Psychologie begint niet met feiten. Het begint met de leugen die je jezelf vertelt om ’s ochtends op te staan.”

Sara’s pen stopte.

Hij kijkt dwars door me heen. Alsof hij al weet wat ik vannacht heb gedroomd. Alsof hij de leugen al ziet voordat ik haar heb geformuleerd. Zijn stem is laag en gelijkmatig, maar hij vult de hele zaal. Ik voel hem in mijn borstkas. Dit is niet normaal. Dit is gevaarlijk op een manier die ik nog niet eens kan benoemen.

Ze schreef alleen zijn naam. Drie keer. Streepte hem door. Schreef hem opnieuw, kleiner dit keer, alsof kleiner schrijven hem minder echt maakte.

Stop. Dit is mijn professor. Dit is niet thuis waar je stiekem naar de buurjongen kijkt en dan bidt om vergeving. Dit is een man die weet wie hij is. En ik weet niet eens wie ik ben als ik naar hem kijk.

Hij had bruin krullend haar, een baard die hij had bijgehouden maar niet overdreven had verzorgd, groene ogen die de ruimte namen zonder er iets voor te vragen.

Iemand die wist wie hij was zonder dat het hem moeite kostte. Thuis was zekerheid iets wat mensen over je uitspraken. Dit was anders. Dit zat van binnenuit.

Ik wil dat hij me ziet. Eén seconde maar. Meer heb ik niet nodig. En tegelijk wil ik dat hij nooit kijkt, want wat als hij ziet wat ik voel?

Na de les pakte ze haar spullen langzaam in. Er was geen reden om te blijven.

Ze bleef toch.

Ik wacht op niets. Ik wacht op hem. Dat zijn niet dezelfde dingen en ik doe alsof ze dat wel zijn.

Buiten op de gang zei ze tegen zichzelf dat het bewondering was. Ze had nog nooit een goede docent gehad — iemand die het vak met overtuiging droeg. Dat was het. Dat was alles.

Maar waarom voel ik het dan in mijn buik? Waarom word ik warm als hij een zin afmaakt? Dit is geen bewondering. Dit is iets dat ik niet mag hebben.

Ze opende haar notitieboek bij de bushalte. Zijn naam stond er drie keer in. Doorgestreept en herschreven.

Ze deed het boek dicht.

Ik stop ermee. Morgen schrijf ik alleen de stof op. Niets meer.

Ze wist al dat ze loog.

Hoofdstuk 2 — Routine

De weken kropen voorbij. Routine werd houvast: ochtenden met bittere koffie in de gedeelde keuken waar iedereen langs elkaar heen leefde, avonden in de bibliotheek waar het stil was genoeg om je eigen gedachten te horen, dinsdagen en zaterdagen in de sportschool aan de Lijnbaan, tien minuten fietsen.

Ik sport omdat het lichaam iets is dat ik kan beheersen. Hier ben ik niemands dochter, niemands gelovige, niemands voorbeeld. Ik ben een lichaam dat beweegt tussen andere lichamen. En dat voelt veilig. Tot het niet meer veilig voelt.

Op de derde zaterdag stond ze bij de kabelmachine toen iemand naast haar wachtte.

“Sorry, ben je nog lang bezig?”

Blond haar in een staart, ergens begin veertig. Een rust over zich heen die niet arrogant was maar gewoon zeker — het soort zekerheid dat niet hoeft te worden bewezen. Blauwe ogen die vroegen zonder te eisen.

“Nee, ik was klaar,” zei Sara.

De vrouw stelde zich voor als Elena. Ze vroeg niet naar studie of cijfers of plannen. Ze vroeg waar Sara vandaan kwam, of de stad meeviel, of ze al had ontdekt waar je goed kon ontbijten op zondag. Kleine vragen die toch ruimte maakten.

Ze vraagt niet wat ik later wil worden. Ze vraagt hoe ik slaap. Waarom voelt dat als een cadeau? Thuis werden vragen gesteld als gereedschap om je te meten. Dit voelt als iets anders. Iets warms. Iets dat ik niet vertrouw omdat het te goed voelt.

