Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: Leen
Datum: 30-01-2026 | Cijfer: 9.3 | Gelezen: 287
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 35 minuten | Lezers Online: 5
Trefwoord(en): Ardennen, Pijpen, Slikken, Vakantie, Verlangen, Vingeren, Vreemdgaan,
Els
Els draait de temperatuurknop van de douche helemaal naar rechts. Het water dat uit de kop klettert is verzengend heet, op het randje van wat draaglijk is. Ze sluit haar ogen en laat de straal over haar rug stromen, smachtend naar de brandende sensatie die de kille leegte in haar binnenste moet verdrijven. De douchecabine vult zich razendsnel met een dichte nevel, een mistige muur die haar afsluit van de werkelijkheid en haar opsluit met haar eigen, jagende ademhaling. Buiten, dof en vervormd door de tegels, hoort ze het gejoel. Zijn lach. Die zware, donderende lach. Kristof. De man die denkt dat hij de zon is waar alles omheen draait. Ze haat hem. Ze haat zijn arrogante kaaklijn, zijn kinderachtige grappen, de manier waarop hij die slappe vaatdoek van een Leen vasthoudt alsof ze breekbaar porselein is.

Ze knijpt haar ogen stijf dicht, maar het beeld verdwijnt niet. Het brandt op haar netvlies. De slaapkamer in het kasteel. De geur van oud stof en testosteron. De manier waarop zijn ogen donker werden toen hij naar haar keek. Zullen wij anders? De herinnering slaat in als een fysieke klap in haar onderbuik. Een verraderlijke, vloeibare hitte die niets te maken heeft met de temperatuur van het water. Haar knieën worden week. Ze leunt zwaar met haar voorhoofd tegen de koude, gladde tegels, zoekend naar weerstand, naar afkoeling, maar haar lichaam luistert niet. Haar lichaam staat in brand.

Haar hand glijdt omlaag, over het zeiknatte plekje tussen haar benen, ruw en dwingend. Het is geen liefdevolle aanraking. Het is agressie. Het is woede. Ze wil die zeurende pijn uit haar lijf rukken. "Klootzak," sist ze door haar tanden heen. "Vuile, arrogante klootzak." In het donker achter haar oogleden verandert haar eigen hand in de zijne. Groot. Eeltig. Bezitterig. Ze beeldt zich in dat hij hier is, niet om te praten, niet om te charmeren, maar om haar te nemen. Ze wil dat hij haar tegen deze muur drukt, hard genoeg om blauwe plekken achter te laten. Ze wil geen tederheid. Ze wil verpletterd worden totdat er geen ruimte meer is voor haar eigen frustratie.

Haar vingers vinden hun doel en ze is niet voorzichtig. Ze ritst over haar clitoris, hard en ritmisch, gedreven door een wanhopige noodzaak. Het geluid van het kletterende water mengt zich met het bonzen van het bloed in haar oren. Ze duwt haar heupen naar voren, tegen de onzichtbare weerstand van zijn fantoomlichaam. "Kristof," kreunt ze eerst zacht, maar de naam zwelt aan in haar keel, dwingt zich een weg naar buiten. "Kristof!" roept ze dan, een wanhopige kreet die dwars door het geraas van het water snijdt. "Doe het dan!"

De spanning bouwt zich op als een onweersbui die te lang heeft vastgezeten. Ze bijt op haar onderlip tot ze ijzersmaak proeft, haar nagels krassen over haar eigen dijbeen. En dan breekt het. De ontlading is scherp en genadeloos, een fysieke kramp die door haar ruggengraat schiet en haar benen doet trillen. Ze slaakt een gesmoorde kreet, een rauw geluid dat direct wordt ingeslikt door het geraas van de douche. Ze drukt haar gezicht in haar arm, de naschokken die door haar lichaam gaan, voelen als straf in plaats van beloning.

Dan is het voorbij. Ze blijft staan, hijgend. Het water stroomt nog altijd over haar rug. De hitte is weg. De lust is weg. Wat overblijft is de koude, natte steen tegen haar voorhoofd en een diepe, misselijkmakende leegte. Ze voelt zich niet opgelucht. Ze voelt zich vies. Gebruikt door haar eigen fantasie. Met trillende handen draait ze de kraan dicht. De stilte valt als een baksteen in de kleine ruimte, alleen verstoord door het druppelen van water van haar kin. Ze pakt haar handdoek, wrijft ruw over haar gezicht om de sporen van haar zwakte uit te wissen, en slaat de stof strak om zich heen als een harnas. Ze recht haar rug. Kin omhoog. Niemand mag dit zien. Niemand mag weten dat de IJskoningin zojuist is gesmolten.

