Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 18-01-2026 | Cijfer: 9.1 | Gelezen: 592
Lengte: Lang | Leestijd: 27 minuten | Lezers Online: 1
Leegte In Een Volle Club
De club ademt anders dan het restaurant. Dikker. Warmer. Alsof de lucht hier niet alleen ingeademd wordt, maar ook vastgehouden. Geluid plakt aan muren, aan huid, aan kleding. Het ritme is geen uitnodiging maar een bevel, iets dat je lichaam probeert over te nemen nog vóór je hoofd heeft besloten mee te doen.

Ik laat het niet toe. Niet bewust, niet krampachtig. Ik ben er gewoon.

Ik sta niet aan de rand, maar ook niet midden in de dansvloer. Dat is nieuw. Vroeger had ik óf afstand genomen, óf mezelf verloren in de beweging. Nu beweeg ik mee met de stroom zonder erdoor meegesleurd te worden. Mijn voeten volgen het tempo, mijn schouders ontspannen, mijn blik glijdt. Ik zie alles, maar niets trekt me hard genoeg om me los te rukken uit mezelf.

Hyun is dicht bij me. Niet vast aan me, niet leunend, maar consequent in mijn nabijheid. Alsof ze intuïtief hetzelfde tempo heeft gekozen. Haar hand raakt soms mijn arm wanneer iemand langsloopt, niet om te claimen, maar om ruimte te markeren. Ze zegt weinig. Dat is haar kracht. Haar aanwezigheid werkt dempend op de ruis, als een zachte hand op de volumeknop van de avond.

Het licht breekt in flarden over haar gezicht. Wit, dan blauw, dan even rood. Elke kleur laat een andere versie van haar zien, maar geen enkele schreeuwt. Alles aan haar is beheerst, zelfs hier. Haar kleding sluit aan zonder te knellen, haar bewegingen zijn precies genoeg om deel te zijn van het geheel zonder op te vallen. Ik merk dat ik rustiger adem wanneer ze naast me staat. Alsof mijn lichaam haar tempo overneemt zonder dat ik daar moeite voor hoef te doen.

Kamila is overal en nergens tegelijk. Dat valt meteen op. Ze beweegt makkelijker door de ruimte dan ik, natuurlijker ook. Mensen maken plaats voor haar zonder te weten waarom. Blikken blijven hangen. Handen zoeken contact dat ze net niet toestaat. Ik zie het gebeuren, telkens opnieuw: iemand die denkt dat haar open houding een uitnodiging is, die één stap te ver zet, en dan… niets. Geen afwijzing, geen afsnauwen. Alleen een subtiele verschuiving. Een halve draai van haar lichaam. Een blik die verder kijkt dan de persoon tegenover haar.

Altijd terug naar mij.

Niet opzichtig. Niet als bevestiging voor de buitenwereld. Meer als een intern kompas dat even gecontroleerd wordt. Ik vang haar blik op, knik nauwelijks merkbaar, en zie hoe ze ontspant. Ze draagt weinig, dat is duidelijk. En wat ze niet draagt, draagt ze met dezelfde vanzelfsprekendheid. Het is geen statement, geen provocatie. Het is simpelweg zo. Ik weet het. Zij weet dat ik het weet. Dat is genoeg.

Ik registreer hoe mannen haar benaderen. Jonger, ouder, zelfverzekerd, aarzelend. Ik zie de variaties in hun pogingen, de kleine toneelstukjes die zich in seconden ontvouwen. En ik voel niets dat me aanzet tot ingrijpen. Geen jaloezie, geen drang om te markeren. Ze heeft geen bescherming nodig. Dat heeft ze allang laten zien. Wat ze nodig heeft, heeft ze al bij zich.

Bij mij. Het is vermakelijk. Opwindend.

Sophia is moeilijker te missen. Waar Kamila beweegt met precisie, beweegt Sophia met volume. Ze lacht hard, danst breed, trekt de aandacht naar zich toe alsof ze bang is dat die anders verdwijnt. Ze is omringd door mannen, wisselt gezichten alsof ze outfits past. Ik zie haar kijken, af en toe, mijn kant op. Niet lang. Niet vragend. Meer toetsend. Alsof ze wil weten of ik haar zie.

