Door: Schrijvertje1234
Datum: 10-02-2026 | Cijfer: 9.4 | Gelezen: 668
Lengte: Lang | Leestijd: 30 minuten | Lezers Online: 13
Trefwoord(en): Vrienden,
Lengte: Lang | Leestijd: 30 minuten | Lezers Online: 13
Trefwoord(en): Vrienden,
Het regent zacht op de ramen van de studio van Stan in de Jordaan. Binnen ruikt het naar patat van de friettent beneden en naar natte jassen die over stoelen hangen. John zit op de bank met een biertje, benen wijd, sokken uit. Peter leunt tegen de keukendeur en scrolt lui door zijn telefoon. Milan veegt met zijn duim het vocht van zijn glas whisky. Floor staat in het midden van de kamer, blote voeten op de koude vloer, alleen een oversized zwart T-shirt aan dat net tot halverwege haar dijen komt.
“Ik heb zin,” zegt ze. Geen inleiding. Geen schaamte. Ze kijkt ze een voor een aan.
John lacht kort door zijn neus. “Dat is nieuw.”
“Bullshit,” antwoordt ze. Ze trekt het shirt iets omhoog, genoeg om te laten zien dat ze eronder niets draagt. “Jullie hebben er al de hele avond zin in. Ik ruik het.”
Peter legt zijn telefoon weg. Stan zet de televisie zachter – de voetbalwedstrijd is toch al verloren. Milan neemt een slok en kijkt haar strak aan, alsof hij haar taxeren wil, ook al kennen ze elkaar al jaren.
Floor loopt naar John toe. Ze gaat wijdbeens op zijn schoot zitten, gezicht dicht bij het zijne. “Jij eerst,” fluistert ze. Ze voelt hem al hard worden door zijn joggingbroek heen.
“Draai je om,” zegt John. Hij pakt haar heupen vast, helpt haar draaien zodat ze met haar rug tegen zijn borst zit, benen open over de zijne. “Zo, mooier voor de anderen.”
Ze ademt diep in als zijn hand tussen haar benen glijdt. Niet aarzelend. Rechttoe rechtaan. Floor kreunt zacht, hoofd achterover tegen zijn schouder. Peter komt dichterbij, trekt zijn rits open. Stan loopt naar de koelkast, pakt nog een biertje, en blijft staan kijken. Milan zet zijn glas neer en komt naast de bank staan.
Geen geforceerde dirty talk. Geen rollenspel. Alleen het rauwe, vertrouwde ritme dat ze al zo lang kennen.
Floor reikt naar Peter, neemt hem in haar hand terwijl John twee vingers in haar schuift. Ze kijkt Milan aan, lippen een beetje open. “Kom,” zegt ze. Meer bevel dan verzoek.
Milan stapt naar voren. Ze buigt zich voorover, mond om hem heen, terwijl John haar blijft vingeren en ze Peter langzaam aftrekt. Stan kijkt toe, broek al open, hand om zichzelf. Niemand praat veel. Alleen ademhaling, natte geluiden, het zachte gekraak van de bank.
Als Floor klaarkomt trilt haar hele lijf. Ze laat Milan even los om te kunnen hijgen. John houdt haar stevig vast en houdt haar open.
Daarna wisselen ze. Floor op haar knieën op de grond, jongens om de beurt in haar mond. Later gebukt aan de bank, terwijl Peter haar van achteren neemt. Milan en Stan wachten, kijken, drinken, raken zichzelf aan. Niemand jaloers. Niemand buitengesloten. Het is hun normale zaterdagavond geworden – net zo gewoon als samen bitterballen eten of de trein missen omdat ze te lang napraten op het perron.
Floor kijkt ze aan terwijl ze haar vullen, de een na de ander. Ogen half dicht, glimlach klein en dirty. Ze geniet. Niet alleen van de lichamen. Van het feit dat het geen geheim is. Dat ze haar allemaal willen, dat ze het weten dat het mag, dat ze het doen, zonder het te hoeven vragen.
Als het klaar is liggen ze uitgeput door elkaar op de bank en de grond. Natte plekken op de bekleding. lege flesjes overal. Floor ligt met haar hoofd op Peters buik, benen over Milans schoot. John veegt met een theedoek achteloos over haar dij.
“Volgende week bij mij?” vraagt ze slaperig.
Stan lacht. “Alleen als je weer patat haalt.”
Floor steekt haar middelvinger op zonder overeind te komen.
Buiten blijft het regenen. Binnen ademen vijf mensen dezelfde bedompte, vertrouwde lucht in. Alles is precies zoals het hoort te zijn.
DEEL 2
Het begon jaren eerder op een vrijdagavond in de zomer na hun eindexamen. Ze waren achttien, negentien, vrij van school. Vijf vrienden die bij elkaar bleven hangen omdat niemand wist wat hij verder moest.
Ze zaten op het dak van het oude schoolgebouw aan de Prinsengracht – een plek waar ze al vaak illegaal naar toe geklommen waren. Warm asfalt onder hun kont, blikjes bier uit een plastic tas, jointjes die van hand tot hand gingen. De stad gonsde beneden, maar daarboven klonken alleen maar hun stemmen en de zachte knalletjes van blikjes die opengingen.
Floor droeg een kort spijkerrokje en een topje zonder bh. Ze had het warm, zei ze altijd. De jongens maakten er grappen over, zoals jongens dat doen. Maar die avond was er iets anders in de lucht.
Ze zaten in een kring. Milan vertelde een dom verhaal over een leraar die hem betrapt had met wiet in zijn tas. Iedereen lachte. Floor lachte mee, hoofd achterover, keel bloot. John keek ernaar. Langer dan normaal. Peter zag het. Stan ook.
Floor merkte het op. Ze stopte met lachen, keek ze een voor een aan. “Wat?”
“Niks,” zei John.
Ze trok een wenkbrauw op. “Jullie kijken alsof ik iets lekkers ben.”
Stilte. Alleen het verkeer en een verre sirene.
Toen zei Peter, kalm, zonder zijn blik van haar af te wenden: “Misschien ben je dat ook.”
Floor ademde in. Geen geschokte reactie. Geen gilletje. Ze keek hem recht aan en zei: “Bewijs het dan.”
Milan lachte nerveus. Stan verschoof. John zette zijn blikje neer.
Floor stond op. Langzaam. Ze trok haar topje over haar hoofd. Geen aarzeling. Borsten bloot in het schemerlicht van de stad. Tepels hard van de koele lucht. Ze keek ze aan, kin omhoog, bijna uitdagend.
“Ik meen het,” zei ze. “Als jullie durven.”
John stond als eerste op. Hij liep naar haar toe, pakte haar kin vast, kuste haar hard. Geen romantiek. Honger. Floor kreunde in zijn mond, handen al aan zijn riem.
Peter kwam erachter staan, duwde haar rok omhoog, vingers direct tussen haar benen. Ze was nat. Al vanaf het moment dat ze het zei. Milan en Stan keken toe, adem stokte, handen gingen in hun eigen broek.
Binnen vijf minuten lag ze op haar rug op het warme dak, benen wijd. John in haar mond. Peter in haar kut. Milan en Stan knielden aan weerszijden, zij rukte ze af terwijl ze genomen werd. Geen woorden. Alleen gehijg, natte geluiden, het schuren van kleding.
Toen ze klaarkwam beet ze in Johns schouder om niet te hard te schreeuwen. De stad hoorde niets. Alleen zij hoorden elkaar.
Daarna lagen ze uitgeput naast elkaar, kleren nog half aan, blikjes omgerold. Niemand zei sorry. Niemand zei dat het nooit meer mocht gebeuren.