Na twintig minuten gaf Elena haar nummer. “Als je een keer wilt sporten met iemand die het tempo bijhoudt.”

Sara sloeg het op en voelde een tinteling die ze niet helemaal wist te plaatsen — iets lager dan vriendschap, iets dat ze wegredeneerde terwijl het er al was.

Dit is vriendschap. Meer niet. Toch? Maar waarom kijk ik naar haar mond als ze lacht? Waarom denk ik aan hoe haar hand zou voelen als ze me aanraakt? Stop. Dit is niet wie ik ben.

In de weken erna werd het een gewoonte. Elena was altijd al opgewarmd als Sara arriveerde. Ze sportten naast elkaar en na afloop stonden ze buiten in de frisse lucht en praatten. Elena luisterde op een manier die gewicht gaf aan wat Sara zei — niet door veel te reageren, maar door echt stil te zijn. Aandacht als iets tastbaars.

“Vind je het moeilijk, zo ver van huis?” vroeg Elena op een woensdagochtend.

“Soms. Maar ook niet. Thuis was overzichtelijk. Hier is alles groter maar ook minder voorspelbaar.”

“En dat vind je prettig of vermoeiend?”

Ze stelt de vraag achter de vraag. Niemand doet dat. Niemand kijkt zo diep zonder oordeel.

“Allebei tegelijk,” zei Sara.

Elena knikte langzaam. “Dat is een eerlijk antwoord.”

Sara keek naar haar handen en dacht: Ik ben niet gewend aan mensen die mijn eerlijkheid niet meteen willen gladstrijken. Ik ben niet gewend aan iemand die me laat bestaan zoals ik ben. En dat maakt me bang. Want wat als ik ga willen dat ze blijft kijken?

Ze fietste die avond naar huis en merkte dat ze glimlachte zonder aanleiding, en dat het glimlachen zelf haar licht onrustig maakte.

Ik kijk uit naar haar. Ik telde de dagen tot zaterdag. Dat doe je niet met een vriendin. Of wel? Ik weet het niet meer.

Ze schreef het niet op. Ze dacht het en liet het oplossen in de regen.


Er was een donderdagmiddag waarop ze koffie dronken na het sporten en Elena vroeg of Sara’s schouders altijd zo gespannen waren.

“Mag ik?” zei Elena, en ze stak al haar hand uit.

Sara knikte.

Elena’s vingers vonden de knoop tussen haar nek en schouder en drukten langzaam. Sara voelde hoe haar adem veranderde — dieper, onvrijwillig.

Dit is normaal. Mensen raken elkaar aan. Dit is gewoon. Maar waarom voel ik het overal? Waarom wil ik dat haar hand lager gaat? Waarom stop ik haar niet?

“Beter?” zei Elena.

“Ja,” zei Sara. Haar stem klonk vlakker dan ze bedoelde.

Elena trok haar hand terug en pakte haar koffie alsof er niets was gebeurd. Sara deed hetzelfde. Ze praatten verder over iets anders — een tentoonstelling, een straat die Sara nog niet kende — en onder het gesprek was er iets wat niet werd uitgesproken maar ook niet verdween.

Ze weet wat ze doet. Of ze weet het niet en ik ben degene die het zo maakt. Ik weet niet wat erger is. Maar ik kom terug. Elke keer weer.

Hoofdstuk 3 — Parallelle werelden

Het huis was groot genoeg om elkaar te missen.

Dat was niet altijd zo geweest. In het begin — de eerste jaren na het huwelijk, de jaren van plannen en bijstellen en opnieuw plannen — hadden ze dezelfde ruimtes gevuld met dezelfde energie. Thomas die achter haar aanliep in de keuken. Elena die zijn das rechttrok voor hij vertrok. Kleine rituelen die zeiden: ik zie je.

Nu zei het huis andere dingen.

Thomas at laat. Hij had het altijd al gedaan, maar vroeger hadden ze gewacht op elkaar. Nu warmde Elena haar eten op om zeven uur en liet een bord voor hem in de oven staan. Hij at om negen uur aan het aanrecht terwijl hij zijn laptop open had. Ze lagen tegelijk in bed en lazen allebei iets en soms raakten hun armen elkaar aan en soms niet.

