Door: Elite_12
Datum: 07-06-2026 | Cijfer: 9.6 | Gelezen: 1323
Lengte: Lang | Leestijd: 25 minuten | Lezers Online: 23
Trefwoord(en): Anaal, Bi, Dwang, Klooster, Neuken, Pastoor,
Lengte: Lang | Leestijd: 25 minuten | Lezers Online: 23
Trefwoord(en): Anaal, Bi, Dwang, Klooster, Neuken, Pastoor,

"Geliefde parochianen," begint hij, en zijn ogen—warm bruin, met kleine kraaiepootjes die verschijnen wanneer hij glimlacht—kijkt over de zondagmiddagmenigte. "We verzamelen ons hier niet alleen om Hem te aanbidden."
John zit op de eerste bank, links van het gangpad. Zijn witte misdienaarsgewaad ligt gestreken over zijn zwarte hoodie, de stof van zijn streetwear zacht ruisend wanneer hij verschuift. Het zilveren kruisje aan zijn nek vangt het licht, slingert lichtjes wanneer hij ademhaalt. Zijn handen, die normaal zelfverzekerd op zijn knieën rusten, bewegen nu onrustig—vingers die de zoom van zijn gewaad vouwen, gladstrijken, weer loslaten.
Hij hoort Maartens woorden, maar ze komen aan als door water, gedempt en vervormd. Twee weken. Het is twee weken geleden dat de pastoor hem achter het altaar riep, onder het voorwendsel van wijn opslaan voor de volgende mis. De koelte van de sacristie, de geur van oude lakens en wierookstof. Maartens hand op zijn schouder, zwaarder dan verwacht, de warmte daarvan door de dunne stof van Johns shirt heen brandend.
"Wij moeten elkaar aanbidden," vervolgt Maarten, en zijn stem krijgt die trillende kwaliteit die John herkent—dezelfde vibratie die door zijn lijf gegaan was toen de pastoor achter hem stond, toen zijn broek omlaag gleed, toen vingers zijn billen aanraakten. "In elkaar zien wij Gods spiegel. In elkaars lichaam vinden wij de heiligste communie."
Johns keel klikt wanneer hij slikt. Zijn jeans, onder het misdienaarsgewaad, voelt plotseling te strak. Hij herinnert zich de koude steen van het altaartafelrand tegen zijn buik, de manier waarop Maarten hem naar voren had gebogen, de pastoorspij die ritselde toen de man zich positioneerde. De eerste druk, de brandende strekking, zijn eigen kreun die in de stilte van de kerk had gehangen als een gebed dat niet beantwoord zou worden.
Hij had het niet gewild. Zijn handen, die nu de houten bankrand omklemmen, herinneren zich hoe ze de steun hadden gezocht, hoe zijn vingernagels in de poriën hadden gekrast toen Maarten hem vulde, langzaam, met die geduldige precisie die de man in alles aan de dag legt. De pastoor had hem bij zijn erectie gepakt, de zwarte huid van Johns penis contrasterend met Maartens blekere, as-aangetaste vingers. Hij had in het ritme van zijn stoten afgetrokken, elke terugtrekking van zijn heupen gevolgd door een naar voren duwen van zijn vuist.
"Geloof is niet abstract," predikt Maarten nu, en zijn rechterhand laat de preekstoel los, zweeft omhoog in een gebaar dat John te goed kent—dezelfde hand die zijn heupen had vastgegrepen, die hem op zijn plaats had gehouden terwijl de intensiteit opbouwde. "Geloof is vlees. Geloof is zweet. Geloof is het moment waarop je jezelf volledig overgeeft aan iets groter dan jezelf."
John sluit zijn ogen. De duisternis achter zijn oogleden explodeert in herinnering: de vulling, de volheid die grensde aan pijn maar er niet overheen ging, de manier waarop Maarten precies wist waar hij moest drukken, hoe hij moest draaien. De opwinding die tot hem was gekomen, niet ondanks de heiligheid van de plek, maar misschien wel dankzij—de verbodenheid die elke zenuw had doen trillen, zijn zwarte lul die harder werd in Maartens hand dan hij ooit bij zichzelf had bereikt.
Hij had bijna geklaard. Hij voelt het nog, die opbouwende druk in zijn onderbuik, de bal die zich samenperste, klaar om te barsten. Maartens adem in zijn nek, de geur van wierook en mannelijk zweet, de stoten die sneller werden, onregelmatiger—
De deur van de zijkapel die openschoot.