Floor draaide zich op haar zij, keek ze aan met een kleine, tevreden glimlach.
“Volgende week weer hier?” vroeg ze.
John lachte schor. “Doe je dan geen slipje aan?”
Ze stak haar tong naar hem uit.
En zo begon het. Geen drama. Geen verliefdheid. Geen grenzen die langzaam verdwenen. Gewoon een deur die open ging omdat ze er allemaal tegelijkertijd tegenaan duwden.
Sinds die avond op het dak is er nooit meer iets geheim geweest. Ze deden het gewoon. Wanneer ze wilden. Hoe ze wilden. Met z’n vijven, met z’n drieën, met z’n tweeën. Altijd Floor als middelpunt. Altijd gelijkwaardig. Altijd hongerig.
En de rest van hun vriendschap – de bioscoopavonden, de fietstochten, de avonden met voetbal en patat – bleef precies hetzelfde. Alsof dit er altijd al bij hoorde. Alsof het nooit anders was geweest.
DEEL 3
Na die eerste keer op het dak veranderde er niets en tegelijk ook alles. Ze spraken er de volgende ochtend niet eens over. Floor stuurde gewoon een appje in de groepschat, kon blijkbaar niet tot vrijdag wachten: “Vanavond bij mij? Ik zorg voor pizza, ouders op vakantie.” Niemand reageerde met “over gisteravond” of “was dat wel oké”. Ze kwamen gewoon.
Bij Floor op de kleine etage aan de Rozengracht lag een stapel dekens op de grond voor de bank omdat de bank te smal was voor vijf. Ze aten pizza uit de doos, dronken goedkope rode wijn uit waterglazen, praatten over de studies die ze misschien zouden gaan doen, over banen die ze haatten, over wie er weer ruzie had met zijn ouders.
Toen de dozen leeg waren en de wijn op, keek Floor naar John die tegenover haar zat. Ze trok haar benen op de bank, rokje schoof omhoog. Geen slipje. Ze spreidde haar benen een stukje, genoeg om het te laten zien.
John zette zijn glas neer. “Je vraagt erom.”
“Altijd,” zei ze.
Peter stond op, liep naar haar toe, duwde haar zachtjes achterover. Ze liet het gebeuren. Milan en Stan bleven zitten kijken, maar hun handen gingen al naar hun broek. John trok haar rokje helemaal omhoog, spreidde haar benen verder. Peter ging tussen haar benen zitten, likte haar langzaam, aandachtig, terwijl Floor haar handen in zijn haar begroef.
Milan kwam erbij, knielde naast haar hoofd. Ze draaide zich naar hem toe, nam hem in haar mond zonder dat hij het hoefde te vragen. Stan keek toe, trok zichzelf langzaam, wachtte tot er ruimte was.
Ze deden het die avond langzamer dan op het dak. Geen haast. Geen ongemak. Ze wisselden af zoals het uitkwam. Floor op haar knieën voor Stan terwijl Peter haar van achteren nam. Later lag ze op haar rug op de grond, benen over Milans schouders, John in haar mond, Peter en Stan aan weerszijden zodat ze hen kon aftrekken. Ze kwam twee keer, hard en schokkend, nagels in iemands rug, kreten gesmoord in een handpalm.
Daarna lagen ze languit op de grond, bezweet, plakkerig, uitgeput. Floor met haar hoofd op Johns borst, been over Peters dij, hand op Milans buik. Stan lag op zijn zij, speelde afwezig met een lok van haar haar.
“Dit blijft toch ons ding, hè?” vroeg ze zacht, bijna slaperig.
John bromde. “Zolang jij het wilt.”
“Ik wil het altijd,” zei ze.
En dat was het. Geen grote beloftes. Geen regels die opgeschreven moesten worden. Het gebeurde gewoon wanneer de sfeer er was. Soms na een avond stappen, soms midden op de middag als er geen andere dingen waren. Soms met z’n tweeën – Floor en wie er toevallig langskwam – soms met z’n vijven op een king size matras in Peters nieuwe appartement toen hij eindelijk iets voor zichzelf had.
Ze bleven dezelfde dingen doen. Samen naar Lowlands, waar Floor in een tentje verdween met twee van hen terwijl de anderen bier gingen halen. Samen gamen tot diep in de nacht, waarbij Floor op iemands schoot zat en langzaam bewoog tot het spel er niet meer toe deed. Samen wandelen langs het IJ, waar ze op een bankje zaten en Floor haar hand in een broek liet glijden terwijl de rest deed alsof ze naar de boten keken.
Nooit jaloers. Nooit exclusief. Floor was van hen allemaal, en zij waren van haar. Niet als bezit. Als iets vanzelfsprekends. Als ademhalen.
Jaren later, toen ze al midden twintig waren en het leven serieuzer werd – banen, studies, verhuizingen naar andere buurten – veranderde de frequentie soms. Weken zonder. Maanden waarin het alleen maar borrels en films waren. Maar als het gebeurde, was het nog steeds hetzelfde vuur. Nog steeds zonder schaamte. Nog steeds zonder geheimen.
Floor stuurde dan gewoon een bericht: “Vanavond vrij?”
En wie kon, die kwam.
Altijd met dezelfde honger.
Altijd met dezelfde glimlach daarna.
Alsof het nooit anders was geweest.
DEEL 4
Ze hadden elkaar leren kennen in het derde jaar van de middelbare school, op het Metis Montessori Lyceum in het centrum van Amsterdam. Ze waren vijftien, zestien. Een school met veel vrijheid, projecten in plaats van saaie lessen, en een gebouw vol trappen en glazen wanden waar je overal doorheen keek.
Floor zat in 3-havo, de jongens in 3-vwo. Ze kenden elkaar van gezicht omdat de brugklas al gemengd was geweest en de school klein genoeg was dat iedereen elkaar wel een keer tegenkwam in de kantine of op het schoolplein. Maar echt contact kwam pas in dat derde jaar.
Het begon met een groepsproject voor maatschappijleer: een opdracht over gentrificatie in de Jordaan en de Pijp. De docent deelde de klassen willekeurig in groepjes van vijf. Floor, John, Peter, Milan en Stan belandden bij elkaar. Toeval, of misschien niet – de computer koos, maar het voelde meteen logisch.
Ze spraken af in de schoolbibliotheek na de lessen. Floor kwam als laatste binnen, haren in een slordige knot, rugzak half open. Ze plofte neer en zei: “Oké, wie heeft er zin om dit serieus te doen en wie wil gewoon een voldoende halen?”
John grijnsde. “Ik wil een voldoende halen, maar met stijl.”
Peter rolde met zijn ogen naar boven, maar lachte mee. Milan had al aantekeningen gemaakt op zijn laptop. Stan zat met zijn benen op tafel en zei niks, maar keek Floor aan alsof hij haar voor het eerst echt zag.
Ze werkten drie weken aan dat project. Na school naar de Jordaan om foto's te maken, interviews af te nemen bij oude bewoners en hippe koffietentjes. Ze fietsten samen door de smalle straten, deelden friet uit een puntzak op een bankje langs de Prinsengracht, lachten om elkaars domme grappen. Floor was direct, scherp, maakte de jongens uit voor mietjes als ze klaagden over de regen. De jongens plaagden haar terug, noemden haar prinsesje van de grachtengordel, maar het was nooit gemeen. Het klikte.
Tijdens een van die middagen, zittend op de stoep voor een gesloten antiekwinkel omdat het regende, zei Floor: “Jullie zijn eigenlijk best leuk. Voor vwo'ers.”
Stan lachte. “En jij bent best chill. Voor een havootje.”
