Door: Leen
Datum: 21-02-2026 | Cijfer: 8.2 | Gelezen: 194
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Verlangen, Vernederen,
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Verlangen, Vernederen,
Vervolg op: Verlangen - 34: De Bijles
De Turnles
De volgende ochtend word ik wakker minuten voordat de wekker begint te gillen. Normaal gesproken is dit het moment waarop de zwaarte van het bestaan neerdaalt; de grijze realiteit van proefwerken, sociale verplichtingen en de verstikkende verwachtingen van mijn ouders. Ik zou me nog drie keer omdraaien, biddend om vijf minuten extra in de veilige warmte van mijn dekbed.
Maar vandaag is alles anders. Ik voel me anders. Als ik voor de spiegel sta, zie ik niet het onzekere meisje dat gisteren met knikkende knieën en een rugzak vol alibi's naar de zolderkamer van een 'foute' jongen fietste. Ik zie iemand die volop geniet van het leven. En dat merk ik direct als ik de spiegel in kijk. Mijn ogen staan helderder en er speelt een zweem van een glimlach om mijn lippen die ik niet kan onderdrukken. Ik borstel mijn haar niet strak naar achteren in de brave staart die mijn moeder zo keurig vindt, maar laat het wat losser hangen over mijn schouders. Ik voel me vrouwelijk. Krachtig. Ik draag de herinnering aan Gerts handen op mijn heupen als een onzichtbaar ereteken onder mijn keurige kleding. Niemand kan het zien, maar ik weet dat het er is.
De fietstocht naar school voelt als een overwinningsronde. De koude wind deert me niet; hij voelt juist verfrissend, alsof hij me wakker maakt voor een nieuw leven. De wereld is van mij. Ik heb de ketenen van Carl verbroken, ik heb mijn plek opgeëist tegenover Els, en ik heb gezoend met de meest intrigerende jongen van de stad terwijl The Cure op de achtergrond speelde. Wat kan mij nog gebeuren?
Maar die euforie wordt bruut verstoord zodra ik het schoolplein op loop. Het begint al bij het fietsenhok. Normaal is het daar een chaos van tassen, sturen en schreeuwende scholieren, een anonieme massa waar ik in opga. Vandaag valt er een vreemde stilte zodra ik mijn fiets in het rek duw. Twee meisjes uit de parallelklas, die normaal dwars door me heen kijken, stoppen midden in hun gesprek. Ze kijken elkaar aan, trekken een wenkbrauw op en fluisteren dan iets achter hun hand, terwijl hun ogen strak op mij gericht blijven.
Ik negeer het. Ik recht mijn rug, til mijn kin op en loop het plein op. Gisteren, na de confrontatie met Els, was er een geschokte stilte. Er was ontzag. Mensen weken voor me uit alsof ik een nieuwe, gevaarlijke kracht was. Ik had verwacht dat dat respect er nog zou zijn. Maar de sfeer is gekanteld. Het is subtieler, gemener. Overal waar ik kijk, zie ik groepjes die samenscholen als spreeuwen. En in het midden van het grootste, luidruchtigste groepje bij de bankjes, staat Els. Ze houdt hof. Ze praat druk, met grote gebaren, en wijst af en toe vaag in de richting van het gebouw, of – zo lijkt het – naar mij. Carl staat erbij, een beetje aan de zijkant. Hij ziet eruit als een geslagen hond, met afhangende schouders en een getormenteerde blik. Hij zegt niets, maar zijn stilzwijgen bevestigt alles wat Els vertelt. Hij is het slachtoffer. De onbegrepen held die verlost is van een last.
Ik vang flarden op terwijl ik me een weg baan door de menigte. De zinnen drijven als giftige rookwolken over het plein. "...totaal doorgedraaid, die meid..." "...echt zielig voor Carl, die durft bijna niks meer te zeggen..." "...ze kon het gewoon niet verkroppen dat hij haar niet meer moest..." "...heb je gehoord dat ze hem bedreigd heeft? Dat ze zei dat ze hem kapot zou maken?" De blikken die me volgen zijn niet langer bewonderend of geschokt. Ze zijn spottend. Medelijdend. Een jongen uit het jaar boven ons stoot zijn vriend aan en grinnikt luid. "Kijk uit, daar heb je de sloopkogel."
