Door: Leen
Datum: 25-01-2026 | Cijfer: 9 | Gelezen: 563
Lengte: Lang | Leestijd: 15 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Verlangen,
Lengte: Lang | Leestijd: 15 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Verlangen,
Vervolg op: Verlangen - 32: De Platenwinkel
De Ruzie
De volgende ochtend hangt er een vreemde elektriciteit in de gangen van de school. Het nieuws van de breuk – en vooral de publieke manier waarop – heeft zich als een lopend vuurtje verspreid. Ik voel de blikken in mijn rug prikken zodra ik het fietsenhok uitloop. Er wordt gefluisterd, gewezen. Normaal zou ik door de grond willen zakken, me willen verstoppen achter mijn haar, maar vandaag loop ik met mijn kin omhoog. Ik draag mijn verdriet als een pantser. Een dikke sjaal, geen make-up (wat de wallen onder mijn ogen, het resultaat van een nacht woelen en denken aan Gert, alleen maar accentueert), en een blik die op onweer staat.
Ik loop richting mijn kluisje om mijn wiskundeboek te pakken – en een kleine glimlach te onderdrukken bij de gedachte aan vanavond – als ik abrupt stilsta. Aan het einde van de gang, bij de radiator waar de zesdejaars vaak hangen, staan ze. Carl en Els. Ze staan dicht bij elkaar. Te dicht. Carl leunt met één arm tegen de muur, zijn hoofd gebogen, en Els heeft haar hand op zijn onderarm liggen. Ze kijkt hem aan met die grote, begripvolle ogen van haar, haar hoofd schuin, haar lippen tuitend in een uitdrukking van medeleven.
Het beeld werkt als een rode lap op een stier. Niet omdat ik jaloers ben. Die emotie is gisteren in de platenzaak weggespoeld door de regen en Gerts lippen. Nee, ik word kwaad omdat het zo dom is. Omdat ze het me zo makkelijk maken. En ergens, diep vanbinnen, is het ook een uitlaatklep. Al de schuldgevoelens over mijn bedrog met Gert, al de spanning van de afgelopen weken, ik kan het nu allemaal projecteren op haar. Zij is de vijand. Dat is het script.
Ik smijt mijn kluisje dicht met een klap die als een geweerschot door de gang galmt. Carl en Els schrikken op en kijken mijn kant op. Carls gezicht betrekt onmiddellijk, hij trekt wit weg. Els doet een stap achteruit, haalt haar hand weg, maar het is al te laat. Ik storm op hen af. Mijn hakken kletteren hard op de vloer. "Serieus?" roep ik, luid genoeg zodat de groepjes leerlingen verderop stoppen met praten. "Ben je alles al vergeten, Carl? Of kon je gewoon niet wachten?" "Leen, wacht, het is niet..." begint Carl, zijn handen omhoog in een verdedigend gebaar.
Ik negeer hem en draai me met volle kracht naar Els. Ze staat erbij in haar perfecte pastelkleurige trui, haar blonde haar in een nette staart, en ze kijkt me aan met een mengeling van schuld en verontwaardiging. "En jij," spuw ik uit. "Jij laat er ook geen gras over groeien, hè? Gisteren stond hij nog te janken dat het allemaal een misverstand was, en nu sta je hem alweer te 'troosten'?" Ik maak aanhalingstekens met mijn vingers, zo sarcastisch mogelijk.
Els recht haar rug. Ze is geen doetje, dat moet ik haar nageven. "Doe even normaal, Leen," zegt ze, haar stem trilt een beetje maar klinkt fel. "Ik vroeg alleen hoe het met hem ging. Omdat jij hem gisteren publiekelijk voor schut hebt gezet. Iemand moet het doen, want jij bent duidelijk het noorden kwijt."
"Ik het noorden kwijt?" Mijn stem slaat over van gespeelde woede, maar de adrenaline is echt. "Jij bent degene die met andermans vriendje staat te vozen in een materiaalkot tijdens een Chiro-bijeenkomst! En nu sta je hier de heilige uit te hangen? Heb je dan echt geen enkel greintje fatsoen?"
