Door: Leen
Datum: 27-02-2026 | Cijfer: 9.7 | Gelezen: 110
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Fantasy, Middeleeuwen, Passie, Tijdreizen, Verlangen,
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Fantasy, Middeleeuwen, Passie, Tijdreizen, Verlangen,
Vervolg op: Het Satorvierkant - 42: De Gebroken Spiegel (1)
De Gebroken Spiegel (2)
Wulfbehrt slingert zijn eigen, jongere evenbeeld keihard en ongenadig achteruit. Wolf vliegt als een lappenpop door de lucht, in een rechte, onvermijdelijke lijn op de gapende, zuigende muil van het kolkende portaal af. "Je hebt nog een heel leven!" schreeuwt Wulfbehrt hem uit volle, brandende borst na. De aderen in zijn nek staan strak gespannen. "Leef voor ons!"
Tegelijkertijd, in perfecte, dodelijke harmonie, komt Maryam in actie. Ze stapt resoluut en razendsnel op Marie af. Ze negeert het puin en de vallende stenen. Ze grijpt de jonge, verbijsterde vrouw met een ijzeren greep stevig bij haar bovenarm. Ze trekt Marie zonder pardon en heel ruw met zich mee. Met een krachtige, vloeiende en onverstoorbare zwaai werpt ze het meisje recht achter de vliegende Wolf aan, diep de gapende leegte van de tijd in.
De onnatuurlijke, immense zwaartekracht van het open portaal grijpt de twee vliegende, moderne mensen onmiddellijk in een ijzeren wurggreep vast. Het zuigt hen naar binnen. Ze vallen volkomen ongecontroleerd en stuurloos achterwaarts de dichte, wervelende mist in. De contouren van de grot beginnen voor hun ogen te vervagen. Vlak voordat Marie de onzichtbare, koude grens van de tijd definitief doorkruist en de middeleeuwen verlaat, strekt Maryam zich nog een allerlaatste, wanhopige keer uit over de rand van de afgrond. Haar spieren spannen zich tot het uiterste. Ze drukt haar eigen, zware, oceanisch blauwe Amulet met een absolute, onfeilbare precisie stevig in de open, blindelings zoekende handen van Marie.
De twee menselijke lichamen vallen nu volledig achterwaarts de witte mist in. De grot verdwijnt in een flits uit hun blikveld. Marie grijpt in de kolkende, ijskoude leegte instinctief, gedreven door pure paniek, naar de hand van Wolf. Op dat exacte, in de eeuwigheid vastgelegde moment sluiten haar trillende vingers zich stevig om de zijne. De blauwe en de witgloeiende steen botsen ongenadig hard, koud en meedogenloos tegen elkaar in hun verstrengelde, krampachtige greep.
Ze stoten elkaar dit keer absoluut niet af. De eerdere magnetische weerstand is volledig verdwenen. Een oorverdovend, kosmisch gekraak verscheurt onmiddellijk de allerzwaarste fundamenten van de fysieke realiteit. Het geluid is onbeschrijflijk hard en diep. Het oceanische, koele blauw en het elektrische, brandende wit vloeien direct als heet, vloeibaar vuur in elkaar over. De twee onvolmaakte helften versmelten onmiddellijk, zonder enige naad, barst of imperfectie, tot één massief, onverwoestbaar object. Het resulterende artefact is volmaakt. Het verliest elke specifieke, aardse kleur. Het pulseert vanaf dat allereerste moment met een innerlijk licht dat zo onbevattelijk puur, zo compact en zo ontzettend allesverzengend is, dat de perfecte, goddelijke steen volkomen transparant lijkt in hun handen.
De ongekende geboorte van deze volmaakte steen ontketent onmiddellijk en genadeloos een massieve, tijdloze schokgolf in de grot van 1066. Het is een explosie van rauwe, ongebonden oerkracht. Een fysieke, onzichtbare muur van ongetemde, vernietigende energie explodeert vanuit de kleine opening van het portaal recht naar buiten, de grot in.
De natuurlijke zwaartekracht in de afgesloten ruimte verdwijnt simpelweg alsof deze nooit heeft bestaan. Een onzichtbare, woeste orkaan tilt Graaf Robert, de klauwende en schuimbekkende pater, en alle zwaarbewapende, overgebleven soldaten moeiteloos als dode bladeren van de stenen grond. De ontembare schokgolf blaast de schreeuwende mannen meedogenloos weg. Het slingert hun bepantserde lichamen met een botbrekende, fatale kracht genadeloos hard tegen de verste, natte rotswanden van de grot. Lichamen breken, staal deukt in, en het geschreeuw stopt abrupt.
De eeuwenoude, massieve grot kan deze kosmische, buitenaardse klap onmogelijk aan. De muren buigen naar buiten. Het loodzware, kalkstenen plafond scheurt met een angstaanjagend kabaal over de volledige, donkere lengte open. Gigantische, scherpe rotsblokken ter grootte van grote boerenwagens breken krakend los en donderen met een apocalyptisch, oorverdovend geraas naar beneden, alles en iedereen op hun pad verpletterend. De onstuitbare schokgolf blaast zelfs het donderende, zware water van de waterval bij de ingang met een buitengewoon bruut geweld terug omhoog de lucht in. Het water verdampt. De bloederige vloer van de grot valt voor het allereerst in meer dan duizend jaar in een fractie van een seconde volledig droog. Een hete, verstikkende wolk van grijs gruis en verstikkend, dik stof vult de ronde ruimte in een oogwenk en slokt de absolute chaos en de verpletterde lichamen genadeloos op.