Els heeft niet stilgezeten. Terwijl ik dacht dat ik de regie in handen had en op een roze wolk zweefde, is zij de hele avond bezig geweest met damage control. Ze heeft het verhaal van gisteren niet ontkend; dat zou dom zijn met zoveel getuigen. Nee, ze heeft het herschreven. In de versie die nu door de gangen gonst, ben ik niet de heldin die voor zichzelf opkwam. Ik ben de instabiele, agressieve ex-vriendin die door het lint ging omdat ze niet kon accepteren dat Carl haar dumpte voor iemand die "slanker, mooier en leuker" is. Ik ben niet de dader die straft; ik ben de hysterische verliezer die niet tegen haar verlies kan. Ik probeer mijn 'glow' vast te houden, probeer te denken aan Gerts stem, aan zijn geur. Maar het voelt alsof er langzaam barstjes in mijn pantser komen. Elke fluistering is een hamerslag op mijn zelfvertrouwen.
Het dieptepunt komt het derde uur. Lichamelijke Opvoeding. De kleedkamer van de meisjesgymzaal is een plek die speciaal ontworpen lijkt te zijn om vrouwelijke onzekerheden uit te vergroten tot monsterlijke proporties. De geur die er hangt is een misselijkmakende cocktail van goedkope deodorant, oud zweet en haarlak. Het tl-licht aan het plafond is zo fel en ongenadig dat elke oneffenheid op je huid genadeloos wordt uitgelicht.
Ik probeer me snel om te kleden in een uithoek. Ik keer mijn rug naar de rest en hoop onzichtbaar te blijven. Maar ik voel de aanwezigheid van Els als een koude tocht in mijn nek. Ze staat aan de andere kant van de bankjes, strategisch in het midden, omringd door haar hofhouding van giechelende, identiek geklede vriendinnen. Ze trekt haar trui uit met een trage, elegante beweging en onthult een perfect, tenger lichaam in een duur, bijpassend setje ondergoed. Ze weet dat iedereen kijkt. Ze wil dat iedereen kijkt. "Het gaat wel weer," hoor ik haar luid zeggen, terwijl ze theatraal over haar elleboog wrijft waar ze gisteren op viel. Er is niets te zien, maar ze trekt een pijnlijk gezicht. "Ik heb er alleen een blauwe plek aan overgehouden. Maar eerlijk gezegd... ik ben niet boos. Ik heb vooral medelijden met haar."
Het geroezemoes in de kleedkamer sterft weg. Iedereen weet over wie het gaat. Ik verstijf met mijn gymshirt half over mijn hoofd. Mijn hart bonst in mijn keel. "Echt?" vraagt een van haar vriendinnen, te hard, duidelijk volgens een script. "Ja, tuurlijk," zucht Els, de stem van de redelijkheid zelf. "Ik bedoel, stel je voor dat je zo jaloers en onzeker bent dat je fysiek moet worden. Carl vertelde me gisteren nog hoe verstikkend het was de laatste maanden. Hij durfde het nooit tegen haar te zeggen omdat ze zo labiel is, maar hij voelde zich..." Ze pauzeert even voor effect, en via de spiegel aan de wand zoekt ze mijn blik. "...letterlijk verdrukt."
Er wordt gegiecheld. Venijnig, hoog gegiechel. Ik trek mijn shirt omlaag en draai me om. De woede borrelt op. Ik wil iets zeggen. Ik wil schreeuwen dat Carl een leugenaar is. Maar Els is nog niet klaar. Ze draait zich half naar me toe. Haar ogen scannen mijn lichaam. Ze kijkt naar mijn heupen die breder zijn dan de hare, naar mijn borsten die voller zijn. Ze kijkt naar me met een mengeling van walging en valse, neerbuigende bezorgdheid. "Geen wonder dat Carl het benauwd kreeg," zegt ze, net hard genoeg zodat iedereen in de stilgevallen kleedkamer het kan horen. "Ze neemt ook zoveel ruimte in. Sommige mensen weten gewoon niet wanneer ze... te veel zijn."
De opmerking landt als een fysieke klap in mijn maag. Te veel ruimte. Te zwaar. Te dik. Het is de oerangst van het mollige kind dat ik vroeger was. De herinnering aan gymlessen op de lagere school waar ik als laatste werd gekozen. De blikken van mijn moeder als ik een tweede koekje pakte. De onzekerheid die ik dacht achter me gelaten te hebben in de donkere, veilige armen van Gert, komt in alle hevigheid terug. Ik voel me plotseling enorm. Lomp. Wanstaltig in mijn strakke, synthetische gymkleren die overal lijken te knellen.
"Pardon?" De stem snijdt door de bedompte lucht van de kleedkamer als een scheermes. Koel, hard en dodelijk. Eva. Ze zat tot nu toe rustig op een bankje haar veters te strikken, schijnbaar ongeïnteresseerd in het drama. Maar nu staat ze recht. En zij niet alleen. Naast haar staan Saskia en Noor, twee meiden met zwart omlijnde ogen en zware Dr. Martens, die altijd een beetje buiten de groep vallen maar bekend staan om hun nuchterheid en hun afkeer van 'popjes'. Ze vormen een muur.
