Door: Leen
Datum: 18-01-2026 | Cijfer: 9.1 | Gelezen: 307
Lengte: Lang | Leestijd: 17 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Passie, Verlangen, Vreemdgaan,
Lengte: Lang | Leestijd: 17 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Passie, Verlangen, Vreemdgaan,
Vervolg op: Verlangen - 31: De Breuk
De Platenwinkel
De stem van meneer Peeters dreunt door als een saaie, grijze monotoon op de achtergrond. Hij heeft het over de Franse Revolutie, over de guillotine en het omverwerpen van de gevestigde orde. De ironie ontgaat me niet. In de refter heeft zich zojuist mijn eigen kleine revolutie afgespeeld, en hoewel mijn hoofd nog op mijn romp zit, voelt het alsof ik zojuist een executie heb uitgevoerd. Of heb ondergaan. Dat is nog niet helemaal duidelijk.
Ik staar naar het bord, naar de witte krijtletters die dansen voor mijn ogen, maar de woorden dringen niet door. Ik zie alleen Carls gezicht. De totale verbijstering. De paniek in zijn ogen die overging in een soort zielige berusting. Het beeld staat op mijn netvlies gebrand en bij elke knippering zie ik het opnieuw.
Ik zou me euforisch moeten voelen. Dit is waar ik wekenlang van gedroomd heb. Ik ben vrij. Ik ben verlost van de saaie zondagmiddagen bij zijn ouders, de verplichte Chiro-feestjes waar iedereen dezelfde beige kleren draagt, de verstikkende voorspelbaarheid van een toekomst die al voor me uitgestippeld leek. Ik heb gewonnen. Eva heeft me de perfecte munitie gegeven, ik heb de trekker overgehaald, en Gert wacht ergens in de schaduw. Alles is volgens plan verlopen.
Toch voel ik geen triomf. In plaats daarvan ligt er een zware, koude steen in mijn maag. Een rauw, zeurend verdriet dat ik niet had verwacht en dat me de adem ontneemt. Het is niet dat ik Carl mis. Niet de jongen zelf. Maar ik mis wie ik was toen ik bij hem hoorde. Jarenlang was ik 'Leen van Carl'. Het was een identiteit, een jas die misschien te strak zat en kriebelde, maar hij hield me wel warm en droog. Iedereen op school kende ons zo. We waren een eenheid, een vaststaand feit, zoals het scheikundelokaal of de gymzaal. Door die band door te knippen, heb ik niet alleen hem weggeduwd, maar ook een stuk van mezelf geamputeerd. Ik voel me naakt. Kwetsbaar. Alsof ik plotseling op een tochtige vlakte sta zonder enige beschutting.
"Leen? Zou je de volgende zin kunnen vertalen?" De stem van meneer Peeters trekt me ruw terug naar het lokaal. Dertig paar ogen draaien zich langzaam naar mij toe. Het geluid van schuivende voeten en ritselend papier klinkt oorverdovend in mijn oren. Ik voel de hitte naar mijn wangen stijgen, een brandend gevoel dat niets te maken heeft met verlegenheid, maar alles met paniek. De muren van het klaslokaal lijken plotseling op me af te komen. De geur van krijt, oud zweet en natte jassen wordt misselijkmakend.
Ik kan hier niet zijn. Ik kan niet doen alsof ik nadenk over Franse grammatica terwijl mijn hele leven net op zijn kop is gezet. "Ik... ik voel me niet goed," stamel ik. Mijn stem klinkt vreemd, ijl en ver weg. Voordat hij kan antwoorden, schuif ik mijn stoel met een scherp, krassend geluid naar achteren. Ik graai mijn tas van de grond, negeer de verbaasde blik van mijn buurvrouw en loop het lokaal uit. In de gang begin ik te rennen. Niet omdat iemand me achtervolgt, maar omdat ik weg moet. Weg van de blikken, weg van de vragen, weg van het brave meisje dat ik tot tien minuten geleden was.
