Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Leen
Datum: 06-02-2026 | Cijfer: 9.8 | Gelezen: 840
Lengte: Lang | Leestijd: 15 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Dagboek, Gebruikt, Pijn, Verkracht,
Vervolg op: Mijn Held - 2
Er bestaat een sprookje waar we allemaal mee zijn opgegroeid, een geruststellende leugen die ons wordt voorgelezen voor het slapengaan. Het script is simpel en verleidelijk: er is een jonkvrouw in nood, gevangen in een donkere toren die bewaakt wordt door een vuurspuwend monster. Haar situatie is uitzichtloos, tot het moment dat de horizon breekt en hij verschijnt: de ridder op het witte paard. Met glanzend harnas en getrokken zwaard verslaat hij het beest, bevrijdt hij het meisje en tilt hij haar moeiteloos in het zadel. De aftiteling rolt, de muziek zwelt aan, en ze rijden samen weg op zijn witte paard, de zon tegemoet, richting een horizon waar geen wolken meer bestaan. De ellende is voorbij, de vijand is dood, en het leven kan beginnen. Of om het met de gekende afsluiter te zeggen: ze leven nog lang en gelukkig.

Wat een gevaarlijke, naïeve leugen.

In de echte wereld, in de nasleep van vijftien jaar terreur, werkt het script anders. Kristof was die ridder. Hij was degene die de moed had om de toren binnen te stappen toen niemand anders dat durfde. Hij was degene die me opraapte toen ik gebroken op de grond lag en me weghaalde uit de directe klauwen van het monster. Hij zette me op dat spreekwoordelijke witte paard en we reden weg, ver weg van het huis, ver weg van Wouter. Volgens de regels van het sprookje had daar de muziek moeten aanzwellen en de rust moeten wederkeren.

Maar wat niemand je vertelt, is dat je de draak niet achterlaat in de toren. De draak reist mee. Hij kruipt onder je huid, nestelt zich in de kronkels van je hersenen en legt zijn eieren in je zenuwstelsel. De fysieke afstand tot het gevaar betekende niet dat ik veilig was; het betekende alleen dat het slagveld verplaatste van de buitenwereld naar mijn binnenwereld.

Kristof kwam er al snel achter dat zijn taak als ridder niet voorbij was toen de voordeur achter ons dichtviel. Sterker nog, zijn echte beproeving begon pas. Hij kon zijn harnas niet uitdoen en gaan rusten. Hij merkte dat de vrouw die hij had 'gered', niet heelhuids van het paard stapte, maar dat ze bestond uit duizenden scherven die bij de minste aanraking konden snijden. Hij ontdekte dat 'veiligheid' voor mij geen feit was, maar een vreemd en angstaanjagend concept.

Zijn rol veranderde. Hij was niet langer de held die in galop de vijand versloeg; hij werd de man die van zijn paard moest stappen om te voet verder te gaan. Hij moest zijn zwaard inruilen voor een oneindig geduld. Hij moest leren dat de grond waarop we liepen, die er voor het oog zo groen en vredig uitzag, in werkelijkheid bezaaid lag met onzichtbare explosieven. Elke stap, elk woord, elke beweging kon een trigger zijn. Kristof heeft niet gekozen voor de glorieuze overwinning; hij heeft, zonder dat hij de kleine lettertjes had gelezen, getekend voor een eindeloze, voorzichtige wandeling door een mijnenveld, met als enige doel om mij heelhuids naar de overkant te loodsen.

Dit mijnenveld ligt niet in een ver land, maar gewoon hier, in onze woonkamer, tussen de bank en de televisie. De explosieven zijn geen metaal en kruit, maar herinneringen, geuren en reflexen die begraven liggen onder de dunne laag van ons nieuwe, 'normale' leven. Kristof heeft moeten leren kaartlezen in het donker. Hij heeft moeten leren dat een onschuldig woord een detonator kan zijn, en dat een bepaalde blik in mijn ogen betekent dat we een gevarenzone betreden.

De meeste dagen navigeren we er veilig doorheen. We hebben een choreografie ontwikkeld van voorzichtigheid en zachtheid. We lachen, we koken, we kijken films. Op die momenten lijkt het alsof de oorlog echt voorbij is. We wanen ons veilig. We vergeten, heel even, waar we lopen. We worden roekeloos in onze ontspanning, omdat de behoefte aan normaliteit zo groot is.

En precies op zo'n moment, wanneer de waakzaamheid verslapt omdat het geluk ons in slaap heeft gesust, gebeurt het. Wanneer je denkt dat je vaste grond onder de voeten hebt, zet je net die ene stap verkeerd.