Ze duwt de deur open, klaar om de wereld weer met minachting tegemoet te treden. En daar staat hij. Dirk. De saaie, onzichtbare Dirk. Hij staat midden in het gangpad, in het halfduister. Zijn bril is beslagen door de stoom die uit haar cabine ontsnapt. Zijn wangen zijn rood, zijn mond hangt een beetje open, en zijn borstkas gaat snel op en neer.

Els verstijft. Haar hart, dat net weer rustig werd, slaat een slag over en begint wild te hameren. De schaamte slaat in als een mokerslag. Een golf van pure afschuw spoelt door haar heen. Het is alsof iemand haar naakt in de modder heeft geduwd. Hij heeft alles gehoord. Het hijgen. Het schelden. De naam. Hij heeft haar gehoord. Ze ziet haar reputatie, haar zorgvuldig opgebouwde muur van ongenaakbaarheid, in duigen vallen voor de voeten van deze kantoorklerk. Ze voelt zich misselijk worden van het idee dat deze man, deze nietsnut, deelgenoot is geworden van haar diepste, meest pathetische geheim.

Maar dan ziet ze zijn ogen. Achter de beslagen glazen kijken ze niet weg. Ze kijken hongerig. Ze glijden omlaag, langs haar blote schouders, naar de handdoek die nauwelijks haar dijen bedekt. En dan ziet ze het. De onmiskenbare bobbel in zijn natte, strakke zwembroek. Het besef is misselijkmakend, maar het geeft haar ook onmiddellijk weer vaste grond onder de voeten. Hij is niet geschokt. Hij is niet moreel verontwaardigd. Hij is geil. De viezerik heeft staan luisteren en zichzelf staan opwinden op haar ellende. "Wat doe jij hier?" snauwt ze, haar stem klinkt schor, nog rauw van de daad. Ze wil hem slaan, krabben, die vieze grijns van zijn gezicht vegen.

Er krult een vreemd, zelfvoldaan lachje om Dirk zijn lippen dat ze nog nooit eerder bij hem heeft gezien. "Was de ontlading heerlijk?" vraagt hij zacht. De brutaliteit ontneemt haar de adem. Dit is niet de Dirk die ze kent. Dit is een rat die denkt dat hij een leeuw is geworden omdat hij een karkas heeft gevonden. "Kreun je volgende keer mijn naam?" fluistert hij, en hij loopt langs haar heen.

Els blijft achter in de gang, trillend van een nieuwe, koudere woede. Ze kijkt naar zijn rug die verdwijnt richting de kleedkamers. ‘Jij vuile, smerige gluurder’, denkt ze, en haar handen ballen zich tot vuisten in de handdoek. ‘Jij denkt dat je me hebt? Jij denkt dat je me hiermee klein krijgt?’ Ze haalt diep adem, in en uit, tot de zwarte vlekken voor haar ogen verdwijnen. Dan loopt ze naar de spiegel bij de wastafels. Ze ziet haar eigen gezicht: rood, vlekkerig, ogen wild van paniek en woede. Ze ziet eruit als een slachtoffer. "Nee," zegt ze hardop tegen haar spiegelbeeld. "Nee." Ze grijpt de haardroger alsof het een wapen is. Terwijl de hete lucht door haar natte haren blaast, beginnen de tandwielen in haar hoofd te draaien. De paniek zakt weg en maakt plaats voor een ijskoude, scherpe logica.

Dirk denkt dat hij macht heeft. Hij denkt dat hij haar kan chanteren met haar zwakke moment. Maar hij vergeet één ding. Hij vergeet wie hij is. En hij vergeet zijn reputatie. Ze denkt terug aan vorig jaar. Die avond in de Provence. Leen die dronken en topless in het zwembad lag te drijven. En Dirk... Dirk die op de rand zat en niet stopte met staren. Urenlang. Kwijlend als een oude hond. Sandra was woest geweest. Ze had hem in het openbaar vernederd, hem uitgescholden voor viezerik, gedreigd om alleen naar huis te gaan. Het had weken geduurd voor hij weer uit het hondenhok mocht.