Johns ogen vlogen open. Hij ziet haar nog steeds, in de herhaling die zijn brein niet kan stoppen: Zawadi, in haar nonnengewaad dat de kleur van ongewassen linnen heeft, met haar korte stekelige haar dat blond afsteekt tegen het donker van haar huid. De septumring die glinstert wanneer haar mond open valt, de oorbellen die rinkelen in de stilte die plotseling zo zwaar wordt dat het gewicht ervan op Johns borstkas drukte.
Maartens lichaam stijf achter hem. De pastoorspij die rimpelt wanneer de man zich terugtrekt, de koude lucht die Johns blootgestelde billen raakt. Het gekreun dat stokt in Maartens keel, een onderbroken gebed.
En nu, in de zondagmiddagzon, ziet John hoe Maartens ogen hem zoeken in de menigte—een fractie van een seconde, niet meer—voordat ze wegflitsen, terug naar de parochianen die niets hebben gemerkt. De pastoors handen grijpen de preekstoel weer vast, zijn knokkels wit onder de asvlekken.
"Zoals wij God aanbidden in de eucharistie," herstelt Maarten zich, en zijn stem trilt slechts een moment, een vibrato dat alleen John lijkt op te pikken, "zo moeten wij elkaar aanbidden in onze dagelijkse ontmoetingen. De glimlach die u uw buurman geeft. De hand die u de arme reikt. Het lichaam dat u—" een pauze, zo kort dat ze bijna denkbeeldig is, "—dat u aan uw geliefde schenkt."
Johns handen hebben het gewaad losgelaten. Ze rusten nu op zijn dijen, de spieren onder zijn donkere huid gespannen, klaar om op te staan, weg te rennen, iets. Maar hij blijft zitten. De parochianen om hem heen knikken, oudere vrouwen met hoofddoeken die instemmend murmelen, een man in een versleten jas die zijn pet draait tussen zijn handen.
Hij denkt aan wat er daarna gebeurde. Hoe Maarten zich had teruggetrokken, hoe de pastoor zijn broek had opgetrokken met bevende handen—die zenuwachtige gebaren die John nu herkent als schuld, als angst. Hoe Maarten naar Zawadi was gelopen, zijn pastoorspij rechtend alsof het een harnas was, hoe hij had gefluisterd, gebeden, zijn waardigheid weggeven voor stilte.
Zawadi had hen niet aangegeven. Dat had John gezien, in de manier waarop haar kaken waren gaan werken, de woede die in haar tatoeëerde armen had gelegen als opgespannen spieren onder het nonnengewaad. Maar ze had wilde iets. John had het gezien in haar ogen, die donker waren en glommen met iets dat geen woede was, iets dat dichter bij nieuwsgierigheid lag, dan bij honger.
Na de preek, wanneer de parochianen opstaan voor het laatste gebed, voelt John haar aanwezigheid nog steeds—niet in de kerk, maar in zijn lichaam, als een spier die zich heeft aangespannen en niet meer wil ontspannen. De herinnering aan hoe ze hem had meegenomen, haar hand stevig om zijn pols, haar stem laag en bevelend: "Jij komt met mij."
Het Klooster van Sint-Vincentius ligt verscholen tussen glooiende heuvels, oude stenen muren die de tijd lijken te weerstaan. John zit in haar kamer, op een stoel met een versleten zitting die de vorm heeft aangenomen van talloze gebeden en gesprekken. De geur van wierook hangt hier ook, maar anders—frisser, met een ondertoon van versgemaaid gras die door het open raam naar binnen waait.
Zawadi staat bij het raam, haar nonnengewaad los om haar schouders, de feniks op haar rug zichtbaar wanneer ze zich omdraait—kleurrijke veren die oprijzen uit vlammen, een symbool van wedergeboorte dat John nu ironisch vindt. Haar septumring vangt het licht wanneer ze hem aankijkt.
"Vertel me opnieuw," zegt ze, en haar stem is geen bevel nu, maar een verzoek dat rauwer klinkt dan ze waarschijnlijk wil. "Wat deed hij precies?"
Johns handen bewegen op zijn knieën, de zenuwachtige gebaartjes die hij niet kan onderdrukken. "Hij—hij duwde me tegen het altaar. Zijn handen waren koud, eerst. Toen warm." Hij slikt, voelt de herinnering in zijn lichaam als een fysieke sensatie. "Hij trok mijn broek naar beneden. Niet snel. Alsof hij tijd had. Alsof we—" hij zoekt naar woorden, "—alsof we oneindig hadden."