Eva loopt langzaam naar Els toe. Ze is niet groter dan Els, maar haar houding is zoveel dreigender. Ze draagt geen duur setje lingerie, maar een verwassen hemdje met een gerafelde zoom, en toch straalt ze een soort natuurlijke, gevaarlijke autoriteit uit waar Els onmiddellijk van terugdeinst. "Zeg dat nog eens, Els?" vraagt Eva dreigend zacht. Ze stopt vlak voor haar neus, in haar persoonlijke ruimte. "Ik verstond je niet helemaal. Had je het nu over 'ruimte innemen'?"
Els deinst een stapje terug en struikelt bijna over een sporttas. "Het... het was een grapje," mompelt ze snel. Ze probeert zich achter haar vriendinnen te verschuilen, maar die kijken plotseling heel geïnteresseerd naar hun gymschoenen. "Een grapje," herhaalt Eva. Ze lacht kort, humorloos. "Grappig. Weet je wat ik denk? Ik denk dat Carl het benauwd krijgt van die wolk goedkope parfum die om je heen hangt en die enorme leegte in je hoofd. Dat zuigt alle zuurstof weg." Ze zet nog een stap dichterbij. "Laat Leen met rust. Ze heeft meer klasse in haar pink dan jij in je hele geverfde lijf."
De sfeer kantelt. Een paar meiden grinniken. Els staat met haar mond vol tanden, haar gezicht rood aangelopen. Dan draait Eva zich met een zwaai om naar mij. De hardheid verdwijnt uit haar gezicht en maakt plaats voor een vriendschappelijke grijns. Ze slaat een arm om mijn schouder en trekt me stevig tegen zich aan. Ze knipoogt. "Kom op, Leen," zegt ze luid, zodat iedereen het hoort. "Laat die Barbie maar kletsen. Echte mannen houden ten minste van iets om vast te houden. Botten zijn voor honden."
We lopen de gymzaal in. Saskia en Noor sluiten zich bij ons aan. Ze maken grappen over Els' geschokte gezicht. Ik lach mee. Ik moet wel. Het is een publieke overwinning. Ik loop met opgeheven hoofd de zaal in, gesteund door mijn eigen lijfwacht. Maar vanbinnen ga ik kapot.
De gymles begint. Volleybal. Een spel van springen, reiken en snelle bewegingen. Een spel voor lichte, snelle meisjes. Terwijl ik mijn positie inneem achter in het veld, kijk ik om me heen. Ik zie hoe de andere meisjes bewegen. Karen staat aan de overkant bij het net. Ze springt soepel omhoog voor een smash, haar lichaam is een rechte, strakke lijn. Haar truitje kruipt iets omhoog en onthult een platte, bruingebrande buik. Ze landt lichtvoetig, lacht naar haar teamgenoten, gooit haar blonde haar naar achteren. Ze is gracieus. Moeiteloos.
Dan kijk ik naar Sofie, die naast me staat. Zelfs zij, het seutje van de klas, heeft iets lenigs, iets vanzelfsprekends in haar bewegingen. En dan ben ik er. Elke keer als ik spring, voel ik de zwaartekracht aan me trekken. Ik voel mijn borsten bewegen, mijn dijen trillen bij de landing. Ik voel me log. Een olifant tussen de gazelles. Het zweet breekt me sneller uit dan bij de anderen, mijn gezicht wordt rood en vlekkerig terwijl zij eruitzien alsof ze gewoon een beetje glanzen. Mijn blik dwaalt af naar de kantlijn, waar een paar jongens zitten te kijken die vrijgesteld zijn van gym. Ze fluisteren, wijzen. In mijn hoofd hoor ik ze zeggen wat Els zei: Te veel ruimte.
De vraag brandt in mijn maag als maagzuur: Waarom zou Gert mij willen? Ik kijk naar Els, naar haar perfecte verhoudingen, naar hoe ze straalt van zelfvertrouwen. Zij is het soort meisje waar jongens voor vechten. Zij is de trofee. Zij is wat hoort. En ik? Ik ben de 'degelijke' Leen. De 'slimme' Leen. En ja, de 'mollige' Leen. Gert kan elk meisje krijgen dat hij wil. Hij is mysterieus, knap, spannend. Meisjes zoals Els – nee, meisjes die nog veel cooler zijn dan Els – zouden in de rij staan voor een ritje achterop zijn brommer. Ze hebben zoveel meer te bieden. Strakke lijven, makkelijke praatjes, de juiste looks.