Een langzame, gemene glimlach trekt over Els' gezicht terwijl ze haar borstel door haar rode manen trekt. ‘Iedereen kent hem als de gluurder’, denkt ze. Als hij zijn mond opendoet over wat hij gehoord heeft, moet hij toegeven dat hij daar stond. Dat hij stond te luisteren bij de douche van een andere vrouw. Dat hij niet wegliep, maar bleef staan. "Ik heb hem niet uitgenodigd," fluistert ze tegen de spiegel. "Hij stond me op te wachten. Hij stond me te begluren." Dat is het verhaal. Dat is de waarheid die ze gaat gebruiken als hij ook maar één kik geeft. Ze zal het omdraaien. Ze zal Sandra vertellen dat Dirk haar stond op te wachten bij de douches. Dat hij haar lastigviel. Dat hij rare opmerkingen maakte. Wie gaat Sandra geloven? Haar 'vriendin' Els, of haar man die al een strafblad heeft als het op gluren aankomt? Sandra is ziekelijk jaloers. Ze zal Dirk levend villen.

Els stift haar lippen bloedrood. Ze bekijkt het resultaat. De vrouw in de spiegel ziet er niet meer uit als iemand die net huilend is klaargekomen onder de douche. Ze ziet eruit als een krijger die haar harnas heeft aangetrokken. "Kom maar op, Dirk," zegt ze zachtjes, terwijl ze haar mascara bijwerkt. "Probeer me maar te pakken. Ik maak je kapot." Ze trekt haar kleren aan – de strakke rok, de kasjmier trui. Ze recht haar rug, tilt haar kin op en loopt de gang uit. Ze is niet bang meer. Ze is bewapend.

Wanneer ze de woonkamer binnenkomt, is haar masker weer compleet. De ruimte is gevuld met het geluid van stemmen en de geur van geroosterd vlees. Kristof staat buiten bij de barbecue, maar binnen is het warm. Ze ziet Dirk staan bij het aanrecht, een glas wijn in zijn hand. Hij heft het naar haar. Een toost. De arrogantie straalt van hem af. Hij denkt echt dat hij gewonnen heeft. Els pakt een flesje water. Ze voelt zijn blik branden. Ze weet dat hij wacht op het juiste moment om haar te vernederen, of erger, om haar te chanteren voor meer van dat zieke gedoe uit de gang.

"Aan tafel!" brult Kristof even later, terwijl hij met een enorme schaal vlees binnenkomt. Iedereen zoekt een plekje. Het toeval, of misschien Dirks zieke planning, wil dat de enige vrije stoel naast hem is. Els twijfelt even, maar gaat toch naast hem zitten. Ze voelt de hitte van zijn lijf naast het hare. Het is weerzinwekkend.

Wanneer het geroezemoes aan tafel aanzwelt – Sandra en David discussiëren luidruchtig over de beste energie-gels en Kristof komt net binnen met een nieuwe lading worstjes – ziet Dirk zijn kans schoon. Hij buigt zich iets naar haar toe, zogenaamd om de karaf water te pakken die net voor haar staat. Zijn schouder drukt tegen de hare, zwaar en bezitterig. Hij ruikt naar parfum, maar Els ruikt vooral diezelfde geur die in de douchecabine hing, vermengd met de geur van zijn opwinding. "Zullen we volgende keer samen douchen?" fluistert hij hees in haar oor. De woorden zijn doordrenkt met zijn nieuwe zelfvertrouwen. Het is geen vraag, het is een belofte en een dreigement in één. Hij denkt dat hij haar heeft. Hij denkt dat ze bang is.

Els laat hem wachten. Heel even. Hij leunt terug, in afwachting van haar schok. Misschien verwacht hij diezelfde angstige opwinding die hij in de gang zag. Hij verwacht dat ze haar ogen neerslaat, dat ze onderdanig wordt. Maar Els verstijft niet. Ze draait haar hoofd langzaam naar hem toe. De beweging is beheerst, koud als ijs. Wanneer hun blikken elkaar kruisen, ziet ze de verwarring in zijn ogen. Hij begrijpt het niet. Haar ogen staan niet bang. Ze staan ijskoud en venijnig. De onzekere vrouw uit de gang is verdwenen; hier zit een vrouw die vecht voor haar leven en die weet dat ze gaat winnen.

"Zet dat maar heel snel uit je hoofd, Dirk," sist ze terug. Het is zacht genoeg zodat de anderen, die druk bezig zijn met het doorgeven van de aardappelsalade, het niet horen. Maar de toon komt aan als een zweepslag in zijn gezicht. "Ik zou mij maar heel rustig houden, als ik jou was," vervolgt ze, haar lippen nauwelijks bewegend, terwijl ze hem strak blijft aankijken. "Wat denk je dat er gebeurt als ik Sandra vertel dat je me aan het begluren was?"