Ik stop niet tot ik bij de fietsenstalling ben. Het is een enorme, overdekte ruimte vol beton en staal. Rijen en rijen fietsen staan dicht tegen elkaar aan geparkeerd, een ondoordringbare massa van bagagedragers en sturen. De stilte hier is anders dan in de klas; het is een lege, verlaten stilte. Het feit dat al die honderden fietsen hier staan, betekent dat iedereen gewoon doet wat er van hem verwacht wordt. Iedereen zit in de les. Iedereen luistert. Iedereen, behalve ik.
Mijn handen trillen als ik mijn fietssleutel in het slot steek. Het kost me drie pogingen om het slot open te krijgen. Zodra ik het schoolterrein af fiets, slaat de wind in mijn gezicht. Het motregent, van die fijne, ijskoude regen die overal doorheen dringt. Maar ik voel het nauwelijks. Ik trap hard, agressief bijna, alsof ik de verwarring uit mijn lijf kan trappen. In plaats van naar huis te gaan – waar mijn moeder onmiddellijk zou zien dat er iets mis is en vragen zou stellen waar ik nog geen antwoord op heb – stuur ik mijn fiets richting het centrum. Ik rij doelloos door de straten. Langs de bakker waar Carl altijd worstenbroodjes haalde. Langs het parkje waar we soms zaten. De stad lijkt anders nu. Grijzer. Vreemder. Elke straathoek herinnert me aan een leven dat nu voorbij is. Het besef dringt langzaam door: ik ben alleen. Echt alleen. Voor het eerst in twee jaar is er niemand die weet waar ik ben, niemand die op me wacht. Het is een beangstigende, maar ergens ook bedwelmende gedachte.
Uiteindelijk rem ik, bijna uit noodzaak omdat mijn benen beginnen te verzuren, voor een etalage in een smalle zijstraat achter de kerk. Sound & Vision staat er in afgebladderde neonletters boven de deur. Ik heb hier vaak genoeg langs gefietst, maar ik ben er nog nooit binnen geweest. Carl hield niet van dit soort winkels. "Rommelig," noemde hij het. "En het volk dat daar komt, deugt niet." Ik staar naar mijn eigen reflectie in het donkere glas van de etalage. Ik zie eruit als een verzopen kat. Bleek gezicht, mascara die waarschijnlijk is uitgelopen, haren die in natte slierten langs mijn wangen plakken. Misschien deug ik ook wel niet meer, denk ik bitter. Misschien hoor ik hier nu wel thuis. In een impuls duw ik de zware deur open. Een koperen belletje rinkelt helder boven mijn hoofd.
De warmte slaat me in het gezicht, samen met een geur die ik niet direct kan thuisbrengen. Het ruikt naar oud papier, naar stof, naar goedkope wierook en statische elektriciteit. Het is een donker hol, compleet volgestouwd met bakken vol elpees, posters van bands die ik nauwelijks ken en stapels muziekbladen. De eigenaar, een man met lang grijs haar die 'Maan' wordt genoemd, kijkt even op vanachter de toonbank. Hij scant me van top tot teen – mijn nette schooluniform, mijn dure jas, mijn boekentas – en lijkt onmiddellijk zijn interesse te verliezen. Ik ben duidelijk een toerist in zijn koninkrijk. Hij knikt nauwelijks en gaat verder met het sorteren van singles.
Ik voel me ongemakkelijk, een indringer. Ik loop naar de bakken achterin, zo ver mogelijk uit het zicht, en begin door de elpees te bladeren. Mijn vingers flippen langs de hoezen. The Cure, Depeche Mode, Joy Division. Zwart-wit foto's, vage titels, kunstzinnige ontwerpen. Het is een taal die ik nog niet spreek, maar die me fascineert. Dit is de wereld van Gert. Dit is wat hij mooi vindt. Terwijl ik naar de hoes van een plaat staar – een vreemd, golvend lijnenpatroon – vraag ik me af of dit een vergissing was. Ben ik wel stoer genoeg voor dit leven? Kan ik wel zijn wie Gert wil dat ik ben? Of ben ik eigenlijk gewoon Leen, het meisje dat tienen haalt voor geschiedenis en op tijd thuis is voor het avondeten? De twijfel knaagt aan me. Misschien heb ik alles kapotgemaakt voor een illusie.