Zawadi komt dichterbij, haar bewegingen die van een dier dat zich niet hoeft te haasten omdat het weet dat de prooi niet wegkomt. Ze gaat zitten op het bed, het matras dat kraakt onder haar gewicht, de dekens die geen kleur meer hebben maar alleen nog de herinnering aan wit.
"En toen?" vraagt ze.
"Hij—" John stopt, zijn wangen warm onder zijn donkere huid. "Hij deed olie. Van de lampen, denk ik. Het rook naar—" hij snuift, herinnert zich de geur, "—naar wierook en schroeiend metaal. En toen drukte hij, en ik—" zijn stem breekt, hij hoort het zelf, de hapering die zijn woorden doorsnijdt, "—ik deed open. Ik wilde niet, maar ik deed open."
Zawadi's ogen worden smaller, niet van afkeuring maar van iets dat John niet kan plaatsen. Haar handen, die op het bed rusten, vouwen zich om de stof van haar gewaad. "Je voelde het," zegt ze, en het is geen vraag. "Je voelde hem. Binnenin."
Johns adem stokt. Hij knikt, een kleine beweging die hij niet had willen maken maar die uit zijn lichaam komt alsof het een bekentenis is die al te lang is binnengehouden. "Het deed pijn," zegt hij, en zijn stem is lager nu, bijna een fluistering. "Maar ook—" hij zoekt, zijn handen die eindelijk stil worden, gevangen in de herinnering, "—ook alsof er iets was dat moest worden gevuld. Een leegte die ik niet wist dat ik had."
De stilte in de kamer is zo dik dat John het gewicht ervan op zijn tong voelt. Zawadi beweegt niet, haar ogen op hem gericht, de piercings in haar gezicht die kleine flitsen van licht vangen wanneer ze ademhaalt. Dan, langzaam, alsof ze zichzelf toestemming geeft voor elke millimeter, laat ze haar hand van het bed glijden. Ze staat op, komt naar hem toe, gaat op haar hurken voor zijn stoel zodat hun ogen op gelijke hoogte zijn.
"Je bent opgewonden," zegt ze, en het is geen beschuldiging. Haar ogen dalen naar zijn kruis, waar de stof van zijn jeans en zijn hoodie een vorm heeft aangenomen die niet te ontkennen is—de bobbel van zijn erectie, die teruggekomen is tijdens zijn verhaal, die hij niet heeft kunnen stoppen.
Johns gezicht brandt. "Ik—het is niet—"
"Laat me zien," zegt Zawadi, en haar stem is zacht maar onvermurwbaar als steen die door eeuwen van water is gevormd. "Laat me zien wat hij heeft aangeraakt."
Johns handen trillen wanneer hij aan de zoom van zijn hoodie trekt, wanneer hij de knoop van zijn jeans losmaakt. De rits die omlaag gaat, het geluid ervan scherp in de stilte. Zijn boxershort, zwart, strak over zijn heupen. En toen, wanneer hij die ook omlaag trok, springt zijn penis vrij—niet volledig stijf, maar zwaar, dik, de donkere huid glanzend in het licht van het raam.
Zawadi ademt in, een hoorbare zuiging van lucht die haar longen vult. Haar ogen worden groter, de pupillen die zich uitbreiden terwijl ze kijkt. "Groot," zegt ze, en het woord klinkt als een ademtocht, als een gebed. "Groter dan ik—" ze stopt, haar hand die omhoog komt, die aarzelt in de lucht tussen hen, "—groter dan ik had gedacht."
John zit roerloos, zijn handen die het gewaad om zijn heupen houden, alsof dat enige bescherming biedt. Maar wanneer Zawadi's vingers zijn huid raken—eerst licht, een aanraking die meer voelt als wind dan als vlees—trilt hij. Haar huid is warmer dan verwacht, de callussen op haar vingertoppen—van wat? schrijven? bidden?—die een textuur geven die hij niet had voorzien.
Ze sluit haar vingers om hem, niet strak, maar met een druk die precies genoeg is om hem te laten weten dat ze er is. Haar duim strijkt over zijn eikel, nog bedekt door de voorhuid, en John hoort zichzelf kreunen—een laag geluid dat uit zijn diepste borstkas komt, dat hij niet had kunnen tegenhouden als hij had gewild.
"Je reageert," zegt Zawadi, en er is iets van verwondering in haar stem, alsof ze een experiment observeert dat beter verloopt dan verwacht. Haar hand begint te bewegen, langzaam op en neer, de huid die over zijn erectie schuift. "Je wordt stijver. In mijn hand."
