Houd jij ook van een beetje kinky?
Donkere Modus
Door: Leen
Datum: 23-01-2026 | Cijfer: 9.1 | Gelezen: 1509
Lengte: Lang | Leestijd: 26 minuten | Lezers Online: 4
Trefwoord(en): Dagboek, Dwang, Verkracht,
Vervolg op: Mijn Held - 1
Hoor je dat? Het is een symfonie van puur, onversneden geluk. Buiten, achter het glas van het slaapkamerraam, vieren de vogels het leven met een overgave die bijna beledigend is. Een merel zet een aria in die trilt van levenslust, beantwoord door het vinnige gekwetter van mussen in de heg. Het is het geluid van een wereld die klopt, die ademt, die ongecompliceerd is. De zon werpt haar eerste, goudgele stralen door de kieren van de gordijnen en tekent vrolijke patronen op het behang. Als je je ogen dicht zou houden, zou je zweren dat dit het begin is van een idyllische zomerdag, zo’n dag die ruikt naar vers gemaaid gras en beloftes.

Maar de idylle stopt bij de drempel van mijn bewustzijn. Zodra ik mijn ogen open, slaat de realiteit in als een koude golf van zoutzuur. De vrolijkheid van de vogels voelt als een hoon, een snerpende aanval op mijn toestand. Het licht is te fel, te wit, te aanwezig. Ik wil terug. Ik wil mijn oogleden dichtmetselen en terugvluchten naar de droomloze, zwarte diepte waar ik de afgelopen uren in verborgen was. Ik probeer mijn ademhaling zo oppervlakkig mogelijk te houden, een wanhopige poging om de tijd te bevriezen. Gewoon nog even "slapen". Niet om uit te rusten, maar om op te houden met zijn. Om een steen te zijn, een object zonder zenuwen, een ding zonder gisteren.

Maar het lichaam is een verrader. Een onvermoeibare, wrede verrader. Mijn geest smeekt om vernietiging, om stilte, om een pauze van het bestaan, maar mijn lichaam weigert de dienst op te geven. Het is een autonome machine die tegen mijn wil in blijft functioneren. Mijn hart slaat koppig door, boem-boem, boem-boem, een ritme dat ik haat omdat het de klok van mijn lijden tikt. Mijn longen zuigen de lucht naar binnen, ook al voelt die lucht als glasscherven die mijn luchtwegen openhalen. Het lichaam houdt de herinnering vast, ook als het brein wil dissociëren. Het archiveert elke schok, elke impact, elke vernedering in de weefsels van mijn spieren en de holtes van mijn botten.

Ik begin aan de inventarisatie, de kille scan van de ravage. Mijn buik is het epicentrum. Daar waar zijn vuist gisteravond landde, pulseert nu een doffe, misselijkmakende pijn. Het voelt alsof mijn ingewanden zijn veranderd in een gekneusd, vloeibaar moeras. Bij elke ademhaling trekt de pijn als een vlijmscherp mes door mijn middenrif, een herinnering aan de impact die de lucht uit mijn longen perste tot ik alleen nog maar kon gorgelen op de grond. En dan is er mijn rug, waar zijn laars landde toen ik al weerloos op de tegels lag. Het is een gloeiende, elektrische brand die mijn hele wervelkolom in een ijzeren greep houdt. Ik voel me psychologisch geamputeerd. Het deel van mij dat recht had op veiligheid, op integriteit, op een 'ik', is weggesneden door zijn geweld. Mijn lichaam is niet meer van mij; het is een terreurgebied dat door hem is geclaimd.

Naast me hoor ik zijn ademhaling. Het is een geluid dat me tegelijkertijd doet huiveren en verlammen. Hij ademt rustig. Regelmatig. Tevreden. Het monster slaapt de diepe, ongestoorde slaap van de rechtvaardige, een slaap die een brute belediging is voor de ravage die hij een paar uur geleden heeft aangericht. Zijn arm ligt zwaar en bezitterig over de deken, dezelfde hand die vannacht bezit van me nam terwijl ik daar lag als een lijk — verstijfd, weggevlucht uit mijn eigen vlees, starend naar een barst in het plafond om maar niet te hoeven voelen hoe hij me gebruikte als een lozingsplek voor zijn frustraties. De geur van hem — een mengeling van zware slaap en verschraalde alcohol — hangt als een verstikkende mist in de kamer, een territorium dat hij heeft afgebakend.