De kring van toeschouwers sluit zich dichter om ons heen. Het is alsof we in een Romeinse arena staan, wachtend op de leeuwen.Ik zie de honger in de ogen van mijn medeleerlingen. Dit is het entertainment waar ze op wachtten, beter dan welke TV-serie dan ook. In mijn ooghoek zie ik Eva leunend tegen een kluisje staan, haar armen over elkaar, een kleine, kille glimlach op haar gezicht. Ze knikt nauwelijks merkbaar. Ga door, lijkt ze te denken. Maak het af. Verscheur haar.
"Er is niets gebeurd in dat materiaalkot!" roept Els nu. Haar wangen kleuren rood van kwaadheid, niet van schaamte. Ze zet een stap naar voren, mijn persoonlijke ruimte in, brutaal en uitdagend. "We hebben gepraat! Carl was ongelukkig, Leen. Doodongelukkig! Hij durfde het je niet te zeggen omdat je zo claimend bent, zo verstikkend met al je eisen en je perfecte cijfers. Maar hij voelde zich opgesloten bij jou in die saaie wereld van je. Hij zocht gewoon iemand die wel naar hem luisterde in plaats van alleen maar over haar eigen te praten!" Die woorden komen binnen als hel. Ze raken een zenuw, omdat ze waarschijnlijk waar zijn. Carl voelde zich waarschijnlijk opgesloten. Ik was ook opgesloten. We zaten samen in een kooi van verwachtingen, van saaie verplichtingen en gemeenschappelijke studie-uurtjes. Maar dat zij de waarheid spreekt, dat zij zich dat inzicht toe-eigent en gebruikt als wapen, maakt me alleen maar kwader. Het geeft me de brandstof die ik nodig heb om door te gaan.
"Oh, dus nu is het mijn schuld?" schreeuw ik, en ik doe een dreigende stap dichterbij, zodat onze neuzen elkaar bijna raken. Ik ruik haar parfum, iets bloemigs en zoets dat me misselijk maakt. "Ik ben de slechterik omdat ik niet wist dat mijn vriendje achter mijn rug om zijn hart lag uit te storten bij de eerste de beste huppeltrut die hem aandacht gaf? Omdat jij te makkelijk was om nee te zeggen?"
"Leen, stop! Alsjeblieft!" Carl probeert wanhopig tussenbeide te komen. Hij pakt mijn bovenarm vast om me weg te trekken, zijn vingers knijpen in mijn vlees. "Iedereen kijkt! Je maakt een scène! Je zet jezelf voor gek!" Ik ruk me los met een wilde beweging, alsof zijn aanraking brandend zuur is. Ik draai me kort naar hem om, mijn ogen spuwen vuur. "Laat ze maar kijken!" snauw ik, spuug vliegt uit mijn mond. "Laat iedereen maar zien wat voor een hypocriete eikel je bent. Jij bent degene die loog, Carl. Jij bent degene die zei dat ik niet mee mocht naar dat feestje omdat het 'saai' was. En nu weet ik waarom. Zodat jij ongestoord met haar kon aanpappen terwijl zat te zwoegen op dat stomme werkstuk! Jij hebt mij gebruikt als excuus om vreemd te gaan!"
Ik draai me weer naar Els. De woede is nu een fysiek ding, een bal van gloeiende energie in mijn borstkas die eruit moet, of ik ontplof. Ik verwacht tranen bij haar, ik verwacht dat ze wegloopt, dat ze breekt. Maar ze doet geen van beide. Ze blijft staan. Ze kijkt me aan met pure, onversneden minachting, alsof ik iets walgelijks ben dat onder haar schoen plakt. "Weet je wat, Els? Je mag hem hebben," zeg ik, mijn stem koud en hard als ijs, een dodelijke kalmte in het oog van de storm. "Neem hem mee. Troost hem. Luister naar zijn gezeur over hoe 'verstikkend' ik was. Jullie verdienen elkaar. Jullie zijn allebei even vals, even leeg, even saai."
Els lacht smalend. Het is een lelijk geluid. "Je bent onredelijk," sist ze terug, haar ogen vernauwd tot spleetjes. Ze buigt zich naar me toe, haar stem daalt tot een giftige fluistering die alleen ik en Carl kunnen horen. "Je weet niet waar je het over hebt. Je bent gewoon een jaloers, hysterisch kind dat niet tegen haar verlies kan. Misschien als je wat warmer was geweest, Leen, wat minder een ijskonijn, dan had hij niet bij mij hoeven komen. Misschien als je niet zo egoïstisch was en eens in de spiegel keek..."