John kijkt naar beneden, ziet zijn eigen lichaam reageren—de manier waarop zijn penis zich verhardt onder haar aanraking, hoe de aderen zichtbaar worden, donkerblauwe lijnen die zich door de zwarte huid heen drukken. De eikel die bloot komt wanneer ze terugtrekt, die glanst met een druppel vocht dat aan de punt hangt als een juweel.
"Hij deed dit ook," fluistert John, en hij weet niet waarom hij het zegt, alleen dat de woorden eruit willen, dat ze moeten worden gezegd. "Hij trok me af terwijl hij—terwijl hij in me kwam."
Zawadi's hand stopt even, haar ogen die naar hem opflitsen. Dan, langzamer dan eerder, begint ze weer te bewegen. Haar andere hand komt omhoog, rust op zijn dij, de warmte daarvan door de stof van zijn jeans heen voelbaar. "En je kwam bijna?" vraagt ze.
"Ja," hijgt John, zijn heupen die onwillekeurig omhoog komen, die meer willen. "Ja, ik was—er was een moment, een seconde, waarop ik dacht—"
Hij stopt, de herinnering te scherp, te heet. Maar Zawadi knikt alsof ze begrijpt, alsof ze hetzelfde moment kent, dezelfde seconden van verdwijnen. Haar hand versnelt, niet veel, maar genoeg om Johns adem te laten stokken. Haar ogen zijn op zijn gezicht gericht, observerend, lerend.
"Je bent mooi," zegt ze, en het is onverwacht, het woord dat niet lijkt te passen bij het moment maar er des te meer op lijkt te drukken. "Je lijf. De manier waarop je reageert. Alsof je niet weet dat je zo bent."
John weet niet wat hij moet zeggen. Zijn handen hebben het gewaad losgelaten, liggen nu op de armleuningen van de stoel, de spieren gespannen alsof hij zich wil optillen, wegvluchten, of dichterbij komen—hij weet het niet. Alleen dat Zawadi's hand hem voelt, echt voelt, niet als Maartens hand die deed alsof het een zonde was die moest worden afgewassen, maar als iets dat wil worden vastgehouden.
Plotseling laat ze hem los. John kreunt van het verlies, zijn heupen die naar voren schieten, zoekend. Maar Zawadi staat al op, haar handen die haar gewaad openen, die het van haar schouders laten glijden. Onder het nonnengewaad draagt ze niets—haar borsten, vol en donker met tepels die hard zijn, die naar hem wijzen. Haar buik, zachte rondingen die naar beneden leiden naar de driehoek van haar schaamhaar, geschoren aan de zijkanten zodat er een smalle streep overblijft.
"Op het bed," zegt ze, en het is geen vraag. "Nu."
John staat, zijn erectie die voor hem uit wijst, zwaar en nu volledig stijf—groot, zoals ze zei, de eikel die pulserend roze is tegen de donkere huid van zijn shaft. Zijn kleren vallen van hem af, hoodie en gewaad en sneakers die op de vloer terechtkomen met geluiden die te luid lijken in de stilte. Hij ligt op het bed, het matras dat onder hem zakt, de dekens die ruiken naar lavendel en iets scherper, iets dat hij later zal herkennen als haar.
Zawadi staat aan het voeteneind, haar ogen die over hem heen dwalen—van zijn gezicht, waar het zweet nu op zijn voorhoofd glinstert, naar zijn borstkas, waar zijn hartslag zichtbaar is onder de donkere huid, naar zijn buik, die op en neer gaat met zijn ademhaling, naar zijn penis die tegen zijn buik ligt, de eikel die bijna zijn navel raakt.
"Je wilt me neuken," zegt ze, en het is geen vraag, maar ook geen beschuldiging—een constatering, alsof ze het weer voorspelt. "Je wilt je pik in me voelen, nadat je hebt gevoeld hoe het is om gevuld te worden."
John knikt, zijn stem weg, verdwenen ergens in de hitte van zijn keel. Zawadi glimlacht, niet de vriendelijke glimlach van een non maar iets ouders, iets dat meer lijkt op de feniks op haar rug—een uitdrukking van iemand die weet wat vuur doet, die er niet bang voor is.
Ze klimt op het bed, haar knieën die aan weerszijden van zijn heupen komen te liggen. Het gewicht van haar drukt het matras in, maakt dat John naar haar toe rolt, zijn erectie die tegen haar dij stuit. Ze is nat—dat voelt hij, de vochtigheid die van haar afstraalt, die zijn huid vochtig maakt waar ze hem raakt. Het is geen olie van lampen, geen kunstmatige gladheid, maar iets dat uit haar lijkt te komen, een bewijs van verlangen dat ze niet hoeft te verbergen.