Precies op de rand van de afgrond, een centimeter voor de zinderende scheidslijn van de tijd, blijven twee heroïsche figuren fier en rechtop overeind staan. Wulfbehrt en Maryam trotseren de allesvernietigende, brullende storm. Ze staan onwrikbaar en loodzwaar verankerd aan de grond door hun volmaakte acceptatie en hun vrijwillige offer. Ze kijken geen seconde naar het instortende plafond boven hun hoofden of naar de verpletterde, dode vijanden achter hun rug. Ze weigeren om te kijken naar de ondergang. Ze draaien zich heel langzaam, met opgeheven hoofd, om naar de kolkende, brullende leegte voor hen. Wolf en Marie tollen in de mist, maar zien de twee figuren nog één keer onwaarschijnlijk helder door de wervelende, witte tijdstroom heen.
De grove smid en de mysterieuze vrouw uit de schaduwen staan daar kaarsrecht en immens trots, schouder aan schouder. Een onverklaarbare, diepe en grenzeloze rust tekent hun gehavende, bebloede gezichten. De angst heeft plaatsgemaakt voor pure vrede. Langzaam, heel traag en bijna perfect synchroon, heffen ze allebei een hand op. Ze zwaaien een allerlaatste, respectvol en uiterst sereen afscheid naar de onbekende, moderne toekomst die ze zojuist definitief en met hun eigen leven hebben gered.
Dan trekt een ondoordringbare, dikke muur van kolkende, witte mist en zwaar vallend puin genadeloos en onherroepelijk op tussen de twee eeuwen. Wulfbehrt en Maryam verdwijnen in een fractie van een seconde volledig en voor altijd uit beeld. De tijdstroom sluit zich onmiddellijk met de brute kracht van een onbreekbaar stalen slot. Het wist elk microscopisch spoor van hun dappere aanwezigheid en hun bestaan in deze dimensie genadeloos uit.
Wolf en Marie vallen samen door de eeuwen heen. De onwerkelijke val tart elke menselijke beschrijving en verplettert elk gevoel voor realiteit. De geruststellende zwaartekracht bestaat hier absoluut niet meer. De vertrouwde concepten van boven en onder verliezen onmiddellijk al hun betekenis. Wolf en Marie tollen volkomen stuurloos, verstrengeld in elkaars greep, achterwaarts door een eindeloos, wild kolkend vacuüm. Een beangstigende, gierende storm van rauwe, ongebonden tijd rukt agressief aan hun kleding en schuurt pijnlijk langs hun huid. Flarden van onmogelijke, iriserende kleuren flitsen genadeloos en oogverblindend snel aan hen voorbij. Ze horen de schelle, ijle echo's van lang vergeten, doden stemmen en het doffe, aanhoudende gebulder van gigantische veldslagen die in hun verleden nog gestreden moeten worden. Vage, reusachtige schimmen van steden en beschavingen rijzen onverwacht op uit het absolute niets en storten direct weer ineen tot as in een duizelingwekkend, misselijkmakend tempo. De menselijke geschiedenis raast als een losgeslagen, verwoestende orkaan meedogenloos langs hen heen.
Te midden van die allesvernietigende, desoriënterende storm voelt Wolf plotseling een intens, brandend brandpunt in zijn stevig verstrengelde handen. Het samengesmolten, perfecte Amulet klopt in de palm van zijn hand. Het snelle, zware ritme overstijgt ruimschoots de menselijke bloedsomloop. De perfecte, transparante steen voelt onnatuurlijk en ongemakkelijk warm aan, bijna alsof het object zojuist is ontwaakt en buitengewoon levend is. Het goddelijke artefact spreekt absoluut niet met verstaanbare woorden. Het boort zich direct en zonder enige barrière rechtstreeks in zijn weerloze geest. Het vuurt pure, onversneden en overweldigende emoties af op zijn synapsen. Het fluistert verleidelijke, onweerstaanbare beloftes van een absolute, allesomvattende kennis van het universum. Het toont hem kristalheldere, extatische visioenen van een moderne wereld die gewillig en gehoorzaam voor hem alleen buigt. Wolf voelt in zijn binnenste plotseling de daadwerkelijke, bedwelmende macht om de harde realiteit moeiteloos naar zijn eigen hand te zetten. Hij voelt de macht om enorme, mondiale koninkrijken te stichten en ongekende rijkdommen te vergaren die de ziekelijke waanzin van Graaf Robert ver, héél ver doen verbleken. Het Amulet smeekt hem niet vriendelijk om hulp; het eist gehoorzaamheid. Het wil wanhopig mee naar de rust en de veiligheid van het moderne heden. Het hunkert er met elke vezel naar om te regeren over hun eigen tijd. De overweldigende, donkere verleiding trekt aan Wolfs gekwelde ziel met de angstaanjagende, onontkoombare zwaartekracht van een superzwaar zwart gat. Hij staat op het punt om te breken en de steen aan zijn borst te drukken.