Dat doe ik.

Ik zie hoe ze zich groter maakt dan nodig. Hoe ze ruimte inneemt zonder die echt te voelen. Haar bewegingen zijn losser, wilder, maar ook onrustiger. Ze danst alsof stilvallen gevaarlijk zou zijn. Alsof er iets is dat haar inhaalt wanneer ze stopt. Ik herken dat. Niet uit verlangen, maar uit ervaring. Het is een manier van bewegen die ik zelf ook heb gekend.

Ze zou me kunnen wenken. Een handgebaar, een blik die net iets langer blijft hangen. Ik weet zeker dat als ik één stap haar kant op zou zetten, de rest vanzelf zou volgen. De avond biedt genoeg openingen. Maar ik blijf waar ik ben. Niet omdat ik mezelf iets ontzeg, maar omdat ik niets te winnen heb door mee te bewegen op een impuls die niet van mij is.

Hila beweegt aan de rand van mijn blikveld. Ze danst dicht bij anderen, zoekt aansluiting, laat zich zien. Haar energie is anders dan die van Sophia. Minder luid, maar doelgerichter. Ik zie haar meerdere keren richting Mussa bewegen, hoe ze haar timing afstemt op het moment dat hij alleen lijkt te staan. Ik zie hem afweren. Niet hard, niet gemeen. Gewoon niet meebewegen. Elke keer opnieuw.

Na de tweede afwijzing verandert haar dans. Ze schuift op, letterlijk en figuurlijk. Haar bewegingen worden fysieker, haar nabijheid intenser. Ze kiest andere lichamen, donkerder silhouetten, zwaarder aanwezig. Het prikkelt iets ouds in me, iets dat beelden oproept die ik ken. Niet omdat ik ze wil, maar omdat ze ooit betekenis hadden. Ik laat ze voorbijgaan zonder erin mee te gaan.

Dit is nieuw.

Ik merk dat ik veel zie, maar weinig doe. Dat ik aanwezig ben zonder te sturen. Dat mijn lichaam reageert — warmte, spanning, een onderhuidse alertheid — maar dat mijn handelen daar niet automatisch op volgt. Er is ruimte ontstaan tussen voelen en doen. In die ruimte sta ik nu.

Hyun leunt iets dichter naar me toe wanneer iemand te ruw langsloopt. Haar haar raakt mijn schouder. Ik ruik haar, licht en schoon, bijna contrasterend met de zware lucht van de club. Ze zegt iets over de muziek, iets kleins, iets alledaags. Ik antwoord. Het gesprek is niet belangrijk. De toon wel. Het is een anker, midden in een ruimte die ontworpen is om ankers los te wrikken.

Ik kijk nog één keer rond. Naar Kamila, die lacht om iets wat iemand zegt, maar met haar lichaam al half mijn kant op gedraaid staat. Naar Sophia, die danst alsof ze zichzelf moet bewijzen aan een onzichtbare jury. Naar Hila, die haar afwijzing omzet in beweging. Naar de rest, die meedraait, meesleurt, zoekt.

En ik sta hier. Niet erboven. Niet eronder.

Eronderdoor, misschien. Of erdoorheen.

De spiegel die deze club mij voorhoudt, laat geen nieuwe versie van mezelf zien. Geen extremen. Geen breuk. Alleen bevestiging. Dat ik dit ken. Dat ik dit kan. En dat ik — voor het eerst misschien — niet hoef te kiezen uit wat zich aandient, maar kan wachten op wat klopt.

De avond is nog lang.

Maar ik draai niet meer op impuls.

De club begint zich te verdichten. Niet voller, maar intenser. Alsof iedereen, na dat eerste aftasten, heeft besloten wat dit voor hem of haar moet worden. Lichamen bewegen niet langer zoekend, maar doelgerichter. Blikken blijven minder lang hangen, maar zijn scherper. Keuzes worden sneller gemaakt. Ik voel het aan de lucht, aan de manier waarop gesprekken afbreken zodra muziek een fractie harder binnenkomt.