John gooide een kiezelsteentje naar haar. “Hou op met die niveau-onzin. We hangen toch al de hele tijd samen rond.”
En dat deden ze daarna ook buiten het project. Na school bleven ze hangen in de kantine tot sluitingstijd. Ze gingen samen naar de film in Pathé de Munt, zaten in het donker popcorn te gooien naar elkaar. Ze fietsten naar het Vondelpark op vrijdagmiddag, kochten wiet van een jongen die daar altijd stond, rookten op een grasveldje terwijl ze over niks en alles praatten.
Floor paste ertussen alsof ze er altijd al bij hoorde. De jongens waren ruw, maakten schuine grappen, duwden elkaar van de fiets, maar met haar waren ze voorzichtig zonder het soft te maken. Ze voelde zich veilig. En gewild, op een manier die niet klef was maar gewoon aanwezig.
Tegen de tijd dat het project af was – een presentatie waar ze een dikke voldoende voor kregen – waren ze niet meer los van elkaar te slaan. Ze hadden een groepsapp gemaakt met de naam “De Losers van Metis”. Ze hingen rond bij elkaars huizen, aten bij Floor thuis als haar ouders er niet waren, keken voetbal bij John omdat hij de grootste tv had.
En ergens in dat eerste jaar van hun vriendschap, tijdens een van die avonden op het dak van de oude school – waar ze stiekem naartoe klommen omdat het uitzicht over de stad zo mooi was – begon de spanning te knetteren. Maar dat was pas later.
Eerst was er alleen die simpele, vanzelfsprekende band: vijf pubers die elkaar vonden in een stad die te groot voelde, en besloten dat ze het samen wel zouden redden. Lachen, klieren, hangen, en nooit het idee dat er iemand bij was die er niet thuishoorde.
Zo simpel begon het. Vijf namen op een projectlijstje. Vijf levens die in elkaar haakten en nooit meer los lieten.
DEEL 5
De jaren gingen voorbij. Ze zijn allemaal 25, bijna 26. Het leven heeft ze een beetje uit elkaar getrokken, maar niet echt losgemaakt.
John woont op een kleine etage in de Pijp, met een vast contract bij een reclamebureau. Hij fietst elke dag langs dezelfde grachten, dezelfde bruggen, en denkt soms aan die eerste zomer op het dak. Hij rookt nog steeds te veel wiet, maar minder dan vroeger. Zijn bank is nog dezelfde – dezelfde vlekken, dezelfde kreukels.
Peter is verhuisd naar Rotterdam. Hij werkt bij een startup die iets doet met duurzame energie. Komt nog één, hooguit twee keer per maand naar Amsterdam. Als hij komt, is het altijd alsof hij nooit weg is geweest. Hij parkeert zijn auto ergens illegaal, belt Floor vanaf de stoep: “Ik sta beneden.” Vijf minuten later zit ze op haar knieën in haar nieuwe appartement aan de Bilderdijkstraat, zijn handen in haar haar, terwijl de rest toekijkt of meedoet.
Milan studeert nog door – master geneeskunde, co-schappen in het AMC. Hij heeft bijna geen tijd, maar als hij een vrije avond heeft, stuurt hij een kort bericht: “Vrij vanavond?” Dan komen ze naar hem toe, naar zijn kamer in de Rivierenbuurt. Het is er netter dan vroeger. Minder bierblikjes, meer studieboeken. Maar Floor ligt nog steeds op zijn bed, benen wijd, terwijl hij haar langzaam likt en de anderen wachten tot ze klaar is om door allemaal te worden genomen. Het is stiller geworden. Minder gelach tussendoor. Meer geconcentreerd genot.
Stan runt een kleine koffiezaak in De Pijp. Hij is de enige die echt op eigen benen staat, eigen zaak, eigen stress. Hij heeft een vriendin gehad, anderhalf jaar, maar dat hield geen stand. Ze wist van Floor en de groep, accepteerde het niet. Nu is hij weer single. Hij sluit de zaak soms vroeg als Floor belt. Dan komt ze langs met de anderen, ze drinken espresso’s achterin, en als de rolluiken dicht zijn, trekt Floor haar jurk uit en gaat op de toonbank liggen. Stan neemt haar als eerste, hard en snel, omdat hij de hele dag al aan haar dacht. De rest volgt. De geur van koffie mengt met seks en zweet.
Floor woont op zichzelf in West, appartement met een balkonnetje waar ze ’s zomers naakt kan zonnen. Ze werkt als freelance grafisch ontwerper, redelijk succesvol. Geen relatie, nooit echt geprobeerd. Ze date wel eens, maar het wordt nooit serieus. Niemand komt in de buurt van wat ze al heeft.
Ze zien elkaar minder vaak. Niet elke week meer. Soms een maand niks. Maar de groepsapp is nog steeds actief. Memes, flauwe grappen, foto’s van nieuwe tattoos of kapsels. En af en toe, zonder waarschuwing, een bericht van Floor: “Komt iemand vanavond? Ik heb zin.”
Dan komt wie kan. Soms maar drie. Soms alle vier. Geen verplichting. Geen druk. Gewoon: als de lust er is, dan komt het er.
Vorige week was het met z’n vieren bij Floor. Ze hadden pizza gehaald, net als vroeger. Keken een halfuur Netflix, maar niemand lette echt op. Floor stond op, trok haar joggingbroek uit, ging op handen en knieën op de salontafel. John nam haar van achteren terwijl ze Peter in haar mond nam. Milan en Stan stonden ernaast, rukten zichzelf langzaam zoals het meestal begon, keken hoe ze kreunde en nat werd. Ze wisselden. Floor kwam hard, schreeuwde. Daarna lagen ze op de grond, uitgeput, Floor met haar hoofd op Stan’s borst, hand op Milans dij.
“Ik mis dit,” zei Peter zacht.
“Ik ook,” zei Floor. “Maar het is er nog steeds als we het willen.”
John lachte schor. “Zolang we niet te oud en te moe worden.”
Milan keek naar het plafond. “Dat duurt nog wel even.”
Ze bleven liggen tot diep in de nacht. Niemand haastte zich. Buiten sneeuwde het lichtjes – eerste sneeuw van het jaar. Binnen was het warm, plakkerig, vertrouwd.
Het is niet meer zoals op zestien-, achttien-, twintigjarige leeftijd. Het vuur brandt lager, maar heter als het oplaait. Minder frequent, maar dieper. Geen geheimen, nog steeds niet. Geen jaloezie. Geen einde in zicht.
Ze zijn nog steeds de Losers van Metis. Alleen ouder. Zij is nog steeds hun prinsesje. En zij zijn nog steeds haar minnaars, vrienden, bijna familie – allemaal tegelijk. Precies zoals het altijd was. Precies zoals het altijd zal blijven, zolang ze willen.
DEEL 6
Hun wildste avontuur gebeurde ooit in de zomer, op een vrijdagavond. Ze waren 23, nog in die fase waarin het leven leek te bestaan uit vrije avonden en te weinig slaap.
Het begon onschuldig genoeg: ze huurden een privé-salonboot voor zes uur, met schipper, fles champagne en een playlist die ze samen maakten. De boot voer door de grachten, langs de lichtinstallaties die de bruggen en gevels in neonblauw, roze en paars dompelden. Ze zaten op het dek, dekens om zich heen, bier in de hand, lachten om oude verhalen en maakten foto's terwijl de stad langs gleed.
Floor droeg een kort zwart jurkje, geen slipje – een stilzwijgende afspraak die avond. De schipper was een oudere man die discreet deed alsof hij niets merkte toen de stemming omsloeg. Rond elf uur, ergens midden op de Amstel, begon het.