Ze ziet het effect van haar woorden onmiddellijk. Dirk voelt het bloed uit zijn gezicht trekken. Zijn maag, net nog gevuld met warme euforie, maakt een vrije val in een bodemloze put. Hij kijkt paniekerig naar Sandra, die aan de overkant van de tafel luidkeels lacht en David op zijn schouder slaat. Sandra, zijn vrouw. Sandra, die geen genade kent als ze zich vernederd voelt. "Dat... dat zou je niet doen," stamelt hij, maar de overtuiging is weg uit zijn stem. Hij klinkt weer als de Dirk die ze kent: zwak. Els' ogen vernauwen zich tot spleetjes. Nu heeft ze hem. Ze ruikt zijn angst en ze bijt door. "O nee? Probeer maar. Sandra verwijt je nu nog altijd dat je Leen vorig jaar te veel begluurde. Weet je dat nog, Dirk? Die ruzies?"

Dirk slikt. Ze ziet zijn adamsappel bewegen als een knikker die vastzit in een rietje. "Sandra is dat niet vergeten," gaat Els genadeloos verder, genietend van elke seconde van zijn marteling. "Eén woord van mij over vandaag, één klein duwtje, en ze vreet je op met huid en haar. Dan gooit ze je buiten en dan ben je alles kwijt. Begrepen?"

Het werkt als een koude douche. Els ziet de schok in zijn ogen, het wankelen van zijn pasgeboren arrogantie. Ze leunt achterover, klaar om te genieten van zijn aftocht. Maar hij stort niet in. Tot haar verbazing ziet ze zijn blik verschuiven. Hij kijkt langs haar heen, naar de overkant van de tafel. Naar Sandra. Els volgt zijn blik. Sandra lacht hard om iets wat David zegt, ze gooit haar hoofd achterover, luidruchtig en aanwezig. Els ziet Dirk naar zijn vrouw kijken met een vreemde, peinzende uitdrukking. Het is alsof hij iets weegt, iets berekent.

Dan draait hij zijn hoofd langzaam weer naar haar toe. En Els voelt een ijskoude rilling over haar rug lopen. De angst is weg uit zijn ogen. Die waterige, bange blik heeft plaatsgemaakt voor iets anders. Iets scherps. Iets dat ze niet bij hem had verwacht: sluwheid. Het is alsof hij een interne rekensom heeft gemaakt en de uitkomst hem bevalt. Els voelt een vlaag van onrust door haar maag trekken. Ze dacht dat ze de ultieme troefkaart op tafel had gelegd. Ze dacht dat de dreiging met Sandra hem zou verlammen. Maar de manier waarop hij nu naar haar kijkt... alsof hij zojuist een joker uit zijn mouw heeft geschud waarvan zij het bestaan niet wist.

Hij buigt zich weer iets naar haar toe, oncomfortabel dichtbij, zodat de walm van wijn haar tegemoet slaat. Zijn glimlachje is terug, maar het is niet meer de onzekere grijns van daarnet. Het is een klein, venijnig krulletje. "We zullen wel zien wie er het hardste lacht, Els," zegt hij, zacht maar kristalhelder. De woorden slaan in als een bom. Els kijkt hem aan, met grote, verschrikte ogen. Haar vork klettert zachtjes tegen haar bord, haar vingers zijn plotseling gevoelloos. Wat bedoelt hij? Waarom lacht hij? In een flits ziet ze het scenario voor zich. Wat als hij Sandra niet vreest? Of erger nog: wat als hij Sandra gebruikt? Dirk kent zijn vrouw beter dan wie ook. Hij weet dat Sandra smult van roddels. Hij weet dat Sandra haar, Els, stiekem een drama-queen vindt. Als Dirk het verhaal omdraait... als hij Sandra vertelt wat hij gehoord heeft, maar het brengt als een sappige roddel... "Je raadt nooit wat Els stond te roepen in de douche..."

De grond zakt onder haar voeten weg. Sandra zou het fantastisch vinden. Ze zou Els uitlachen. Ze zou het tegen iedereen vertellen. Els zou gedegradeerd worden tot het lachertje van de groep, de zielige vrouw die wanhopig geilt op de man van haar vriendin. Dirk leunt tevreden achterover en neemt nog een slok van zijn wijn, alsof hij zojuist de lekkerste hap van de avond heeft doorgeslikt. Hij kijkt haar niet meer aan. Hij weet dat hij haar heeft.