Dan rinkelt de bel opnieuw. Een vlaag koude wind waait naar binnen en doet de posters aan de muur ritselen. Zware voetstappen klinken op de houten vloer. Ze komen recht op me af. Ik kijk op, mijn ogen nog vochtig, en daar staat hij. Gert. Hij vult de ruimte, donker en aanwezig, alsof hij alle zuurstof in de kleine winkel opzuigt. Zijn zwarte haar plakt in natte, wilde pieken tegen zijn voorhoofd en er hangen regendruppels aan zijn wimpers die het kille tl-licht van de winkel vangen. Hij draagt zijn eeuwige leren jas, die nu glimt van het water en ruikt naar de koude buitenlucht en gevaar. Hij ziet eruit als een storm die net is binnengewaaid, ruw en ongepolijst, een scherp contrast met de zachte, beige wereld waar ik net uit ben gestapt.
Mijn hart maakt een rare, pijnlijke sprong – half van schrik, half van een overweldigende, duizelingwekkende opluchting. Hij is er. Hij is echt. Terwijl mijn wereld op zijn grondvesten schudt, staat hij daar zo vast als een huis, breedgeschouderd en solide. Hij kijkt niet spottend, niet met die arrogante grijns die hij normaal heeft. Hij ziet mijn betraande gezicht, mijn uitgelopen mascara, mijn trillende handen, en zijn uitdrukking verandert op slag. De stoere façade brokkelt af en wat overblijft is iets dat me tot in mijn tenen raakt.
"Gaat het?" vraagt hij zacht. Die twee simpele woorden breken de dam. Ik begin te wenen, ongecontroleerd en heftig, en stort me zonder na te denken in zijn armen. Hij vangt me op, stevig, zijn leren jas koud en nat tegen mijn wang, maar zijn armen warm. "Ik ben weggelopen uit de les Frans," snik ik tegen zijn borst. Met horten en stoten vertel ik het verhaal. Over de refter. Over Carl. Over de leugens en het publieke einde. Ik verwacht dat hij lacht, dat hij triomfantelijk kijkt omdat ik eindelijk vrij ben, maar als ik opkijk, zie ik alleen maar bezorgdheid in zijn donkere ogen. Geen spoor van "zie je wel", alleen maar zorg.
"Gaat het?" vraagt hij nogmaals, indringend. Hij houdt mijn schouders vast en dwingt me hem aan te kijken. Ik slik, haal diep adem, en schud dan langzaam mijn hoofd. "Nee," fluister ik. "Nee." Hij trekt me weer tegen zich aan en ik begraaf mijn gezicht in zijn sjaal. Langzaam word ik rustiger. De wilde snikken maken plaats voor een diepe, trillende zucht. Het voelt veilig hier.
"Had jij geen les?" vraag ik uiteindelijk, mijn stem schor. Ik veeg onhandig een traan weg. Gert haalt zijn schouders op, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. "Geschiedenis. Maar ik zag je lopen." Ik kijk hem verbaasd aan. "Je zag me?" "Ik zat bij het raam, aan de kant van de speelplaats," zegt hij. "Ik zag je rennen naar de fietsenstalling. Je zag eruit alsof de duivel je op de hielen zat. Of erger: meneer Peeters." Er verschijnt een kleine glimlach op zijn gezicht, maar zijn ogen blijven serieus. "Ik ben gewoon opgestaan en je achterna gegaan. Ik heb mijn boeken laten liggen. Meneer Van den Berg riep nog iets, maar ik dacht: die redt het wel zonder mij."
Ik kijk hem aan en voel een warme golf door me heen spoelen die niets te maken heeft met de verwarming in de winkel. Carl zou dit nooit gedaan hebben. Carl zou gewacht hebben tot de bel ging. Hij zou zich zorgen hebben gemaakt, ja, maar hij zou de regels nooit hebben gebroken. Hij zou nooit het risico hebben genomen om na te blijven of een strafstudie te krijgen, zelfs niet als ik in paniek was. Maar Gert wel. Gert zag dat ik pijn had en hij liet alles vallen. Hij koos voor mij, niet voor de regels. Voor het eerst in mijn leven voel ik me belangrijker dan 'wat er hoort'.