Ze waren niet ongelukkig. Dat was het moeilijkste om uit te leggen — aan zichzelf, want aan niemand anders legde ze het uit. Er was geen ruzie, geen verwijt, geen grote kloof. Er was iets dat langzaam koeler was geworden, als koffie die je vergeet te drinken.

Elena draaide zich om in het donker en keek naar het plafond.

Ze dacht aan haar vriendinnen — Marieke met haar drie kinderen, Sophie die net haar tweede had gekregen, Lotte die alleen al bij het noemen van haar oudste straalde op een manier die Elena niet meer kon aankijken zonder iets te voelen wat te veel leek op verdriet. Ze waren allemaal ergens ingegaan wat voor haar dicht was gebleven. Niet door keuze. Gewoon — dicht.

Ze had het een tijd geleden losgelaten. Of ze had geprobeerd het los te laten.

Maar er was iets anders. Iets wat ze dieper had weggestopt dan het kinderverdriet omdat het minder uitlegbaar voelde. Een nieuwsgierigheid. Een trekking. Naar vrouwen — niet abstract, maar concreet, in flitsen die ze snel wegdrukte als ze kwamen. Op het strand. In de kleedkamer. In dromen die ze bij het wakker worden meteen vergat.

Ze had het Thomas nooit verteld. Ze wist niet hoe. Ze wist niet of hij het zou begrijpen of dat het alles zou veranderen in iets wat ze niet wilde.

Ze sloot haar ogen.

Ze dacht aan de jonge vrouw in de sportschool. Rood haar, sproetjes, iets in haar ogen dat zocht zonder te weten waarnaar. Elena had dat herkend. Ze had het niet laten zien.

Ze dacht aan de manier waarop Sara’s adem had veranderd onder haar hand.

Naast haar haalde Thomas gelijkmatig adem. Al slapend.

Elena bleef wakker.

Thomas droomde niet, of hij herinnerde het zich niet. Hij sliep zoals hij alles deed — geordend, efficiënt, zonder overtollige beweging. Om vijf over vijf was hij wakker, precies zoals gepland.

Hij liep naar de badkamer zonder het licht aan te doen. Keek in de spiegel in het schemerduister. Vijfenveertig jaar. Hij had zijn leven onderhouden zoals hij zijn lichaam onderhield: met discipline en weinig klachten.

Maar er waren dingen die hij niet hardop dacht.

Dat het bed te stil was geworden. Dat Elena hem aankeek alsof ze iets wilde zeggen en het dan niet zei. Dat hij de afgelopen maanden minder had aangeraakt dan daarvoor, niet uit onverschilligheid maar omdat het initiatief aanvoelde als iets wat kon worden afgewezen, en hij niet wist hoe hij daarmee om moest gaan.

Controle was zijn taal. In zijn werk, in zijn lijf, in de slaapkamer als ze dat nog hadden. Elena had dat vroeger gewild. Nu week ze er subtiel van af. Er was een voorzichtigheid die hij niet kon plaatsen maar wel voelde.

Hij douchte koud. Kleedde zich aan. Zette koffie.

Hij dacht niet aan zijn studente. Hij lette erop dat hij er niet aan dacht.

Dat lukte bijna

Hoofdstuk 4 — Spanning

Op college bleef Thomas een magneet.

Sara had een systeem ontwikkeld — aantekeningen die verder gingen dan het dictaat, eigen gedachten in de kantlijn, verbindingen die ze legde en later nooit teruglas.

Maar haar ogen bleven teruggaan naar hem. Naar zijn handen als hij schreef. Naar de manier waarop hij sprak zonder aantekeningen te raadplegen, alsof de stof in hem zat.

Hij scande de zaal en soms bleef zijn blik een halve seconde langer op mij hangen. Of beeld ik me dat in? Hij ziet me. Hij ziet me niet. Hij mag me niet zien. Maar god, ik wil dat hij kijkt. Ik wil dat hij me ziet zoals Elena me ziet — alsof ik het waard ben om naar te kijken. En dat maakt me kapot, want nu zitten ze allebei in mijn hoofd. Op dezelfde plek. Op dezelfde manier.