Els blijft verdoofd achter. Ze had gerekend op zijn zwakte, maar ze is gestruikeld over zijn opportunisme. Ze weet niet of hij bluft. Maar de blik in zijn ogen was te helder, te zeker. Ze durft het risico niet te nemen. Als Sandra dat verhaal hoort, is haar positie in de groep voorgoed voorbij. De rest van de maaltijd verloopt in een waas voor Els. Ze proeft het eten niet. Ze hoort de gesprekken niet. Ze is alleen bezig met het monster naast haar, dat rustig zijn vlees snijdt en af en toe lacht met de anderen. Ze voelt zijn blik constant op zich branden, maar hij negeert haar verder. Hij praat met Kristof, lacht met Sandra, en geniet van zijn geheime wapen.

Na het eten is de chaos compleet. Iedereen helpt mee, of loopt elkaar in de weg. Sandra beveelt Dirk om de vaatwasser in te ruimen. "Ja, schat," zegt hij, vrolijker dan normaal. Els ziet hem opstaan. Ze ziet hoe hij een stapel borden pakt en naar de bijkeuken loopt, waar de vaatwasser in een hoek staat. Hij fluit zachtjes. Hij heeft geen haast. Hij gaat straks Sandra apart nemen. Dat weet ze zeker. Ze kan het niet laten gebeuren. Ze moet hem stoppen. Nu. Onmiddellijk. De paniek neemt het over van de logica. Er is geen plan meer, alleen een blinde drang om de schade te beperken, om zijn mond te snoeren voordat hij haar leven verwoest.

Wanneer de kust veilig is, pakt ze twee lege schalen. Haar handen trillen zo erg dat ze bang is ze te laten vallen. Ze loopt achter hem aan de bijkeuken in. Haar hart bonkt in haar keel als een bezetene. Ze weet niet wat ze gaat doen, maar ze weet één ding zeker: Dirk mag die bijkeuken niet verlaten met dat verhaal in zijn hoofd.

Hij staat over de vaatwasser gebogen wanneer hij haar voetstappen hoort. Hij draait zich traag om. "Zo," zegt hij, zijn stem druipend van sarcasme. "Kom je smeken, Els? Of kom je vragen of ik het al aan Sandra verteld heb?" Els zet de schalen neer met een harde klap. Het geluid resoneert in haar oren. Ze duwt de deur achter zich dicht en leunt ertegenaan, alsof ze de tijd zelf buiten wil sluiten. Ze haat hem. Ze haat zijn miezerige houding, zijn goedkope trui, zijn plotselinge arrogantie. Maar ze is ook bang. Doodsbang. "Je denkt dat je gewonnen hebt," zegt ze, en ze haat hoe zwak haar stem klinkt.

"Ik heb gewonnen," corrigeert hij haar. "En jij weet het." Els kijkt hem aan. Ze ziet de triomf in zijn ogen. En daaronder, dieper, ziet ze nog steeds dat andere. Die blik uit de gang. Die honger. En in een flits van helderheid beseft ze wat ze moet doen. Het is geen slim plan. Het is geen meesterzet. Het is een wanhoopsdaad. Ze heeft geen argumenten meer, geen dreigementen. Ze heeft alleen zichzelf. Ze heeft alleen de macht die ze als vrouw over een man als Dirk heeft: zijn lust. Als ze hem geeft wat hij wil, zal hij zwijgen. Ze moet hem medeplichtig maken. Ze moet hem zo diep in de modder trekken dat hij er nooit meer uit kan klimmen zonder zichzelf mee te sleuren.

Ze zet een stap dichterbij. "Je bent een lafaard, Dirk," zegt ze zacht. "Ik ben degene die de touwtjes in handen heeft," bijt hij van zich af, maar ze ziet hoe zijn ogen verspringen. Hij wordt nerveus van haar nabijheid. "Nee," zegt ze. En ze dwingt zichzelf om te glimlachen. Een scheve, uitdagende glimlach die haar gezicht pijn doet. "Je bent gewoon een man. Een bange, geile man." Ze ziet zijn verwarring. "Wat klets je nou?"