Floor stond op, leunde over de reling, liet de wind haar jurkje omhoog blazen. Ze keek achterom naar de jongens, ogen vol lust. “Wie durft?”
John was het dichtstbij. Hij stond op, duwde haar zachtjes voorover over de reling, tilde haar jurkje op en ging bij haar naar binnen, diep, terwijl de boot rustig doorvoer. Floor greep de reling vast, kreunde luid genoeg dat het over het water galmde. Peter kwam ernaast staan, ritste open, liet haar zijn pik in haar hand nemen terwijl ze genomen werd.
Milan en Stan keken toe vanaf de bankjes, maar niet lang. Floor ging op haar knieën op het dek, mond om de beurt om hun pik terwijl de anderen haar vingerden of neukten. Ze kwam hard, schreeuwde het uit over het water, lichaam schokkend. Niemand stopte. Ze gingen door tot de schipper discreet kuchte en zei dat ze bijna terug moesten bij de aanlegsteiger.
Maar ze waren nog niet klaar.
Toen de boot aanmeerde bij een rustige plek achter de Oude Kerk, betaalden ze de schipper extra contant en vroegen hem een halfuurtje te wachten. Hij knikte, stapte van boord, verdween in een café om de hoek.
Ze liepen de boot af, recht de Wallen in. Het was druk, toeristen overal, ramen verlicht met rood. Floor trok haar jurkje recht, maar haar dijen glinsterden nog. Ze liepen door de smalle steegjes, lachend, high van adrenaline en seks.
In een donker verlaten steegje achter een coffeeshop duwde Floor zich met haar rug tegen een muur, tilde een been op. Stan nam haar staand, hard tegen de bakstenen, terwijl ze Peter aftrok. John en Milan hielden de wacht, totdat ze werden afgelost. Een paar voorbijgangers keken, sommigen lachten, anderen liepen door alsof het normaal was – in de Wallen is het dat vaak ook.
Ze eindigden in een verlaten portiekje, Floor op haar knieën in het midden, de vier jongens om haar heen. Ze namen haar in haar mond, kwamen op haar tong. Floor keek omhoog, ogen half dicht, glimlach breed en vunzig, terwijl de neonroze lichten van een raam boven hen over haar gezicht dansten.
Daarna liepen ze terug naar de boot, plakkerig, bezweet, high. De schipper zei niets toen hij terugkwam. Ze voeren terug naar de aanlegsteiger, dekens over zich heen, stil maar voldaan.
Thuis bij Floor douchten ze, kropen in haar kingsize bed, lichamen verstrengeld. Niemand sprak er veel over. Het was gewoon hun wildste nacht geworden – de nacht waarop de stad zelf meekeek.
En de volgende ochtend stuurde Floor in de groepschat een foto van haar gezicht in de spiegel, nog een beetje rood van de kou en de restanten van de avond: “Beste avontuur ooit?”
Ze antwoordden allemaal met vuur-emoji’s.
Geen spijt. Alleen trots. En de wetenschap dat ze het ooit nog wilder zouden maken.
DEEL 7
Ze zijn 29 nu. De stad heeft ze veranderd, maar niet gebroken.
John is getrouwd. Een rustige bruiloft in een klein café aan de Prinsengracht, alleen familie en een handvol vrienden. Floor was er, in een simpele zwarte jurk, glimlachend op de foto’s, zonder enige bitterheid. Ze danste met hem op het eind, wang tegen wang, en fluisterde: “Je blijft altijd van ons.” Hij lachte schor, kuste haar voorhoofd. Zijn vrouw weet alles. Ze accepteert het als een hoofdstuk dat afgesloten is, maar nooit helemaal verdwenen.
Peter woont nog in Rotterdam, maar komt nu vaker. Hij heeft een serieuze relatie, een vrouw die hem stabiliteit geeft. Ze hebben een kind op komst. Toch stuurt hij nog steeds af en toe een bericht: “Kan ik even langskomen? Alleen praten.” Soms praten ze echt. Soms eindigt het met Floor op haar knieën in de gang, zijn handen in haar haar, terwijl de rest van de wereld even stilstaat.
Milan is arts geworden. Spoedeisende hulp, nachtdiensten, vermoeide ogen. Hij heeft een appartement in Oost gekocht, ruim genoeg voor bezoek. Als hij vrij is en de groep bij elkaar komt, is hij stiller dan vroeger. Maar als Floor hem aankijkt en zegt: “Kom,” dan komt hij. Hij neukt haar langzaam, aandachtig, alsof hij haar lichaam bestudeert zoals hij patiënten onderzoekt. Daarna ligt hij met zijn hoofd op haar borst, luistert naar haar hartslag, zegt niks.
Stan heeft de koffiezaak verkocht. Te veel stress, te weinig vrijheid. Nu runt hij een kleine bar in Noord, met live jazz op donderdag. Hij is single gebleven. Geen drama, geen haast. Floor komt soms alleen langs, hij sluit de tent dan vroeg. Ze zoenen, ze voelen, drinken whisky uit de fles, praten over vroeger, lachen om hoe jong ze nog waren. Ze doet haar kleren uit en gaat liggen op de vrijgemaakte toog. Voor hem, voor zichzelf. Zijn tong over haar naakte lichaam, handen overal, tot ze uiteindelijk schokkend klaarkomt van zijn vingers in dat vertrouwde geile kutje. En dan trekt ze hem en zuigt ze hem tot ook hij bevredigd en voldaan is.
Floor zelf is veranderd, maar niet veel. Ze heeft een groter bureau, meer klanten, een paar prijzen gewonnen voor haar werk. Ze date nog steeds sporadisch, maar niemand blijft. Ze heeft een kat nu – een zwarte kater die op haar schoot slaapt als de jongens er niet zijn. Ze rookt minder wiet, drinkt minder, maar de honger is er nog steeds. Niet dagelijks. Niet wekelijks. Maar als hij oplaait, stuurt ze één bericht: “Thuis. Nu.”
Soms komen ze met z’n vieren. Soms met z’n tweeën. Soms alleen Stan, die haar lang en diep neukt tot ze huilt van genot. Het is niet meer wild zoals op de boot of in de steegjes. Het is dieper. Rauwer. Ze weten wat ze missen als het er niet zou zijn.
Op een koude decemberavond zitten ze met z’n allen bij Floor. Kerstlichtjes in het raam, kaarsen op tafel, jazz op de achtergrond. Geen pizza, maar zelfgemaakte pasta. Ze eten langzaam, praten over het kind van Peter, over Milans laatste shift, over Johns nieuwe huis buiten de stad.
Na het eten staat Floor op, trekt haar trui uit. Geen show. Geen uitdaging. Ze loopt naar de slaapkamer, laat de deur open. Ze gaan haar achterna, één voor één.
Ze vrijen zacht die avond. Geen haast. Floor in het midden van het bed, benen wijd, handen overal. Ze kussen haar waar ze kunnen. Ze komen in haar, op haar, met haar. Ze huilt zacht als ze klaarkomt, tranen van puur voelen, van weten dat dit misschien de laatste keer is dat ze met z’n allen zijn.
Daarna liggen ze verstrengeld, ademhaling gelijk, zachtjes.
Floor fluistert in het donker: “Dit was het altijd al, hè? Niet alleen de seks. Maar dat we elkaar nooit echt loslaten.”
John bromt: “Nooit.”
Peter: “Zelfs als het minder wordt.”
Milan: “Zelfs als het stopt.”
Stan: “Het stopt niet. Het verandert alleen.”
Floor glimlacht, ogen dicht. “Dan is het goed.”
Buiten sneeuwt het weer. Binnen ademen vijf mensen dezelfde lucht in, dezelfde warmte, dezelfde geschiedenis.