Het is een sadistische ironie: de man die mijn wereld tot een slagveld heeft gereduceerd, ligt hier met de onschuld van een pasgeboren kind te snurken. Hij heeft geen nachtmerries. Hij heeft geen flitsen van de doodsangst in mijn ogen. Voor hem was gisteravond slechts een noodzakelijke correctie, een manier om de orde te herstellen. En nu rust hij uit, klaar om straks weer de 'held' te spelen voor de buren.

Dit is de rauwe, kloppende kern van de giftige band. Het is geen liefde, maar een biochemische gijzeling. De man die me gisteravond vertrapte, is op dit moment de enige persoon in wiens nabijheid ik besta. Mijn hele zenuwstelsel is gekoppeld aan het zijne. Ik haat hem met elke vezel in mijn lichaam, een haat die zo puur is dat hij brandt, maar tegelijkertijd luistert mijn overlevingsinstinct met een ziekelijke obsessie naar zijn ademhaling. Ik monitor het ritme van zijn gesnurk zoals een gevangene het geluid van de sleutels van de bewaker monitort. Is hij nog diep weg? Is de storm werkelijk gaan liggen?

Mijn systeem is verslaafd geraakt aan de afwezigheid van pijn. De rust die hij nu uitstraalt, is mijn enige vorm van 'veiligheid', ook al is hij zelf de bron van het gevaar. Het is een verwoestende paradox: ik zoek mijn bevestiging bij mijn beul. Ik functioneer alleen nog maar in relatie tot zijn behoeften, zijn stemmingen, zijn grillen. Ik ben een satelliet die rond zijn duisternis draait, altijd zoekend naar het moment waarop hij me niet zal slaan. Dat moment is mijn enige beloning. Ik besta niet meer voor mezelf; ik besta alleen nog als de spiegel van zijn macht. De onmogelijkheid van mijn bestaan wordt hier, in de kille ochtendstilte naast hem, bijna tastbaar. Ik ben een levende dode, een geest in een bed dat nooit meer van mij zal zijn.

Ik kan het niet langer uitstellen. De zon wordt feller, een agressieve indringer die door de kieren van het weefsel snijdt. De vogels buiten voeren hun volume op; hun gezang klinkt nu als een snerpend alarm dat aangeeft dat de tijd van verlamming voorbij is. De machine moet gaan draaien. Het is geen keuze, het is een fysiologische noodzaak. Zodra de eerste straal licht mijn gezicht raakt, wordt de interne schakelaar omgezet. Veel tijd om na te denken over de pijn in mijn buik of de brand in mijn rug heb ik niet. Reflectie is een luxe die ik me niet kan veroorloven; voor een slachtoffer is introspectie een doodlopende weg die leidt naar vertraging, en vertraging is in dit huis synoniem voor gevaar.

Er wordt van mij verwacht dat ik de architect ben van een vlekkeloze realiteit. Dat is de essentie van mijn bestaan geworden: een voortdurende oefening in schadebeperking. Ik ben niet langer een mens met verlangens of dromen; ik ben gereduceerd tot een preventieve maatregel, een menselijk stootkussen tussen zijn onderhuidse frustratie en de rest van de wereld. Mijn taak is het absorberen van de schokgolven van zijn humeur voordat ze de muren van ons huis kunnen doen trillen. Ik moet de lucht zuiveren voordat hij erdoorheen ademt. Ik ben de filter die zijn duisternis moet opvangen, zodat er naar buiten toe alleen een helder, sereen licht schijnt.

Deze rol begint bij het allereerste bewustzijn. Er wordt van mij verwacht dat ik opsta voordat hij zijn ogen opent. Het is een ongeschreven wet die zwaarder weegt dan welk wetboek dan ook, een sacraal ritueel van onderwerping. De stilte waarin ik moet opereren is topsport. De vloerplanken in de gang hebben elk hun eigen karakter, hun eigen verraderlijke stem; ik ken ze allemaal. Ik weet precies waar ik mijn gewicht moet plaatsen om die ene zachte krak te vermijden die hem uit zijn slaap zou kunnen rukken. Ik beweeg als een schim, een gewichtloos wezen dat de moleculen in de lucht niet verstoort. Elke stap is een berekening, elke ademhaling een beheersing. Als ik geluid maak, faal ik. En falen betekent een einde aan de fragiele vrede van de ochtend.