Laten we even terugkeren naar die ene dinsdagavond. Zo’n avond die in elk ander huishouden synoniem zou staan voor saaiheid en veiligheid. Buiten tikt de regen zachtjes tegen het raam, een monotoon ritme dat de wereld klein en knus maakt. Binnen branden de schemerlampen. De televisie staat zachtjes aan, een kookprogramma waar we maar half naar kijken. Op de salontafel staan twee koppen koffie, de damp kringelt traag omhoog.

Ik zit op de bank, mijn benen onder me getrokken, een kussen op mijn schoot als een zachte buffer. Kristof zit naast me. Niet te dichtbij, maar dichtbij genoeg om zijn warmte te voelen. Hij is ontspannen. Zijn lange benen zijn uitgestrekt, zijn ademhaling is rustig. Hij lacht om iets wat op het scherm gebeurt, een diep, rommelend geluid in zijn borstkas dat normaal gesproken mijn hartslag omlaag brengt. De sfeer is perfect. Het is de definitie van huiselijk geluk.

En dan, in een opwelling, zonder erbij na te denken, beweegt hij. Misschien wil hij zich gewoon even uitrekken na een lange dag werken. Misschien wil hij, gedreven door een moment van genegenheid, een arm om mijn schouders slaan om me even tegen zich aan te trekken. Het is een gebaar van liefde. Een gebaar van verbinding. Een beweging die in miljoenen huiskamers over de hele wereld niets anders betekent dan: "Ik ben hier, ik zie je graag."

Maar mijn lichaam kent geen liefde. Mijn lichaam kent alleen gevaar. Mijn lichaam is een archiefkast vol onverwerkte data van vijftien jaar terreur, en de map met het label "Onverwachte Beweging" staat altijd open. In die fractie van een seconde, sneller dan ik kan denken, sneller dan mijn rationele brein kan ingrijpen, neemt mijn instinct het over. De tijd vertraagt. Het beeld voor mijn ogen vervormt. Ik zie geen lieve partner die naast me op de bank zit. Ik zie een schaduw die plotseling groter wordt. Ik zie een hand die omhooggaat. En in mijn bedrading is een hand die omhooggaat nooit een hand die wil strelen; het is altijd, onvermijdelijk, een hand die wil slaan.

Ik zie de contouren van een naderende klap. Ik voel de fantoompijn van een vuist die vijftien jaar geleden viel, maar die nu, hier in deze veilige kamer met de geur van koffie, weer angstaanjagend reëel wordt. De lucht wordt uit de kamer gezogen. De televisie verdwijnt. De muren komen op me af. Mijn reactie is puur dierlijk. Mijn spieren verkrampen in een spasme van totale verdediging. Mijn adem stokt ergens halverwege mijn keel, een verstikte snik die niet naar buiten kan. Ik duik in elkaar. Ik maak mezelf klein, trek mijn schouders op tot aan mijn oren in die pathetische, beschermende houding die ik jarenlang heb geoefend in de keuken, in de gang, in de slaapkamer. Ik klem mijn ogen stijf dicht, mijn handen schieten omhoog om mijn hoofd te beschermen. Ik wacht op de impact. Ik wacht op de pijn. Ik wacht op het breken van bot of het scheuren van huid.

Eén seconde. Twee seconden. De klap blijft uit. Heel langzaam sijpelt de werkelijkheid weer door de barsten van mijn paniek heen. Het duurt even voordat mijn zintuigen resetten. Eerst is er de geur. Ik ruik niet de scherpe, chemische brandlucht van Wouter, de geur van zweet en agressie. Ik ruik wasverzachter. Ik ruik de lichte, houtachtige geur van Kristof. Dan is er het geluid. Geen geschreeuw, geen brekend glas. Alleen het zachte gezoem van de tv en... stilte. Een zware, geschrokken stilte naast me.

Ik doe mijn ogen open. Mijn hart bonkt zo hard tegen mijn ribben dat het pijn doet. Ik kijk opzij. Ik zie Kristof. Hij is bevroren in zijn beweging. Zijn arm hangt nog halverwege in de lucht, een absurd standbeeld van een onderbroken omhelzing. Maar zijn gezicht... zijn gezicht breekt mijn hart op een heel andere manier dan Wouter dat ooit deed.

Ik zie de schrik in zijn ogen. Hij is niet boos. Hij is niet geïrriteerd. Hij is geschokt. Hij ziet mij daar zitten, in elkaar gedoken als een geslagen hond, en hij begrijpt onmiddellijk wat er is gebeurd. Hij ziet de angst in mijn ogen schieten. Niet omdat hij pijn heeft gedaan, maar omdat hij ziet dat ik bang voor hem ben. Dat ik in hem, de man die me heeft gered, voor even het monster zag.