Waarom zou hij genoegen nemen met mij? Het is onmogelijk. Misschien is het medelijden. Misschien ben ik een weddenschap. Of erger nog: misschien ben ik gewoon makkelijk. Het 'dikke meisje' dat zo blij is met een beetje aandacht dat ze alles doet wat je vraagt. De gedachte is zo pijnlijk dat ik de bal die recht op me afkomt volledig mis. Hij stuitert tegen mijn schouder en rolt levenloos weg. "Wakker worden, Leen!" roept de gymleraar. Ik knik, mompel een excuus, maar ik kan wel janken.
Na de les, terug in de kleedkamer, is de sfeer druk en chaotisch. Iedereen wil zo snel mogelijk naar de refter. Ik kleed me snel om en probeer mijn lichaam te verbergen onder mijn slobbertrui. Ik voel me log en groot.
"Hé, Leen," roept Eva, die haar tas al over haar schouder heeft gegooid. Ze staat bij de deur met Saskia en Noor. "Kom je? We gaan naar de eetzaal. Ik heb honger als een paard en ze hebben frieten vandaag." Ik forceer een glimlach, maar ik voel aan mijn trillende lippen dat hij niet overtuigend is. Ik kan nu niet tussen honderden mensen gaan zitten eten. Ik kan de blikken niet aan. Ik heb lucht nodig. Of juist geen lucht. Stilte. "Ga maar alvast," zeg ik, en ik rommel wat in mijn tas om oogcontact te vermijden. "Ik kom zo. Eerst nog even naar het toilet."
"Is goed," zegt Eva vrolijk. "We houden een plekje vrij. Niet te lang treuzelen, hè!" Ze zwaait en verdwijnt met de rest in de gang. Het geluid van hun stemmen sterft weg. De kleedkamer loopt leeg. Ik loop de gang in en duw de deur van de meisjestoiletten open. Het is er gelukkig stil. De wasbakken bevinden zich in een voorruimte, gescheiden van de eigenlijke hokjes. Het licht is hier grauw, koud en genadeloos onflatteus. Het weerkaatst op de witte tegels en de grote spiegelwand boven de wastafels.
Ik loop naar de spiegel. Ik klem mijn handen om de koude porseleinen rand van de wasbak en leun naar voren. Ik bekijk mezelf. Echt bekijken. Niet met de blik van de verliefde Leen van vanochtend, maar met de blik van Els. Met de blik van de wereld. Mijn wangen zijn nog rood en vlekkerig van het sporten, maar in dit kille licht lijken ze me te bol, te pafferig. Ik trek aan mijn wangen, knijp in het vlees. Mijn jeans zit ineens strakker dan normaal, of zo voelt het. Ik kijk naar mijn heupen. Te veel ruimte.
Mijn handen glijden naar mijn buik. Ik pak een stukje stof en de huid eronder vast. Een golf van zelfhaat spoelt over me heen, zo misselijkmakend dat ik moet kokhalzen. Waarom ben ik zo? Waarom kan ik niet gewoon tenger zijn? Waarom moet ik altijd de "grote" zijn, de "stevige"? Ik haat dit lichaam. Ik haat hoe het ruimte inneemt, hoe het aanwezig is.
De beelden van gisteravond flitsen door mijn hoofd, maar nu zijn ze vervormd door mijn onzekerheid. Gert die me uitkleedde. Ik vind je sexy, had hij gezegd. Ik ben trots op je. Maar wat als hij loog? Wat als dat gewoon de dingen zijn die je zegt om een meisje in bed te krijgen? Wat als hij zich eigenlijk schaamt om met mij gezien te worden in het daglicht? Misschien is dat de echte reden dat we "in de schaduw" moeten blijven. Niet vanwege Carl, niet vanwege mijn ouders, maar omdat ik niet het meisje ben waarmee je op het schoolplein staat te pronken.
"Stom, stom, stom," fluister ik tegen mijn spiegelbeeld. Een hete, zoute traan rolt over mijn wang. Ik veeg hem boos weg met de rug van mijn hand, ruw. Maar er volgt er nog een. En nog een. Ik hoor de deur van de gang openzwaaien en stemmen naderen. Paniek slaat toe. Ik kan hier niet gezien worden, huilend voor de spiegel. Ik schiet een van de toilethokjes in en doe de deur haastig op slot. Ik leun met mijn rug tegen de muur en glijd langzaam omlaag tot ik op mijn hurken zit, mijn armen strak om mijn benen geslagen. Ik druk mijn gezicht in mijn knieën en probeer mijn ademhaling stil te houden terwijl ik de andere meisjes hoor lachen en praten bij de wasbakken. Ze hebben het over jongens, over make-up, over feestjes. De wereld draait gewoon door.