Dat is de druppel. Het woord 'kind'. De beschuldiging van kilheid. De ironie dat zij mij een ijskonijn noemt, terwijl ik gisteren nog in vuur en vlam stond in de armen van Gert. De waarheid die ze niet kent – dat ík degene ben die gewonnen heeft, dat ík degene ben die vrij is – botst met de rol die ik hier sta te spelen. De adrenaline, de frustratie van het liegen, de opgekropte energie, alles balt zich samen in mijn handen. Mijn vingers krommen zich. Ik voel een waas voor mijn ogen trekken. "Ik weet precies waar ik het over heb," zeg ik, en mijn stem is gevaarlijk zacht, bijna een fluistering in de doodse stilte van de gang. Ik denk aan Gert. Aan zijn ruwe handen, aan de regen op zijn gezicht, aan de waarheid die niemand hier kent. Ik ben degene die vals is. Ik ben de bedrieger. Maar zij... zij is het doelwit. Zij moet boeten voor mijn zonden. Zij moet de klap opvangen die ik eigenlijk verdien.
"Blijf uit mijn buurt," sis ik. "En waag het niet om over mij te oordelen." Dan doe ik het. Zonder na te denken, in een waas van rode mist. Ik leg mijn beide handen plat tegen haar borst, tegen die perfecte pastelkleurige trui. Ik voel de zachte wol onder mijn handpalmen, de warmte van haar lichaam.
En ik duw. Hard. Met al mijn gewicht, al mijn frustratie, al mijn opgekropte energie erachter. Een fysieke ontlading van maandenlange spanning.
Het moment lijkt in slow-motion te gaan. Els wankelt. Haar ogen worden groot van schok, haar mond vormt een perfecte 'O'. Ik zie hoe haar voeten, in die nette enkellaarsjes, tevergeefs grip zoeken op de gladde vloer. Ze zwaait wild met haar armen, grijpt naar lucht, naar Carl, naar iets, maar vindt geen houvast.
Met een doffe, misselijkmakende klap komt ze hard op de grond terecht. De impact is harder dan ik bedoelde. Haar tas glijdt van haar schouder en klettert open. Pennen, een lippenstift die openbreekt, een spiegeltje dat barst en schriften rollen rammelend alle kanten op. Ze ligt er oncharmant bij, haar benen gespreid, haar rok omhoog gekropen, haar gezicht vertrokken van schrik en pijn. Een streepje bloed verschijnt op haar elleboog waar ze de harde vloer raakte.
Een collectieve inademing gaat door de gang. Hhhh. Een geluid alsof alle zuurstof uit de ruimte wordt gezogen. En dan: doodse stilte. Niemand beweegt. Zelfs meneer De Smet, die net uit lokaal 12 komt lopen met zijn koffiemok, blijft bevroren in de deuropening staan, zijn mond half open. Carl staat met open mond te kijken, verlamd, zijn handen hangen nutteloos in de lucht. Els kijkt me aan vanaf de grond. De arrogantie is weg, in één klap uit haar geslagen, vervangen door puur ongeloof. Ze zegt niets. Ze staart me alleen maar aan, alsof ze nu pas ziet wie ik echt ben. Ik kijk op haar neer. Ik voel me machtig en verschrikkelijk tegelijk. Een monster en een heldin. Mijn ademhaling gaat schokkerig.
"Jullie twee," voeg ik er koud aan toe, terwijl ik neerkijk op haar vernederde gestalte. "Blijf uit mijn buurt."
De schoolbel gaat. Een schril geluid dat de stilte breekt. De menigte begint onmiddellijk te gonzen, fluisterend, wijzend, geschokt maar smullend van het drama. De betovering is verbroken. Carl zakt door zijn knieën om Els te helpen, hij mompelt sussende woorden, raakt haar arm aan, kiest definitief haar kant. Meneer De Smet zet eindelijk een stap naar voren en begint te roepen: "Hé! Wat is hier aan de hand? Leen?" Maar ik luister niet. Ik draai me om en loop weg. Mijn hart bonst in mijn keel als een dronken drummer, zo hard dat het pijn doet in mijn ribben. Mijn handen trillen, niet van woede, maar van de enorme ontlading van dat ene, fysieke moment. Ik heb een grens overschreden. Ik heb geweld gebruikt. En tot mijn eigen schrik voelde het goed. Het voelde als gerechtigheid.