"Ik zag je kijken," fluistert ze. Ze komt nog dichterbij, tot ze bijna tegen hem aan staat in de krappe ruimte. "Daarstraks. In de gang. Je stond daar te genieten. Ik zag je ogen. Ik zag die honger." Hij zegt niets. Hij ontkent het niet. Zijn adem stokt. Ze legt haar hand plat op zijn borst. Ze voelt zijn hart hameren. Hij is bang, ja. Maar hij deinst niet terug. "Je wilde me," zegt ze. Het is een constatering, geen vraag.

"Ik... ik ga Sandra roepen," stamelt hij, maar hij beweegt niet. Hij staat als verlamd. "Doe maar," daagt ze hem uit. Ze duwt hem zachtjes naar achteren, tot zijn heupen tegen de wasmachine stoten. "Roep haar maar. Maar dan vertel ik haar dat jij me hiernaartoe lokte. En wie denk je dat ze gelooft? De man die vorig jaar al in de fout ging?" Ze ziet de twijfel in zijn ogen. De angst. En daaronder, de opwinding. "Je bent bang," zegt ze.

En dan doet ze het. Ze laat haar hand zakken. Langzaam. Van zijn borst, over zijn buik. Ze voelt zijn spieren samentrekken. "Els, doe normaal," hijgt hij. "Zwijg," beveelt ze. Haar vingers vinden zijn riem. "Je gaat je mond houden. En je gaat precies doen wat ik zeg." Het is walgelijk. Ze voelt zich vies terwijl ze zijn riem losmaakt. Ze wil kotsen. Maar ze stopt niet. Ze kan niet stoppen. Dit is de enige manier om de controle terug te krijgen. Om hem de mond te snoeren. "Precies," fluistert ze in zijn oor, en ze dwingt zichzelf om haar lippen tegen zijn huid te drukken. "Dat dacht ik al."

Ze zakt door haar knieën. Ze ziet hoe hij zich vastgrijpt aan het aanrecht alsof hij verdrinkt. Dit is geen nederlaag, houdt ze zichzelf voor terwijl ze haar ogen dichtknijpt en haar verstand op nul zet. Dit is oorlogsvoering. En ik ga winnen.

Ze doet het snel. Efficiënt. Zonder enige tederheid. Ze hoort zijn stokkende ademhaling, voelt zijn heupen schokken. Ze gebruikt hem. Ze gebruikt zijn lust tegen hem. Wanneer hij klaarkomt, met een gesmoorde kreun, voelt ze niets dan een koude, harde voldoening. Ze staat op. Ze veegt haar mond af met de rug van haar hand. Ze kijkt hem aan. Hij staat erbij als een wrak, zijn broek op zijn enkels, zijn ogen wijd en leeg.

Dan pakt ze haar telefoon. De flits verlicht de kleine ruimte als een blikseminslag. Klik. Dirk knippert, verblind. Els stopt de telefoon weg. Ze recht haar rug. De misselijkheid is er nog steeds, maar de angst is weg. "Nu staan we quitte," zegt ze. "Jij hebt gezien wat je niet mocht zien. En ik heb gedaan wat ik niet mocht doen. Maar ik heb wel een foto, Dirk. Een hele duidelijke. Als jij praat over mij en Kristof, praat ik over ons. En ik heb bewijs."

Ze draait de kraan open en wast haar handen, grondig, alsof ze het hele incident van zich af kan schrobben. "Wacht even tot ik weg ben," zegt ze koel. "En trek je gezicht in de plooi. Je ziet eruit als een idioot." Ze loopt de bijkeuken uit, terug naar het licht en het geluid van de woonkamer. Ze heeft gewonnen. Het is een vuile, smerige overwinning, maar het is een overwinning.

- - -

De verplaatsing van de eettafel naar de zithoek is een farce. Els kijkt toe hoe de groep zich als een kudde dronken gnoes naar de banken verplaatst. Het gerinkel van flessen, het gestoot tegen meubels, het overdreven gelach... het is allemaal zo banaal. Ze kiest haar plek met zorg: de hoek van de fluwelen bank, strategisch opgesteld met uitzicht op de hele kamer. Ze nestelt zich in de kussens, slaat haar benen elegant over elkaar en neemt een grote slok van haar rode wijn. De Barolo is zwaar en aards, precies zoals ze het graag heeft. Het verdooft de pijn in haar ego, maar voedt de woede die eronder smeult.