"Wacht," zegt ze, wanneer hij zijn heupen optilt, zoekend naar haar opening. Ze leunt naar voren, haar handen die zijn borstkas vinden, die eroverheen strijken. Haar tepels boren in zijn huid, zachte druk die hem doet kreunen. Dan, langzaam, laat ze zich zakken.
De eerste druk is elektrisch. John voelt haar warmte, de natte opening die zich tegen zijn eikel perst, die weerstand biedt en dan, wanneer ze verder zakt, die hem binnenvoert. Het is anders dan Maartenstrakker, de spieren die om hem heen pulseren met een ritme dat lijkt te kloppen in de maat van haar hartslag.
"O, god," hijgt John, zijn handen die omhoog schieten, die haar heupen vinden, die erin knijpen alsof hij bang is dat ze zal verdwijnen. "O, god, Zawadi—"
"Zuster," corrigeert ze hem, maar er is lach in haar stem, een trillende kwaliteit die hij voelt door haar lijf heen, door waar ze met hem verbonden is. "Noem me zuster wanneer ik je neuk."
Ze beweegt, haar heupen die een cirkel draaien, die hem dieper binnentrekken. John gilt, een geluid dat hij niet herkent als van zichzelf—hoog, bijna vrouwelijk in zijn intensiteit. Het bed kraakt onder hen, een ritmisch gekraak dat meebeweegt met haar op en neer, met zijn stoten naar boven die haar harder willen, dieper.
"Je bent zo—" hij zoekt naar woorden, zijn brein dat niet meer werkt, dat alleen nog gevoel registreert, "—zo strak. Zo nat. Ik kan—ik voel alles—"
"Jij ook," hijgt Zawadi, haar hoofd dat achterover valt, haar blonde stekels die tegen haar nek prikken. "Jij bent zo groot, je vult me—je raakt—" ze stopt, een kreun die uit haar diepste borstkas komt, "—je raakt plekken die—o, daar, daar—"
Ze versnelt, haar heupen die nu op en neer bewegen in een tempo dat Johns adem wegneemt. Hij voelt haar orgasme opkomen, de manier waarom haar spieren om hem heen samentrekken, pulserend, ritmisch—niet één keer, maar in golven, als een hart dat buiten zichzelf klopt.
"Niet stoppen," smeekt ze, haar stem ruw, gehavend. "Niet stoppen, ik kom—ik kom—"
John houdt haar vast, zijn vingers die in haar heupen graven, die merken zullen achterlaten die morgen nog zichtbaar zullen zijn. Hij stoot naar boven, zijn eigen orgasme opborrelend, de bal die zich samenperst—maar Zawadi beweegt zich, plotseling, onverwacht, trekt zich van hem los zodat zijn penis uit haar springt, nat en kloppend in de koude lucht.
"Nee," hijgt John, de verdwijning van haar warmte een pijn die fysiek aanvoelt. "Nee, alsjeblieft, ik was—"
Ze legt haar hand op hem, omvat hem, trekt hem in hetzelfde tempo waarin ze had bewogen. Haar andere hand grijpt zijn balzak, die zacht en zwaar aanvoelt, die ze masseert met een tederheid die contrasteert met de ruwheid van haar andere bewegingen.
"Over mijn borsten," zegt ze, en haar stem is bevelend nu, terug bij de non die hem meenam, die hem onder haar hoede nam. "Kom over mijn borsten, John. Laat me je zien. Laat me je proeven."
John kijkt naar haar, naar het zweet dat over haar donkere huid loopt, naar de feniks die op haar rug lijkt te bewegen met haar ademhaling, naar haar borsten die voor hem liggen, zwaar en vol, de tepels die nog steeds hard zijn. Zawadi's hand beweegt sneller, de huid die over zijn eikel schuift, de druk die precies is, precies genoeg.
"Het komt," hijgt hij, zijn heupen die omhoog komen, die willen meer, die willen dieper maar nu alleen nog in haar hand, in haar ogen. "Zuster, ik—het komt—"
De eerste straal is heet, krachtig—die over haar linkerborst slaat, die van haar huid afklettert en op haar buik terechtkomt. De tweede, de derde, die haar rechterborst bedekt, die tussen haar borsten loopt, een rivier van wit die contrasteert met het donker van haar huid. John kreunt, een langgerekt geluid dat geen woorden meer heeft, alleen nog klank, alleen nog de uitdrukking van wat door hem heen stroomt.