Marie tolt vlak naast hem, onzeker zwevend door het zwarte niets. Ze knijpt haar donkere ogen half dicht tegen de agressieve, bijtende storm. Dan strekt ze haar vrije arm kordaat uit. Ze grijpt de dikke stof van Wolfs moderne jas met een ijzersterke, wanhopige greep vast. Haar warme, menselijke aanraking vormt een onmiddellijk, broodnodig en reddend anker in deze chaotische, waanzinnige oceaan van tijd. Ze trekt hem dwingend en hardhandig naar zich toe. Ze kijken elkaar recht in de angstige ogen, terwijl het kwetsbare, fragiele weefsel van de realiteit direct om hen heen scheurt, bloedt en weer herstelt. De storm woedt oorverdovend door, maar precies tussen hun gezichten in heerst plotseling een uiterst heldere, vreemde stilte. Geen gesproken woorden zijn meer nodig om de situatie te duiden. In die ene, eeuwigdurende fractie van een zinderende seconde in de leegte delen ze exact dezelfde, ijzingwekkende en gruwelijke realisatie. De waarheid daalt in als een ijskoude bliksemflits.
Ze doorzien eindelijk de verleidelijke, bedrieglijke leugen van de gloeiende steen. Dit zogenaamd goddelijke artefact vormt, hoe wonderschoon, volmaakt en machtig het ook voelt, de zuivere, ongefilterde en dodelijke bron van alle aardse ellende. Zolang dit vervloekte object in eender welke tijdlijn blijft bestaan, wekt het consequent, onverbiddelijk en meedogenloos de aller donkerste, meest egoïstische kanten van de mensheid op. Zolang ook maar één zwakke mens het in de hand houdt en de stem hoort, overleeft de eeuwenoude vloek. De dodelijke, bloedige cyclus van grenzeloze hebzucht, brandende abdijen en onschuldig vergoten bloed zal zich dan onvermijdelijk, eeuw na eeuw, blijven herhalen. Als ze deze verleidelijke steen nu egoïstisch meenemen, dragen ze het dodelijke, ongeneeslijke virus rechtstreeks naar hun eigen, dierbare toekomst. Dan was alle pijn voor niets. Dan stierven Wulfbehrt en Maryam, en Mathilde voor absoluut niets.
Wolf verbreekt met moeite het oogcontact met de vastberaden Marie. Hij kijkt naar beneden, naar de perfecte, stralend transparante steen in zijn open handpalm. Het licht verblindt zijn ogen. Het oeroude artefact voelt zijn plotse twijfel en zijn naderende afwijzing onmiddellijk. De dwingende stem in zijn hoofd escaleert pijlsnel. Het verandert van een verleidelijk, honingzoet gefluister naar een oorverdovend, wanhopig en angstaanjagend geschreeuw dat zijn schedel dreigt te splijten. Het klauwt in blinde paniek naar de randen van zijn bewustzijn en smeekt huilend om genade en reddend behoud. Wolf spant zijn kaakspieren tot ze pijn doen. Hij balt zijn vrije hand tot een vuist. Hij weigert resoluut om de willoze, pathologische slaaf van een glimmende, buitenaardse steen te worden. Hij ademt de ijskoude, snijdende leegte diep in, sluit zijn ogen moedig voor de lokkende waanzin en straft zijn eigen egoïstische verlangens genadeloos af.
Hij opent uiterst langzaam, vinger voor vinger, zijn hand. Het perfecte Amulet glijdt volkomen vrij en onbelemmerd uit zijn geopende greep. Een onzichtbare, enorme schokgolf van afgrijselijk protest schiet sissend door de tijdstroom. Wolf en Marie zien in ademloze, gefascineerde stilte hoe het betoverende object tergend traag, in slow-motion, wegvalt in de onpeilbare, peilloze duisternis ver beneden hen. Het eenzame, gloeiende baken wordt gestaag kleiner en kleiner. De kolkende, kosmische maalstroom zuigt het artefact genadeloos en met brute kracht weg. Het sleurt de steen onherroepelijk mee naar de aller diepste, zwarte kloven tussen de verschillende werelden en dimensies. Het dwarrelt stuurloos, totaal verlaten en wanhopig knipperend tussen de gescheiden eeuwen in. Uiteindelijk zakt het definitief weg in een donkere, ijskoude dimensie, ver, oneindig ver buiten het beperkte bereik van de hebzuchtige mensheid. Het machtigste, dodelijkste wapen uit de menselijke geschiedenis zit vanaf dit gedenkwaardige moment gevangen in een eeuwige, ontsnapbare, bodemloze val. Voor altijd verloren.
Een fractie van een seconde later scheurt een oorverdovende, kosmische knal de leegte en de stilte volledig en agressief open. Het verweesde, instabiele portaal verliest onmiddellijk, zonder de steun van de steen, zijn resterende stabiliteit. Het spuwt de twee moderne indringers met een ongenadige, brute oerkracht naar buiten, als een wezen dat ongewenst gif uitbraakt. Ze vliegen hardhandig en ongecontroleerd door een massieve, tastbare muur van felwit licht. Direct achter hun rug klapt de tijdsbreuk definitief en onherroepelijk dicht. Een luchtledig vacuüm zuigt zich plotseling en met veel geweld weer vol zuurstof. Het klinkt exact als een zwaar inslaande granaat op het slagveld. De gigantische galm echoot kort en zwaar na tegen stenen wanden, en sterft dan een onnatuurlijk snelle, ijzingwekkende dood.