Sophia beweegt nu anders dan eerder. Haar dans is losser geworden, maar ook geforceerder. Ze laat zich makkelijker aanraken, lacht harder dan nodig is, buigt zich dichter naar monden die iets in haar oor willen zeggen. Ze wisselt gezichten snel, alsof ze bang is te lang bij één persoon te blijven hangen. Elke nieuwe partner krijgt een korte, intense versie van haar aandacht, maar niemand lijkt haar echt vast te houden.

Ik zie hoe ze af en toe mijn kant op kijkt. Geen directe uitnodiging, geen spel. Meer een check. Alsof ze wil weten of ik nog steeds kijk. Dat doe ik. Maar ik beweeg niet. En dat lijkt haar meer te doen dan wanneer ik wél zou reageren. Haar blik blijft net een tel te lang hangen, voordat ze zich weer in een andere beweging stort.

Ik weet dat ze mij wil. Niet omdat ik iets doe, maar juist omdat ik het niet doe. Dat besef is ongemakkelijk, maar ook verhelderend. Er zit geen triomf in. Eerder een soort treurige helderheid. Wat zij zoekt, zit niet in mijn lichaam, maar in mijn aandacht. En die geef ik haar niet op die manier.

Hyun merkt het. Niet omdat ik iets zeg, maar omdat ze voelt waar mijn blik af en toe naartoe gaat. Ze zegt er niets van. Ze hoeft dat niet. Ze blijft in mijn buurt, stelt kleine vragen, raakt me soms even aan wanneer de ruimte te onrustig wordt. Haar aanwezigheid is geen schild, maar een herinnering aan iets anders. Iets rustigers. Iets dat niet hoeft te vechten om bestaansrecht.

Aan de andere kant van de dansvloer zie ik Hila. Haar bewegingen zijn veranderd sinds Mussa haar opnieuw heeft afgewezen. Ze danst nu dichter tegen anderen aan, laat haar lichaam meer spreken dan haar gezicht. Er zit iets uitdagends in, iets bijna wraakzuchtigs, maar ook iets kwetsbaars. Alsof ze zichzelf wil bewijzen dat ze gewenst is, hier, nu, door iemand. Door wie dan ook.

Ze danst met mannen die haar nauwelijks aankijken, meer gefocust op haar lichaam dan op haar gezicht. Dat beeld schuurt. Niet omdat ik haar wil, maar omdat het oude beelden in mij wakker maakt. Herinneringen aan avonden waarin verlangen en leegte te dicht tegen elkaar aan lagen om ze nog uit elkaar te houden.

Ik betrap mezelf op vergelijken. Niet bewust, maar automatisch. Hila’s bewegingen roepen flarden op van Elise, van hoe zij ooit spanning zocht wanneer stilte te zwaar werd. En van Kamila, in een andere fase, toen alles nog open lag en grenzen vloeibaar waren. Het zijn geen verlangens die terugkomen, maar echo’s. Projecties van hoe ik vroeger dacht dat dit werkte.

Ik voel geen drang om in te grijpen. Geen behoefte om iets te sturen. Het blijft bij kijken. Bij erkennen wat het met me doet en het daar te laten. Dat is misschien wel het meest vreemde aan deze avond: hoe weinig ik mezelf herken in mijn eigen reacties. Of juist hoe goed.

Kamila beweegt ondertussen verder de club in. Ze praat met Pawel, kort. Ik zie zijn houding, iets gereserveerder dan de rest van de avond. Hij blijft op afstand, luistert meer dan hij spreekt. Hun gesprek lijkt onschuldig, maar ik zie hoe zijn blik af en toe afdwaalt naar mij. Niet vijandig. Meer zoekend. Alsof hij wil peilen waar hij staat. Ik geef hem niets om op te reageren. Geen teken, geen oordeel.