De behoefte om dat te bevestigen, om dit moment vast te leggen, is plotseling overweldigend. Ik reik naar zijn gezicht. Mijn handen zijn nog klam van het fietsen en de zenuwen, maar zijn huid voelt gloeiend heet onder mijn vingertoppen, een scherp contrast met het koude, natte leer van zijn kraag. Ik aarzel niet meer. Ik trek hem naar me toe. Ik kus hem. Het is geen voorzichtige, aftastende kus zoals die eerste keer in de bibliotheek. Dit is anders. Dit is hongerig, wanhopig bijna. Het is een botsing van monden, een fysieke ontlading van alle spanning, verdriet en adrenaline van de afgelopen uren. Ik proef de regen op zijn lippen, het zout van mijn eigen tranen die nog steeds stromen, en de vage, prikkelende smaak van de zware shag die hij rookt.
Zijn armen, die me eerst alleen ondersteunden, sluiten zich nu strakker om mijn middel. Hij trekt me tegen zich aan, zo dichtbij dat ik de harde rits van zijn jas door mijn kleren heen voel. Zijn mond op de mijne is dwingend, rauw. Het is een kus die niets vraagt, maar alles neemt. Het is angstaanjagend en opwindend tegelijk. In deze kus zit geen veiligheid, geen voorspelbaarheid zoals bij Carl. Hier zit gevaar in, en een belofte van iets dat veel groter en echter is dan ik ooit heb gekend. Het voelt alsof ik van een klif spring en halverwege ontdek dat ik misschien wel kan vliegen.
Als we elkaar uiteindelijk, ademloos, een beetje loslaten, is de wereld om ons heen vervaagd tot een waas van platenhoezen en wierook. De steen in mijn maag is verdwenen, vervangen door een wild bonzend hart dat tegen mijn ribben slaat. Ik leun met mijn voorhoofd tegen het zijne, mijn ogen gesloten, en luister naar onze ademhaling die langzaam weer synchroon loopt in de stilte van de winkel. Ik ben nog steeds bang, en de chaos is nog lang niet voorbij, maar voor het eerst vandaag voel ik me niet meer verloren. Ik ben precies waar ik moet zijn.
"Je weet dat Eva alles weet?" fluister ik, zonder mijn hoofd op te tillen. Ik voel hem even verstijven, maar hij trekt zich niet terug. "Hoezo?"
"Ze kwam naar me toe na de scène met Carl," leg ik uit, mijn stem nog steeds schor. "Ze zei dat ik het spelletje nog even moest meespelen. De gekwetste ex. Ze wist dat er iemand anders was."
Gert is even stil. Dan hoor ik een zachte zucht, gevolgd door een lichte grinnik die trilt in zijn borstkas tegen de mijne.
"Wees niet bang," zegt hij rustig, en hij strijkt een natte lok haar uit mijn gezicht. "Ze zal niet klikken. Eva is... Eva. Ze houdt van chaos en drama, maar ze is geen verrader. Zeker niet als ze Carl daarmee kan pesten. Ze vindt dit waarschijnlijk geweldig."
Hij pakt mijn hand en verstrengelt zijn ruwe vingers met de mijne.
"Maar ze heeft wel gelijk," gaat hij verder, serieuzer nu. Hij doet een stapje terug om me aan te kunnen kijken. "We moeten het rustig aan doen. Nog een paar weken. Laat de storm maar overwaaien. Iedereen denkt nu dat jij zielig bent en dat Carl de klootzak is. Laten we dat zo houden."
Ik knik. "Oké. Een paar weken stilte."
Ik kijk hem aan, en ondanks mijn rode ogen, uitgelopen mascara en het feit dat ik waarschijnlijk geschorst word, voel ik me lichter dan ik me in tijden heb gevoeld. Er is een complot. Er is een 'wij'.
"Zeg," begin ik, en er kruipt een voorzichtige glimlach op mijn gezicht die de laatste tranen verdrijft. "Als we het dan toch stil moeten houden... Ik heb nu ineens heel veel vrije tijd. En ik moet echt nog wat inhalen voor school."
Gert kijkt me vragend aan, één wenkbrauw opgetrokken.