Wolf en Marie slaan meedogenloos hard tegen een ijskoude, ruwe, onvergevingsgezinde stenen vloer. De brutale, onverwachte impact perst alle overgebleven lucht onmiddellijk en met geweld uit hun fragiele longen. Ze glijden nog een volledige meter pijnlijk over de natte, scherpe rotsen door en komen dan schurend, kneuzend en bloedend tot stilstand. Ze liggen minutenlang volledig roerloos, op hun rug, in de absolute duisternis. Hun menselijke lichamen protesteren hevig, met pijnscheuten in elke vezel, tegen de gruwelijke fysieke trauma's van de tijdreis. Hun spieren krampen oncontroleerbaar en pijnlijk samen. Hun zwaar gekneusde longen branden wanhopig en schreeuwen in hun zoektocht naar een teug zuurstof. Het bloed bonst als een grote, zware, onheilspellende trom in hun oren en maakt hen tijdelijk doof voor de wereld. Langzaam, tergend langzaam, ebt het oorverdovende, dove suizen weg. Hun zwaar overprikkelde zintuigen keren één voor één uiterst behoedzaam terug naar de werkelijkheid.
De abrupte, totale verandering treft hun overbelaste hersenen als een ijskoude, onverwachte regenbui. De ziekelijke, weeïge stank van vers, warm bloed, de scherpe, bijtende rook van brandende toortsen en de ranzige, misselijkmakende walm van Mechyels goedkope wierook zijn plotseling volledig verdwenen. De lucht is hier volkomen schoon, heerlijk koel en verfrissend zuiver. Ze ademen diep, luidruchtig en haperend in. De zuurstof brandt in hun keel. Ze vullen hun uitgeputte longen met de uiterst vertrouwde, aardse geur van oud, nat mos en koude kalksteen. Ze ademen niet langer het verleden in. Ze ademen de lucht van het heden in.
De absolute, massieve stilte in de inktzwarte grot is werkelijk overweldigend. Het voelt bijna religieus en heilig aan, zeker na het helse, chaotische en bloederige kabaal van het middeleeuwse slagveld dat net nog om hen heen woedde. Geen kletterend, scheurend staal meer. Geen botten die breken. Geen hysterisch, doodsbang geschreeuw van bloedende ridders of stervende, waanzinnige monniken. Het enige overgebleven, eenzame geluid in de donkere ruimte is het zachte, troostende en eindeloos ritmische getik van kristalhelder ijswater dat ergens in de onzichtbare verte onverstoorbaar van een druipende stalactiet in een plasje naar beneden druppelt.
Wolf rolt zich luid en schor kreunend op zijn zere zij. Elke afzonderlijke spiervezel en elk bot in zijn vermoeide lichaam doet een brandende, kloppende pijn. Hij tast met één hand blindelings en wanhopig door het pikkedonker over de scherpe, natte stenen naast hem. De ijskoude paniek slaat heel even, vluchtig, als een bliksemschicht toe in zijn hart. Hij is bang haar kwijt te zijn. Dan vinden zijn uitgestrekte vingers eindelijk de zachte, bekende en geruststellende stof van Maries gescheurde jas. Hij grijpt haar schouder stevig en vol overgave vast en trekt haar heel zachtjes en voorzichtig naar zich toe over de stenen. Samen worstelen ze zich steunend, puffend en zacht kreunend overeind uit de modder. Ze komen uiterst moeizaam rechtop zitten op de harde vloer en leunen zwaar, totaal uitgeput en met bonzende harten tegen elkaars schouders aan. Ze halen steun uit elkaars fysieke warmte.
Een uiterst zwak, diffuus en waterig licht sijpelt via een verborgen, onzichtbare kier ergens hoog boven hen naar binnen. Het is het zachte, troostende, grijze licht van hun eigen, vertrouwde moderne wereld. In dat uiterst spaarzame, bleke schijnsel heffen ze tegelijkertijd hun trillende, gehavende handen op en houden ze voor zich. Ze staren volkomen woordeloos en vol onbegrip naar hun eigen vingers. Hun handen zijn aardedonker, vies van middeleeuwse modder, bedekt met kleine sneetjes en zwaar geschaafd door de val over de stenen. Ze beven onophoudelijk en ongecontroleerd door de massale stoot adrenaline die nog steeds met volle kracht door hun aderen pompt en hun harten laat razen.
En hun handen zijn onmiskenbaar leeg. Geen wit licht. Geen blauwe gloed. Geen steen. Ze kijken langzaam, bijna bang om de betovering te verbreken, op van hun open, lege handen. Ze draaien hun hoofden en zoeken elkaars blik in de schemering van de koude grot. Een diepe, hoorbare en intens bevrijdende zucht ontsnapt volkomen onbewust over hun droge, gebarsten lippen. De immense, onbevattelijke realisatie van wat ze zojuist hebben volbracht, daalt heel langzaam maar onstuitbaar zeker in. Het valt als een warme, alles bedekkende en beschermende deken over hun getraumatiseerde en zwaarbeproefde lichamen.
Ze leven. Ze hebben de aller dodelijkste, meest verwoestende storm uit de verborgen geschiedenis van de mensheid getrotseerd, overleefd, en ze zijn veilig, samen, thuis. Voor het allereerst in meer dan duizend bloedige, onvergeeflijke en tragische jaren is de ijzeren keten van hun afstamming daadwerkelijk, fysiek doorbroken. De verstikkende, generaties-lange vloek die als een donkere wolk over hun pijnlijke bloedlijn hing, is volledig en zonder restje uitgewist uit de annalen van de tijd. De zuivere bron van alle moordende, vernietigende macht, de goddelijke, buitenaardse steen die decennialang genadeloos koninkrijken verslond en onschuldige zielen systematisch verbrijzelde, deelt hun huidige, kalme realiteit simpelweg niet langer. Het verwoestende artefact zwerft momenteel ongezien, stuurloos en volkomen machteloos in een ijskoude, duistere en vergeten leegte, gevangen op een plek ver voorbij de verste sterren. Niemand zal het ooit nog vinden.