Ze vallen in slaap, lichamen tegen elkaar, geen geheimen, geen spijt.
En ergens weten ze: dit is niet het einde.
Dit is gewoon het volgende hoofdstuk.
En welk hoofdstuk het ook wordt – met ringen, kinderen, afstand, of alleen nog maar herinneringen – ze blijven de Losers van Metis.
Voor altijd.
EINDE
“Ik heb zin,” zegt ze. Geen inleiding. Geen schaamte. Ze kijkt ze een voor een aan.
John lacht kort door zijn neus. “Dat is nieuw.”
“Bullshit,” antwoordt ze. Ze trekt het shirt iets omhoog, genoeg om te laten zien dat ze eronder niets draagt. “Jullie hebben er al de hele avond zin in. Ik ruik het.”
Peter legt zijn telefoon weg. Stan zet de televisie zachter – de voetbalwedstrijd is toch al verloren. Milan neemt een slok en kijkt haar strak aan, alsof hij haar taxeren wil, ook al kennen ze elkaar al jaren.
Floor loopt naar John toe. Ze gaat wijdbeens op zijn schoot zitten, gezicht dicht bij het zijne. “Jij eerst,” fluistert ze. Ze voelt hem al hard worden door zijn joggingbroek heen.
“Draai je om,” zegt John. Hij pakt haar heupen vast, helpt haar draaien zodat ze met haar rug tegen zijn borst zit, benen open over de zijne. “Zo, mooier voor de anderen.”
Ze ademt diep in als zijn hand tussen haar benen glijdt. Niet aarzelend. Rechttoe rechtaan. Floor kreunt zacht, hoofd achterover tegen zijn schouder. Peter komt dichterbij, trekt zijn rits open. Stan loopt naar de koelkast, pakt nog een biertje, en blijft staan kijken. Milan zet zijn glas neer en komt naast de bank staan.
Geen geforceerde dirty talk. Geen rollenspel. Alleen het rauwe, vertrouwde ritme dat ze al zo lang kennen.
Floor reikt naar Peter, neemt hem in haar hand terwijl John twee vingers in haar schuift. Ze kijkt Milan aan, lippen een beetje open. “Kom,” zegt ze. Meer bevel dan verzoek.
Milan stapt naar voren. Ze buigt zich voorover, mond om hem heen, terwijl John haar blijft vingeren en ze Peter langzaam aftrekt. Stan kijkt toe, broek al open, hand om zichzelf. Niemand praat veel. Alleen ademhaling, natte geluiden, het zachte gekraak van de bank.
Als Floor klaarkomt trilt haar hele lijf. Ze laat Milan even los om te kunnen hijgen. John houdt haar stevig vast en houdt haar open.
Daarna wisselen ze. Floor op haar knieën op de grond, jongens om de beurt in haar mond. Later gebukt aan de bank, terwijl Peter haar van achteren neemt. Milan en Stan wachten, kijken, drinken, raken zichzelf aan. Niemand jaloers. Niemand buitengesloten. Het is hun normale zaterdagavond geworden – net zo gewoon als samen bitterballen eten of de trein missen omdat ze te lang napraten op het perron.
Floor kijkt ze aan terwijl ze haar vullen, de een na de ander. Ogen half dicht, glimlach klein en dirty. Ze geniet. Niet alleen van de lichamen. Van het feit dat het geen geheim is. Dat ze haar allemaal willen, dat ze het weten dat het mag, dat ze het doen, zonder het te hoeven vragen.
Als het klaar is liggen ze uitgeput door elkaar op de bank en de grond. Natte plekken op de bekleding. lege flesjes overal. Floor ligt met haar hoofd op Peters buik, benen over Milans schoot. John veegt met een theedoek achteloos over haar dij.
“Volgende week bij mij?” vraagt ze slaperig.
Stan lacht. “Alleen als je weer patat haalt.”
Floor steekt haar middelvinger op zonder overeind te komen.
Buiten blijft het regenen. Binnen ademen vijf mensen dezelfde bedompte, vertrouwde lucht in. Alles is precies zoals het hoort te zijn.
DEEL 2
Het begon jaren eerder op een vrijdagavond in de zomer na hun eindexamen. Ze waren achttien, negentien, vrij van school. Vijf vrienden die bij elkaar bleven hangen omdat niemand wist wat hij verder moest.
Ze zaten op het dak van het oude schoolgebouw aan de Prinsengracht – een plek waar ze al vaak illegaal naar toe geklommen waren. Warm asfalt onder hun kont, blikjes bier uit een plastic tas, jointjes die van hand tot hand gingen. De stad gonsde beneden, maar daarboven klonken alleen maar hun stemmen en de zachte knalletjes van blikjes die opengingen.
Floor droeg een kort spijkerrokje en een topje zonder bh. Ze had het warm, zei ze altijd. De jongens maakten er grappen over, zoals jongens dat doen. Maar die avond was er iets anders in de lucht.
Ze zaten in een kring. Milan vertelde een dom verhaal over een leraar die hem betrapt had met wiet in zijn tas. Iedereen lachte. Floor lachte mee, hoofd achterover, keel bloot. John keek ernaar. Langer dan normaal. Peter zag het. Stan ook.
Floor merkte het op. Ze stopte met lachen, keek ze een voor een aan. “Wat?”
“Niks,” zei John.
Ze trok een wenkbrauw op. “Jullie kijken alsof ik iets lekkers ben.”
Stilte. Alleen het verkeer en een verre sirene.
Toen zei Peter, kalm, zonder zijn blik van haar af te wenden: “Misschien ben je dat ook.”
Floor ademde in. Geen geschokte reactie. Geen gilletje. Ze keek hem recht aan en zei: “Bewijs het dan.”
Milan lachte nerveus. Stan verschoof. John zette zijn blikje neer.
Floor stond op. Langzaam. Ze trok haar topje over haar hoofd. Geen aarzeling. Borsten bloot in het schemerlicht van de stad. Tepels hard van de koele lucht. Ze keek ze aan, kin omhoog, bijna uitdagend.
“Ik meen het,” zei ze. “Als jullie durven.”
John stond als eerste op. Hij liep naar haar toe, pakte haar kin vast, kuste haar hard. Geen romantiek. Honger. Floor kreunde in zijn mond, handen al aan zijn riem.
Peter kwam erachter staan, duwde haar rok omhoog, vingers direct tussen haar benen. Ze was nat. Al vanaf het moment dat ze het zei. Milan en Stan keken toe, adem stokte, handen gingen in hun eigen broek.
Binnen vijf minuten lag ze op haar rug op het warme dak, benen wijd. John in haar mond. Peter in haar kut. Milan en Stan knielden aan weerszijden, zij rukte ze af terwijl ze genomen werd. Geen woorden. Alleen gehijg, natte geluiden, het schuren van kleding.
Toen ze klaarkwam beet ze in Johns schouder om niet te hard te schreeuwen. De stad hoorde niets. Alleen zij hoorden elkaar.
Daarna lagen ze uitgeput naast elkaar, kleren nog half aan, blikjes omgerold. Niemand zei sorry. Niemand zei dat het nooit meer mocht gebeuren.
Floor draaide zich op haar zij, keek ze aan met een kleine, tevreden glimlach.
“Volgende week weer hier?” vroeg ze.
John lachte schor. “Doe je dan geen slipje aan?”
Ze stak haar tong naar hem uit.
En zo begon het. Geen drama. Geen verliefdheid. Geen grenzen die langzaam verdwenen. Gewoon een deur die open ging omdat ze er allemaal tegelijkertijd tegenaan duwden.