Daarna wordt Kamila opnieuw aangesproken door anderen. Mannen die denken dat haar open houding een uitnodiging is. Ik zie hoe ze hen te woord staat, vriendelijk, scherp, zonder ruimte te geven die ze niet wil geven. Het detail dat ze geen slipje draagt, blijft als een onderstroom door de avond lopen. Niet zichtbaar, maar voelbaar. Het maakt haar bewegingen geladen, haar nabijheid spannender. Maar ook dat leidt nergens toe. Elke interactie eindigt waar zij dat wil.

En altijd, na zo’n moment, zoekt ze mijn blik. Niet om toestemming te vragen. Meer om te bevestigen dat we hetzelfde verhaal lezen. Ik knik soms. Soms ook niet. Ze weet het verschil. Ze weet wat ik denk en fantaseer, en ik weet dat zij hetzelfde doet.

Sophia danst nu met twee mannen tegelijk. Haar lach is schel, haar bewegingen groot. Ze gooit haar hoofd achterover, laat zich draaien, laat handen toe die net iets te lang blijven hangen. Het is niet lelijk. Maar het is ook niet mooi. Het is een vorm van overleven die ik herken. De manier waarop je jezelf kunt verliezen in aandacht om maar niet te hoeven voelen wat eronder zit.

Ze kijkt opnieuw mijn kant op. Dit keer langer. Ik zie het moment waarop ze overweegt naar me toe te komen. Ik voel hoe de mogelijkheid zich aandient, tastbaar en dichtbij. Eén gebaar van haar, één stap van mij, en de avond zou een andere richting nemen.

Ik doe niets.

Niet uit discipline. Niet uit angst. Maar omdat het niets zou oplossen. Niet voor haar. Niet voor mij.

Ik blijf waar ik ben. Met Hyun naast me. Met Kamila die af en toe langsloopt, haar hand vluchtig tegen mijn rug. Met mijn voeten op de grond, mijn adem rustig. Ik laat de projecties komen en gaan. De vergelijkingen, de oude beelden, de half-vergeten fantasieën. Ze mogen er zijn. Ze bepalen niets meer.

De club spiegelt niet alleen verlangens, maar ook strategieën. Wie vult leegte met beweging. Wie met aandacht. Wie met afstand. Ik zie het allemaal. En ik voel hoe ik er niet langer onderdeel van hoef te zijn om het te begrijpen.

Dit deel van de avond vraagt geen actie. Alleen aanwezigheid. En die geef ik. Volledig. Zonder me te laten trekken.

De breuk moet nog komen. Dat voel ik. Maar hij kondigt zich niet aan met lawaai.

Hij sluimert.

Het moment dient zich niet aan met een schok, maar met een verschuiving. Zo’n kleine verandering in houding die je alleen opmerkt wanneer je al lang kijkt. Ik zie het aan de manier waarop Mussa zich losmaakt van de groep, zijn schouders iets rechter, zijn pas doelgerichter. Hij beweegt niet haastig, maar met een vastbeslotenheid die ik herken. Dezelfde die hij altijd had wanneer hij dacht dat iets hem toekwam omdat het ooit zo was geweest.

Elise staat iets verderop. Niet midden in de dansvloer, maar ook niet aan de rand. Ze beweegt nauwelijks. Haar lichaam doet mee, maar zonder overtuiging. Het licht valt anders op haar dan op de rest; donkerder, vlakker. Ze draagt meer make-up dan anders, maar het verzacht haar niet. Het legt haar juist vast. Alsof ze zichzelf heeft ingepakt om niet gezien te hoeven worden.

Ik zie Mussa naast haar verschijnen. Eerst alleen een handgebaar, iets dat moet doorgaan voor luchtigheid. Zij reageert nauwelijks. Hij zegt iets in haar oor. Ik kan het niet horen, maar ik zie haar kaak aanspannen. Haar schouders verharden. Ze draait haar hoofd niet naar hem toe. Toch borrelt de spanning in mijn buik meteen op. Als die twee de club verlaten, zal ik wel in beweging komen. Maar niet om iets te stoppen.

Hij probeert het opnieuw. Raakt haar arm aan. Niet grof, niet dwingend. Maar met een vanzelfsprekendheid die hier niet meer past. Alsof hij uitgaat van een gedeeld verleden dat nog steeds toegang geeft tot het heden.