De loodzware, duizendjarige zoektocht stopt hier definitief, in het natte, koele donker van deze grot. De taak is volbracht. De Amuletdragers zijn eindelijk, en voor altijd, vrij.
(wordt vervolgd)
- - -
Meer weten over deze verhaalreeks? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een mail te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Tegelijkertijd, in perfecte, dodelijke harmonie, komt Maryam in actie. Ze stapt resoluut en razendsnel op Marie af. Ze negeert het puin en de vallende stenen. Ze grijpt de jonge, verbijsterde vrouw met een ijzeren greep stevig bij haar bovenarm. Ze trekt Marie zonder pardon en heel ruw met zich mee. Met een krachtige, vloeiende en onverstoorbare zwaai werpt ze het meisje recht achter de vliegende Wolf aan, diep de gapende leegte van de tijd in.
De onnatuurlijke, immense zwaartekracht van het open portaal grijpt de twee vliegende, moderne mensen onmiddellijk in een ijzeren wurggreep vast. Het zuigt hen naar binnen. Ze vallen volkomen ongecontroleerd en stuurloos achterwaarts de dichte, wervelende mist in. De contouren van de grot beginnen voor hun ogen te vervagen. Vlak voordat Marie de onzichtbare, koude grens van de tijd definitief doorkruist en de middeleeuwen verlaat, strekt Maryam zich nog een allerlaatste, wanhopige keer uit over de rand van de afgrond. Haar spieren spannen zich tot het uiterste. Ze drukt haar eigen, zware, oceanisch blauwe Amulet met een absolute, onfeilbare precisie stevig in de open, blindelings zoekende handen van Marie.
De twee menselijke lichamen vallen nu volledig achterwaarts de witte mist in. De grot verdwijnt in een flits uit hun blikveld. Marie grijpt in de kolkende, ijskoude leegte instinctief, gedreven door pure paniek, naar de hand van Wolf. Op dat exacte, in de eeuwigheid vastgelegde moment sluiten haar trillende vingers zich stevig om de zijne. De blauwe en de witgloeiende steen botsen ongenadig hard, koud en meedogenloos tegen elkaar in hun verstrengelde, krampachtige greep.
Ze stoten elkaar dit keer absoluut niet af. De eerdere magnetische weerstand is volledig verdwenen. Een oorverdovend, kosmisch gekraak verscheurt onmiddellijk de allerzwaarste fundamenten van de fysieke realiteit. Het geluid is onbeschrijflijk hard en diep. Het oceanische, koele blauw en het elektrische, brandende wit vloeien direct als heet, vloeibaar vuur in elkaar over. De twee onvolmaakte helften versmelten onmiddellijk, zonder enige naad, barst of imperfectie, tot één massief, onverwoestbaar object. Het resulterende artefact is volmaakt. Het verliest elke specifieke, aardse kleur. Het pulseert vanaf dat allereerste moment met een innerlijk licht dat zo onbevattelijk puur, zo compact en zo ontzettend allesverzengend is, dat de perfecte, goddelijke steen volkomen transparant lijkt in hun handen.
De ongekende geboorte van deze volmaakte steen ontketent onmiddellijk en genadeloos een massieve, tijdloze schokgolf in de grot van 1066. Het is een explosie van rauwe, ongebonden oerkracht. Een fysieke, onzichtbare muur van ongetemde, vernietigende energie explodeert vanuit de kleine opening van het portaal recht naar buiten, de grot in.
De natuurlijke zwaartekracht in de afgesloten ruimte verdwijnt simpelweg alsof deze nooit heeft bestaan. Een onzichtbare, woeste orkaan tilt Graaf Robert, de klauwende en schuimbekkende pater, en alle zwaarbewapende, overgebleven soldaten moeiteloos als dode bladeren van de stenen grond. De ontembare schokgolf blaast de schreeuwende mannen meedogenloos weg. Het slingert hun bepantserde lichamen met een botbrekende, fatale kracht genadeloos hard tegen de verste, natte rotswanden van de grot. Lichamen breken, staal deukt in, en het geschreeuw stopt abrupt.
De eeuwenoude, massieve grot kan deze kosmische, buitenaardse klap onmogelijk aan. De muren buigen naar buiten. Het loodzware, kalkstenen plafond scheurt met een angstaanjagend kabaal over de volledige, donkere lengte open. Gigantische, scherpe rotsblokken ter grootte van grote boerenwagens breken krakend los en donderen met een apocalyptisch, oorverdovend geraas naar beneden, alles en iedereen op hun pad verpletterend. De onstuitbare schokgolf blaast zelfs het donderende, zware water van de waterval bij de ingang met een buitengewoon bruut geweld terug omhoog de lucht in. Het water verdampt. De bloederige vloer van de grot valt voor het allereerst in meer dan duizend jaar in een fractie van een seconde volledig droog. Een hete, verstikkende wolk van grijs gruis en verstikkend, dik stof vult de ronde ruimte in een oogwenk en slokt de absolute chaos en de verpletterde lichamen genadeloos op.