Hier, in het donkere, krappe hokje, probeer ik mezelf zo klein mogelijk te maken. Ik wil minder ruimte innemen. Ik wil verdwijnen. De 'glow' is gedoofd, en in de plaats daarvan is er een diep, zwart gat van onzekerheid waar zelfs de herinnering aan Gerts kus niet meer tegenop kan.
- - -
Meer weten? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Maar vandaag is alles anders. Ik voel me anders. Als ik voor de spiegel sta, zie ik niet het onzekere meisje dat gisteren met knikkende knieën en een rugzak vol alibi's naar de zolderkamer van een 'foute' jongen fietste. Ik zie iemand die volop geniet van het leven. En dat merk ik direct als ik de spiegel in kijk. Mijn ogen staan helderder en er speelt een zweem van een glimlach om mijn lippen die ik niet kan onderdrukken. Ik borstel mijn haar niet strak naar achteren in de brave staart die mijn moeder zo keurig vindt, maar laat het wat losser hangen over mijn schouders. Ik voel me vrouwelijk. Krachtig. Ik draag de herinnering aan Gerts handen op mijn heupen als een onzichtbaar ereteken onder mijn keurige kleding. Niemand kan het zien, maar ik weet dat het er is.
De fietstocht naar school voelt als een overwinningsronde. De koude wind deert me niet; hij voelt juist verfrissend, alsof hij me wakker maakt voor een nieuw leven. De wereld is van mij. Ik heb de ketenen van Carl verbroken, ik heb mijn plek opgeëist tegenover Els, en ik heb gezoend met de meest intrigerende jongen van de stad terwijl The Cure op de achtergrond speelde. Wat kan mij nog gebeuren?
Maar die euforie wordt bruut verstoord zodra ik het schoolplein op loop. Het begint al bij het fietsenhok. Normaal is het daar een chaos van tassen, sturen en schreeuwende scholieren, een anonieme massa waar ik in opga. Vandaag valt er een vreemde stilte zodra ik mijn fiets in het rek duw. Twee meisjes uit de parallelklas, die normaal dwars door me heen kijken, stoppen midden in hun gesprek. Ze kijken elkaar aan, trekken een wenkbrauw op en fluisteren dan iets achter hun hand, terwijl hun ogen strak op mij gericht blijven.
Ik negeer het. Ik recht mijn rug, til mijn kin op en loop het plein op. Gisteren, na de confrontatie met Els, was er een geschokte stilte. Er was ontzag. Mensen weken voor me uit alsof ik een nieuwe, gevaarlijke kracht was. Ik had verwacht dat dat respect er nog zou zijn. Maar de sfeer is gekanteld. Het is subtieler, gemener. Overal waar ik kijk, zie ik groepjes die samenscholen als spreeuwen. En in het midden van het grootste, luidruchtigste groepje bij de bankjes, staat Els. Ze houdt hof. Ze praat druk, met grote gebaren, en wijst af en toe vaag in de richting van het gebouw, of – zo lijkt het – naar mij. Carl staat erbij, een beetje aan de zijkant. Hij ziet eruit als een geslagen hond, met afhangende schouders en een getormenteerde blik. Hij zegt niets, maar zijn stilzwijgen bevestigt alles wat Els vertelt. Hij is het slachtoffer. De onbegrepen held die verlost is van een last.
Ik vang flarden op terwijl ik me een weg baan door de menigte. De zinnen drijven als giftige rookwolken over het plein. "...totaal doorgedraaid, die meid..." "...echt zielig voor Carl, die durft bijna niks meer te zeggen..." "...ze kon het gewoon niet verkroppen dat hij haar niet meer moest..." "...heb je gehoord dat ze hem bedreigd heeft? Dat ze zei dat ze hem kapot zou maken?" De blikken die me volgen zijn niet langer bewonderend of geschokt. Ze zijn spottend. Medelijdend. Een jongen uit het jaar boven ons stoot zijn vriend aan en grinnikt luid. "Kijk uit, daar heb je de sloopkogel."
Els heeft niet stilgezeten. Terwijl ik dacht dat ik de regie in handen had en op een roze wolk zweefde, is zij de hele avond bezig geweest met damage control. Ze heeft het verhaal van gisteren niet ontkend; dat zou dom zijn met zoveel getuigen. Nee, ze heeft het herschreven. In de versie die nu door de gangen gonst, ben ik niet de heldin die voor zichzelf opkwam. Ik ben de instabiele, agressieve ex-vriendin die door het lint ging omdat ze niet kon accepteren dat Carl haar dumpte voor iemand die "slanker, mooier en leuker" is. Ik ben niet de dader die straft; ik ben de hysterische verliezer die niet tegen haar verlies kan. Ik probeer mijn 'glow' vast te houden, probeer te denken aan Gerts stem, aan zijn geur. Maar het voelt alsof er langzaam barstjes in mijn pantser komen. Elke fluistering is een hamerslag op mijn zelfvertrouwen.