In de badkamer begint de reconstructie van een mens. Ik kijk in de spiegel en zie de ruïne van gisteravond, maar ik heb geen recht op rouw. Ik heb alleen de plicht tot camouflage. Ik breng laag na laag concealer aan. Het is geen make-up; het is plamuur voor een vervallen gevel. Ik moet de paarsblauwe vlekken in mijn zij onzichtbaar maken onder kleding, maar mijn gezicht is het belangrijkste front. De schaduwen onder mijn ogen, de lichte zwelling bij mijn kaak — alles moet weg. Er wordt van mij verwacht dat ik straal. Dat ik eruitzie als de vrouw van een held, niet als de prooi van een monster. Als ik een fout maak in deze maskerade, als er een spoortje van mijn werkelijkheid door de poeder heen schemerde, dan faal ik in mijn taak om hem te beschermen tegen zijn eigen spiegelbeeld. En als hij zichzelf in mij ziet en walgt, dan zal hij die walging opnieuw op mij botvieren. Mijn perfectie is mijn enige pantser.

De trui moet de juiste kraag hebben. De mouwen moeten lang genoeg zijn, zelfs als ik de koffie inschenk. Mijn haar moet precies zo vallen dat de plekken in mijn nek, waar zijn vingers gisteravond hun afdruk achterlieten, verborgen blijven voor de toevallige blik van een buurman door het keukenraam. Ik herschik mijn gezicht in de plooi van 'vriendelijke gedienstigheid'. Het porseleinen masker moet zo geloofwaardig zijn dat ik er zelf bijna in begin te geloven.

Dit is hoe ik overleef: door de verwachting te overtreffen. Als het huis ruikt naar verse koffie en versgebakken brood op het moment dat hij de trap afkomt, dan geef ik hem geen munitie. Als de tafel gedekt is met de precisie van een operatiekamer, met de messen exact parallel aan de borden en geen enkele kruimel op het tafellaken, dan ontneem ik hem de 'reden' om uit te vallen. Ik ben een hyper-waakzame computer geworden die constant de omgeving scant op potentiële triggers. Is het licht niet te fel? Staat de radio zacht genoeg? Is zijn uniform gestreken en klaar?

Mijn hele zijn is gericht op het reguleren van zijn zenuwstelsel. Ik heb mijn eigen emoties, mijn eigen pijn en mijn eigen wil geofferd op het altaar van zijn grillen. Ik ben psychologisch geamputeerd; de 'ik' die grenzen had, is weggesneden zodat ik naadloos in de mal van zijn verwachtingen pas. Ik doe dit niet uit liefde, en zelfs niet uit loyaliteit. Ik doe dit uit een oeroude, dierlijke angst. Ik ben de dompteur die de leeuw voert met haar eigen vlees, in de hoop dat hij vandaag genoeg verzadigd is om niet te bijten.

Ik verlaat de badkamer als een schim en zweef door de gang, muren mijdend alsof ze van messen zijn gemaakt. In de keuken is het licht ongenadig. De witte TL-buis flikkert een fractie van een seconde voordat hij met een harde, metalige klik de ruimte vult met een kille, klinische gloed. Dit licht is een getuige die niet wegkijkt. Het is de schijnwerper in een verhoorkamer. Het accentueert elke barst in het aanrechtblad, elke vlek op de vloer, precies zoals de pijn in mijn buik elke seconde van mijn bestaan accentueert.

Mijn handen bewegen buiten mijn wil om, alsof ze bestuurd worden door onzichtbare draden vanuit een duister controlecentrum. Ik zie ze de glazen kan van het koffiezetapparaat onder de kraan houden. Het water klettert op het glas – een geluid dat in de doodse stilte van die ochtend klinkt als een waterval, veel te luid, veel te agressief, een aanval op mijn getraumatiseerde zenuwen. Ik doseer de koffie met de precisie van een apotheker die vergif mengt. Eén schepje voor de schijn. Twee voor de kracht die ik niet heb. Drie om de gapende leegte in mijn binnenste te vullen. De handelingen zijn ritueel; ze zijn de enige manier om de chaos te bezweren. Zolang ik koffiezet, ben ik een vrouw die koffiezet. Zolang ik de filters in de houder leg, ben ik onderdeel van de 'normale' wereld. De wereld waar mensen ontbijten en praten over hun plannen voor de dag, terwijl mijn enige plan is om de volgende tien minuten zonder nieuwe verwondingen door te komen.