Precies op de rand van de afgrond, een centimeter voor de zinderende scheidslijn van de tijd, blijven twee heroïsche figuren fier en rechtop overeind staan. Wulfbehrt en Maryam trotseren de allesvernietigende, brullende storm. Ze staan onwrikbaar en loodzwaar verankerd aan de grond door hun volmaakte acceptatie en hun vrijwillige offer. Ze kijken geen seconde naar het instortende plafond boven hun hoofden of naar de verpletterde, dode vijanden achter hun rug. Ze weigeren om te kijken naar de ondergang. Ze draaien zich heel langzaam, met opgeheven hoofd, om naar de kolkende, brullende leegte voor hen. Wolf en Marie tollen in de mist, maar zien de twee figuren nog één keer onwaarschijnlijk helder door de wervelende, witte tijdstroom heen.
De grove smid en de mysterieuze vrouw uit de schaduwen staan daar kaarsrecht en immens trots, schouder aan schouder. Een onverklaarbare, diepe en grenzeloze rust tekent hun gehavende, bebloede gezichten. De angst heeft plaatsgemaakt voor pure vrede. Langzaam, heel traag en bijna perfect synchroon, heffen ze allebei een hand op. Ze zwaaien een allerlaatste, respectvol en uiterst sereen afscheid naar de onbekende, moderne toekomst die ze zojuist definitief en met hun eigen leven hebben gered.
Dan trekt een ondoordringbare, dikke muur van kolkende, witte mist en zwaar vallend puin genadeloos en onherroepelijk op tussen de twee eeuwen. Wulfbehrt en Maryam verdwijnen in een fractie van een seconde volledig en voor altijd uit beeld. De tijdstroom sluit zich onmiddellijk met de brute kracht van een onbreekbaar stalen slot. Het wist elk microscopisch spoor van hun dappere aanwezigheid en hun bestaan in deze dimensie genadeloos uit.
Wolf en Marie vallen samen door de eeuwen heen. De onwerkelijke val tart elke menselijke beschrijving en verplettert elk gevoel voor realiteit. De geruststellende zwaartekracht bestaat hier absoluut niet meer. De vertrouwde concepten van boven en onder verliezen onmiddellijk al hun betekenis. Wolf en Marie tollen volkomen stuurloos, verstrengeld in elkaars greep, achterwaarts door een eindeloos, wild kolkend vacuüm. Een beangstigende, gierende storm van rauwe, ongebonden tijd rukt agressief aan hun kleding en schuurt pijnlijk langs hun huid. Flarden van onmogelijke, iriserende kleuren flitsen genadeloos en oogverblindend snel aan hen voorbij. Ze horen de schelle, ijle echo's van lang vergeten, doden stemmen en het doffe, aanhoudende gebulder van gigantische veldslagen die in hun verleden nog gestreden moeten worden. Vage, reusachtige schimmen van steden en beschavingen rijzen onverwacht op uit het absolute niets en storten direct weer ineen tot as in een duizelingwekkend, misselijkmakend tempo. De menselijke geschiedenis raast als een losgeslagen, verwoestende orkaan meedogenloos langs hen heen.
Te midden van die allesvernietigende, desoriënterende storm voelt Wolf plotseling een intens, brandend brandpunt in zijn stevig verstrengelde handen. Het samengesmolten, perfecte Amulet klopt in de palm van zijn hand. Het snelle, zware ritme overstijgt ruimschoots de menselijke bloedsomloop. De perfecte, transparante steen voelt onnatuurlijk en ongemakkelijk warm aan, bijna alsof het object zojuist is ontwaakt en buitengewoon levend is. Het goddelijke artefact spreekt absoluut niet met verstaanbare woorden. Het boort zich direct en zonder enige barrière rechtstreeks in zijn weerloze geest. Het vuurt pure, onversneden en overweldigende emoties af op zijn synapsen. Het fluistert verleidelijke, onweerstaanbare beloftes van een absolute, allesomvattende kennis van het universum. Het toont hem kristalheldere, extatische visioenen van een moderne wereld die gewillig en gehoorzaam voor hem alleen buigt. Wolf voelt in zijn binnenste plotseling de daadwerkelijke, bedwelmende macht om de harde realiteit moeiteloos naar zijn eigen hand te zetten. Hij voelt de macht om enorme, mondiale koninkrijken te stichten en ongekende rijkdommen te vergaren die de ziekelijke waanzin van Graaf Robert ver, héél ver doen verbleken. Het Amulet smeekt hem niet vriendelijk om hulp; het eist gehoorzaamheid. Het wil wanhopig mee naar de rust en de veiligheid van het moderne heden. Het hunkert er met elke vezel naar om te regeren over hun eigen tijd. De overweldigende, donkere verleiding trekt aan Wolfs gekwelde ziel met de angstaanjagende, onontkoombare zwaartekracht van een superzwaar zwart gat. Hij staat op het punt om te breken en de steen aan zijn borst te drukken.
Marie tolt vlak naast hem, onzeker zwevend door het zwarte niets. Ze knijpt haar donkere ogen half dicht tegen de agressieve, bijtende storm. Dan strekt ze haar vrije arm kordaat uit. Ze grijpt de dikke stof van Wolfs moderne jas met een ijzersterke, wanhopige greep vast. Haar warme, menselijke aanraking vormt een onmiddellijk, broodnodig en reddend anker in deze chaotische, waanzinnige oceaan van tijd. Ze trekt hem dwingend en hardhandig naar zich toe. Ze kijken elkaar recht in de angstige ogen, terwijl het kwetsbare, fragiele weefsel van de realiteit direct om hen heen scheurt, bloedt en weer herstelt. De storm woedt oorverdovend door, maar precies tussen hun gezichten in heerst plotseling een uiterst heldere, vreemde stilte. Geen gesproken woorden zijn meer nodig om de situatie te duiden. In die ene, eeuwigdurende fractie van een zinderende seconde in de leegte delen ze exact dezelfde, ijzingwekkende en gruwelijke realisatie. De waarheid daalt in als een ijskoude bliksemflits.