Sinds die avond op het dak is er nooit meer iets geheim geweest. Ze deden het gewoon. Wanneer ze wilden. Hoe ze wilden. Met z’n vijven, met z’n drieën, met z’n tweeën. Altijd Floor als middelpunt. Altijd gelijkwaardig. Altijd hongerig.
En de rest van hun vriendschap – de bioscoopavonden, de fietstochten, de avonden met voetbal en patat – bleef precies hetzelfde. Alsof dit er altijd al bij hoorde. Alsof het nooit anders was geweest.
DEEL 3
Na die eerste keer op het dak veranderde er niets en tegelijk ook alles. Ze spraken er de volgende ochtend niet eens over. Floor stuurde gewoon een appje in de groepschat, kon blijkbaar niet tot vrijdag wachten: “Vanavond bij mij? Ik zorg voor pizza, ouders op vakantie.” Niemand reageerde met “over gisteravond” of “was dat wel oké”. Ze kwamen gewoon.
Bij Floor op de kleine etage aan de Rozengracht lag een stapel dekens op de grond voor de bank omdat de bank te smal was voor vijf. Ze aten pizza uit de doos, dronken goedkope rode wijn uit waterglazen, praatten over de studies die ze misschien zouden gaan doen, over banen die ze haatten, over wie er weer ruzie had met zijn ouders.
Toen de dozen leeg waren en de wijn op, keek Floor naar John die tegenover haar zat. Ze trok haar benen op de bank, rokje schoof omhoog. Geen slipje. Ze spreidde haar benen een stukje, genoeg om het te laten zien.
John zette zijn glas neer. “Je vraagt erom.”
“Altijd,” zei ze.
Peter stond op, liep naar haar toe, duwde haar zachtjes achterover. Ze liet het gebeuren. Milan en Stan bleven zitten kijken, maar hun handen gingen al naar hun broek. John trok haar rokje helemaal omhoog, spreidde haar benen verder. Peter ging tussen haar benen zitten, likte haar langzaam, aandachtig, terwijl Floor haar handen in zijn haar begroef.
Milan kwam erbij, knielde naast haar hoofd. Ze draaide zich naar hem toe, nam hem in haar mond zonder dat hij het hoefde te vragen. Stan keek toe, trok zichzelf langzaam, wachtte tot er ruimte was.
Ze deden het die avond langzamer dan op het dak. Geen haast. Geen ongemak. Ze wisselden af zoals het uitkwam. Floor op haar knieën voor Stan terwijl Peter haar van achteren nam. Later lag ze op haar rug op de grond, benen over Milans schouders, John in haar mond, Peter en Stan aan weerszijden zodat ze hen kon aftrekken. Ze kwam twee keer, hard en schokkend, nagels in iemands rug, kreten gesmoord in een handpalm.
Daarna lagen ze languit op de grond, bezweet, plakkerig, uitgeput. Floor met haar hoofd op Johns borst, been over Peters dij, hand op Milans buik. Stan lag op zijn zij, speelde afwezig met een lok van haar haar.
“Dit blijft toch ons ding, hè?” vroeg ze zacht, bijna slaperig.
John bromde. “Zolang jij het wilt.”
“Ik wil het altijd,” zei ze.
En dat was het. Geen grote beloftes. Geen regels die opgeschreven moesten worden. Het gebeurde gewoon wanneer de sfeer er was. Soms na een avond stappen, soms midden op de middag als er geen andere dingen waren. Soms met z’n tweeën – Floor en wie er toevallig langskwam – soms met z’n vijven op een king size matras in Peters nieuwe appartement toen hij eindelijk iets voor zichzelf had.
Ze bleven dezelfde dingen doen. Samen naar Lowlands, waar Floor in een tentje verdween met twee van hen terwijl de anderen bier gingen halen. Samen gamen tot diep in de nacht, waarbij Floor op iemands schoot zat en langzaam bewoog tot het spel er niet meer toe deed. Samen wandelen langs het IJ, waar ze op een bankje zaten en Floor haar hand in een broek liet glijden terwijl de rest deed alsof ze naar de boten keken.
Nooit jaloers. Nooit exclusief. Floor was van hen allemaal, en zij waren van haar. Niet als bezit. Als iets vanzelfsprekends. Als ademhalen.
Jaren later, toen ze al midden twintig waren en het leven serieuzer werd – banen, studies, verhuizingen naar andere buurten – veranderde de frequentie soms. Weken zonder. Maanden waarin het alleen maar borrels en films waren. Maar als het gebeurde, was het nog steeds hetzelfde vuur. Nog steeds zonder schaamte. Nog steeds zonder geheimen.
Floor stuurde dan gewoon een bericht: “Vanavond vrij?”
En wie kon, die kwam.
Altijd met dezelfde honger.
Altijd met dezelfde glimlach daarna.
Alsof het nooit anders was geweest.
DEEL 4
Ze hadden elkaar leren kennen in het derde jaar van de middelbare school, op het Metis Montessori Lyceum in het centrum van Amsterdam. Ze waren vijftien, zestien. Een school met veel vrijheid, projecten in plaats van saaie lessen, en een gebouw vol trappen en glazen wanden waar je overal doorheen keek.
Floor zat in 3-havo, de jongens in 3-vwo. Ze kenden elkaar van gezicht omdat de brugklas al gemengd was geweest en de school klein genoeg was dat iedereen elkaar wel een keer tegenkwam in de kantine of op het schoolplein. Maar echt contact kwam pas in dat derde jaar.
Het begon met een groepsproject voor maatschappijleer: een opdracht over gentrificatie in de Jordaan en de Pijp. De docent deelde de klassen willekeurig in groepjes van vijf. Floor, John, Peter, Milan en Stan belandden bij elkaar. Toeval, of misschien niet – de computer koos, maar het voelde meteen logisch.
Ze spraken af in de schoolbibliotheek na de lessen. Floor kwam als laatste binnen, haren in een slordige knot, rugzak half open. Ze plofte neer en zei: “Oké, wie heeft er zin om dit serieus te doen en wie wil gewoon een voldoende halen?”
John grijnsde. “Ik wil een voldoende halen, maar met stijl.”
Peter rolde met zijn ogen naar boven, maar lachte mee. Milan had al aantekeningen gemaakt op zijn laptop. Stan zat met zijn benen op tafel en zei niks, maar keek Floor aan alsof hij haar voor het eerst echt zag.
Ze werkten drie weken aan dat project. Na school naar de Jordaan om foto's te maken, interviews af te nemen bij oude bewoners en hippe koffietentjes. Ze fietsten samen door de smalle straten, deelden friet uit een puntzak op een bankje langs de Prinsengracht, lachten om elkaars domme grappen. Floor was direct, scherp, maakte de jongens uit voor mietjes als ze klaagden over de regen. De jongens plaagden haar terug, noemden haar prinsesje van de grachtengordel, maar het was nooit gemeen. Het klikte.
Tijdens een van die middagen, zittend op de stoep voor een gesloten antiekwinkel omdat het regende, zei Floor: “Jullie zijn eigenlijk best leuk. Voor vwo'ers.”
Stan lachte. “En jij bent best chill. Voor een havootje.”
John gooide een kiezelsteentje naar haar. “Hou op met die niveau-onzin. We hangen toch al de hele tijd samen rond.”
En dat deden ze daarna ook buiten het project. Na school bleven ze hangen in de kantine tot sluitingstijd. Ze gingen samen naar de film in Pathé de Munt, zaten in het donker popcorn te gooien naar elkaar. Ze fietsten naar het Vondelpark op vrijdagmiddag, kochten wiet van een jongen die daar altijd stond, rookten op een grasveldje terwijl ze over niks en alles praatten.