Maar ik ben een bedrieger. Ik ben een machine geworden. Een biologisch mechanisme dat geprogrammeerd is om de scherven van gisteravond onzichtbaar te maken voordat de wereld ontwaakt en de verkeerde vragen stelt. Mijn bewegingen zijn efficiënt, bijna sierlijk in hun gevoelloosheid. De wetenschap noemt dit dissociatie, maar voor mij voelt het als glas worden. Ik ben transparant, breekbaar en doodstil. Ik ben een hol omhulsel waar de ziel uit is weggevlucht om ergens in een hoekje van het plafond te gaan zitten kijken naar dit treurige, mechanische schouwspel. Ik zie mezelf daar staan, een pop met een glimlach die aan de binnenkant is vastgenageld, en ik voel... niets. Geen medelijden, geen verdriet. Alleen een ijzige afstand.

Terwijl het apparaat begint te pruttelen – een sissend, moeizaam geluid dat lijkt op een verstikte snik – dwaalt mijn blik af naar de besteklade. Mijn hand, die zojuist nog zo efficiënt de koffie schepte, begint nu oncontroleerbaar te trillen. Ik trek de lade een klein stukje open. Slechts een kier.

Daar liggen ze. De messen. Ze blinken in het kille TL-licht, scherp, geduldig en onverschillig. Ze beloven iets wat ik nergens anders kan vinden: een einde aan de ruis. Een definitieve, absolute stilte. Een vreemde, ijzingwekkende rust daalt over me neer bij de gedachte aan de scherpe rand van het metaal tegen de dunne, blauwe aderen van mijn pols. Eén haal. Eén snelle, diepe beweging, en de film zou stoppen. Het warme rood zou de kille witheid van de keukentegels overspoelen en ik zou eindelijk... leeg zijn. Niet meer hoeven voelen hoe mijn buik brandt. Niet meer hoeven luisteren naar de dreiging in zijn slaap. Gewoon... niet meer zijn.

Ik verlang naar die leegte met een intensiteit die mijn adem beneemt. Ik hunker naar het moment waarop de angst stopt met ademen. Niet meer hoeven glimlachen. Niet meer hoeven camoufleren. De ultieme ontsnapping uit de gijzeling van mijn eigen vlees.

Maar mijn hand trekt de lade weer dicht. Klak. Het geluid van porselein op metaal is de genadeslag voor mijn verlangen. De lafheid dwingt me terug in mijn rol. Of is het geen lafheid? Is het de giftige band die me influistert dat ik niet weg mag gaan, omdat er niemand anders is om zijn koffie te zetten? De gedachte is krankzinnig, maar zo werkt een geamputeerde ziel. De beul is mijn enige referentiepunt geworden. Mijn overlevingsinstinct is zo vervormd dat ik mezelf de dood ontzeg, niet uit liefde voor het leven, maar uit een slaafse plicht jegens de man die me kapotmaakt. Ik ben een gevangene die de sleutel van haar eigen cel weggooit omdat ze bang is dat de cipier zonder haar niet weet wat hij moet doen.

Ik slik de tranen door tot mijn keel rauw aanvoelt. De tranen die achter mijn oogleden branden, worden naar de verste, donkerste uithoeken van mijn geest gedrongen. Er is geen plek voor emotie. De koffie is klaar. De tafel is gedekt. De machine draait op volle toeren. Ik sta daar, met mijn masker van porselein en mijn trui met de hoge kraag, te luisteren naar het kraken van de vloerplanken boven.

De oorlog van de dag gaat beginnen. En ik ben klaar om te verliezen. Het is de kille wetenschap van de nederlaag, de mathematische zekerheid dat ik de strijd al opgegeven heb voor de eerste klap valt. Ik weet dat ik verlies, elke keer weer, en het meest vernietigende besef is dat ik het steeds weer toesta. Ik open de deuren, ik strijk de lakens glad, ik dek de tafel voor mijn eigen executie. Het is een medeplichtigheid aan mijn eigen vernietiging die niet uit te leggen valt aan hen die in het licht leven.

Medelijden vraag ik niet, begrip ook niet. Gewoon: besef dat de wereld niet is wat ze is.

The Weight of Abuse (eigen tekst)

Check the collar... check the sleeve...
Make them see what I want them to believe.
A little paint for the purple and the blue,
A little smile so they don't have a clue.
It’s a ritual, a morning prayer,
Comb my hair to hide the damage there.
If I look too long, I might start to break...
But I’m a masterpiece... for his sake.