Elise draait zich nu wel naar hem toe. Haar blik is leeg. Niet boos. Niet gekwetst. Leeg. Dat is misschien wel erger. Ze zegt iets korts. Haar mond beweegt nauwelijks. Ik zie geen emotie in haar gezicht, alleen begrenzing.

Mussa lacht schamper, half ontwapenend, half geïrriteerd. Hij zegt nog iets. Ik zie zijn hand een fractie omhoog gaan, alsof hij wil uitleggen. Rechtvaardigen. Misschien zelfs verleiden. Het moment hangt te lang. Mensen om hen heen beginnen het te voelen, al begrijpen ze niet precies wat er speelt. De muziek draagt het conflict niet, maar dempt het, maakt het zichtbaarder in gebaren in plaats van woorden.

Elise schudt haar hoofd. Eén keer. Duidelijk. Ze stapt achteruit. Mussa zegt haar naam. Dat is het verkeerde moment. Het verkeerde woord. Ze draait zich om en loopt weg, dwars door de menigte heen, zonder om te kijken.

Ik aarzel geen seconde.

Niet omdat ik denk dat ik nodig ben. Niet omdat ik haar wil redden. Maar omdat ik zie dat dit geen vlucht is, maar een breuk. En breuken laat je niet alleen gebeuren wanneer je er iets van kunt dragen.

Ik geef Hyun een korte blik. Ze knikt meteen, alsof ze al wist dat dit zou komen. Kamila zie ik verderop, in gesprek, maar haar aandacht is scherp. Ze volgt me met haar ogen wanneer ik me losmaak. Er is geen vraag in haar blik. Alleen begrip.

Elise staat buiten, net voorbij de rookruimte. De muziek klinkt hier doffer, gefilterd door muren en afstand. Ze staat met haar armen over elkaar geslagen, haar rug tegen de muur. Niet instortend. Niet huilend. Stil.

Ik ga naast haar staan, niet te dichtbij. Ik zeg niets. Dat voelt juist.

Na een paar seconden ademt ze diep uit. Het klinkt als een vermoeidheid die zich al dagen, misschien weken heeft opgebouwd. “Hij denkt nog steeds dat hij iets te zeggen heeft,” zegt ze. Haar stem is vlak. “Dat hij iets kan oplossen door te doen alsof het weer zo is.”

Ik knik. “Dat zag ik.”

Ze kijkt me nu pas aan. Haar ogen zijn helder, maar leeg. Geen glans. Geen spel. “Ik voelde niks,” zegt ze. “Niet boos. Niet geraakt. Niks. En dat is misschien wel het engste.”

Ik zeg niets. Ik laat haar doorgaan.

“Vroeger had ik iets gevoeld,” gaat ze verder. “Iets. Al was het maar irritatie of spanning. Nu… het ging gewoon langs me heen.” Ze tikt met haar vingers tegen haar arm, alsof ze wil controleren of ze er nog is. “Alsof hij tegen iemand anders praatte.”

Er zit geen drama in haar woorden. Geen poging om indruk te maken. Alleen constatering.

“Dat voelt leeg,” zeg ik voorzichtig. Niet als diagnose. Meer als erkenning.

Ze knikt langzaam. “Ja. Leeg.” Ze lacht kort, zonder humor. “Iedereen daarbinnen is bezig met voelen. Met willen. Met pakken. En ik sta hier en denk alleen maar: waarom raakt het me niet meer?”

Ik kijk naar haar handen. Ze trillen niet. Haar lichaam is rustig. Te rustig. “Misschien omdat je te lang hebt gevoeld voor iedereen,” zeg ik. Het is geen oordeel. Meer een gedachte die hardop vorm krijgt.

Ze sluit haar ogen even. “Misschien.” Dan: “Ik mis mezelf. Niet jou. Niet hen. Mezelf.” Ze opent haar ogen weer. “En dat is het ergste om kwijt te zijn.”