"Heb je toevallig tijd voor bijles Wiskunde?" vraag ik zacht, en ik voel dat ik bloos. "Morgenavond?"
Gerts glimlach wordt breder, ondeugend bijna, en die bekende twinkeling is terug in zijn ogen. Hij knijpt zachtjes in mijn hand.
"Voor wiskunde maak ik altijd tijd," zegt hij. "Morgenavond. Bij mij."
- - -
Benieuwd naar de vrouw achter dit verhaal. Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Ik staar naar het bord, naar de witte krijtletters die dansen voor mijn ogen, maar de woorden dringen niet door. Ik zie alleen Carls gezicht. De totale verbijstering. De paniek in zijn ogen die overging in een soort zielige berusting. Het beeld staat op mijn netvlies gebrand en bij elke knippering zie ik het opnieuw.
Ik zou me euforisch moeten voelen. Dit is waar ik wekenlang van gedroomd heb. Ik ben vrij. Ik ben verlost van de saaie zondagmiddagen bij zijn ouders, de verplichte Chiro-feestjes waar iedereen dezelfde beige kleren draagt, de verstikkende voorspelbaarheid van een toekomst die al voor me uitgestippeld leek. Ik heb gewonnen. Eva heeft me de perfecte munitie gegeven, ik heb de trekker overgehaald, en Gert wacht ergens in de schaduw. Alles is volgens plan verlopen.
Toch voel ik geen triomf. In plaats daarvan ligt er een zware, koude steen in mijn maag. Een rauw, zeurend verdriet dat ik niet had verwacht en dat me de adem ontneemt. Het is niet dat ik Carl mis. Niet de jongen zelf. Maar ik mis wie ik was toen ik bij hem hoorde. Jarenlang was ik 'Leen van Carl'. Het was een identiteit, een jas die misschien te strak zat en kriebelde, maar hij hield me wel warm en droog. Iedereen op school kende ons zo. We waren een eenheid, een vaststaand feit, zoals het scheikundelokaal of de gymzaal. Door die band door te knippen, heb ik niet alleen hem weggeduwd, maar ook een stuk van mezelf geamputeerd. Ik voel me naakt. Kwetsbaar. Alsof ik plotseling op een tochtige vlakte sta zonder enige beschutting.
"Leen? Zou je de volgende zin kunnen vertalen?" De stem van meneer Peeters trekt me ruw terug naar het lokaal. Dertig paar ogen draaien zich langzaam naar mij toe. Het geluid van schuivende voeten en ritselend papier klinkt oorverdovend in mijn oren. Ik voel de hitte naar mijn wangen stijgen, een brandend gevoel dat niets te maken heeft met verlegenheid, maar alles met paniek. De muren van het klaslokaal lijken plotseling op me af te komen. De geur van krijt, oud zweet en natte jassen wordt misselijkmakend.
Ik kan hier niet zijn. Ik kan niet doen alsof ik nadenk over Franse grammatica terwijl mijn hele leven net op zijn kop is gezet. "Ik... ik voel me niet goed," stamel ik. Mijn stem klinkt vreemd, ijl en ver weg. Voordat hij kan antwoorden, schuif ik mijn stoel met een scherp, krassend geluid naar achteren. Ik graai mijn tas van de grond, negeer de verbaasde blik van mijn buurvrouw en loop het lokaal uit. In de gang begin ik te rennen. Niet omdat iemand me achtervolgt, maar omdat ik weg moet. Weg van de blikken, weg van de vragen, weg van het brave meisje dat ik tot tien minuten geleden was.
Ik stop niet tot ik bij de fietsenstalling ben. Het is een enorme, overdekte ruimte vol beton en staal. Rijen en rijen fietsen staan dicht tegen elkaar aan geparkeerd, een ondoordringbare massa van bagagedragers en sturen. De stilte hier is anders dan in de klas; het is een lege, verlaten stilte. Het feit dat al die honderden fietsen hier staan, betekent dat iedereen gewoon doet wat er van hem verwacht wordt. Iedereen zit in de les. Iedereen luistert. Iedereen, behalve ik.