Don’t look too close... please don’t see
The shadow living underneath me.
If you find the truth, if you find the scar,
I’ll fall apart... right where we are.
The weight of abuse... it’s the end of me.
The truth is a cage, and I lost the key.
I’m hiding the bruises, I’m hiding the shame,
I’m playing a deadly, silent game.

If they knew... if the light hit the floor,
I wouldn't be 'me' anymore.
It’s the end of my world if I’m found...
So I keep my secrets... underground.
Long sleeves in the heat of the sun,
Fear of living before the day is even done.
I’m a ghost in a dress, I’m a bird in a box,
Safe behind a thousand heavy locks.

I’m not living, I’m just staying still,
Bending my spirit to another's will.
Because living is loud, and living is bright...
And I only know how to survive... in the night.
The walls are thin, I hear the street.
I pray my heart just skips a beat.
One slip, one word, one neighbor's call...
And he’ll be the one to end it all.

If they find out, if they see the stain,
He’ll murder me beneath the rain.
There won't be a mask, there won't be a lie,
Just a quiet place for me to die.
The weight of abuse... it’s the end of me.
The truth is a cage, and I lost the key.
I’m hiding the bruises, I’m hiding the shame,
I’m playing a deadly, silent game.

If they knew... if the light hit the floor,
I wouldn't be 'me' anymore.
It’s the end of my world if I’m found...
So I keep my secrets... underground.

Wat extra duiding

Velen begrijpen niet — en zullen nooit begrijpen — hoe een slachtoffer van misbruik er schijnbaar voor kiest om te blijven. Voor de buitenwereld lijkt de deur altijd op een kier te staan; een simpele kwestie van de klink omdraaien en de straat op rennen. Weet dat die deur geen barrière is van hout en metaal, maar een muur van neurologische bedrading en een totaal weggeërodeerde identiteit. De vrouw die daar in die keuken stond, was niet vrij. Ze was een gijzelaar van haar eigen zenuwstelsel.

1. De Kooi van de Zenuwen

Wanneer je jarenlang leeft in een staat van chronisch gevaar, verandert je biologie. Wat ik toen ervoer — die verlamming in mijn benen als ik naar de voordeur keek — was wat de wetenschap de dorsale vagale respons noemt. Mijn lichaam was geprogrammeerd om te overleven door te bevriezen. Ik was niet 'vrijwillig' in dat huis; ik was biologisch geïmmobiliseerd. Mijn zenuwstelsel had de controle over mijn wil overgenomen. De "ochtend nadien" was geen moment van reflectie, maar een voortzetting van die verlamming. Functioneren — de koffie, de tafel, het masker — was de enige manier waarop mijn brein nog wist hoe het de hartslag stabiel moest houden.

2. De Geamputeerde Ik

De vraag "waarom ging je niet weg?" impliceert dat er nog een 'Ik' was die die keuze kon maken. Maar na jaren van systematische afbraak was die 'Ik' geamputeerd. Mijn identiteit was geen stevig fundament meer, maar een verzameling scherven die alleen nog maar bij elkaar werden gehouden door de verwachtingen van de dader. Ik was getuige van mijn eigen verdwijning. In de psychologie spreekt men van aangeleerde hulpeloosheid, maar voor mij was het de wetenschap dat vechten geen zin had en dat vluchten alleen maar leidde naar een nog diepere afgrond. Ik was psychologisch geamputeerd: de ledematen van mijn wil waren weggesneden, en ik stond op de stompen van mijn angst te balanceren.

3. De Verslaving aan de Stilte

Blijven was een biochemische gijzeling. De giftige band die mij aan hem bond, werd gevoed door de momenten waarop hij niet sloeg. Die onvoorspelbaarheid was de wreedste vorm van marteling. Mijn brein was verslaafd geraakt aan de korte afgifte van dopamine wanneer de storm ging liggen. De rust van de ochtend, hoe beklemmend ook, voelde als een drug. Ik was niet verliefd op de beul, ik was verslaafd aan de afwezigheid van zijn vuist. Weggaan voelde toen niet als een bevrijding, maar als het doorknippen van de enige zuurstoflijn die ik nog had, hoe vergiftigd die zuurstof ook was.