Halverwege de gang, ver weg van de plek des onheils, voel ik een hand op mijn schouder. Ik schrik op, bang dat het De Smet is die me naar de directeur wil slepen, maar als ik opzij kijk, zie ik de donkere, intelligente ogen van Eva. Ze loopt met me mee, haar pas perfect synchroon met die van mij, als een bodyguard die me wegleidt van de plaats delict. "Oscar-waardig," fluistert ze in mijn oor, zacht genoeg dat niemand anders het hoort, maar met een ondertoon van diep respect. "Echt. Meryl Streep is er niks bij." Ze pauzeert even en grinnikt dan duister. "En die duw? Touché. Die zag ik niet aankomen. Je hebt pit, Leen. Meer dan ik dacht."
Ik kijk haar aan, nog steeds hijgend van de adrenaline, mijn ogen wijd en mijn pupillen groot. "Ik meende het wel," zeg ik zacht, bijna verontschuldigend. "Deels. Ze haalde het bloed onder mijn nagels vandaan met haar commentaar." Eva knikt goedkeurend, alsof ik net geslaagd ben voor een examen. "Dat is wat het zo geloofwaardig maakt. De beste leugens zitten verpakt in een laagje waarheid. Gebruik die woede." Ze kijkt even achterom over haar schouder naar de chaos die ik heb achtergelaten, waar Carl Els nu overeind helpt en De Smet wild staat te gebaren. "Hou dit vol, Leen. Tegen de middagpauze is Els de meest gehate meid van de school en ben jij de wraakgodin, de martelares. Niemand zal je verdenken van ook maar iets." Ze knipoogt, een samenzweerderig gebaar dat ons verbindt. "En dat geeft jou alle ruimte voor... andere dingen."
Ze laat me los en loopt fluitend het lokaal voor Engels in, alsof er niets gebeurd is, alsof ze net de krant heeft gelezen. Ik blijf even staan in de deuropening van mijn eigen lokaal. Ik haal diep adem, probeer mijn hartslag onder controle te krijgen. Ondanks de ruzie, ondanks de leugens, en ondanks het trillen van mijn handen, voel ik een vreemde, donkere voldoening. Ik heb de brug verbrand. Er is geen weg meer terug naar mijn oude leven.
Het pad is vrijgemaakt. Vanavond ga ik naar Gert.
- - -
Benieuwd naar de vrouw achter dit verhaal? abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een mail te sturen (mijn mailadres vind je op mijn profielpagina)
Ik loop richting mijn kluisje om mijn wiskundeboek te pakken – en een kleine glimlach te onderdrukken bij de gedachte aan vanavond – als ik abrupt stilsta. Aan het einde van de gang, bij de radiator waar de zesdejaars vaak hangen, staan ze. Carl en Els. Ze staan dicht bij elkaar. Te dicht. Carl leunt met één arm tegen de muur, zijn hoofd gebogen, en Els heeft haar hand op zijn onderarm liggen. Ze kijkt hem aan met die grote, begripvolle ogen van haar, haar hoofd schuin, haar lippen tuitend in een uitdrukking van medeleven.
Het beeld werkt als een rode lap op een stier. Niet omdat ik jaloers ben. Die emotie is gisteren in de platenzaak weggespoeld door de regen en Gerts lippen. Nee, ik word kwaad omdat het zo dom is. Omdat ze het me zo makkelijk maken. En ergens, diep vanbinnen, is het ook een uitlaatklep. Al de schuldgevoelens over mijn bedrog met Gert, al de spanning van de afgelopen weken, ik kan het nu allemaal projecteren op haar. Zij is de vijand. Dat is het script.
Ik smijt mijn kluisje dicht met een klap die als een geweerschot door de gang galmt. Carl en Els schrikken op en kijken mijn kant op. Carls gezicht betrekt onmiddellijk, hij trekt wit weg. Els doet een stap achteruit, haalt haar hand weg, maar het is al te laat. Ik storm op hen af. Mijn hakken kletteren hard op de vloer. "Serieus?" roep ik, luid genoeg zodat de groepjes leerlingen verderop stoppen met praten. "Ben je alles al vergeten, Carl? Of kon je gewoon niet wachten?" "Leen, wacht, het is niet..." begint Carl, zijn handen omhoog in een verdedigend gebaar.