Mijn handen trillen als ik mijn fietssleutel in het slot steek. Het kost me drie pogingen om het slot open te krijgen. Zodra ik het schoolterrein af fiets, slaat de wind in mijn gezicht. Het motregent, van die fijne, ijskoude regen die overal doorheen dringt. Maar ik voel het nauwelijks. Ik trap hard, agressief bijna, alsof ik de verwarring uit mijn lijf kan trappen. In plaats van naar huis te gaan – waar mijn moeder onmiddellijk zou zien dat er iets mis is en vragen zou stellen waar ik nog geen antwoord op heb – stuur ik mijn fiets richting het centrum. Ik rij doelloos door de straten. Langs de bakker waar Carl altijd worstenbroodjes haalde. Langs het parkje waar we soms zaten. De stad lijkt anders nu. Grijzer. Vreemder. Elke straathoek herinnert me aan een leven dat nu voorbij is. Het besef dringt langzaam door: ik ben alleen. Echt alleen. Voor het eerst in twee jaar is er niemand die weet waar ik ben, niemand die op me wacht. Het is een beangstigende, maar ergens ook bedwelmende gedachte.
Uiteindelijk rem ik, bijna uit noodzaak omdat mijn benen beginnen te verzuren, voor een etalage in een smalle zijstraat achter de kerk. Sound & Vision staat er in afgebladderde neonletters boven de deur. Ik heb hier vaak genoeg langs gefietst, maar ik ben er nog nooit binnen geweest. Carl hield niet van dit soort winkels. "Rommelig," noemde hij het. "En het volk dat daar komt, deugt niet." Ik staar naar mijn eigen reflectie in het donkere glas van de etalage. Ik zie eruit als een verzopen kat. Bleek gezicht, mascara die waarschijnlijk is uitgelopen, haren die in natte slierten langs mijn wangen plakken. Misschien deug ik ook wel niet meer, denk ik bitter. Misschien hoor ik hier nu wel thuis. In een impuls duw ik de zware deur open. Een koperen belletje rinkelt helder boven mijn hoofd.
De warmte slaat me in het gezicht, samen met een geur die ik niet direct kan thuisbrengen. Het ruikt naar oud papier, naar stof, naar goedkope wierook en statische elektriciteit. Het is een donker hol, compleet volgestouwd met bakken vol elpees, posters van bands die ik nauwelijks ken en stapels muziekbladen. De eigenaar, een man met lang grijs haar die 'Maan' wordt genoemd, kijkt even op vanachter de toonbank. Hij scant me van top tot teen – mijn nette schooluniform, mijn dure jas, mijn boekentas – en lijkt onmiddellijk zijn interesse te verliezen. Ik ben duidelijk een toerist in zijn koninkrijk. Hij knikt nauwelijks en gaat verder met het sorteren van singles.
Ik voel me ongemakkelijk, een indringer. Ik loop naar de bakken achterin, zo ver mogelijk uit het zicht, en begin door de elpees te bladeren. Mijn vingers flippen langs de hoezen. The Cure, Depeche Mode, Joy Division. Zwart-wit foto's, vage titels, kunstzinnige ontwerpen. Het is een taal die ik nog niet spreek, maar die me fascineert. Dit is de wereld van Gert. Dit is wat hij mooi vindt. Terwijl ik naar de hoes van een plaat staar – een vreemd, golvend lijnenpatroon – vraag ik me af of dit een vergissing was. Ben ik wel stoer genoeg voor dit leven? Kan ik wel zijn wie Gert wil dat ik ben? Of ben ik eigenlijk gewoon Leen, het meisje dat tienen haalt voor geschiedenis en op tijd thuis is voor het avondeten? De twijfel knaagt aan me. Misschien heb ik alles kapotgemaakt voor een illusie.
Dan rinkelt de bel opnieuw. Een vlaag koude wind waait naar binnen en doet de posters aan de muur ritselen. Zware voetstappen klinken op de houten vloer. Ze komen recht op me af. Ik kijk op, mijn ogen nog vochtig, en daar staat hij. Gert. Hij vult de ruimte, donker en aanwezig, alsof hij alle zuurstof in de kleine winkel opzuigt. Zijn zwarte haar plakt in natte, wilde pieken tegen zijn voorhoofd en er hangen regendruppels aan zijn wimpers die het kille tl-licht van de winkel vangen. Hij draagt zijn eeuwige leren jas, die nu glimt van het water en ruikt naar de koude buitenlucht en gevaar. Hij ziet eruit als een storm die net is binnengewaaid, ruw en ongepolijst, een scherp contrast met de zachte, beige wereld waar ik net uit ben gestapt.