De woorden blijven tussen ons in hangen. Er is niets wat ik daartegenin kan brengen. Geen geruststelling die klopt. Geen oplossing die niet leeg zou klinken.

“Ik weet niet wat ik hier doe,” zegt ze. “Vanavond. In deze club. Tussen al die lichamen.” Ze haalt haar schouders op. “Het voelt alsof ik mezelf probeer te bewijzen dat ik nog besta.”

Ik leun iets dichter tegen de muur, zonder haar aan te raken. “Je hoeft vanavond niets te bewijzen,” zeg ik. “Ook niet aan jezelf.”

Ze kijkt me aan. Dit keer langer. Er zit iets van opluchting in haar blik. Niet omdat ik iets oplos, maar omdat ik niets probeer te forceren.

“Ik ga zo wel terug,” zegt ze. “Of misschien niet. Ik weet het nog niet.”

“Wat je ook doet,” zeg ik, “je hoeft het niet alleen te doen.”

Ze knikt. Dat is genoeg.

Binnen gaat de muziek door. De avond versnelt daar verder, zonder ons. Hier staat de tijd even stil. En ik weet: dit is het punt waarop iets onomkeerbaar is verschoven. Niet met lawaai. Niet met drama.

Maar met leegte. Het is ook heel wat voor haar geweest. Niet alleen de laatste periode. Maar

We blijven nog even staan nadat ik heb uitgesproken dat ze het niet alleen hoeft te doen. Niet omdat het moet, maar omdat geen van ons weet wat de volgende stap is. De club klinkt hier verder weg dan hij is. Alsof de muziek zich heeft teruggetrokken uit respect voor wat hier gebeurt. Of misschien verbeeld ik me dat. Het maakt niet uit. Dit moment vraagt geen decor.

Iets in mij wil haar meenemen. Hier vandaan. Samen iets doen. En ik weet dat ze mee zou gaan. Zelfs helemaal mee naar Ameland. Dus doe ik het niet, en blijven we hier.

Elise haalt diep adem en laat haar armen langs haar lichaam zakken. Het is een kleine beweging, maar ze lijkt er lichter door te worden. “Weet je wat het rare is?” zegt ze. “Ik wil best weer iets voelen. Ik mis het zelfs. Maar zodra het dichtbij komt, haak ik af. Alsof mijn lichaam zegt: nee, dit ken ik al. Dit gaat je niet helpen.” En ze heeft het niet over ons. Want haar lichaam smeekte zowat om mijn aanrakingen. De lust die ze hard voor het zwarte vlees lijkt er niet meer te zijn. Niet zoals vroeger. Niet tijdens al die keren dat ze mij had bedrogen met Mussa. Met Jeff. Ze is niet meer wie ze was. En ergens is dat goed. Ergens is dat jammer. Maar dat ze zoekende is, is duidelijk.

Ze kijkt naar haar handen terwijl ze praat. Niet naar mij. Alsof ze bang is dat mijn blik te veel betekenis geeft aan woorden die ze zelf nog niet begrijpt. “Ik heb vanavond zo veel mensen gezien die iets willen. Van elkaar. Van jou. Van Kamila. En ik voel alleen maar… afstand.”

“Dat zag ik,” zeg ik. “Niet als afwijzing. Meer als… terugtrekking.”

Ze knikt. “Ja. Terugtrekking.” Ze proeft het woord. “Het is niet dat ik niemand wil. Ik wil gewoon niet weer iets doen om me daarna leger te voelen dan daarvoor.”

Ik hoor geen verwijt. Geen verborgen verzoek. Alleen vermoeidheid. Een soort op dieper niveau dan fysiek.

“Het lukt me niet meer om te doen alsof,” zegt ze. “Alsof aandacht genoeg is. Alsof spanning hetzelfde is als verlangen. Het werkt niet meer.” Ze lacht kort, schamper. “Misschien ben ik kapot. Of te ver gegaan. Of gewoon moe.”

Ik schud mijn hoofd. “Moe is geen diagnose,” zeg ik. “Het is een toestand.”