Zawadi laat hem niet los, trekt door, trekt de laatste druppels uit hem totdat hij zacht wordt in haar hand, totdat er niets meer komt dan een enkele parel die aan zijn eikel hangt. Ze brengt haar vinger naar haar mond, proeft, haar ogen die dichtgaan bij de smaak—zout, bitter, iets zoet eronder dat ze niet kan plaatsen.
"John," zegt ze, en het is de eerste keer dat ze zijn naam zegt zonder titel, zonder afstand. Ze laat zich naast hem vallen op het bed, het matras dat onder hen beiden zakt, de dekens die nu vochtig zijn van hen beiden, van zweet en van hem. "Dat was—" ze zoekt naar woorden, haar hand die over haar borst strijkt, die zijn zaad over haar huid smeert, "—dat was heilig. Dat was wat heilig moet zijn."
John ligt roerloos, zijn ademhaling die langzaam weer normaal wordt, zijn hartslag die uit zijn oren trekt. Hij voelt haar warmte naast zich, de realiteit van haar lijf dat anders is dan zijn, dat dezelfde behoeften heeft, dezelfde honger.
"Ik dacht," zegt hij, en zijn stem is schor, gehavend door zijn kreunen, "ik dacht dat het zonde was. Wat we deden. Wat hij deed."
Zawadi draait haar hoofd, haar ogen die in de zijne kijken. Haar hand vindt de zijne, vlecht hun vingers door elkaar—haar huid donkerder dan de zijne, maar niet veel, de verschillen die kleiner lijken in het schemerlicht van de kamer.
"Zonde," herhaalt ze, alsof ze het woord proeft, alsof ze het vergelijkt met wat ze net heeft geproefd. "Zonde is wat ons pijn doet. Wat ons klein maakt. Dit—" ze knijpt in zijn hand, "—dit maakte ons groter. Dit vulde een leegte."
John denkt aan Maarten, aan de preek van vanmiddag, aan de woorden die hij half hoorde: *In elkaar zien wij Gods spiegel.* Hij denkt aan de manier waarop Zawadi naar hem keek, niet als een misdienaar, niet als een zondaar, maar als iemand die wilde worden gezien.
"Elke woensdag," zegt Zawadi, en het is geen vraag, maar ook geen eis—een aanbod, een uitnodiging. "Na de mis. Hier. Om helemaal klaar te komen, zoals je zei. Om te vullen wat leeg is."
John knikt, het zilveren kruisje dat tussen hen in ligt op het bed, dat het licht vangt en weerkaatst. "Ja," zegt hij, en het woord voelt als een belofte, als een gebed dat wordt beantwoord. "Ja, dat wil ik."
Buiten, over de glooiende heuvels, begint de zon onder te gaan. De schaduwen in de kamer worden langer, de feniks op Zawadi's rug verdwijnt in de duisternis. Maar de warmte tussen hen blijft, de vochtigheid van hun huid die samenkomt, de ademhaling die synchroon wordt.
John sluit zijn ogen. Hij denkt niet aan morgen, niet aan de mis die hij zal dienen, niet aan Maarten die hem zal aankijken met ogen die weten en niet weten. Hij denkt alleen aan dit: de hand in de zijne, het gewicht van het bed onder hen, de belofte van woensdag die als een warmte in zijn buik ligt, die sterker is dan schuld, dan angst, dan het zwijgen dat van hem wordt verwacht.
Hij is achttien. Hij is misdienaar. Hij is geliefde, nu, van iemand die hem ziet.
En voor het eerst sinds weken, sinds maanden, misschien wel sinds altijd, voelt hij zich niet verloren.
Meer verhalen die je waarschijnlijk leuk vindt
- De Totale Vernedering, Kitty’s Psycho ... (8.0) door John Adams
- Koningsspelen (9.2) door Marcel V
- Avondje Risken Met De Buren… (9.4) door Tom8819
- Mijn Vrouw: Mijn Broer (8.9) door Een Gelukkige Man
- Schuldeiser (8.9) door Wij samen
- Buurjongen (9.4) door Wij samen
- Tommie Is Geen (kleine) Tommie Meer (9.0) door Kareltje
- Flessenpost (9.0) door HanPet
- Bondage Met Geile An (9.0) door Genieter56
- Wie Niet Horen Wil (9.1) door Wij samen
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10