Mijn hart maakt een rare, pijnlijke sprong – half van schrik, half van een overweldigende, duizelingwekkende opluchting. Hij is er. Hij is echt. Terwijl mijn wereld op zijn grondvesten schudt, staat hij daar zo vast als een huis, breedgeschouderd en solide. Hij kijkt niet spottend, niet met die arrogante grijns die hij normaal heeft. Hij ziet mijn betraande gezicht, mijn uitgelopen mascara, mijn trillende handen, en zijn uitdrukking verandert op slag. De stoere façade brokkelt af en wat overblijft is iets dat me tot in mijn tenen raakt.
"Gaat het?" vraagt hij zacht. Die twee simpele woorden breken de dam. Ik begin te wenen, ongecontroleerd en heftig, en stort me zonder na te denken in zijn armen. Hij vangt me op, stevig, zijn leren jas koud en nat tegen mijn wang, maar zijn armen warm. "Ik ben weggelopen uit de les Frans," snik ik tegen zijn borst. Met horten en stoten vertel ik het verhaal. Over de refter. Over Carl. Over de leugens en het publieke einde. Ik verwacht dat hij lacht, dat hij triomfantelijk kijkt omdat ik eindelijk vrij ben, maar als ik opkijk, zie ik alleen maar bezorgdheid in zijn donkere ogen. Geen spoor van "zie je wel", alleen maar zorg.
"Gaat het?" vraagt hij nogmaals, indringend. Hij houdt mijn schouders vast en dwingt me hem aan te kijken. Ik slik, haal diep adem, en schud dan langzaam mijn hoofd. "Nee," fluister ik. "Nee." Hij trekt me weer tegen zich aan en ik begraaf mijn gezicht in zijn sjaal. Langzaam word ik rustiger. De wilde snikken maken plaats voor een diepe, trillende zucht. Het voelt veilig hier.
"Had jij geen les?" vraag ik uiteindelijk, mijn stem schor. Ik veeg onhandig een traan weg. Gert haalt zijn schouders op, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. "Geschiedenis. Maar ik zag je lopen." Ik kijk hem verbaasd aan. "Je zag me?" "Ik zat bij het raam, aan de kant van de speelplaats," zegt hij. "Ik zag je rennen naar de fietsenstalling. Je zag eruit alsof de duivel je op de hielen zat. Of erger: meneer Peeters." Er verschijnt een kleine glimlach op zijn gezicht, maar zijn ogen blijven serieus. "Ik ben gewoon opgestaan en je achterna gegaan. Ik heb mijn boeken laten liggen. Meneer Van den Berg riep nog iets, maar ik dacht: die redt het wel zonder mij."
Ik kijk hem aan en voel een warme golf door me heen spoelen die niets te maken heeft met de verwarming in de winkel. Carl zou dit nooit gedaan hebben. Carl zou gewacht hebben tot de bel ging. Hij zou zich zorgen hebben gemaakt, ja, maar hij zou de regels nooit hebben gebroken. Hij zou nooit het risico hebben genomen om na te blijven of een strafstudie te krijgen, zelfs niet als ik in paniek was. Maar Gert wel. Gert zag dat ik pijn had en hij liet alles vallen. Hij koos voor mij, niet voor de regels. Voor het eerst in mijn leven voel ik me belangrijker dan 'wat er hoort'.
De behoefte om dat te bevestigen, om dit moment vast te leggen, is plotseling overweldigend. Ik reik naar zijn gezicht. Mijn handen zijn nog klam van het fietsen en de zenuwen, maar zijn huid voelt gloeiend heet onder mijn vingertoppen, een scherp contrast met het koude, natte leer van zijn kraag. Ik aarzel niet meer. Ik trek hem naar me toe. Ik kus hem. Het is geen voorzichtige, aftastende kus zoals die eerste keer in de bibliotheek. Dit is anders. Dit is hongerig, wanhopig bijna. Het is een botsing van monden, een fysieke ontlading van alle spanning, verdriet en adrenaline van de afgelopen uren. Ik proef de regen op zijn lippen, het zout van mijn eigen tranen die nog steeds stromen, en de vage, prikkelende smaak van de zware shag die hij rookt.