Het dieptepunt komt het derde uur. Lichamelijke Opvoeding. De kleedkamer van de meisjesgymzaal is een plek die speciaal ontworpen lijkt te zijn om vrouwelijke onzekerheden uit te vergroten tot monsterlijke proporties. De geur die er hangt is een misselijkmakende cocktail van goedkope deodorant, oud zweet en haarlak. Het tl-licht aan het plafond is zo fel en ongenadig dat elke oneffenheid op je huid genadeloos wordt uitgelicht.
Ik probeer me snel om te kleden in een uithoek. Ik keer mijn rug naar de rest en hoop onzichtbaar te blijven. Maar ik voel de aanwezigheid van Els als een koude tocht in mijn nek. Ze staat aan de andere kant van de bankjes, strategisch in het midden, omringd door haar hofhouding van giechelende, identiek geklede vriendinnen. Ze trekt haar trui uit met een trage, elegante beweging en onthult een perfect, tenger lichaam in een duur, bijpassend setje ondergoed. Ze weet dat iedereen kijkt. Ze wil dat iedereen kijkt. "Het gaat wel weer," hoor ik haar luid zeggen, terwijl ze theatraal over haar elleboog wrijft waar ze gisteren op viel. Er is niets te zien, maar ze trekt een pijnlijk gezicht. "Ik heb er alleen een blauwe plek aan overgehouden. Maar eerlijk gezegd... ik ben niet boos. Ik heb vooral medelijden met haar."
Het geroezemoes in de kleedkamer sterft weg. Iedereen weet over wie het gaat. Ik verstijf met mijn gymshirt half over mijn hoofd. Mijn hart bonst in mijn keel. "Echt?" vraagt een van haar vriendinnen, te hard, duidelijk volgens een script. "Ja, tuurlijk," zucht Els, de stem van de redelijkheid zelf. "Ik bedoel, stel je voor dat je zo jaloers en onzeker bent dat je fysiek moet worden. Carl vertelde me gisteren nog hoe verstikkend het was de laatste maanden. Hij durfde het nooit tegen haar te zeggen omdat ze zo labiel is, maar hij voelde zich..." Ze pauzeert even voor effect, en via de spiegel aan de wand zoekt ze mijn blik. "...letterlijk verdrukt."
Er wordt gegiecheld. Venijnig, hoog gegiechel. Ik trek mijn shirt omlaag en draai me om. De woede borrelt op. Ik wil iets zeggen. Ik wil schreeuwen dat Carl een leugenaar is. Maar Els is nog niet klaar. Ze draait zich half naar me toe. Haar ogen scannen mijn lichaam. Ze kijkt naar mijn heupen die breder zijn dan de hare, naar mijn borsten die voller zijn. Ze kijkt naar me met een mengeling van walging en valse, neerbuigende bezorgdheid. "Geen wonder dat Carl het benauwd kreeg," zegt ze, net hard genoeg zodat iedereen in de stilgevallen kleedkamer het kan horen. "Ze neemt ook zoveel ruimte in. Sommige mensen weten gewoon niet wanneer ze... te veel zijn."
De opmerking landt als een fysieke klap in mijn maag. Te veel ruimte. Te zwaar. Te dik. Het is de oerangst van het mollige kind dat ik vroeger was. De herinnering aan gymlessen op de lagere school waar ik als laatste werd gekozen. De blikken van mijn moeder als ik een tweede koekje pakte. De onzekerheid die ik dacht achter me gelaten te hebben in de donkere, veilige armen van Gert, komt in alle hevigheid terug. Ik voel me plotseling enorm. Lomp. Wanstaltig in mijn strakke, synthetische gymkleren die overal lijken te knellen.
"Pardon?" De stem snijdt door de bedompte lucht van de kleedkamer als een scheermes. Koel, hard en dodelijk. Eva. Ze zat tot nu toe rustig op een bankje haar veters te strikken, schijnbaar ongeïnteresseerd in het drama. Maar nu staat ze recht. En zij niet alleen. Naast haar staan Saskia en Noor, twee meiden met zwart omlijnde ogen en zware Dr. Martens, die altijd een beetje buiten de groep vallen maar bekend staan om hun nuchterheid en hun afkeer van 'popjes'. Ze vormen een muur.