Aan de overkant, in de grote fauteuil bij de haard, zit Kristof. Hij heeft zijn schoenen uitgeschopt en zit erbij als de belichaming van bourgondisch genieten: benen ontspannen gestrekt, een goed glas cognac in de hand dat hij rond laat walsen, en een blos van tevredenheid op zijn wangen. En natuurlijk hangt zij weer om zijn nek. Leen. Als een goedkope sjaal die hij vergeten is af te doen. Ze giechelt om alles wat hij zegt, haar ogen glazig en aanbiddend. Els voelt de gal in haar keel omhoogkomen. ‘Heb een beetje ruggengraat, mens’, denkt ze. ‘Je bent gênant’.

"Ik zeg het je, David," zegt Kristof enthousiast, terwijl hij zich naar voren buigt en klinkt met het glas van de jongere man. "We werken ons te pletter de hele week, stress, deadlines... maar momenten zoals dit? Die pakken ze ons niet meer af. Gewoon, goede vrienden, goed eten, geen gezeik aan je kop. Dat is toch waar het om draait?"

Els rolt onopvallend met haar ogen. Daar gaan we weer. De grote Kristof-show, deze keer in de editie 'de joviale weldoener'. Els kijkt naar David, die op het vloerkleed zit en braaf knikt, duidelijk gecharmeerd door Kristofs warme aandacht. "Zeker, Kristof. Helemaal gelijk." En Annelies zit erbij als een bang vogeltje dat hoopt dat de kat haar niet ziet, maar toch voorzichtig meelacht.

"Dirk!" De schelle stem van Sandra snijdt door de ruimte. Els kijkt naar rechts. Sandra heeft haar schoenen uitgeschopt en masseert haar eigen voeten, totaal ongegeneerd. "Schenk nog eens bij," beveelt Sandra, zonder op te kijken. En daar gaat hij. Dirk. Els’ blik glijdt naar de schaduw waar hij op een poefje zat weggedoken. Hij springt op alsof hij onder stroom staat. Hij pakt de fles, loopt naar zijn vrouw, en Els ziet hoe zijn handen trillen. Hij morst. "Voorzichtig, kluns," lacht Sandra, en ze geeft hem een tik op zijn bil.

Els voelt een vreemde, donkere tinteling in haar buik. Ze kijkt hoe Dirk zich omdraait. Hij moet langs haar bank om terug naar zijn veilige plekje te komen. Hij probeert zo ver mogelijk bij haar vandaan te blijven, schuifelend langs de salontafel. Het is sterker dan zijzelf. Het is de alcohol, de frustratie over Kristof, en de pure, bedwelmende macht die ze sinds dat moment in de bijkeuken voelt.

Net als Dirk haar passeert, strekt ze haar been. Langzaam. Deliberaat. Haar voet vindt zijn kuit. Ze schopt niet. Ze wrijft. Haar wreef glijdt langzaam omhoog langs zijn broekspijp, tot net onder zijn knieholte. Een intieme, tergende aanraking die in deze volle kamer onzichtbaar is voor iedereen behalve voor hen tweeën. Dirk bevriest. Hij kijkt omlaag, zijn ogen groot en vol paniek achter die brillenglazen. Els kijkt hem recht aan. Ze glimlacht niet. Ze heft haar glas in een stille, dwingende toost en neemt langzaam een slok, haar ogen over de rand van het glas strak op de zijne gericht. ‘Ik heb je’, zeggen haar ogen. ‘Jij bent niet van Sandra. Jij bent van mij. Jij bent mijn speeltje’.

Ze ziet zijn adamsappel bewegen. Ze ziet de angst, maar ook – en dat is wat haar het meeste genot geeft – de onderwerping. Hij trekt zijn been niet weg. Hij staat het toe, gevangen in haar web. Pas als ze haar voet langzaam terugtrekt, durft hij weer te ademen. Hij vlucht naar zijn poef, maar Els weet dat hij de rest van de avond haar voet nog op zijn huid zal voelen branden.

"En jij, Piet?" Kristofs stem haalt haar uit haar trance. Hij kijkt breed lachend de kring rond, vastbesloten om iedereen bij de gezelligheid te betrekken. "Jij bent verdacht stil, man. Schenk jezelf eens bij! Het is weekend!" Els kijkt naar de hoek van de bank. Daar zit hij. Haar man. Pieter. Hij hangt erbij als een zoutzak, zijn overhemd te ver open, zijn gezicht vlekkerig rood van de wijn. Hij staart naar Annelies met de troebele, smachtende blik van een geslagen hond. Els voelt de gebruikelijke irritatie opborrelen – ga rechtop zitten, idioot – maar dan begint hij te praten.