Zijn armen, die me eerst alleen ondersteunden, sluiten zich nu strakker om mijn middel. Hij trekt me tegen zich aan, zo dichtbij dat ik de harde rits van zijn jas door mijn kleren heen voel. Zijn mond op de mijne is dwingend, rauw. Het is een kus die niets vraagt, maar alles neemt. Het is angstaanjagend en opwindend tegelijk. In deze kus zit geen veiligheid, geen voorspelbaarheid zoals bij Carl. Hier zit gevaar in, en een belofte van iets dat veel groter en echter is dan ik ooit heb gekend. Het voelt alsof ik van een klif spring en halverwege ontdek dat ik misschien wel kan vliegen.
Als we elkaar uiteindelijk, ademloos, een beetje loslaten, is de wereld om ons heen vervaagd tot een waas van platenhoezen en wierook. De steen in mijn maag is verdwenen, vervangen door een wild bonzend hart dat tegen mijn ribben slaat. Ik leun met mijn voorhoofd tegen het zijne, mijn ogen gesloten, en luister naar onze ademhaling die langzaam weer synchroon loopt in de stilte van de winkel. Ik ben nog steeds bang, en de chaos is nog lang niet voorbij, maar voor het eerst vandaag voel ik me niet meer verloren. Ik ben precies waar ik moet zijn.
"Je weet dat Eva alles weet?" fluister ik, zonder mijn hoofd op te tillen. Ik voel hem even verstijven, maar hij trekt zich niet terug. "Hoezo?"
"Ze kwam naar me toe na de scène met Carl," leg ik uit, mijn stem nog steeds schor. "Ze zei dat ik het spelletje nog even moest meespelen. De gekwetste ex. Ze wist dat er iemand anders was."
Gert is even stil. Dan hoor ik een zachte zucht, gevolgd door een lichte grinnik die trilt in zijn borstkas tegen de mijne.
"Wees niet bang," zegt hij rustig, en hij strijkt een natte lok haar uit mijn gezicht. "Ze zal niet klikken. Eva is... Eva. Ze houdt van chaos en drama, maar ze is geen verrader. Zeker niet als ze Carl daarmee kan pesten. Ze vindt dit waarschijnlijk geweldig."
Hij pakt mijn hand en verstrengelt zijn ruwe vingers met de mijne.
"Maar ze heeft wel gelijk," gaat hij verder, serieuzer nu. Hij doet een stapje terug om me aan te kunnen kijken. "We moeten het rustig aan doen. Nog een paar weken. Laat de storm maar overwaaien. Iedereen denkt nu dat jij zielig bent en dat Carl de klootzak is. Laten we dat zo houden."
Ik knik. "Oké. Een paar weken stilte."
Ik kijk hem aan, en ondanks mijn rode ogen, uitgelopen mascara en het feit dat ik waarschijnlijk geschorst word, voel ik me lichter dan ik me in tijden heb gevoeld. Er is een complot. Er is een 'wij'.
"Zeg," begin ik, en er kruipt een voorzichtige glimlach op mijn gezicht die de laatste tranen verdrijft. "Als we het dan toch stil moeten houden... Ik heb nu ineens heel veel vrije tijd. En ik moet echt nog wat inhalen voor school."
Gert kijkt me vragend aan, één wenkbrauw opgetrokken.
"Heb je toevallig tijd voor bijles Wiskunde?" vraag ik zacht, en ik voel dat ik bloos. "Morgenavond?"
Gerts glimlach wordt breder, ondeugend bijna, en die bekende twinkeling is terug in zijn ogen. Hij knijpt zachtjes in mijn hand.
"Voor wiskunde maak ik altijd tijd," zegt hij. "Morgenavond. Bij mij."
- - -
Benieuwd naar de vrouw achter dit verhaal. Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