Ze doorzien eindelijk de verleidelijke, bedrieglijke leugen van de gloeiende steen. Dit zogenaamd goddelijke artefact vormt, hoe wonderschoon, volmaakt en machtig het ook voelt, de zuivere, ongefilterde en dodelijke bron van alle aardse ellende. Zolang dit vervloekte object in eender welke tijdlijn blijft bestaan, wekt het consequent, onverbiddelijk en meedogenloos de aller donkerste, meest egoïstische kanten van de mensheid op. Zolang ook maar één zwakke mens het in de hand houdt en de stem hoort, overleeft de eeuwenoude vloek. De dodelijke, bloedige cyclus van grenzeloze hebzucht, brandende abdijen en onschuldig vergoten bloed zal zich dan onvermijdelijk, eeuw na eeuw, blijven herhalen. Als ze deze verleidelijke steen nu egoïstisch meenemen, dragen ze het dodelijke, ongeneeslijke virus rechtstreeks naar hun eigen, dierbare toekomst. Dan was alle pijn voor niets. Dan stierven Wulfbehrt en Maryam, en Mathilde voor absoluut niets.
Wolf verbreekt met moeite het oogcontact met de vastberaden Marie. Hij kijkt naar beneden, naar de perfecte, stralend transparante steen in zijn open handpalm. Het licht verblindt zijn ogen. Het oeroude artefact voelt zijn plotse twijfel en zijn naderende afwijzing onmiddellijk. De dwingende stem in zijn hoofd escaleert pijlsnel. Het verandert van een verleidelijk, honingzoet gefluister naar een oorverdovend, wanhopig en angstaanjagend geschreeuw dat zijn schedel dreigt te splijten. Het klauwt in blinde paniek naar de randen van zijn bewustzijn en smeekt huilend om genade en reddend behoud. Wolf spant zijn kaakspieren tot ze pijn doen. Hij balt zijn vrije hand tot een vuist. Hij weigert resoluut om de willoze, pathologische slaaf van een glimmende, buitenaardse steen te worden. Hij ademt de ijskoude, snijdende leegte diep in, sluit zijn ogen moedig voor de lokkende waanzin en straft zijn eigen egoïstische verlangens genadeloos af.
Hij opent uiterst langzaam, vinger voor vinger, zijn hand. Het perfecte Amulet glijdt volkomen vrij en onbelemmerd uit zijn geopende greep. Een onzichtbare, enorme schokgolf van afgrijselijk protest schiet sissend door de tijdstroom. Wolf en Marie zien in ademloze, gefascineerde stilte hoe het betoverende object tergend traag, in slow-motion, wegvalt in de onpeilbare, peilloze duisternis ver beneden hen. Het eenzame, gloeiende baken wordt gestaag kleiner en kleiner. De kolkende, kosmische maalstroom zuigt het artefact genadeloos en met brute kracht weg. Het sleurt de steen onherroepelijk mee naar de aller diepste, zwarte kloven tussen de verschillende werelden en dimensies. Het dwarrelt stuurloos, totaal verlaten en wanhopig knipperend tussen de gescheiden eeuwen in. Uiteindelijk zakt het definitief weg in een donkere, ijskoude dimensie, ver, oneindig ver buiten het beperkte bereik van de hebzuchtige mensheid. Het machtigste, dodelijkste wapen uit de menselijke geschiedenis zit vanaf dit gedenkwaardige moment gevangen in een eeuwige, ontsnapbare, bodemloze val. Voor altijd verloren.
Een fractie van een seconde later scheurt een oorverdovende, kosmische knal de leegte en de stilte volledig en agressief open. Het verweesde, instabiele portaal verliest onmiddellijk, zonder de steun van de steen, zijn resterende stabiliteit. Het spuwt de twee moderne indringers met een ongenadige, brute oerkracht naar buiten, als een wezen dat ongewenst gif uitbraakt. Ze vliegen hardhandig en ongecontroleerd door een massieve, tastbare muur van felwit licht. Direct achter hun rug klapt de tijdsbreuk definitief en onherroepelijk dicht. Een luchtledig vacuüm zuigt zich plotseling en met veel geweld weer vol zuurstof. Het klinkt exact als een zwaar inslaande granaat op het slagveld. De gigantische galm echoot kort en zwaar na tegen stenen wanden, en sterft dan een onnatuurlijk snelle, ijzingwekkende dood.
Wolf en Marie slaan meedogenloos hard tegen een ijskoude, ruwe, onvergevingsgezinde stenen vloer. De brutale, onverwachte impact perst alle overgebleven lucht onmiddellijk en met geweld uit hun fragiele longen. Ze glijden nog een volledige meter pijnlijk over de natte, scherpe rotsen door en komen dan schurend, kneuzend en bloedend tot stilstand. Ze liggen minutenlang volledig roerloos, op hun rug, in de absolute duisternis. Hun menselijke lichamen protesteren hevig, met pijnscheuten in elke vezel, tegen de gruwelijke fysieke trauma's van de tijdreis. Hun spieren krampen oncontroleerbaar en pijnlijk samen. Hun zwaar gekneusde longen branden wanhopig en schreeuwen in hun zoektocht naar een teug zuurstof. Het bloed bonst als een grote, zware, onheilspellende trom in hun oren en maakt hen tijdelijk doof voor de wereld. Langzaam, tergend langzaam, ebt het oorverdovende, dove suizen weg. Hun zwaar overprikkelde zintuigen keren één voor één uiterst behoedzaam terug naar de werkelijkheid.