Eva loopt langzaam naar Els toe. Ze is niet groter dan Els, maar haar houding is zoveel dreigender. Ze draagt geen duur setje lingerie, maar een verwassen hemdje met een gerafelde zoom, en toch straalt ze een soort natuurlijke, gevaarlijke autoriteit uit waar Els onmiddellijk van terugdeinst. "Zeg dat nog eens, Els?" vraagt Eva dreigend zacht. Ze stopt vlak voor haar neus, in haar persoonlijke ruimte. "Ik verstond je niet helemaal. Had je het nu over 'ruimte innemen'?"
Els deinst een stapje terug en struikelt bijna over een sporttas. "Het... het was een grapje," mompelt ze snel. Ze probeert zich achter haar vriendinnen te verschuilen, maar die kijken plotseling heel geïnteresseerd naar hun gymschoenen. "Een grapje," herhaalt Eva. Ze lacht kort, humorloos. "Grappig. Weet je wat ik denk? Ik denk dat Carl het benauwd krijgt van die wolk goedkope parfum die om je heen hangt en die enorme leegte in je hoofd. Dat zuigt alle zuurstof weg." Ze zet nog een stap dichterbij. "Laat Leen met rust. Ze heeft meer klasse in haar pink dan jij in je hele geverfde lijf."
De sfeer kantelt. Een paar meiden grinniken. Els staat met haar mond vol tanden, haar gezicht rood aangelopen. Dan draait Eva zich met een zwaai om naar mij. De hardheid verdwijnt uit haar gezicht en maakt plaats voor een vriendschappelijke grijns. Ze slaat een arm om mijn schouder en trekt me stevig tegen zich aan. Ze knipoogt. "Kom op, Leen," zegt ze luid, zodat iedereen het hoort. "Laat die Barbie maar kletsen. Echte mannen houden ten minste van iets om vast te houden. Botten zijn voor honden."
We lopen de gymzaal in. Saskia en Noor sluiten zich bij ons aan. Ze maken grappen over Els' geschokte gezicht. Ik lach mee. Ik moet wel. Het is een publieke overwinning. Ik loop met opgeheven hoofd de zaal in, gesteund door mijn eigen lijfwacht. Maar vanbinnen ga ik kapot.
De gymles begint. Volleybal. Een spel van springen, reiken en snelle bewegingen. Een spel voor lichte, snelle meisjes. Terwijl ik mijn positie inneem achter in het veld, kijk ik om me heen. Ik zie hoe de andere meisjes bewegen. Karen staat aan de overkant bij het net. Ze springt soepel omhoog voor een smash, haar lichaam is een rechte, strakke lijn. Haar truitje kruipt iets omhoog en onthult een platte, bruingebrande buik. Ze landt lichtvoetig, lacht naar haar teamgenoten, gooit haar blonde haar naar achteren. Ze is gracieus. Moeiteloos.
Dan kijk ik naar Sofie, die naast me staat. Zelfs zij, het seutje van de klas, heeft iets lenigs, iets vanzelfsprekends in haar bewegingen. En dan ben ik er. Elke keer als ik spring, voel ik de zwaartekracht aan me trekken. Ik voel mijn borsten bewegen, mijn dijen trillen bij de landing. Ik voel me log. Een olifant tussen de gazelles. Het zweet breekt me sneller uit dan bij de anderen, mijn gezicht wordt rood en vlekkerig terwijl zij eruitzien alsof ze gewoon een beetje glanzen. Mijn blik dwaalt af naar de kantlijn, waar een paar jongens zitten te kijken die vrijgesteld zijn van gym. Ze fluisteren, wijzen. In mijn hoofd hoor ik ze zeggen wat Els zei: Te veel ruimte.
De vraag brandt in mijn maag als maagzuur: Waarom zou Gert mij willen? Ik kijk naar Els, naar haar perfecte verhoudingen, naar hoe ze straalt van zelfvertrouwen. Zij is het soort meisje waar jongens voor vechten. Zij is de trofee. Zij is wat hoort. En ik? Ik ben de 'degelijke' Leen. De 'slimme' Leen. En ja, de 'mollige' Leen. Gert kan elk meisje krijgen dat hij wil. Hij is mysterieus, knap, spannend. Meisjes zoals Els – nee, meisjes die nog veel cooler zijn dan Els – zouden in de rij staan voor een ritje achterop zijn brommer. Ze hebben zoveel meer te bieden. Strakke lijven, makkelijke praatjes, de juiste looks.
Waarom zou hij genoegen nemen met mij? Het is onmogelijk. Misschien is het medelijden. Misschien ben ik een weddenschap. Of erger nog: misschien ben ik gewoon makkelijk. Het 'dikke meisje' dat zo blij is met een beetje aandacht dat ze alles doet wat je vraagt. De gedachte is zo pijnlijk dat ik de bal die recht op me afkomt volledig mis. Hij stuitert tegen mijn schouder en rolt levenloos weg. "Wakker worden, Leen!" roept de gymleraar. Ik knik, mompel een excuus, maar ik kan wel janken.