Floor paste ertussen alsof ze er altijd al bij hoorde. De jongens waren ruw, maakten schuine grappen, duwden elkaar van de fiets, maar met haar waren ze voorzichtig zonder het soft te maken. Ze voelde zich veilig. En gewild, op een manier die niet klef was maar gewoon aanwezig.
Tegen de tijd dat het project af was – een presentatie waar ze een dikke voldoende voor kregen – waren ze niet meer los van elkaar te slaan. Ze hadden een groepsapp gemaakt met de naam “De Losers van Metis”. Ze hingen rond bij elkaars huizen, aten bij Floor thuis als haar ouders er niet waren, keken voetbal bij John omdat hij de grootste tv had.
En ergens in dat eerste jaar van hun vriendschap, tijdens een van die avonden op het dak van de oude school – waar ze stiekem naartoe klommen omdat het uitzicht over de stad zo mooi was – begon de spanning te knetteren. Maar dat was pas later.
Eerst was er alleen die simpele, vanzelfsprekende band: vijf pubers die elkaar vonden in een stad die te groot voelde, en besloten dat ze het samen wel zouden redden. Lachen, klieren, hangen, en nooit het idee dat er iemand bij was die er niet thuishoorde.
Zo simpel begon het. Vijf namen op een projectlijstje. Vijf levens die in elkaar haakten en nooit meer los lieten.
DEEL 5
De jaren gingen voorbij. Ze zijn allemaal 25, bijna 26. Het leven heeft ze een beetje uit elkaar getrokken, maar niet echt losgemaakt.
John woont op een kleine etage in de Pijp, met een vast contract bij een reclamebureau. Hij fietst elke dag langs dezelfde grachten, dezelfde bruggen, en denkt soms aan die eerste zomer op het dak. Hij rookt nog steeds te veel wiet, maar minder dan vroeger. Zijn bank is nog dezelfde – dezelfde vlekken, dezelfde kreukels.
Peter is verhuisd naar Rotterdam. Hij werkt bij een startup die iets doet met duurzame energie. Komt nog één, hooguit twee keer per maand naar Amsterdam. Als hij komt, is het altijd alsof hij nooit weg is geweest. Hij parkeert zijn auto ergens illegaal, belt Floor vanaf de stoep: “Ik sta beneden.” Vijf minuten later zit ze op haar knieën in haar nieuwe appartement aan de Bilderdijkstraat, zijn handen in haar haar, terwijl de rest toekijkt of meedoet.
Milan studeert nog door – master geneeskunde, co-schappen in het AMC. Hij heeft bijna geen tijd, maar als hij een vrije avond heeft, stuurt hij een kort bericht: “Vrij vanavond?” Dan komen ze naar hem toe, naar zijn kamer in de Rivierenbuurt. Het is er netter dan vroeger. Minder bierblikjes, meer studieboeken. Maar Floor ligt nog steeds op zijn bed, benen wijd, terwijl hij haar langzaam likt en de anderen wachten tot ze klaar is om door allemaal te worden genomen. Het is stiller geworden. Minder gelach tussendoor. Meer geconcentreerd genot.
Stan runt een kleine koffiezaak in De Pijp. Hij is de enige die echt op eigen benen staat, eigen zaak, eigen stress. Hij heeft een vriendin gehad, anderhalf jaar, maar dat hield geen stand. Ze wist van Floor en de groep, accepteerde het niet. Nu is hij weer single. Hij sluit de zaak soms vroeg als Floor belt. Dan komt ze langs met de anderen, ze drinken espresso’s achterin, en als de rolluiken dicht zijn, trekt Floor haar jurk uit en gaat op de toonbank liggen. Stan neemt haar als eerste, hard en snel, omdat hij de hele dag al aan haar dacht. De rest volgt. De geur van koffie mengt met seks en zweet.
Floor woont op zichzelf in West, appartement met een balkonnetje waar ze ’s zomers naakt kan zonnen. Ze werkt als freelance grafisch ontwerper, redelijk succesvol. Geen relatie, nooit echt geprobeerd. Ze date wel eens, maar het wordt nooit serieus. Niemand komt in de buurt van wat ze al heeft.
Ze zien elkaar minder vaak. Niet elke week meer. Soms een maand niks. Maar de groepsapp is nog steeds actief. Memes, flauwe grappen, foto’s van nieuwe tattoos of kapsels. En af en toe, zonder waarschuwing, een bericht van Floor: “Komt iemand vanavond? Ik heb zin.”
Dan komt wie kan. Soms maar drie. Soms alle vier. Geen verplichting. Geen druk. Gewoon: als de lust er is, dan komt het er.
Vorige week was het met z’n vieren bij Floor. Ze hadden pizza gehaald, net als vroeger. Keken een halfuur Netflix, maar niemand lette echt op. Floor stond op, trok haar joggingbroek uit, ging op handen en knieën op de salontafel. John nam haar van achteren terwijl ze Peter in haar mond nam. Milan en Stan stonden ernaast, rukten zichzelf langzaam zoals het meestal begon, keken hoe ze kreunde en nat werd. Ze wisselden. Floor kwam hard, schreeuwde. Daarna lagen ze op de grond, uitgeput, Floor met haar hoofd op Stan’s borst, hand op Milans dij.
“Ik mis dit,” zei Peter zacht.
“Ik ook,” zei Floor. “Maar het is er nog steeds als we het willen.”
John lachte schor. “Zolang we niet te oud en te moe worden.”
Milan keek naar het plafond. “Dat duurt nog wel even.”
Ze bleven liggen tot diep in de nacht. Niemand haastte zich. Buiten sneeuwde het lichtjes – eerste sneeuw van het jaar. Binnen was het warm, plakkerig, vertrouwd.
Het is niet meer zoals op zestien-, achttien-, twintigjarige leeftijd. Het vuur brandt lager, maar heter als het oplaait. Minder frequent, maar dieper. Geen geheimen, nog steeds niet. Geen jaloezie. Geen einde in zicht.
Ze zijn nog steeds de Losers van Metis. Alleen ouder. Zij is nog steeds hun prinsesje. En zij zijn nog steeds haar minnaars, vrienden, bijna familie – allemaal tegelijk. Precies zoals het altijd was. Precies zoals het altijd zal blijven, zolang ze willen.
DEEL 6
Hun wildste avontuur gebeurde ooit in de zomer, op een vrijdagavond. Ze waren 23, nog in die fase waarin het leven leek te bestaan uit vrije avonden en te weinig slaap.
Het begon onschuldig genoeg: ze huurden een privé-salonboot voor zes uur, met schipper, fles champagne en een playlist die ze samen maakten. De boot voer door de grachten, langs de lichtinstallaties die de bruggen en gevels in neonblauw, roze en paars dompelden. Ze zaten op het dek, dekens om zich heen, bier in de hand, lachten om oude verhalen en maakten foto's terwijl de stad langs gleed.
Floor droeg een kort zwart jurkje, geen slipje – een stilzwijgende afspraak die avond. De schipper was een oudere man die discreet deed alsof hij niets merkte toen de stemming omsloeg. Rond elf uur, ergens midden op de Amstel, begon het.
Floor stond op, leunde over de reling, liet de wind haar jurkje omhoog blazen. Ze keek achterom naar de jongens, ogen vol lust. “Wie durft?”
John was het dichtstbij. Hij stond op, duwde haar zachtjes voorover over de reling, tilde haar jurkje op en ging bij haar naar binnen, diep, terwijl de boot rustig doorvoer. Floor greep de reling vast, kreunde luid genoeg dat het over het water galmde. Peter kwam ernaast staan, ritste open, liet haar zijn pik in haar hand nemen terwijl ze genomen werd.