Ze schrok van de gedachte. Elena en Thomas in dezelfde zin, in haar hoofd, op dezelfde manier.

Wat doe ik? Ik kan niet twee mensen tegelijk willen. Dat mag niet. Dat is niet wie ik ben. Of wel?

De spanning bouwde zich op in kleine dingen: een vraag die hij stelde en waarop zij antwoordde met trillende stem, een stilte na college waarin ze te lang bleef zitten en hij te lang bleef staan.

Dit is niets. Dit is bewondering. Dit is een fase. Maar waarom word ik elke dinsdagavond onrustig als ik aan zijn stem denk? En waarom denk ik op zaterdagochtend aan de warmte van Elena’s hand terwijl ik slaap? Ik heb twee mensen in mijn hoofd en ik pas er niet meer alleen in.

Het was na een college over cognitieve dissonantie. De zaal liep leeg. Sara pakte langzaam in.

“Je schrijft meer dan je nodig hebt.”

Ze keek op. Thomas stond bij de tafel, zijn tas al gesloten.

“Ik denk liever door dan af,” zei ze.

“Wat betekent dat?”

“Als ik alleen opschrijf wat er staat, begrijp ik het niet echt. Ik moet het ergens naartoe schrijven.”

Hij knikte langzaam. “Laat je het zien.”

Ze liep naar voren. De lege zaal was groot om hen heen. Hij boog zich over het notitieboek — zijn vinger volgde een regel: dissonantie als bescherming — niet de fout vermijden maar het gevoel van de fout.

Zijn hand is tien centimeter van mijn hand. Ik tel de centimeters. Ik schaam me dat ik tel. Ik schaam me dat ik wil dat hij dichterbij komt.

“Dit is een interessante redenering.”

“Ik weet niet of het klopt.”

“Dat maakt het interessanter, niet minder.” Hij rechtte zijn rug en keek haar aan. Groen op groen. “Hoe heet je?”

“Sara Vermeer.”

“Kom volgende week langs na het college als je de redenering wilt doordenken. Ik heb dan een kwartier.”

“Oké,” zei ze.

Oké. Alsof het een kleine toezegging is. Alsof ik niet al weet dat ik er de rest van de week aan zal denken. Alsof ik niet al fantaseer over wat er gebeurt als we alleen zijn in deze zaal.

Hij pakte zijn tas en liep de zaal uit. Sara bleef bij de tafel staan en keek naar de deur die langzaam dichtviel.

Diezelfde avond belde Elena.

Ze praatten tien minuten over niets. Sara zat op haar bed met haar knieën opgetrokken.

“Hoe was je dag?” vroeg Elena.

Ik dacht aan jou en aan hem. Tegelijk. Op manieren die ik niet hardop kan zeggen. Aan jouw hand op mijn schouder. Aan zijn vinger op mijn aantekeningen. Aan hoe jullie allebei iets in me wakker maken dat ik niet mag hebben.

“Opmerkelijk,” zei ze.

“Vertel.”

“Er is een professor die mijn aantekeningen las en zei dat ze interessant waren.”

“Klinkt als iemand die je aandacht wil.”

“Hij geeft college. Dat is zijn werk.”

“Mmm.” Elena’s stem had iets — geen oordeel, geen vraag, maar een ruimte die ze open liet. “Hoe heet hij?”

“Brouwer. Thomas Brouwer.”

Een stilte. Zo kort dat Sara hem niet opmerkte.

Maar Elena liet hem wel vallen. Een stilte als een keuze.

“Klinkt als een interessant semester,” zei Elena.

Sara hing op en bleef lang op de rand van haar bed zitten. Ze dacht aan zijn naam in Elena’s mond. Ze dacht aan Elena’s hand op haar schouder. Ze dacht aan de lege zaal en de tien centimeter.

Ik ben net achttien jaar en ik weet al niet meer wie ik aan het worden ben. Ik wil ze allebei. En dat maakt me bang. En dat windt me op. En ik weet niet hoe ik daarmee moet stoppen.

Ze deed het licht uit.

Ze sliep slecht en droomde over stemmen die ze herkende maar niet kon thuisbrengen.
Trefwoord(en): Verlangen, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...