De abrupte, totale verandering treft hun overbelaste hersenen als een ijskoude, onverwachte regenbui. De ziekelijke, weeïge stank van vers, warm bloed, de scherpe, bijtende rook van brandende toortsen en de ranzige, misselijkmakende walm van Mechyels goedkope wierook zijn plotseling volledig verdwenen. De lucht is hier volkomen schoon, heerlijk koel en verfrissend zuiver. Ze ademen diep, luidruchtig en haperend in. De zuurstof brandt in hun keel. Ze vullen hun uitgeputte longen met de uiterst vertrouwde, aardse geur van oud, nat mos en koude kalksteen. Ze ademen niet langer het verleden in. Ze ademen de lucht van het heden in.
De absolute, massieve stilte in de inktzwarte grot is werkelijk overweldigend. Het voelt bijna religieus en heilig aan, zeker na het helse, chaotische en bloederige kabaal van het middeleeuwse slagveld dat net nog om hen heen woedde. Geen kletterend, scheurend staal meer. Geen botten die breken. Geen hysterisch, doodsbang geschreeuw van bloedende ridders of stervende, waanzinnige monniken. Het enige overgebleven, eenzame geluid in de donkere ruimte is het zachte, troostende en eindeloos ritmische getik van kristalhelder ijswater dat ergens in de onzichtbare verte onverstoorbaar van een druipende stalactiet in een plasje naar beneden druppelt.
Wolf rolt zich luid en schor kreunend op zijn zere zij. Elke afzonderlijke spiervezel en elk bot in zijn vermoeide lichaam doet een brandende, kloppende pijn. Hij tast met één hand blindelings en wanhopig door het pikkedonker over de scherpe, natte stenen naast hem. De ijskoude paniek slaat heel even, vluchtig, als een bliksemschicht toe in zijn hart. Hij is bang haar kwijt te zijn. Dan vinden zijn uitgestrekte vingers eindelijk de zachte, bekende en geruststellende stof van Maries gescheurde jas. Hij grijpt haar schouder stevig en vol overgave vast en trekt haar heel zachtjes en voorzichtig naar zich toe over de stenen. Samen worstelen ze zich steunend, puffend en zacht kreunend overeind uit de modder. Ze komen uiterst moeizaam rechtop zitten op de harde vloer en leunen zwaar, totaal uitgeput en met bonzende harten tegen elkaars schouders aan. Ze halen steun uit elkaars fysieke warmte.
Een uiterst zwak, diffuus en waterig licht sijpelt via een verborgen, onzichtbare kier ergens hoog boven hen naar binnen. Het is het zachte, troostende, grijze licht van hun eigen, vertrouwde moderne wereld. In dat uiterst spaarzame, bleke schijnsel heffen ze tegelijkertijd hun trillende, gehavende handen op en houden ze voor zich. Ze staren volkomen woordeloos en vol onbegrip naar hun eigen vingers. Hun handen zijn aardedonker, vies van middeleeuwse modder, bedekt met kleine sneetjes en zwaar geschaafd door de val over de stenen. Ze beven onophoudelijk en ongecontroleerd door de massale stoot adrenaline die nog steeds met volle kracht door hun aderen pompt en hun harten laat razen.
En hun handen zijn onmiskenbaar leeg. Geen wit licht. Geen blauwe gloed. Geen steen. Ze kijken langzaam, bijna bang om de betovering te verbreken, op van hun open, lege handen. Ze draaien hun hoofden en zoeken elkaars blik in de schemering van de koude grot. Een diepe, hoorbare en intens bevrijdende zucht ontsnapt volkomen onbewust over hun droge, gebarsten lippen. De immense, onbevattelijke realisatie van wat ze zojuist hebben volbracht, daalt heel langzaam maar onstuitbaar zeker in. Het valt als een warme, alles bedekkende en beschermende deken over hun getraumatiseerde en zwaarbeproefde lichamen.
Ze leven. Ze hebben de aller dodelijkste, meest verwoestende storm uit de verborgen geschiedenis van de mensheid getrotseerd, overleefd, en ze zijn veilig, samen, thuis. Voor het allereerst in meer dan duizend bloedige, onvergeeflijke en tragische jaren is de ijzeren keten van hun afstamming daadwerkelijk, fysiek doorbroken. De verstikkende, generaties-lange vloek die als een donkere wolk over hun pijnlijke bloedlijn hing, is volledig en zonder restje uitgewist uit de annalen van de tijd. De zuivere bron van alle moordende, vernietigende macht, de goddelijke, buitenaardse steen die decennialang genadeloos koninkrijken verslond en onschuldige zielen systematisch verbrijzelde, deelt hun huidige, kalme realiteit simpelweg niet langer. Het verwoestende artefact zwerft momenteel ongezien, stuurloos en volkomen machteloos in een ijskoude, duistere en vergeten leegte, gevangen op een plek ver voorbij de verste sterren. Niemand zal het ooit nog vinden.
De loodzware, duizendjarige zoektocht stopt hier definitief, in het natte, koele donker van deze grot. De taak is volbracht. De Amuletdragers zijn eindelijk, en voor altijd, vrij.
(wordt vervolgd)
- - -
Meer weten over deze verhaalreeks? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een mail te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