Hij laat zijn arm langzaam zakken. Niet om me heen, maar veilig op zijn eigen schoot, ver weg van mijn lichaam. Hij maakt zich klein. Hij krimpt ineen, zodat ik me weer groot kan voelen. Hij haalt zijn eigen aanwezigheid weg om mij ruimte te geven.

Het besef van wat ik heb gedaan, slaat in als een bom. Hij wordt gestraft voor een misdaad die hij niet heeft begaan. Hij betaalt de rekening voor de klappen die een andere man heeft uitgedeeld, jaren geleden, in een ander huis. Hij moet boeten voor de reflexen die in mijn spieren zijn gebrand.

"Sorry," fluister ik. Mijn stem trilt. Ik voel de tranen prikken, tranen van schaamte en schuld. "Ik... ik dacht even..." Ik hoef de zin niet af te maken. Hij weet wat ik dacht. "Ik weet het," zegt hij zacht. Zijn stem is hees. Hij kijkt me aan met een blik vol oneindig mededogen, maar ook met een spoor van verdriet dat hij probeert te verbergen. "Het is oké, Leen. Ik ben het maar. Ik ben hier."

Dat is onze realiteit. Dat is de prijs van mijn verleden. Hij kan nooit zomaar bewegen. Hij kan nooit volledig spontaan zijn. Elke beweging, hoe klein of liefdevol ook, moet hij onbewust calculeren: Kom ik niet te snel dichterbij? Is dit te onverwacht? Schrikt ze hiervan? Is dit een trigger? Hij moet leven met de spoken van mijn verleden, spoken die hij niet kan zien, maar die wel als een onzichtbare douane bepalen hoe hij zijn eigen vrouw mag aanraken.

We zitten daar nog een tijdje stil. De koffie wordt koud. De televisie speelt door. Maar de avond is veranderd. De onschuld is er weer even afgesleten, weggekrabd door een reflex. We zijn weer even teruggeworpen in het mijnenveld. En hoewel er geen mijn is afgegaan, voelen we allebei de trilling in de grond.

Kristof, Ik hou van jou

You see the shadow passing through my eyes
You feel the tremor in my hand
But you don't ask for reasons or for whys
You simply understand
You don't demand a story or a name
You don't need me to explain the shame
You just sit there, solid as a stone
Making sure I’m not alone

No questions asked
No judgment passed
Just the steady beating of your heart
To keep my world from falling apart

Oh my darling, you are my safe place
The only shelter in this empty space
I want to stay right here, inside your arm
Away from the noise, away from the harm
I know I leave the words unsaid too much
I hide behind the silence and your touch
But listen close to what I do...
I am so in love with you.

When the walls are closing in on me
And I can’t find the air to breathe
You pull me close and hold the galaxy
You never, ever leave
You take the broken pieces that I am
And hold them gently in your palm

Oh my darling, you are my safe place
The only shelter in this empty space
I want to stay right here, inside your arm
Away from the noise, away from the harm
I know I leave the words unsaid too much
I hide behind the silence and your touch

But listen close to what I do...
I am so in love with you.
Don't let go. Just hold me. I love you. I love you.

Waarom ik dit vertel

Ik schrijf dit niet om medelijden op te wekken, en zeker niet om Kristof als een martelaar neer te zetten — al verdient hij voor zijn geduld een medaille. Ik vertel dit omdat vrouwen die dit meemaken een stem verdienen, een stem die luider klinkt dan de schaamte die ons wordt opgelegd.

De realiteit is misselijkmakend helder. In België alleen al wordt 4 op de 5 vrouwen tijdens hun leven geconfronteerd met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Bijna een op de drie vrouwen heeft te maken gehad met fysiek, seksueel of psychologisch geweld, vaak door een intieme partner. En misschien wel het meest verpletterende cijfer: 16% van de vrouwen in ons land geeft aan ooit slachtoffer te zijn geweest van verkrachting.

Dat zijn geen abstracte getallen. Dat zijn miljoenen verhalen zoals het mijne. Dat zijn miljoenen vrouwen die nu, op dit moment, in een keuken staan en hun adem inhouden omdat ze een auto op de oprit horen. Vrouwen die 's nachts wakker liggen naast een man die ze vrezen, of vrouwen die, net als ik, jaren later nog steeds verstijven bij een onverwachte aanraking.

Ik vertel mijn verhaal niet omdat het uniek is, maar juist omdat het dat niet is. Ik schrijf om de stilte te doorbreken die ons allemaal gevangen houdt. Zodat de volgende vrouw die schrikt van een liefdevolle hand, weet dat ze niet gek is, maar gewond. En dat wonden, hoe diep ook, lucht nodig hebben om te kunnen helen.
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Durf jij met oma te flirten?