Milan en Stan keken toe vanaf de bankjes, maar niet lang. Floor ging op haar knieën op het dek, mond om de beurt om hun pik terwijl de anderen haar vingerden of neukten. Ze kwam hard, schreeuwde het uit over het water, lichaam schokkend. Niemand stopte. Ze gingen door tot de schipper discreet kuchte en zei dat ze bijna terug moesten bij de aanlegsteiger.
Maar ze waren nog niet klaar.
Toen de boot aanmeerde bij een rustige plek achter de Oude Kerk, betaalden ze de schipper extra contant en vroegen hem een halfuurtje te wachten. Hij knikte, stapte van boord, verdween in een café om de hoek.
Ze liepen de boot af, recht de Wallen in. Het was druk, toeristen overal, ramen verlicht met rood. Floor trok haar jurkje recht, maar haar dijen glinsterden nog. Ze liepen door de smalle steegjes, lachend, high van adrenaline en seks.
In een donker verlaten steegje achter een coffeeshop duwde Floor zich met haar rug tegen een muur, tilde een been op. Stan nam haar staand, hard tegen de bakstenen, terwijl ze Peter aftrok. John en Milan hielden de wacht, totdat ze werden afgelost. Een paar voorbijgangers keken, sommigen lachten, anderen liepen door alsof het normaal was – in de Wallen is het dat vaak ook.
Ze eindigden in een verlaten portiekje, Floor op haar knieën in het midden, de vier jongens om haar heen. Ze namen haar in haar mond, kwamen op haar tong. Floor keek omhoog, ogen half dicht, glimlach breed en vunzig, terwijl de neonroze lichten van een raam boven hen over haar gezicht dansten.
Daarna liepen ze terug naar de boot, plakkerig, bezweet, high. De schipper zei niets toen hij terugkwam. Ze voeren terug naar de aanlegsteiger, dekens over zich heen, stil maar voldaan.
Thuis bij Floor douchten ze, kropen in haar kingsize bed, lichamen verstrengeld. Niemand sprak er veel over. Het was gewoon hun wildste nacht geworden – de nacht waarop de stad zelf meekeek.
En de volgende ochtend stuurde Floor in de groepschat een foto van haar gezicht in de spiegel, nog een beetje rood van de kou en de restanten van de avond: “Beste avontuur ooit?”
Ze antwoordden allemaal met vuur-emoji’s.
Geen spijt. Alleen trots. En de wetenschap dat ze het ooit nog wilder zouden maken.
DEEL 7
Ze zijn 29 nu. De stad heeft ze veranderd, maar niet gebroken.
John is getrouwd. Een rustige bruiloft in een klein café aan de Prinsengracht, alleen familie en een handvol vrienden. Floor was er, in een simpele zwarte jurk, glimlachend op de foto’s, zonder enige bitterheid. Ze danste met hem op het eind, wang tegen wang, en fluisterde: “Je blijft altijd van ons.” Hij lachte schor, kuste haar voorhoofd. Zijn vrouw weet alles. Ze accepteert het als een hoofdstuk dat afgesloten is, maar nooit helemaal verdwenen.
Peter woont nog in Rotterdam, maar komt nu vaker. Hij heeft een serieuze relatie, een vrouw die hem stabiliteit geeft. Ze hebben een kind op komst. Toch stuurt hij nog steeds af en toe een bericht: “Kan ik even langskomen? Alleen praten.” Soms praten ze echt. Soms eindigt het met Floor op haar knieën in de gang, zijn handen in haar haar, terwijl de rest van de wereld even stilstaat.
Milan is arts geworden. Spoedeisende hulp, nachtdiensten, vermoeide ogen. Hij heeft een appartement in Oost gekocht, ruim genoeg voor bezoek. Als hij vrij is en de groep bij elkaar komt, is hij stiller dan vroeger. Maar als Floor hem aankijkt en zegt: “Kom,” dan komt hij. Hij neukt haar langzaam, aandachtig, alsof hij haar lichaam bestudeert zoals hij patiënten onderzoekt. Daarna ligt hij met zijn hoofd op haar borst, luistert naar haar hartslag, zegt niks.
Stan heeft de koffiezaak verkocht. Te veel stress, te weinig vrijheid. Nu runt hij een kleine bar in Noord, met live jazz op donderdag. Hij is single gebleven. Geen drama, geen haast. Floor komt soms alleen langs, hij sluit de tent dan vroeg. Ze zoenen, ze voelen, drinken whisky uit de fles, praten over vroeger, lachen om hoe jong ze nog waren. Ze doet haar kleren uit en gaat liggen op de vrijgemaakte toog. Voor hem, voor zichzelf. Zijn tong over haar naakte lichaam, handen overal, tot ze uiteindelijk schokkend klaarkomt van zijn vingers in dat vertrouwde geile kutje. En dan trekt ze hem en zuigt ze hem tot ook hij bevredigd en voldaan is.
Floor zelf is veranderd, maar niet veel. Ze heeft een groter bureau, meer klanten, een paar prijzen gewonnen voor haar werk. Ze date nog steeds sporadisch, maar niemand blijft. Ze heeft een kat nu – een zwarte kater die op haar schoot slaapt als de jongens er niet zijn. Ze rookt minder wiet, drinkt minder, maar de honger is er nog steeds. Niet dagelijks. Niet wekelijks. Maar als hij oplaait, stuurt ze één bericht: “Thuis. Nu.”
Soms komen ze met z’n vieren. Soms met z’n tweeën. Soms alleen Stan, die haar lang en diep neukt tot ze huilt van genot. Het is niet meer wild zoals op de boot of in de steegjes. Het is dieper. Rauwer. Ze weten wat ze missen als het er niet zou zijn.
Op een koude decemberavond zitten ze met z’n allen bij Floor. Kerstlichtjes in het raam, kaarsen op tafel, jazz op de achtergrond. Geen pizza, maar zelfgemaakte pasta. Ze eten langzaam, praten over het kind van Peter, over Milans laatste shift, over Johns nieuwe huis buiten de stad.
Na het eten staat Floor op, trekt haar trui uit. Geen show. Geen uitdaging. Ze loopt naar de slaapkamer, laat de deur open. Ze gaan haar achterna, één voor één.
Ze vrijen zacht die avond. Geen haast. Floor in het midden van het bed, benen wijd, handen overal. Ze kussen haar waar ze kunnen. Ze komen in haar, op haar, met haar. Ze huilt zacht als ze klaarkomt, tranen van puur voelen, van weten dat dit misschien de laatste keer is dat ze met z’n allen zijn.
Daarna liggen ze verstrengeld, ademhaling gelijk, zachtjes.
Floor fluistert in het donker: “Dit was het altijd al, hè? Niet alleen de seks. Maar dat we elkaar nooit echt loslaten.”
John bromt: “Nooit.”
Peter: “Zelfs als het minder wordt.”
Milan: “Zelfs als het stopt.”
Stan: “Het stopt niet. Het verandert alleen.”
Floor glimlacht, ogen dicht. “Dan is het goed.”
Buiten sneeuwt het weer. Binnen ademen vijf mensen dezelfde lucht in, dezelfde warmte, dezelfde geschiedenis.
Ze vallen in slaap, lichamen tegen elkaar, geen geheimen, geen spijt.
En ergens weten ze: dit is niet het einde.
Dit is gewoon het volgende hoofdstuk.
En welk hoofdstuk het ook wordt – met ringen, kinderen, afstand, of alleen nog maar herinneringen – ze blijven de Losers van Metis.
Voor altijd.
EINDE
Trefwoord(en): Vrienden, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