Ik negeer hem en draai me met volle kracht naar Els. Ze staat erbij in haar perfecte pastelkleurige trui, haar blonde haar in een nette staart, en ze kijkt me aan met een mengeling van schuld en verontwaardiging. "En jij," spuw ik uit. "Jij laat er ook geen gras over groeien, hè? Gisteren stond hij nog te janken dat het allemaal een misverstand was, en nu sta je hem alweer te 'troosten'?" Ik maak aanhalingstekens met mijn vingers, zo sarcastisch mogelijk.
Els recht haar rug. Ze is geen doetje, dat moet ik haar nageven. "Doe even normaal, Leen," zegt ze, haar stem trilt een beetje maar klinkt fel. "Ik vroeg alleen hoe het met hem ging. Omdat jij hem gisteren publiekelijk voor schut hebt gezet. Iemand moet het doen, want jij bent duidelijk het noorden kwijt."
"Ik het noorden kwijt?" Mijn stem slaat over van gespeelde woede, maar de adrenaline is echt. "Jij bent degene die met andermans vriendje staat te vozen in een materiaalkot tijdens een Chiro-bijeenkomst! En nu sta je hier de heilige uit te hangen? Heb je dan echt geen enkel greintje fatsoen?"
De kring van toeschouwers sluit zich dichter om ons heen. Het is alsof we in een Romeinse arena staan, wachtend op de leeuwen.Ik zie de honger in de ogen van mijn medeleerlingen. Dit is het entertainment waar ze op wachtten, beter dan welke TV-serie dan ook. In mijn ooghoek zie ik Eva leunend tegen een kluisje staan, haar armen over elkaar, een kleine, kille glimlach op haar gezicht. Ze knikt nauwelijks merkbaar. Ga door, lijkt ze te denken. Maak het af. Verscheur haar.
"Er is niets gebeurd in dat materiaalkot!" roept Els nu. Haar wangen kleuren rood van kwaadheid, niet van schaamte. Ze zet een stap naar voren, mijn persoonlijke ruimte in, brutaal en uitdagend. "We hebben gepraat! Carl was ongelukkig, Leen. Doodongelukkig! Hij durfde het je niet te zeggen omdat je zo claimend bent, zo verstikkend met al je eisen en je perfecte cijfers. Maar hij voelde zich opgesloten bij jou in die saaie wereld van je. Hij zocht gewoon iemand die wel naar hem luisterde in plaats van alleen maar over haar eigen te praten!" Die woorden komen binnen als hel. Ze raken een zenuw, omdat ze waarschijnlijk waar zijn. Carl voelde zich waarschijnlijk opgesloten. Ik was ook opgesloten. We zaten samen in een kooi van verwachtingen, van saaie verplichtingen en gemeenschappelijke studie-uurtjes. Maar dat zij de waarheid spreekt, dat zij zich dat inzicht toe-eigent en gebruikt als wapen, maakt me alleen maar kwader. Het geeft me de brandstof die ik nodig heb om door te gaan.
"Oh, dus nu is het mijn schuld?" schreeuw ik, en ik doe een dreigende stap dichterbij, zodat onze neuzen elkaar bijna raken. Ik ruik haar parfum, iets bloemigs en zoets dat me misselijk maakt. "Ik ben de slechterik omdat ik niet wist dat mijn vriendje achter mijn rug om zijn hart lag uit te storten bij de eerste de beste huppeltrut die hem aandacht gaf? Omdat jij te makkelijk was om nee te zeggen?"
"Leen, stop! Alsjeblieft!" Carl probeert wanhopig tussenbeide te komen. Hij pakt mijn bovenarm vast om me weg te trekken, zijn vingers knijpen in mijn vlees. "Iedereen kijkt! Je maakt een scène! Je zet jezelf voor gek!" Ik ruk me los met een wilde beweging, alsof zijn aanraking brandend zuur is. Ik draai me kort naar hem om, mijn ogen spuwen vuur. "Laat ze maar kijken!" snauw ik, spuug vliegt uit mijn mond. "Laat iedereen maar zien wat voor een hypocriete eikel je bent. Jij bent degene die loog, Carl. Jij bent degene die zei dat ik niet mee mocht naar dat feestje omdat het 'saai' was. En nu weet ik waarom. Zodat jij ongestoord met haar kon aanpappen terwijl zat te zwoegen op dat stomme werkstuk! Jij hebt mij gebruikt als excuus om vreemd te gaan!"