4. Het Masker als Overlevingswapen

De maskerade in de badkamer, het camoufleren van de blauwe plekken, de fawn-respons — het was geen lafheid of ijdelheid. Het was een hoogontwikkelde overlevingsstrategie. Ik was de regulateur van zijn emoties geworden. Mijn masker diende om hém stabiel te houden, zodat ík kon blijven ademen. Ik was een spiegel geworden die constant de omgeving scande op gevaar. Het opzetten van het masker was een daad van uiterste kracht; het was de enige manier waarop ik de dader kon weerhouden van een nieuwe confrontatie met zijn eigen geweld. Ik beschermde hem niet uit loyaliteit, maar uit doodsangst voor de spiegel die hij in mijn littekens zou zien.

Conclusie

Die vrouw in de keuken was geen vrijwillige gevangene. Ze was een overlever die gevangen zat in de architectuur van haar eigen angst, gebouwd met de stenen van zijn geweld en de specie van haar eigen overlevingsinstinct. Haar verblijf daar was het resultaat van een totale neurologische bezetting. Tien jaar later zie ik de tralies die in haar eigen zenuwen waren gegroeid. De wereld zag een open deur, maar zij zag alleen het mijnenveld dat ze pas jaren later durfde te doorkruisen.

De Onzichtbare Littekens (zoveel jaar later)

Zelfs nu, zoveel jaar nadat ik de deur definitief achter me heb dichtgetrokken, is alles niet volledig voorbij. Misbruik is geen incident dat je 'verwerkt'; het is een architecturale aanpassing van je ziel. Men vraagt me wel eens: "Kun je nog normaal functioneren?" Het antwoord is ja. Ik functioneer. Ik lach, ik werk, ik heb lief. Maar mijn 'normaal' is een hoogst actieve staat van diplomatie met mijn eigen schaduwen.

Het Functioneren als Camouflage

Aan de buitenkant zie je een vrouw die haar leven op orde heeft. Maar dat is slechts schijn. Ik ben een meester geworden in het simuleren van stabiliteit. Als ik moe ben, als ik paniek voel, draait de machine gewoon door. De buitenwereld merkt niets, omdat ik vijftien jaar geleden heb geleerd dat instorten geen optie was. Mijn huidige functioneren is soms nog steeds een vorm van camouflage: ik ben zo goed in 'het goed maken' dat ik mezelf soms verlies in de rol.

Het Gedrag: De Hyper-waakzaamheid

Mijn gedrag wordt gestuurd door een zenuwstelsel dat nooit echt is gaan slapen. Ik zit nooit met mijn rug naar de deur in een restaurant. Ik scan gezichten op micro-expressies van irritatie voordat ik een gesprek begin. Als iemand zijn stem verheft — zelfs als het van vreugde is — stokt mijn ademhaling een fractie van een seconde. Ik ben een menselijke seismograaf die trillingen opvangt die niemand anders voelt. Dit maakt me attent en empathisch, maar het put me ook uit. Ik leef in een constante staat van paraatheid, wachtend op de klap die niet meer komt.

De Blik op de Ander

Hoe zie ik anderen? Met een mengeling van diep verlangen naar verbinding en een onverwoestbaar scepticisme. Ik zie maskers. Omdat ik zelf jarenlang een porseleinen masker heb gedragen, herken ik de barsten bij anderen onmiddellijk. Ik vertrouw niemand op hun blauwe ogen; ik vertrouw ze op hun consistentie, hun geduld en hun respect voor mijn grenzen.

De wereld bestaat voor mij nog steeds uit wolven en lammetjes, maar ik heb geleerd dat de gevaarlijkste wolven diegenen zijn die geloven dat ze helden zijn. Ik zie de buitenwereld als een plek die prachtig kan zijn, maar die ik altijd met een zekere afstand observeer. Ik ben een overlever, en dat betekent dat ik de wereld nooit meer als 'vanzelfsprekend veilig' zal ervaren.

Conclusie

Ik ben veranderd en gehard, maar met een kloppend hart. De jaren hebben de scherpe randjes van de pijn afgesleten, maar de kern van mijn zijn is herschreven. Medelijden vraag ik niet, begrip ook niet. Gewoon: besef dat mijn rust een zwaarbevochten overwinning is, en dat achter mijn glimlach een vrouw staat die weet hoe de afgrond ruikt. De wereld is een theater waar de hel zich soms direct achter het fluwelen gordijn bevindt.
Trefwoord(en): Dagboek, Dwang, Verkracht, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?