Ze kijkt nu wel naar me. Haar ogen zijn helder, maar kwetsbaar op een manier die ik lang niet heb gezien. “En wat als het niet overgaat?” vraagt ze. Niet dramatisch. Praktisch bijna. “Wat als dit het is?”

Ik neem even de tijd voor ik antwoord. Niet omdat ik zoek naar de juiste woorden, maar omdat ik niets wil zeggen dat haar leegte zou vullen met iets wat niet klopt. “Dan is het nog steeds iets,” zeg ik uiteindelijk. “Geen fout. Geen tekort. Iets dat gezien wil worden, niet opgelost.”

Ze slikt. “Ik ben zo moe van mensen die denken dat ze me kunnen ‘helpen’ door me te willen.”

Dat raakt. Niet omdat ik me aangesproken voel, maar omdat ik begrijp wat ze bedoelt. “Vanavond wil niemand je repareren,” zeg ik. “Ze willen je gebruiken om iets in zichzelf te voelen. Dat is iets anders.”

Ze knikt langzaam. “En jij?” vraagt ze. De vraag hangt open, zonder verwachting.

“Ik wil je niet gebruiken,” zeg ik. “En ik wil je ook niet terug.” Ik laat de woorden staan, voel hoe eerlijk ze zijn. “Ik wil alleen dat je niet denkt dat je leegte betekent dat je niets meer waard bent.”

Ze ademt uit. Lang. Alsof ze dat al de hele avond heeft ingehouden. “Dank je,” zegt ze zacht. “Dat is… meer dan genoeg.”

We zwijgen. Niet ongemakkelijk. Eerder zorgvuldig. Ik voel geen drang om haar aan te raken. Geen behoefte om het moment te verzachten met nabijheid. Dat zou het te makkelijk maken. Dit vraagt ruimte.

Na een tijdje zegt ze: “Ik denk dat ik zo even naar weg ga. Gewoon lopen. Alleen.” Ze kijkt me aan, bijna verontschuldigend. “Niet omdat ik weg wil van jullie. Maar omdat ik even bij mezelf moet blijven.”

“Dat is oké,” zeg ik meteen. “Echt.”

Ze glimlacht flauwtjes. “Je bent veranderd,” zegt ze. Niet als oordeel. Als constatering. “Vroeger had je nu iets gezegd dat het lichter moest maken. Of iets gedaan.”

“Vroeger had ik dat nodig,” antwoord ik. “Nu niet meer.”

Ze knikt. “Dat is goed. Voor jou.”

We lopen samen een paar stappen richting de deur. De muziek wordt weer luider. De wereld komt terug. Net voor ze naar binnen gaat, blijft ze staan. “Lucas,” zegt ze. “Wat jij vanavond doet… het is niet niets. Blijf daarbij.”

Ik knik. “Jij ook. Bij jezelf.”

Ze draait zich om en verdwijnt in de nacht, niet gehaast, niet vluchtend. Gewoon gaand. Ik blijf nog even staan. Laat de stilte nawerken. Laat haar woorden landen zonder ze te wegen. Liever laat ik haar niet alleen de stad in gaan, maar ik weet dat het moet.

Wanneer ik weer naar binnen ga, zie ik Kamila meteen. Ze kijkt op, haar blik scherp, vragend. Ik schud bijna onmerkbaar mijn hoofd. Niet nu. Later misschien. Ze begrijpt het meteen en komt naast me staan zonder iets te vragen. Haar hand vindt de mijne. Vast. Rustig.

Hyun staat iets verderop. Ze glimlacht wanneer ze me ziet. Geen vragen. Alleen ruimte.

De avond gaat verder. Niet lichter. Niet zwaarder. Anders.

En ergens weet ik: dit was geen tussenmoment. Dit was geen pauze in de spanning. Dit was de spanning. Niet in wat er gebeurde, maar in wat niet meer hoefde.

Elise’s leegte heeft geen antwoord gekregen. Maar ze is gezien. En soms is dat het enige wat nodig is om niet verder te verdwalen.

De club danst door.

Ik ook.

Maar niet meer op de manier van vroeger.

-
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...