Ik draai me weer naar Els. De woede is nu een fysiek ding, een bal van gloeiende energie in mijn borstkas die eruit moet, of ik ontplof. Ik verwacht tranen bij haar, ik verwacht dat ze wegloopt, dat ze breekt. Maar ze doet geen van beide. Ze blijft staan. Ze kijkt me aan met pure, onversneden minachting, alsof ik iets walgelijks ben dat onder haar schoen plakt. "Weet je wat, Els? Je mag hem hebben," zeg ik, mijn stem koud en hard als ijs, een dodelijke kalmte in het oog van de storm. "Neem hem mee. Troost hem. Luister naar zijn gezeur over hoe 'verstikkend' ik was. Jullie verdienen elkaar. Jullie zijn allebei even vals, even leeg, even saai."
Els lacht smalend. Het is een lelijk geluid. "Je bent onredelijk," sist ze terug, haar ogen vernauwd tot spleetjes. Ze buigt zich naar me toe, haar stem daalt tot een giftige fluistering die alleen ik en Carl kunnen horen. "Je weet niet waar je het over hebt. Je bent gewoon een jaloers, hysterisch kind dat niet tegen haar verlies kan. Misschien als je wat warmer was geweest, Leen, wat minder een ijskonijn, dan had hij niet bij mij hoeven komen. Misschien als je niet zo egoïstisch was en eens in de spiegel keek..."
Dat is de druppel. Het woord 'kind'. De beschuldiging van kilheid. De ironie dat zij mij een ijskonijn noemt, terwijl ik gisteren nog in vuur en vlam stond in de armen van Gert. De waarheid die ze niet kent – dat ík degene ben die gewonnen heeft, dat ík degene ben die vrij is – botst met de rol die ik hier sta te spelen. De adrenaline, de frustratie van het liegen, de opgekropte energie, alles balt zich samen in mijn handen. Mijn vingers krommen zich. Ik voel een waas voor mijn ogen trekken. "Ik weet precies waar ik het over heb," zeg ik, en mijn stem is gevaarlijk zacht, bijna een fluistering in de doodse stilte van de gang. Ik denk aan Gert. Aan zijn ruwe handen, aan de regen op zijn gezicht, aan de waarheid die niemand hier kent. Ik ben degene die vals is. Ik ben de bedrieger. Maar zij... zij is het doelwit. Zij moet boeten voor mijn zonden. Zij moet de klap opvangen die ik eigenlijk verdien.
"Blijf uit mijn buurt," sis ik. "En waag het niet om over mij te oordelen." Dan doe ik het. Zonder na te denken, in een waas van rode mist. Ik leg mijn beide handen plat tegen haar borst, tegen die perfecte pastelkleurige trui. Ik voel de zachte wol onder mijn handpalmen, de warmte van haar lichaam.
En ik duw. Hard. Met al mijn gewicht, al mijn frustratie, al mijn opgekropte energie erachter. Een fysieke ontlading van maandenlange spanning.
Het moment lijkt in slow-motion te gaan. Els wankelt. Haar ogen worden groot van schok, haar mond vormt een perfecte 'O'. Ik zie hoe haar voeten, in die nette enkellaarsjes, tevergeefs grip zoeken op de gladde vloer. Ze zwaait wild met haar armen, grijpt naar lucht, naar Carl, naar iets, maar vindt geen houvast.
Met een doffe, misselijkmakende klap komt ze hard op de grond terecht. De impact is harder dan ik bedoelde. Haar tas glijdt van haar schouder en klettert open. Pennen, een lippenstift die openbreekt, een spiegeltje dat barst en schriften rollen rammelend alle kanten op. Ze ligt er oncharmant bij, haar benen gespreid, haar rok omhoog gekropen, haar gezicht vertrokken van schrik en pijn. Een streepje bloed verschijnt op haar elleboog waar ze de harde vloer raakte.