Na de les, terug in de kleedkamer, is de sfeer druk en chaotisch. Iedereen wil zo snel mogelijk naar de refter. Ik kleed me snel om en probeer mijn lichaam te verbergen onder mijn slobbertrui. Ik voel me log en groot.
"Hé, Leen," roept Eva, die haar tas al over haar schouder heeft gegooid. Ze staat bij de deur met Saskia en Noor. "Kom je? We gaan naar de eetzaal. Ik heb honger als een paard en ze hebben frieten vandaag." Ik forceer een glimlach, maar ik voel aan mijn trillende lippen dat hij niet overtuigend is. Ik kan nu niet tussen honderden mensen gaan zitten eten. Ik kan de blikken niet aan. Ik heb lucht nodig. Of juist geen lucht. Stilte. "Ga maar alvast," zeg ik, en ik rommel wat in mijn tas om oogcontact te vermijden. "Ik kom zo. Eerst nog even naar het toilet."
"Is goed," zegt Eva vrolijk. "We houden een plekje vrij. Niet te lang treuzelen, hè!" Ze zwaait en verdwijnt met de rest in de gang. Het geluid van hun stemmen sterft weg. De kleedkamer loopt leeg. Ik loop de gang in en duw de deur van de meisjestoiletten open. Het is er gelukkig stil. De wasbakken bevinden zich in een voorruimte, gescheiden van de eigenlijke hokjes. Het licht is hier grauw, koud en genadeloos onflatteus. Het weerkaatst op de witte tegels en de grote spiegelwand boven de wastafels.
Ik loop naar de spiegel. Ik klem mijn handen om de koude porseleinen rand van de wasbak en leun naar voren. Ik bekijk mezelf. Echt bekijken. Niet met de blik van de verliefde Leen van vanochtend, maar met de blik van Els. Met de blik van de wereld. Mijn wangen zijn nog rood en vlekkerig van het sporten, maar in dit kille licht lijken ze me te bol, te pafferig. Ik trek aan mijn wangen, knijp in het vlees. Mijn jeans zit ineens strakker dan normaal, of zo voelt het. Ik kijk naar mijn heupen. Te veel ruimte.
Mijn handen glijden naar mijn buik. Ik pak een stukje stof en de huid eronder vast. Een golf van zelfhaat spoelt over me heen, zo misselijkmakend dat ik moet kokhalzen. Waarom ben ik zo? Waarom kan ik niet gewoon tenger zijn? Waarom moet ik altijd de "grote" zijn, de "stevige"? Ik haat dit lichaam. Ik haat hoe het ruimte inneemt, hoe het aanwezig is.
De beelden van gisteravond flitsen door mijn hoofd, maar nu zijn ze vervormd door mijn onzekerheid. Gert die me uitkleedde. Ik vind je sexy, had hij gezegd. Ik ben trots op je. Maar wat als hij loog? Wat als dat gewoon de dingen zijn die je zegt om een meisje in bed te krijgen? Wat als hij zich eigenlijk schaamt om met mij gezien te worden in het daglicht? Misschien is dat de echte reden dat we "in de schaduw" moeten blijven. Niet vanwege Carl, niet vanwege mijn ouders, maar omdat ik niet het meisje ben waarmee je op het schoolplein staat te pronken.
"Stom, stom, stom," fluister ik tegen mijn spiegelbeeld. Een hete, zoute traan rolt over mijn wang. Ik veeg hem boos weg met de rug van mijn hand, ruw. Maar er volgt er nog een. En nog een. Ik hoor de deur van de gang openzwaaien en stemmen naderen. Paniek slaat toe. Ik kan hier niet gezien worden, huilend voor de spiegel. Ik schiet een van de toilethokjes in en doe de deur haastig op slot. Ik leun met mijn rug tegen de muur en glijd langzaam omlaag tot ik op mijn hurken zit, mijn armen strak om mijn benen geslagen. Ik druk mijn gezicht in mijn knieën en probeer mijn ademhaling stil te houden terwijl ik de andere meisjes hoor lachen en praten bij de wasbakken. Ze hebben het over jongens, over make-up, over feestjes. De wereld draait gewoon door.
Hier, in het donkere, krappe hokje, probeer ik mezelf zo klein mogelijk te maken. Ik wil minder ruimte innemen. Ik wil verdwijnen. De 'glow' is gedoofd, en in de plaats daarvan is er een diep, zwart gat van onzekerheid waar zelfs de herinnering aan Gerts kus niet meer tegenop kan.
- - -
Meer weten? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