"De wereld begrijpt passie niet," lalt Pieter, totaal voorbijgaand aan Kristofs vrolijke toon. Hij zwaait vaag met zijn glas en morst bijna over de bank. "Soms zie je iets moois... en je mag het niet hebben. Dat is de tragedie, Kristof. Dat is de echte tragedie." Els wil snuiven. Ze wil hem wegzetten als een dronken dweil, zoals ze meestal doet. Mijn man, de filosoof. Maar zijn woorden blijven haken. ‘Je mag het niet hebben.’ Ze ziet hoe zijn blik weer naar Annelies glijdt, hongerig en wanhopig. Hij heeft het over haar, dat jonge ding. Natuurlijk wil hij dat.

En dan dwalen Els' ogen af naar Kristof, die daar zit te stralen in zijn stoel. Onbereikbaar. Een rilling trekt door haar rug. De minachting voor Pieter maakt plaats voor een ongemakkelijke, kille herkenning. Voor één keer in zijn leven heeft die dronken dwaas gelijk, beseft ze met een schok. Ze zitten in exact hetzelfde schuitje. Hij kijkt naar Annelies zoals zij naar Kristof kijkt. Twee hongerige wolven aan dezelfde ketting, vastgebonden aan elkaar door een huwelijk dat allang dood is, jankend naar een maan die ze nooit zullen bereiken. Het maakt hem niet minder zielig in haar ogen, maar het maakt de pijn wel herkenbaar. Ze zijn lotgenoten in de onvrede.

"Ach, hou toch op met dat gejank," zegt Sandra nuchter, en ze verbreekt de betovering. Het gelach dat volgt is hard, maar Els lacht niet mee. Ze kijkt naar Kristof. Hij staat op, wankelend maar vrolijk. Hij loopt naar de geluidsinstallatie, koppelt zijn gsm en draait het volume open. De eerste, dramatische pianoklanken van Always van Bon Jovi vullen de kamer. "Komaan, genoeg gepraat!" roept hij. Hij draait zich om naar Leen met een uitgestoken hand. "Speciaal voor jou, schatje. Jouw ultieme guilty pleasure." Els ziet hoe Leens gezicht oplicht. Ze slaakt een kreetje van puur, onversneden geluk en springt van de leuning. "Ooooh, dit is mijn nummer!" roept ze, en ze laat zich door Kristof in zijn armen trekken.

Els klemt haar vingers om de steel van haar glas tot haar knokkels wit zien. Ze ziet hoe hij haar vastpakt. Niet ruw, maar stevig en liefdevol. Hoe hij haar ronddraait in de kleine ruimte op het ritme van de rockballade. Hoe zij giechelt en struikelt en hoe hij haar opvangt met een lach die zo echt klinkt dat het pijn doet aan Els' oren. Jon Bon Jovi zingt over eeuwige liefde en onvoorwaardelijke trouw, en daar staan ze dan: het perfecte plaatje.

En dan kust hij haar. Midden in de kamer. Een lange, natte tongzoen, vol overgave en plezier, precies op de uithaal van het refrein. Els voelt de jaloezie als een fysieke pijn in haar borstkas, een steek die scherper is dan ze wil toegeven. Ze wil daar staan. Zij zou niet zo passief blijven zoals Leen. Zij zou hem uitdagen, hem bijten, hem dwingen om harder te werken. Maar hij kiest voor het makkelijke. Voor de vaatdoek.

Ze wendt haar blik af. Ze kan het niet aanzien. Haar ogen zoeken de schaduw. Dirk zit op zijn poefje, starend naar zijn schoenen, verslagen en vernederd. Een grimmige tevredenheid spoelt over haar heen. Kristof mag dan onbereikbaar zijn, de gelukkige koning op zijn troon, en haar eigen man mag dan een dronken romanticus zijn die naar een ander wijf staart, maar zij heeft haar eigen koninkrijkje gesticht vanavond. In de bijkeuken. In de angst van Dirk. Ze is niet alleen de afgewezen vrouw. Ze is de meesteres van iemands lot.

Ze pakt de fles die op tafel staat en schenkt haar glas opnieuw vol, tot aan de rand, de wijn bijna over de rand klotsend. "Nog eentje dan," mompelt ze tegen niemand in het bijzonder, en ze heft het glas naar haar eigen spiegelbeeld in het donkere raam. "Op de liefde. En op de smerige geheimen die het leven draaglijk maken."

- - -

Meer weten over deze verhaalreeks? Abonneer je op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...