Een collectieve inademing gaat door de gang. Hhhh. Een geluid alsof alle zuurstof uit de ruimte wordt gezogen. En dan: doodse stilte. Niemand beweegt. Zelfs meneer De Smet, die net uit lokaal 12 komt lopen met zijn koffiemok, blijft bevroren in de deuropening staan, zijn mond half open. Carl staat met open mond te kijken, verlamd, zijn handen hangen nutteloos in de lucht. Els kijkt me aan vanaf de grond. De arrogantie is weg, in één klap uit haar geslagen, vervangen door puur ongeloof. Ze zegt niets. Ze staart me alleen maar aan, alsof ze nu pas ziet wie ik echt ben. Ik kijk op haar neer. Ik voel me machtig en verschrikkelijk tegelijk. Een monster en een heldin. Mijn ademhaling gaat schokkerig.
"Jullie twee," voeg ik er koud aan toe, terwijl ik neerkijk op haar vernederde gestalte. "Blijf uit mijn buurt."
De schoolbel gaat. Een schril geluid dat de stilte breekt. De menigte begint onmiddellijk te gonzen, fluisterend, wijzend, geschokt maar smullend van het drama. De betovering is verbroken. Carl zakt door zijn knieën om Els te helpen, hij mompelt sussende woorden, raakt haar arm aan, kiest definitief haar kant. Meneer De Smet zet eindelijk een stap naar voren en begint te roepen: "Hé! Wat is hier aan de hand? Leen?" Maar ik luister niet. Ik draai me om en loop weg. Mijn hart bonst in mijn keel als een dronken drummer, zo hard dat het pijn doet in mijn ribben. Mijn handen trillen, niet van woede, maar van de enorme ontlading van dat ene, fysieke moment. Ik heb een grens overschreden. Ik heb geweld gebruikt. En tot mijn eigen schrik voelde het goed. Het voelde als gerechtigheid.
Halverwege de gang, ver weg van de plek des onheils, voel ik een hand op mijn schouder. Ik schrik op, bang dat het De Smet is die me naar de directeur wil slepen, maar als ik opzij kijk, zie ik de donkere, intelligente ogen van Eva. Ze loopt met me mee, haar pas perfect synchroon met die van mij, als een bodyguard die me wegleidt van de plaats delict. "Oscar-waardig," fluistert ze in mijn oor, zacht genoeg dat niemand anders het hoort, maar met een ondertoon van diep respect. "Echt. Meryl Streep is er niks bij." Ze pauzeert even en grinnikt dan duister. "En die duw? Touché. Die zag ik niet aankomen. Je hebt pit, Leen. Meer dan ik dacht."
Ik kijk haar aan, nog steeds hijgend van de adrenaline, mijn ogen wijd en mijn pupillen groot. "Ik meende het wel," zeg ik zacht, bijna verontschuldigend. "Deels. Ze haalde het bloed onder mijn nagels vandaan met haar commentaar." Eva knikt goedkeurend, alsof ik net geslaagd ben voor een examen. "Dat is wat het zo geloofwaardig maakt. De beste leugens zitten verpakt in een laagje waarheid. Gebruik die woede." Ze kijkt even achterom over haar schouder naar de chaos die ik heb achtergelaten, waar Carl Els nu overeind helpt en De Smet wild staat te gebaren. "Hou dit vol, Leen. Tegen de middagpauze is Els de meest gehate meid van de school en ben jij de wraakgodin, de martelares. Niemand zal je verdenken van ook maar iets." Ze knipoogt, een samenzweerderig gebaar dat ons verbindt. "En dat geeft jou alle ruimte voor... andere dingen."
Ze laat me los en loopt fluitend het lokaal voor Engels in, alsof er niets gebeurd is, alsof ze net de krant heeft gelezen. Ik blijf even staan in de deuropening van mijn eigen lokaal. Ik haal diep adem, probeer mijn hartslag onder controle te krijgen. Ondanks de ruzie, ondanks de leugens, en ondanks het trillen van mijn handen, voel ik een vreemde, donkere voldoening. Ik heb de brug verbrand. Er is geen weg meer terug naar mijn oude leven.
Het pad is vrijgemaakt. Vanavond ga ik naar Gert.
- - -
Benieuwd naar de vrouw achter dit verhaal? abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een mail te sturen (mijn mailadres vind je op mijn profielpagina)
Trefwoord(en): Verlangen, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
